Alle ruilhandel moet evenwel in den aanvang direct van den eenen
persoon tot den anderen hebben plaats gevonden, of, zooals wij het
uitdrukken, in den vorm van goederenruil door gelijk oversteken;
door het geven van een zekere hoeveelheid van één soort artikelen
of diensten voor een overeenkomstige hoeveelheid van een ander
soort artikelen of diensten--koren voor stof, bont en huiden voor
messen of tabak, zóóveel werk om een huis te bouwen voor zóóveel
bekwaamheid om een cano te vervaardigen. Maar in deze geheele methode
van handeldrijven, die, hoewel de oudste, nog steeds in geruime mate
in zwang is zelfs onder de meest beschaafde naties, was geen plaats
voor het gebruik of de tusschenkomst van geld en bij gevolg bestond
er ook niet zooiets als een prijs, want prijs is, zooals we al eerder
hebben vastgesteld, de koopkracht van een artikel of dienst uitgedrukt
in geld.
Maar de menschen op het eiland van Robinson Crusoe ondervonden weldra,
dat er groote bezwaren verbonden waren aan de methode van handeldrijven
uitsluitend op den grondslag van directe goederenruil, bezwaren van
zulk een ernstigen aard, dat deze, wanneer zij niet werden weggenomen,
wel eens allen verderen vooruitgang in beschaving en maatschappelijke
ontwikkeling voor de toekomst onmogelijk zouden kunnen maken. De
ontdekking van dit feit vond ongeveer op de volgende wijze plaats:
Twist, die kleermaker was en een jas gemaakt had, ontdekte opeens dat
al zijn brood op was: en daar hij honger had, staakte hij zijn werk en
ging Needum, den bakker, opzoeken om een ruil aan te gaan. Het kostte
hem geen moeite om Needum te vinden, die juist bezig was zijn oven op
te stoken en die een grooten voorraad brood had om te verkoopen; maar
omdat de bakker in het bezit was van alle jassen, die hij noodig had,
weigerde hij om handel te drijven. Alleen deelde hij Twist welwillend
mede, dat, wanneer deze soms iemand ontmoeten mocht, die graan of meel
over had, hij (Needum) dien heel graag in ruil daarvoor voorzien zou
van al het brood, dat hij noodig had; maar daar de kleermaker geen
landbouwer en evenmin een molenaar was en daarom deze artikelen niet
bezat, begaf hij (Twist) zich op weg naar het andere uiteinde van het
eiland, waar een andere bakker woonde, om te zien hoe het met dezen
gesteld was op het punt van kleeren. Onderweg werd Twist ingehaald door
Pecks, den metselaar, die geen jas had en daar deze juist datzelfde
kleedingstuk noodig had, dat Twist gemaakt had, was hij opgehouden
met het bouwen van een steenen muur om den kleermaker te gaan zoeken,
aan wien hij nu het voorstel deed om een jas met hem te ruilen tegen
een nieuwen schoorsteen. Maar daar Twist al twee schoorsteenen op
zijn huis had en niets om te koken, en omdat hij dus geen behoefte
had aan een derden schoorsteen, had de metselaar al evenmin succes
met zijn poging om handel te drijven met den kleermaker, als de
kleermaker een oogenblik tevoren met den bakker had gehad. Tenslotte,
na heel wat moeite en heen en weer reizen, wat voor hem tevens een
groot verlies aan tijd en arbeid beteekende, vond Twist een bakker,
die brood wilde ruilen voor de jas en Pecks een kleermaker, die een
jas wilde geven voor een schoorsteen; en intusschen had Needum zijn
bakkerij gesloten om Diggs, den landbouwer, op te zoeken, die genegen
was om hem graan te verschaffen voor brood. Maar toen nu eindelijk al
die verschillende menschen bij elkander waren gekomen om onderling
hun producten en diensten te verhandelen, deed zich dadelijk een
nieuwe moeilijkheid voor en zulk een onoverkomelijke moeilijkheid,
dat ieder voor zich er ernstig over dacht of het niet beter was, dat
hij maar naar huis ging en probeerde om elk voorwerp voor zichzelf
te produceeren, inplaats van iets te verruilen. "Want hoe", zeiden
zij allen, "kunnen wij nu uitmaken, wat naar verhouding de onderlinge
waarde is van onze verschillende artikelen en diensten, die wij met
elkander willen ruilen?"
"Hoe kan ik weten," zeide Twist, "hoeveel brooden ik zou moeten
krijgen voor mijn jas?" "Of ik," zeide Pecks, "hoe kan ik uitmaken,
hoe hoog en breed de schoorsteen moet zijn, dien ik zal maken voor
mijn kleedingstuk?" En Diggs begon met Needum te twisten, omdat deze
laatste hem zijn geheele afbetaling in brood ineens wilde afdragen;
terwijl Diggs, wien het vooruitzicht om tot in lengte van dagen op
oudbakken en waarschijnlijk zelfs beschimmeld brood te moeten leven,
allerminst toelachte, zijn graan door den bakker betaald wilde hebben
tegen het tarief van één versch brood per dag. Wat de arme Twist
betreft, die was langzamerhand zoo gedwee geworden door den honger,
dat hij niet meer het hart had om zich te verzetten tegen het voorstel,
dat hij een karrevracht brood ineens zou krijgen in ruil voor zijn
jas, hoewel zijn huis zóó klein was, dat hij een gedeelte van zijn
"afbetaling" op zijn dak zou moeten opstapelen, waar het ongetwijfeld
door anderen dan door zijn eigen familieleden zou worden opgegeten.
Omstreeks denzelfden tijd had nog een ander veelbesproken incident
op het eiland plaats. Een man, die niets te verkoopen had dan
zijn werkkracht, had zich verhuurd om een schip te laden met
steenkool--waarvan een ader ontdekt was geworden; en na een geheelen
dag hard gewerkt te hebben, had hij als loon voor zijn diensten een
ton steenkool gekregen. Maar daar deze arbeider nu juist voedsel en
huisvesting noodig had en geen steenkool, (hoe nuttig dit laatste
artikel overigens ook mocht zijn), bleef hem niets anders over dan te
probeeren of hij zijn steenkool ook kon ruilen en dat wel zoo gauw
mogelijk om in zijn onmiddellijke levensbehoeften te voorzien. Hij
was te arm om een paard en kar te kunnen huren; daarom leende hij
een kruiwagen, dien hij met steenkool vulde en zoo trok hij er op
uit om menschen te zoeken, die voedsel en huisvesting te verkoopen
hadden. Maar al die menschen waren toevallig al ruimschoots voorzien
van steenkool; en den volgenden ochtend zag men den arbeider nog
maar steeds zijn uiterst nuttig handelsartikel onverruild door
de stad kruien, op het punt om in elkaar te zakken van honger en
uitputting. Een dergelijke ervaring deden ook enkele losse knechts
van een slager, een hoefsmid en een timmerman en den bediende van een
manufacturenzaak op, die respectievelijk voor hun dagwerk ontvingen
een schapenvel, een dozijn hoefijzers, een stuk dennenhout en twee
el rood flanel. Al deze menschen waren wegens lichamelijke uitputting
niet in staat om den volgenden dag hun werk te hervatten en zij zagen
allen ook heel goed in, dat zij er niet zoo heel veel beter aan toe
zouden zijn geweest, als ieder van hen alleen in vleesch, of alleen
in drank of in huisvesting uitbetaald was geworden, in plaats van in
steenkool, huiden, timmerhout, hoefijzers of stof.
De werklieden belegden derhalve een vergadering en namen dadelijk het
volgende besluit: "Dat, daar het systeem om een arbeider te betalen met
een hoeveelheid van het door hem geproduceerde artikel, evenveel tijd
en werk noodzakelijk maakte om zijn loon dienstig te maken aan zijn
behoeften als vereischt werd voor den arbeid zelven, waarmee hij het
voornoemde loon verdiende; het, bijgevolg, slechts rechtvaardig was,
indien de werkgevers hun arbeiders zouden veroorloven om de helft
van den geheelen werktijd, waarvoor zij betaald werden, te besteden
voor het omzetten van hun verdiensten in die artikelen, waarmee zij
in hun onmiddellijke behoeften konden voorzien." Maar de werkgevers
antwoordden hierop, dat een dergelijke overeenkomst niet alleen gelijk
zou staan met een verdubbeling der loonen in verhouding tot de directe
productie, maar dat bovendien de productie zelve daardoor tot op de
helft zou verminderen, hetgeen een algemeene schaarschte tengevolge
zou hebben, zoodat de verdere materieele ontwikkeling van het land
zeer belemmerd, zoo niet volkomen onmogelijk gemaakt zou worden.
Zoo kwam het, dat er een ernstig geschil rees tusschen de
vertegenwoordigers van den arbeid en de vertegenwoordigers van het
kapitaal, hetgeen, zooals altijd in een dergelijk geval, ontzachelijke
verliezen ten gevolge had, niet alleen voor allen, die direct bij de
zaak betrokken waren, maar voor de geheele gemeenschap.