Een brief van 1838 van Conscience aan Snellaert begint: "Terwyl ik aen
uw dienstwilligheid, en aen de schoone toekomst onzer altyd groeiende
letterkunde dacht,.." en in een kunstkritiek die hij een jaar vroeger
voor een Antwerpsch nieuwsblad schreef, verontschuldigt hij zich over
zijn groote toegevendheid voor jonge schilders, en dat hij over hen
zooveel heeft gesproken als over oudere en meer verdienstelijke. Het
was "tot het aenmoedigen dergenen die eens groot kunnen worden."
Als jongen liep hij te droomen en bouwde vroeg kasteelen in de
lucht. "Hendrik de droomer" wordt hij genoemd in talrijke pamfletten en
artikels, die tusschen '45 en '51 tegen hem het licht zien. "Conscience
l'innocent" noemde hem Dumas père, die een roman met dien titel schreef
waarin hij de figuur van Conscience en diens schoonste schepping,
"De Loteling," tot een enkele versmolt. De meeste zijner verhalen
zijn de verheerlijking van een onvergankelijke liefde. Lena uit
"Rikke-tikke-tak" is zelfs metaphysisch aangelegd en houdt kalme
gesprekken over lijdzaamheid met den jongen boer die haar bemint.
Weinigen hebben zoo onophoudelijk hun doel vervolgd als Conscience. Het
zijne was de vorming van een geheel volk, naar een oerbeeld dat
hij in het verleden had meenen te erkennen. Dit streven was in hem
vergroeid; vaderlandsliefde, naastenliefde, verdraagzaamheid lichten
niet enkel uit elk van zijn daden, maar ook in zijn werken worden ze
door elkaar gevlochten. Hun gedurig samengaan werd tot een temperament,
waardoorheen hij de natuur beschouwde. Strekking blijft niet langer
willekeurig, maar bijna onbewust, omdat ze een factor werd van het
zieleleven van den schrijver en dus noodzakelijk van zijn werken.
Als in "Eenige bladzyden uit het boek der natuer" een gevecht
tusschen mieren beschreven wordt, komen de woorden "Heldenmoed" en
"Vaderlandsliefde" er bij te pas. Een bijzondere atmosfeer hangt om
Conscience's romans, die zijn leven in strijd voor zijn vaderland heeft
doorgebracht, waarin zulke woorden nooit vreemd en ongewoon klinken.
Heeft toch niet elke mensch den drang in zich om zijn broeders tot
eigen levensbeschouwing over te halen? In de kindsheid der Vlaamsche
letterkunde mogen de middelen eenigszins grof geweest zijn, zoodat ze
opvallen aan iemand die van buiten af haar producten nadert, maar een
bekoorlijke naïeviteit en fijne gevoeligheid omgeeft hen soms met een
bijzonder schoon, dat hem ontwapent. Leergierigheid van een jongen
knaap--in casu den schrijver zelf--wordt in het "Boek der natuer"
herhaaldelijk geprezen met nagenoeg dezelfde woorden: "De grysaerd
hief het hoofd op en glimlachte als verheugd over myne vraeg."
In 1860 zond Conscience aan zijn vriend en beschermer de Decker
een nieuw werk, en schreef hem: "Het is getiteld: Het yzeren graf,
en stelt de treffende levensgeschiedenis van eenen Antwerpschen
beeldhouwer voor. De grondgedachte ervan is het eindeloos geloof in
een beter leven na den dood."
De voorrede van het "Boek der natuer" is als zooveel andere
een belangrijk document voor de kennis van Conscience en voor de
geschiedenis van Vlaanderen's herleving. Hij schrijft erin, dat hij
"moest aenvangen met den sluimerenden leeslust onder de Burgers op te
wekken door treffende en belangryke tooneelen, en de vaderlandsliefde
aenvuren door het verhael van de daden des voorgeslachts." Door den
"Wonderspiegel der natuer"--waarvan alleen de "Eenige bladzyden" werden
voltooid, wou hij de te nauwe sfeer van de letterkunde uitbreiden,
den rijkdom aantoonen van de Nederlandsche taal--wij hebben hem op dat
gebied gevolgd,--en tevens een gunstigen invloed oefenen op landbouw
en volksnijverheid.
Het "Boek der Natuer" verscheen in '46. Verscheidene geschiedkundige
werken en "zedeschetsen" hadden toen reeds het licht gezien, waarvan
"De Leeuw van Vlaenderen" de voornaamste poging was. Dit werk,
dat misschien meest van alle tot zijn roem, althans in Vlaanderen,
heeft bijgedragen, lijkt ons mislukt. Het werd in minder dan
een jaar ontworpen, geschreven en gedrukt--men weet in welke
omstandigheden. Conscience had zich gedokumenteerd, korrespondeerde
over wat hem onduidelijk was met een paar geleerden, bezocht Brugge
en het slagveld van Kortrijk, maar gunde zich den tijd niet om de
opgedane stof te laten bezinken. Geschiedkundig inzicht had hij
niet verworven. Liever streelde hij de eigenliefde van den lezer,
met klinkende volzinnen over Vlaanderen's grootheid: het werk is éen
verheerlijking van de vrouw en van de volkshelden uit den grootschen
strijd. De koorts van de dagen der revolutie, niet gansch vergeten,
trilt na in het gekletter van schilden en van wapenen. Een roman is
het niet geworden, maar ten slotte alleen een vaderlandsch pamflet, dat
indrukwekkend sluit: "Gy, Vlaming, die dit boek gelezen hebt, overweeg
by de roemrijke daden welke het bevat, wat Vlaenderen eertijds was,
wat het nu is, en nog meer wat het worden zal, indien gy de heilige
voorbeelden uwer vaderen vergeet."
Wat hem rechtstreeks trof kon hij beter weergeven. Zijn werk
weerspiegelt het kleinburgerlijk Antwerpsch leven. De Schelde was
weer onvrij geworden. De stad breidde zich niet uit, het leven was
kleinsteedsch. Aan onbeduidende gebeurtenissen wordt in de dagbladen
een overdreven belang gehecht. Men krijgt den indruk alsof het kletsen
van een zweep, ver in den polder, op de baan, in haar stille straten
gehoord wordt.
In "Het Antwerpsch Nieuwsblad" van 1837 wordt verslag gegeven over
"Een hertroerend vertoog dat vóorleden Zondag heeft plaets gehad by
den Oever alhier:
"Eenen ouden gedienden der fransche legers, nog met den uniform
van dat land gekleed, geboortig van onze stad, was na zyn vaderland
teruggekeerd. By den Oever gekomen, ontmoette hij aldaer eene oude
vrouw, die hem schéen te willen erkennen voor haeren zoon; zy riep hem
toe met den naem, en, ô verbaesdheid! het was haer kind. Den zoón,
welken men misschien in Afrika of in Spaenjen meende gesneuveld te
zyn, vloog in de armen zyner moeder, en zy omhelsdde elkander met zulk
eene uytstorting van tranen, dat alle de omstaenders er ten hoogste
doór bewoógen werden. De moeder en zoón begaven zich gezamentlyk naer
het vaderlyk huis! Dezen braeven krygsman kwam laestelyk uyt Spaenjen;
zynen naem is Anthony en zyne ouders woonen in de Ridderstraet binnen
deze stad."
Tweemaal heeft Conscience een dergelijke gebeurtenis in zijn verhaal
geweven: "Rikke-tikke-tak" en "Blinde Rosa" berusten op zulk een
onverwachte terugkomst. Hij deelde geheel in het sentiment van zijn
stad- en tijdgenooten.
Naar het uiterlijke kunnen we de stad niet beter leeren kennen dan in
een weinig bekend boekje, een reisbeschrijving van den Hollander Van
den Bergh. De auteur geeft blijk van geest en opmerkingsvermogen; zijn
werkje is zonder literaire pretenties geschreven. Over de Antwerpsche
bevolking heet het:
"Daar geen kunst de natuur kan overtreffen, noodig ik u uit, een oog
te slaan op dit viertal, hetwelk daar in een der zijkapellen ligt
neergeknield: het is of de geheele kleederdracht van België op de
voetbankjens vertegenwoordigd wordt. Ziet gij dat jonge meisjen,
omhuld met die zwarte falie, dat "katholieke zinnebeeld," en de
vertegenwoordigster der voormalige Spaansche heerschappij, naast
die oudere vrouw, wier huif, die gij kent door de afbeelding van
Annemie uit Consciences "Hoe men schilder wordt," u het Braband voor
den geest roept, zooals het was onder de Oostenrijksche monarchie,
en welke muts nog zal blijven leven door de schilderijen van Teniers,
als ook de vrouwen even als de mannen hier de schilderachtige kleeding
van vroegere dagen zullen hebben afgelegd voor den demokratischen
kiel, zoo als er dien grijsaard een bedekt, die nevens haar zijn
rozenkrans aftelt, terwijl hij geflankeerd wordt door een zoon
van het jonge België, dien gij zoudt groeten voor een Parijschen
lion. Al had Bosboom een zijner kerken willen opluisteren met de meest
kontrasteerende figuren--hij zou ze niet beter hebben kunnen kiezen,
dan het toeval ze hier aan onze oogen ter beschouwing geeft."
Wat er schilderachtig was en eigenaardig in leven en gewoonten van het
mindere volk--het volk waar Conscience meê vertrouwd was--genoot hij
als een artist en beschreef het meesterlijk. Vele bladzijden uit "Hoe
men schilder wordt," "Het geluk van ryk te zyn" en andere Antwerpsche
verhalen geven met al hun kleur en geur het leven uit straatjes en
stegen weer. "De Geest," een proeve van Antwerpsch dialect, is een
synthese van volksvertelkunst, zooals Conscience ze ongetwijfeld zal
hebben geoefend vóor hij aan schrijven dacht.
Maar als Vlaamsch- en volksgezinde, gekant tegen Franschen invloed,
invloed van de taal die zelfbewustheid en eigenliefde schaadde,
invloed van zeden die met de raseigenaardigheid niet te vereenigen
waren, kon hij niet anders dan reageeren op wat in de bestaande
toestanden op verwording wees. Het wezen dat hij lief had werd
veranderd. In uitzicht zooals we zagen, en onvermijdelijk ook in het
innerlijke. Voor het oppervlakkige van de gevolgen der revolutie was de
reactie vrij algemeen. Het teveel aan ongewenschte gasten dat zich in
België had gevestigd, werd door het volk met den naam "Fransche ratten"
bestempeld. Zelfs vreemdelingen merkten den ongewonen toestand op. [5]
Maar een diepere nawerking werd door een kleine minderheid opgemerkt
en te keer gegaan. Uit "De Roskam," het blad van Conscience en zijn
vrienden, ware een bloemlezing te maken van schetsen als de volgende:
"Het was zoo een mamselleken, zoo als er nu maer al te veel zyn,
dat met wat lintjens en strikskens à la mode de Paris gekleed ging,
zoowat fransch wist te radbraken, dikwijls grillekens en migraintjes
had, den reuk van de keuken niet kon verdragen, en het huis op meissens
en knechts liet afloopen."
Conscience was van geringe afkomst en het lot heeft hem niet uit
zijn nederigen kring geheven, vóór hij al lang gevormd was. Wel
verkeerde hij eenige maanden na zijn optreden reeds af en toe in
hoogere kringen, maar zijn maatschappelijke positie liet hem niet
toe een meer dan uiterst nederig leven te leiden. Hij bleef bij
uitstek de schilder van het kleinburgerlijke. Alle verzuchtingen, alle
vreugden en leed van die menschen werden in zijn werken weerspiegeld,
die een schat kunnen worden voor de ontwikkelingsgeschiedenis van de
burgerlijke cultuur. Als hij niet trachten wil om andere onderwerpen,
romantisch-fantastische of historische, te ontwikkelen, treft hij
den toon. Niet enkel de beide verhalen, waarvan we vroeger spraken,
maar onder meer nog de vertelling van het oudje, in "Rikke-tikke-tak,"
die een jongen kerel van een ledigen wagen meê naar haar hoog kamertje
heeft genomen, waar hij nu slaapt, en het schrijven van den brief in
"De Loteling," met zijn langdurige en ingewikkelde preparatieven,
zijn niet te overtreffen.
Met hart en ziel wil hij het volk helpen. Om het zijn didaktiek
gemakkelijk te maken, daalt hij af in de sfeer zijner denkbeelden. Hij
gebruikt vergelijkingen uit hun onmiddellijke omgeving. In een
rede "Over de zending der vrouw," die op een liefdadigheidsfeest
werd uitgesproken, herinnert hij aan gebeurtenissen uit den tijd
van de omwenteling: "Het was in 1830, in den akeligen nacht van
het bombardement. De Kloosterstraet, de kerk van St. Michiels, de
koninklyke handelstapel, stonden in volle vlam. Het vuer golfde als
eene woedende zee, over een gedeelte der stad, en verwde den hemel
met de bloedroode toonen der verdelging." Zoo vindt hij beelden die
ieder om zich heen kan voelen op het oogenblik van het gesproken woord.
Hij is zijn eerste aandoeningen getrouw gebleven. In de "Geschiedenis
mijner jeugd" verhaalt hij, hoe de liefde voor een vrouw voor 't eerst
door een arm kind in hem ontstoken werd. Hij had als zwervend soldaat
een onderkomen gevonden op de heide. Den ganschen avond voordat hij
slapen ging had hij verteld. Hij was ziek en zeer vermoeid aangekomen.
"Toen ik beneden kwam, vond ik den koffy op de tafel staen en de
goede lieden, die op my hadden gewacht om te ontbyten. Myn blik viel
op het meisje; zy lachte my eenvoudig doch zoo minnelyk toe, dat ik
het hoofd boog en schaemrood op myn voorhoofd voelde klimmen."
"Zy was my vriendelyk en nam my by de hand wanneer zy my ter tafel
wilde roepen; en als het schaemrood myne wangen kleurde, glimlachte
zy met schuldelooze vryheid."
Hij dacht niet na wat zijn gevoel beteekende. Alleen wanneer hij
met zijn regiment vertrekken moest, werd hij "nog dieper ontroerd"
als hij "verder zich omkeerende, het droeve Bethken tegen een huis
met den voorschoot vóor het aangezicht zag staen."
Waarachtige en algeheele sympathie voor de minsten onder het volk
vormt, met zijn gevoel voor natuurschoon, het wezenlijk oorspronkelijke
van zijn kunst: datgene wat hem 't leven waard maakte geleefd te
worden. Hij beschrijft een nacht, waarin het zoo schrikkelijk begon
te waaien, "dat er een heel stuk uit den leemen muer vloog. Janneken
en Mieken kropen nog dichter bij een en trokken het hooi over hun lyf;
maer de wind, die in het huis sloeg, was zoo koud en zoo scherp dat de
twee onnoozele schaepkens al gauw versteven waren van de koude. Als
het licht geworden was kwamen ze bevend uit het hooi gekropen en ze
vonden hunne arme moeder by de schouw met de koorts op het lyf zitten
weenen, dat de tranen van haer aengezigt rolden."
Het leven van een arme koewachtster vormt het eerste deel van een
landelijke novelle, "Rikke-tikke-tak." Wanneer 's morgens ieder zijn
deel van het brood kreeg, werd Lena alleen benadeeld. Doch "haer oogen
klaegden niet over de wreedheid der pachteresse." De geschiedenis
van haar liefde is een van Consciences schoonste scheppingen.
Wij weten hoe zwak Conscience was, hoe zeer hij behoefte had aan
klaarblijkende liefde, hoe weinig karakter hij dikwijls toonde in
ongunstige levensomstandigheden. Tusschen de Antwerpsche schrijvers,
in den tijd van de "romancen" en de opkomst van de romantische
schilderschool, was hij zeker de meest vatbare voor de weeke gevoelens
van de romantiek. Toch onderscheidde zijn sentimentaliteit zich niet
van die zijner medeburgers. Wanneer hij in de jaren '40 met een ander
bekend letterkundige den jongen schrijver Zetternam was gaan bezoeken,
die te Antwerpen in de kazerne lag, en met hem over het boulevard
ging wandelen, barst Zetternam daar in tranen uit "omdat zij hem
hunner niet onwaardig achtten."
Wanneer we zijne omgeving eenigszins kennen, en de dagelijksche
producten--in almanakken en dagbladen--van hare letterkunde, worden
we niet langer gehinderd door Conscience's smachtende gestalten,
wier "blauwe oogen en lange blonde haren op (hun) wezenstrekken een
stempel drukken van goedheid en van zoete gevoelens."
Wilskracht werd dweepend misbruikt. Boven zijn vrienden stak nog
Conscience uit, die door de menschen welke buiten den stroom van den
strijd meenden te staan en ook wel eens--minder kwaad bedoeld--door
zijn vrienden, zelve de "droomer" werd genoemd. Te vergeefs zoeken
we in zijn romans de ontwikkeling van--, en de beheersching, de
overwinning van omstandigheden, dóor--een karakter. We zien ook
geen onderlingen strijd tusschen verschillende karakters, dus geen
intrigue. Wel lijdzaamheid, en afwisseling van leed en vreugde, die
de verhalen vult en den gelukkigen afloop in al zijn heerlijkheid
genieten laat.
Het gelukkig toeval hakt den Gordiaanschen knoop door die niet door
de personnages zelve wordt ontward. In "Een 0 te veel" wordt een
braaf en arm koopman onverhoopt rijk gemaakt door een vergissing--een
0 te veel--in het cijfer van zijn bestelling. In "Hoe men schilder
wordt" wordt een familie in den uitersten nood gered door den verkoop
eener schilderij. De held van het verhaal waagde een laatste poging
door zijn stuk naar een tentoonstelling te zenden en heeft het vast
besluit genomen de kunst vaarwel te zeggen, zoo hij niet slaagt. Heeft
Conscience niet eenzelfde crisis doorgemaakt? Treffender is echter
de overeenkomst met een verdienstelijk beeldhouwer uit dien tijd,
die naar den "prijs van Rome" dong en aan zijn vrienden meêdeelde, dat
hij zich voor het hoofd zou schieten als hij niet bekroond werd. (Hij
haalde den prijs en bleef voor zijn land bewaard).
Dit is geen kunst die uit het alledaagsch werkelijk leven groeit, omdat
het alledaagsch leven zelf onwerkelijke verzuchtingen had. Niet alleen
grijpen de personages weinig in in hun eigen levensloop, zij doen soms,
om de ontknooping te vergemakkelijken of hun schepper te voldoen,
zeer onverwachte daden. De strenge kolonel uit "Rikke-tikke-tak,"
die bij verrassing een bedelaar in zijn salon heeft binnengelaten,
welke de hartsvriend van zijn kwijnende dochter blijkt te zijn,
verhindert niet dat deze een schrijnende liefdesverklaring doet aan
het verschrikte kind.
En in al de werken treft het, dat niet alleen het karakter van de
personen, maar ook de uiterlijke zijde ervan, hun manieren, hun
graad van opgewektheid, melancholie, stoutheid, vriendelijkheid,
de zelfde blijven van het begin tot het einde. Geen die, door
levensomstandigheden, minder goedhartig wordt of hardvochtig, tenzij
het in de bedoeling van den schrijver lag, den toevallig booze
door het gewicht van zijn ondeugd zelve te laten omslaan tot zijn
tegendeel: zoo zweert baas Gansendonck na den dood van zijn kind zijn
hoogmoed af. Allen zijn zij eenvoudig braaf of kwaad. Zij zijn zooveel
personificaties van gemoedstoestanden: knorrigheid, edelmoedigheid,
eerzucht. De kleur van hun verschijning is bestendig. Daarom merkt
men minder dit gebrek aan innerlijke actie in de kleinere novellen of
"zedeschetsen."
Een typisch voorbeeld is de "arme edelman." Bij het begin van het
verhaal is hij reeds verarmd. Met groote moeite kan hij zijn stand
ophouden. In het laatste deel van den roman leeft hij met zijne dochter
op een zolderkamertje in een verre stad; het meisje naait. Nochtans
blijven hun kleederen zindelijk en "wat zy ook hebben gepoogd om hunnen
vorigen staet en afkomst te verbergen, er blyft in hunnen gang, in
de wyze zelfs van de kleederen te dragen, iets onverklaerbaers dat
toch duidelyk van een uitgelezen opvoeding spreekt."
De details waar zich 's schrijvers liefde aan hecht zijn weinig
talrijk. Evenwel, in hetzelfde werk zweeft zijn verbeelding, wanneer
de geschiedenis naar zijn voorliefde onder de open lucht gebeurt,
rond eenige voorwerpen, die in de sensatie, welke de beschreven
handeling ons moet geven, zooveel deel hebben als de accessoires op
de schilderijen van oude binnenhuisschilders. Voor het aangepaste
en veel verduidelijkende decor wordt de logiek, de wetenschappelijke
ontwikkeling van een passie, een leven, verwaarloosd.
Zoolang de arme edelman nog op zijn hof vertoeft, gebeurt er alles,
behalve een paar scènes, in den tuin. Zijn dochter en eenig kind
dwaalt droomend langs de struiken.
"Eindelyk naderde zy tot eene plaets waar een hooge Katalpa-bosch
zyn takken als een breede scherm over het pad uitstrekte en
nederboog. Daeronder stond eene tafel en twee stoelen. Een boek,
een inktstand en eenig borduerwerk getuigden, dat de maegd hier nog
onlangs had gezeten en gearbeid.
"Nu ook liet zy zich op eenen der stoelen nedergaen, nam beurtelings
het boek en het borduerwerk in de hand, liet beide weder vallen, en
legde welhaest, onder wegvoerende gepeinzen zwichtend, haer schoon
hoofd op den arm neder, als iemand die afgemat is en rusten wil."
Als haar vader met groote onrust genoodigden verwacht, waarvan éen
misschien zijn schoonzoon wordt, gaat zijn dochter hem zoeken. Hij zit
"met een boek in de hand onder den Katalpa-bosch" en schijnt te lezen.
Het meisje tracht haar minnaar, na een kleine wandeling achter het
huis, te overtuigen dat hij van haar moet afzien. Hij steekt de armen
naar haar uit, terwijl zij poogt afscheid te nemen. Dan legt hij het
hoofd op de tafel en weent. Wanneer hij eindelijk gedwongen wordt op
reis te gaan, en misschien voor goed haar moet verlaten, "scheen zy
verpletterd en zocht met bevende hand naer eenen stoel. Weldra zonk
zy krachteloos ineen op den zetel, legde het hoofd op de tafel en
verzonk in eindelooze smart, terwyl hare tranen als een stroom over
hare handen vloten."
Worden werking en wederwerking, invloed en opstand van karakters
daardoor voorbijgezien, de tweespalt tusschen vooroordeel en
openhartigheid, de weerstand van liefde tegenover den tijd vormen het
geraamte van de romans. Abstracte intrigues dus, wazig, onbestemd,
en die aan de voorliefde van den schrijver vrij spel laten. Als nu
iemand een meisje, rustend onder het oog van haar ongelukkigen vader,
aldus beschrijft: "de Katalpa-bosch had vele zijner bloemen op haar
hoofd laten dalen en hare rustplaats met sneeuwwitte kelken bestrooid;
zij droomde nog immer voort; de zware haarlokken lagen verward rond
hare wangen,"--hoe kan hij dan zijn verhaal droevig laten eindigen? De
vader noch de dochter hebben ooit iets misdaan; de dochter koestert
"groote liefde voor een bevallig jonkman" en is ons dus daardoor reeds
sympathiek. Conscience blijft dan ook zichzelve, en in de ontwikkeling
zijner geschiedenissen den toonaard zijner beelden getrouw.
Zijn goede dingen zijn enkel een afspiegeling van wat hij zag
en wat hem deed mijmeren. De verhalen van zijn vader, zijn eigen
gewaarwordingen en wat nog dagelijks gebeurde--wat er b.v. "bij den
Oever" in 1837 voorviel--zijn in verscheidene verhalen weergegeven.
Zijn beste werk is daarom misschien "De Loteling." Het herinnert aan
zijn eigen wedervaren op de heide, wanneer hij ziekelijk rond zwierf,
en aan de menschen, die hij er ontmoette.
Bij een eenzamen boschkant in de donkere heide wonen twee kleine
families. In de eene hut, moeder en dochter, in de andere een
vrouw met twee zonen, waarvan een nog een kind en de andere bijna
een man is, en haar ouden vader. Deze twee gezinnen vormen eene
kleine gemeenschap. De jongelieden hebben zich in stilte verloofd:
een liefde, die ongelukkig dreigt te worden, want Jan moet naar de
kazerne. Hij is reeds eenigen tijd vertrokken en omdat hij niets van
zich laat hooren, schrijft het meisje hem een grooten brief. Na lang
wachten ontvangt zij het antwoord: Jan is blind geworden. Zij zegt de
waarheid niet geheel aan die achterblijven en gaat hem zelf bezoeken
in de verre garnizoenstad. Zij trekt te voet de Kempen door, vier lange
dagreizen, en mag hem naar huis leiden. Door een onverhoopte genezing,
dicht bij huis, die in hare doeltreffendheid bovennatuurlijk schijnt,
wordt het eenvoudig verhaal besloten.
Mooi en bekend genoeg is het schrijven van "den brief aan den
loteling." Het essentieele echter is de tocht van den blinde met
zijn geleidster.
"Het was nog stikkend heet, alhoewel de schaduw der boomen zich reeds
aanzienlyk op den grond verlengde; boven heide en velden wiegelde
nog de glasachtige zomerwasem; geen windje lispelde in het loof;
de vogelen zaten hygend en stil in het roerloos gebladerte; alle
natuerstemmen zwegen; zooverre het oog reikte, kon men mensch noch
dier bespeuren: de aerde scheen van afgematheid ingesluimerd.
Tegen den boord eener eenzaeme baen, overlommerd door de takken van
het eiken schaerhout, lag een soldaet met het hoofd op zynen ransel
te slapen. Zyne voeten waren naekt: de schoenen stonden er by.
Eene jonge boerin zat nevens hem en hield haren kommervollen blik op
hem gevestigd, terwyl zy, in de diepste stilte, met een berken rys
hem de vliegen van aengezicht en voeten keerde.
De soldaet lag op een bed van wilden Thym; het geurde rond hem in
zoeten balsemdamp. De lieve Veldklok boog hare bellekens over zyn
voorhoofd; lager, aen zyne voeten, hief de hemelblauwe Gentsiane hare
prachtige kelken tot hem op."
Wanneer Jan ontwaakt is en ze verder gaan, trekt hij den stok bij
waaraan hij wordt geleid, vat de hand van het meisje en begint over
zijn ongeluk met aarzelende woorden te spreken. Hij wil niet, dat ze
zich met hem verbinden zal, maar durft zijn gedachten niet zeggen. Hij
spreekt eerst mistroostig, toont zich eindelijk gelaten en laat zich
een onverschillig woord ontvallen.
"Sterven?" zegt het meisje. "En gij denkt zeker dat ik u zal laten
sterven? Wat meent gij wel? Spreek maer wat klaerder: ik kan die
duistere woorden niet verdragen! En zoo wil ik niet blyven gaen. Zit
hier wat tegen den weg, tot dat die leelyke dingen uit uw hoofd
zyn." Zy leidde den blinde by den boord der baen, zette zich met hem
op het schrale gras neder, wierp den ransel af en sprak: "Laet hooren,
Jan, zeg het maer in eens af, wat gy meent."
Jan laat zich overpraten, hij zwijgt en volgt met het hoofd gebogen.
Het zuiverst voorgesteld--in woorden, die bij den inhoud passen en
niet vreemd klinken in den mond van het boerenmeisje--is het verhaal
van een droom, die hem tot hopende liefde moet opwekken. Zij sliepen
den vorigen nacht in eene hoeve.
"De pachteresse--dit goed mensch, God zal het haer loonen--had
my op een klein kamerken te slapen geleid. Als ik nu alleen was,
ging ik op myne knieën zitten bidden voor de Onze Lieve Vrouw,
die daer op de schouwplaet stond. Ik weet niet hoe lang ik op myne
knieën bleef zitten; maer als ik opstond draeide myn hoofd en ik
was byna van myne zinnen; zoo scheen het my ten minste. De maen was
ondertusschen opgegaen en zy scheen zoo helder door het vensterken,
dat myne kamer er overal blauw uitzag en heel vreemd. Ik hield myn
voorhoofd tegen de ruiten om myne hersenen wat te verkoelen, en ging
dan half gekleed op het bed liggen om 's anderendaegs vroeg gereed te
zyn. Maer ik kon toch niet slapen; want de maen scheen juist in myne
oogen en ik was als geplaegd om naer dien man met zynen mutsaerd te
zien, die erin staet. Of ik dan eindelyk toch in slaep geraekt ben,
kan ik niet zeggen; maer het moet toch wel zyn, want hoor eens wat my
dan overkwam.--Op eenen keer kreeg de maen eenen mond en allerschoonste
blauwe oogen, en zy begon te blozen gelyk eenen appel, en zy lachtte
my zoo vriendelyk toe dat ik er zuiver van ontsteld werd. Van myn
leven heb ik geene vrouw gezien met zulk schoon en minnelyk wezen;
want, als er zulk eene op de wereld was, de menschen zouden er zeker
op hunne knieën voor gaen zitten. Ik geloof het wel: luister maar
eens voort.--Allengskens groeiden er armen aen de maen en een lang
kleed met groote gouden bloemen; op haer hoofd stond eene zilveren
kroon van zeven blinkende sterren. Op haren arm droeg zy een kind,
schooner nog dan de engeltjes in den hemel. En, och God, Jan, het was
de Onze Lieve Vrouw van de schouwplaet, die levend was geworden, en,
met Onzen Lieven Heer op den arm, daer in de lucht mij toelachte en
teekens deed.... Nu nog al aerdiger! Hoe gy in myne kamer gekomen
waert, weet ik niet, maer gy zat op eenen stoel by het venster,
en met uwe blinde oogen zaegt gij Onze Lieve Vrouw toch ook: want
wy vielen samen op onze knieën en staken de armen achter de ruiten
omhoog, alsof wy de Moeder Gods aenriepen. Daer komt zy eensklaps
stillekens, zoetjes naar beneden, al digter en al digter, en dwars
door de ruiten, tot in de kamer. Zy zegt iets aen het kindeken Jezus,
en het kindeken raekt u met den vinger aen de oogen, en gy, Jan, gy
roept met uiterste blydschap "ik zie! ik zie!" Ik was er, och arme,
zoodanig van getroffen, dat ik in mynen slaap opsprong en byna van
het bed rolde.... en het was niet waer! Ik had het maer gedroomd; want
de maen stond nog, met den man erin, aen den hemel te schynen, en het
Onze Lieve Vrouwenbeeld stond nog stil en gerust op de schouwplaet...."