AANTEEKENINGEN

[1] Henri deed graag aan die landelijke vermaken mee. Maar wat voor de

anderen een eenvoudig tijdverdrijf was, werd voor hem een voorwerp van

studie. Een half dozijn soorten van hommels waren algemeen bekend,

verschillend door grootte, vorm, strepen en kleur. Sommige--dat

wist iedereen--leefden onder de struiken, andere tusschen de hooge

kruiden, nog andere, vlak bij den grond, in het korte en dichte mos;

de grootste, wier blinkend zwart lichaam met goud gestreept was en

van achter sneeuwwit, graafden als echte holbewoners hun nest op drie

of vier voet onder den grond.

Het denkbeeld dat er, krachtens de theorie der geleidelijke

ontwikkeling, veel meer verschillende soorten bestaan moesten, liet

hem geen rust. Maar hoe kon hij die ontdekken en bemachtigen? Het

middel was gauw gevonden. Hij bezat een zwarten poedel, met krullend

en overvloedig haar. Men zou hem kunnen africhten op de hommeljacht

en tochten maken in de bosschen, in de heide, in de polders,

waar de jonge sportmen vroeger nooit kwamen. De proef gelukte

uitstekend en tot verwondering van zijn kameraden had onze jonge

natuurkundige weldra een twintigtal variëteiten bij elkaar, die hij

onder bloempotten bewaarde. Zal ik er bijvoegen dat hij zich haastte

er zeer wetenschappelijk en methodisch een monographie over te maken,

die hij alleen aan zijn intiemen lezen liet?

[2] De liefdesverwikkeling, waarvan de hoofdstukken een rustpunt

vormen tusschen de krijgs- en bloedtafereelen.

[3] Mijnheer, wanneer in de maand Mei de dagbladen met lof over uw

historischen roman "In 't Wonderjaer" spraken, dacht ik er in het

geheel niet aan dat ik er weldra een aangename verpoozing zou in kunnen

vinden. Ik was uiterst verwonderd toen ik er (op eenige woorden na)

mijn moedertaal in weervond met al haar zuiverheid, met haar edelen

eenvoud.... Ja, Mijnheer, ik wil het zonder aarzelen zeggen, U is er in

geslaagd, volkomen geslaagd, de taal te doen herleven, te doen smaken,

die ik in de wieg stamelde en die ik met verholen blijdschap terugvind,

nadat ik, schuldige, haar sinds 22 jaar vergat.

[4] Het portret van Conscience's bruid, op pag. 39 afgedrukt, is niet

zooals er onder staat van Bertou, maar wordt toegeschreven aan H. Leys.

[5] "Was nur in Paris an Bancroutirern, Escrocs, zweideutigen Weibern

u. s. w. zu viel war, das trat den grossen Kreuzzug nach Belgien an,

um sein Kreuz daselbst aufzupflanzen. Nach Verlauf von wenigen Jahren

sah Belgien mit Schrecken, welchen Gästen es seine Thore geöffnet."

(KURANDA. Belgien seit seiner Revolution. bl. 72).

[6] Ja, dat is wel mijn onwillekeurige manier van werken: de liefde

voor de taak, die innigheid van gevoel die trilt onder zinnen die

er gewoon uitzien, die Vlaamsche schilders-natuur die alles wat onze

pen raakt het uitzicht en de kleur geeft van een schilderij.

[7] De brandende schaapherder.

[8] In het laatste hoofdstuk van "De Loteling" vertelt Conscience

hoe hij na een onweer in een hoeve moest vluchten. "Na eene korte

wyl was ik reeds met deze goede menschen gemeenzaem en ik koutte

met hen als een lang gekende vriend. Des namiddags nuttigde ik met

hen het voedzame roggenbrood en dronk den koffy der gastvryheid. En

alzoo ik voor alsdan niets beters te doen had, dan te luisteren op

de aerdige dingen die de man met éen oog en zyne vrouw my vertelden,

was het eerst des anderendaegs 's morgens dat ik de hoeve verliet.

"Wat ik U in deze geschiedenis verhaeld heb, lieve lezer, vernam ik

dien avond op de eenzame hoeve, die eertyds slechts uit twee leemen

hutten bestond, doch nu eene schoone boerdery met vier koeijen en

twee peerden geworden is."

In een nota verwijst hij zelf naar de titelplaat.

Hendrik Conscience, zijn persoon en zijn werk · 第 21 / 21 题