Naarmate de tijd verstreek, kwamen er langzamerhand veranderingen in
de methode van zaken doen op het eiland. In plaats van zooals eerst
een afgezonderd en onbekend volk te zijn, werd hun bestaan als een
georganiseerde, beschaafde staat meer en meer over de geheele wereld
bekend, en er ontstond een levendig internationaal handelsverkeer uit
de gewoonte om producten van het eiland te ruilen tegen producten van
andere landen. Aan iederen kant van het eiland was een voortreffelijke
haven, en natuurlijk hoopte de bevolking zich bij deze plaatsen opeen
en bouwde zij er twee zeer belangrijke steden. Het middengedeelte
van het eiland daarentegen werd ingenomen door hooge bergreeksen,
bedekt met dichte wouden, waarin de reizigers, die tusschen de
beide steden heen en weer reisden, dikwijls beroofd werden van al
het goud, dat zij bij zich droegen. Om dit gevaar te voorkomen en om
de noodzakelijkheid om goud bij zich te dragen te vermijden, stelden
de menschen, die aan verschillende uiteinden van het eiland woonden,
een systeem in om geschreven orders op elkander uit te geven voor
geld, dat ieder wederkeerig belofte uit te betalen aan den persoon,
wiens naam op de order of wissel geschreven was; en daarna sloten zij
niet zelden hun rekeningen af door de eene order of betaling tegen
een andere te verrekenen. Op deze wijze werd waarde of koopkracht over
groote afstanden overgebracht op een veel goedkoopere en gemakkelijkere
wijze dan door overbrenging van het goud zelf kon geschieden; en het
was tevens een veel veiliger methode, daar de dieven geen gebruik
konden maken van de wissels, ook al kregen zij die in handen. En zoo
gebeurde het, dat de menschen op het eiland kennis maakten met datgene,
wat later bekend werd onder den naam van "wisselbrieven" [15].
Deze kunstgreep, waardoor arbeid uitgespaard en gevaar vermeden werd,
bleek bovendien zooveel practisch nut te hebben, dat men weldra op de
gedachte kwam om het grondprincipe van den wisselbrief zoodanig uit te
breiden, dat het voor ieder in het algemeen overbodig zou zijn om goud
bij zich te dragen. Voor dit doel werd een openbaar kantoor gesticht,
waar de menschen hun goud in bewaring konden geven onder toezicht van
den Staat om voor het gestorte bedrag een kaartje of reçu te ontvangen,
dat op vertoon weer in metalen munt betaalbaar was, en deze kaartjes
werden, alleen doordat iedereen wist, dat zij naar believen in goud
konden worden omgezet en dat er geen kaartjes werden uitgegeven voor
meer goud dan er in werkelijkheid gedeponeerd was, weldra als evengoed
en solide beschouwd als het goud zelf, en bovendien waren zij veel
gemakkelijker in het gebruik. Zoo ontstond het papiergeld (Engelsch:
currency van het Latijnsche currere = loopen) op het eiland en kwam
het in gebruik als een plaatsvervanger van het geld [16]. De naam, die
men aan deze reçus aanvankelijk gaf, was eerst "bank-credietpapier"
en later "bank-biljetten", maar na een poosje kregen de menschen de
gewoonte om er over te spreken als van "papiergeld". Maar deze laatste
term was, zooals iedereen moest toegeven, alleen een spreekwijze en
eigenlijk een zeer slechte uitdrukking, want ieder verstandig mensch
zag dadelijk in, dat een belofte om een artikel af te leveren of een
erkenning van de ontvangst van, of een aanspraak op een voorwerp
onmogelijk dat artikel of voorwerp zelf kon zijn: evenmin als de
schaduw van een lichaam dat lichaam zelf is, of de afbeelding van
een paard een echt paard of de geur van een goed maal hetzelfde als
het werkelijke maal.
Niettemin; als een hulpmiddel om goederen, welke dienst deden als geld,
over te dragen en om het onvermijdelijke verlies en beschadiging
van die goederen door hanteering en transport te voorkomen, was
het papieren geld een belangrijke uitvinding en daar het bovendien
altijd vertegenwoordigd, of zooals wij het mogen uitdrukken, gedekt
werd door dat artikel, dat het minst van alle dingen in waarde op en
neer gaat, namelijk goud, beantwoordde het volkomen aan het doel van
geld, zonder het feitelijk te zijn. Daardoor leverde het tevens een
nieuw doorslaand bewijs van de superioriteit van het artikel goud
om te dienen als geld of als een voorwerp van waarde om in bewaring
te geven tegen ontvangst van een reçu of certificaat van deponeering,
dat als papieren ruilmiddel gebruikt kon worden; want indien men andere
waardevolle artikelen, zooals vee, koren, kleedingstof of kool, voor
hetzelfde doel had gekozen, dan zou de Bank verplicht zijn geweest om
groote stallen, schuren en pakhuizen te bouwen om haar voorraden te
bewaren, en al werden deze artikelen nog zoo goed bewaakt, hun waarde
of koopkracht zou toch na eenigen tijd snel zijn afgenomen tengevolge
van zeer natuurlijke en onvermijdelijke oorzaken. En bovendien: de
waarde van de meeste artikelen, ook al zijn ze in de beste conditie
is door zuiver plaatselijke oorzaken doorgaans zoo verschillend,
dat een reçu voor een en hetzelfde artikel uitgegeven door Banken
om als papiergeld te dienen onmogelijk dezelfde waarde zou kunnen
hebben in verschillende plaatsen: immers de waarde of koopkracht van
een ton steenkool of een vetten os is heel wat anders bij den ingang
van een kolenmijn of op een steppenboerderij dan tien, twintig of
honderd mijlen verder. Maar de waarde of koopkracht, die een zekere
hoeveelheid goud vertegenwoordigt, variëert al heel weinig tusschen
verschillende plaatsen, en deze waarde is en blijft over de geheele
wereld zonder twijfel zeer constant. [17]