En nu ben ik aan het einde van mijn verhaal gekomen. De vacantie is om
en de jongens gaan naar de H.B.S. of Gymnasium.
Er komt nu een heel andere tijd voor ze, Ambro heeft dit zeer goed
gevoeld. Er moet stevig gewerkt worden en er kunnen geen heele middagen
meer besteed worden aan schelmenstreken.
Ik zou jullie nog heel veel van ze kunnen vertellen, misschien laat ik
ze nog wel eens als H.B.S.-sers voor jullie verschijnen.
Op dit tijdstip, dat is dus vijftien jaar na den tijd waarop ze hun
jongensstreken uithaalden, zijn ’t allen deftige mijnheertjes geworden.
Maar wacht, ik zal de film even laten draaien, net als bij het begin
van mijn boek, dan zien jullie mijn helden weer levensgroot op het doek
verschijnen.
Rrrrrrrr... zegt de motor, wacht even, hij weigert... rrrrr...
Kijk, zien jullie dien heer, deftig in het zwart met hoogen hoed op en
een portefeuille onder den arm, die daar juist het Gerechtshof verlaat.
Dat is Puckie!
Een coupeetje op luchtbanden rolt aan.
Er uit stapt een slanke jongeman.
Het is Paul, nu een zeer bekende kinder-arts met drukke praktijk.
Rrrrrrrr..... de Rotterdamsche Beurs.
Tusschen een troepje druk pratende heeren, loopt Karel, hij is een
gezeten graanhandelaar geworden.
Nu gaan we ver weg..... de film voert ons naar Indië.
Zie je dien heer, die daar in een langen rieten stoel in de voorgalerij
van zijn huis een fijne manilla rookt?
Dat is Wim, hij is ingenieur.
We gaan terug naar Holland. Een groot kantoor in Amsterdam.
Er zitten eenige heeren aan groote bureaux te schrijven.
Een van die heeren staat voor het raam, hij kauwt peinzend op zijn
penhouder en tuurt naar buiten.
Het is Chris, hij is candidaat-notaris.
Nu zijn we aan boord van een groot schip. Over de verschansing leunt de
eerste stuurman.
Hoe kranig staat hem zijn uniform, en hoe pienter kijken de levendige
oogen onder de stuurmans-pet uit.
Het is Piet.—Nu kan hij z’n lust tot avonturen bot vieren.
Florence.—Het is midden-zomer.
Voor een van de groote café’s op de Piazza del Duomo zit een jonge man.
Hij heeft een schetsboek in de hand en maakt kleine krabbels van de
voorbijgangers.
Nu kijkt hij op.
Waar hebben we dit vroolijk, open gelaat meer gezien.
Halo! ’t Is Ambro. Hij is om studies te kunnen maken naar Italië
vertrokken.
Hij is onveranderd, de hoofdman van het Hol van Kaan.
Z’n oogen staan nog even overmoedig en brutaal als vroeger. Hij zal
zijn weg wel vinden door ’t leven.
Zoo—nu hebben jullie mijn helden een voor een teruggezien, allen als
welgestelde burgers.
Er is niet één mislukt van het aardige jongenstroepje. En ik denk, dat
ze allen nog wel eens met weemoed terugdenken aan de heerlijke
onbezorgde dagen van