De blijde dag is daar.—Wim Bolk komt terug.
Zijn zes makkers staan op het perron en wachten op den trein.
„Hij is te laat,” zegt Chris ongeduldig.
„Weet ie, dat we er allemaal zijn?” vraagt Paul.
„Neen, daar weet ie niks van,” is Ambro’s antwoord.
„Ik heb hem wel geschreven, dat ik hem zou afhalen.”
„’t Duurt lang,” bromt Puckie.
„Kwam ie nou maar.”
„Zou ie z’n puist nog op z’n neus hebben?” vraagt Piet.
„Ik zie hem,” roept Ambro verheugd.
„Z’n puist?” vraagt Piet nog, maar de trein is in aantocht en rolt met
donderend geweld de stationskap binnen.
Een hevig gekrijsch en gepiep van de assen en de trein staat snuivend
en dampend stil.
„Jonge, jonge, wat een menschen! Goed uitkijken, knullen,” zegt Ambro.
„Laten we ons verdeelen ieder bij een uitgang,” stelt Karel voor. En
juist wil het troepje zich splitsen, als Puckie hard schreeuwt:
„Ik zie ’m, daar heb je ’m, daar heb je ’m!”
Wim heeft de jongens nog niet in de gaten. Hij nadert langzaam,
schuifelend achter de dichte menschen-massa aan.
Ambro begint luidkeels signalen te geven, seinen, die alleen bekend
zijn bij de rooverbende. Hij wordt berispt door een hoofd-conducteur,
die hem verbiedt zoo’n lawaai te maken.
Maar Wim heeft de krijgskreten gehoord en rekt zijn hals uit, om te
zien waar het bekende en geliefde signaal vandaan komt.
Ja, daar zijn ze, hij ziet ze staan z’n oude makkers, alle zes, wat een
verrassing! Hij had wel over de hoofden van de menschen heen willen
springen om maar vlug bij hen te zijn en hij geeft een mijnheer voor
hem hevige duwen in den rug om hem aan te sporen wat vlugger op te
schieten.
Zijn ouders komen een heel eind achteraan, ze vinden echter best, dat
Wim vooruit holt, want ze hebben de bende herkend, die hun zoon komt
verwelkomen en kunnen zich nu zijn ongeduld best voorstellen.
Eindelijk is hij bij hen en komt aan ’t handen schudden schier geen
einde.
Dan zoeken de jongens naar woorden om hem toch maar te laten zien hoe
blij ze wel zijn, dat de oude makker terug is.
„Adi Wim,” gilt er een. „Hallo jong!” en dit gepaard met een stevigen
slag op z’n schouder.
En Ambro, die oorspronkelijk van plan was geweest, uit naam van de
bende een korte welkomstrede uit te spreken, is deze geheel vergeten en
doet nu niets dan om Wim heen dansen als een hond die na langen tijd
zijn baas terugziet.
Wim is bijna verlegen met al die blijdschap van het wederzien.
„Hè, wat fijn, om weer bij jullie te zijn,” zegt hij. „Wat heb ik naar
Rotterdam verlangd! Allemaal nog dezelfde snuiten...” en lachend
inspecteert hij de bende.
„Wat gaan we doen, jongens?” vraagt Chris. „We zijn vanmiddag allemaal
vrij, jij toch ook, Wim?”
„Natuurlijk,” luidt Wim’s antwoord. „We gaan weer ouderwetsch
keetschoppen, maar dat is waar... ik kan niet in den Dierentuin... ik
ben geen lid... Vader moet het weer worden.”
„Da’s niks,” stelt Ambro hem gerust. „We peesen zoo hard we kunnen
allemaal het hek door, zóó hard, dat die kerel in z’n hok ons niet eens
kan onderscheiden.”
„Ja, ja, da’s goed,” vindt de heele bende.
„Eerst m’n ouwetjes vertellen, dat ik met jullie meega,” en Wim holt
met de jongens naar z’n ouders om hun te zeggen, dat ze hem vooreerst
niet zullen zien, want dat hij eerst met de jongens gaat spelen.
En nu kuieren ze allen de Kruisstraat in en zijn het hek van den
Dierentuin genaderd.
„Op een draffie, jongens,” schreeuwt Ambro. „Vlug, hij zit binnen.” Die
„hij” is de dikke roodharige portier die als een Cerberus den tuin
bewaakte en er voor zorgde, dat geen vreemdeling dit heiligdom kon
binnentreden.
In vollen ren draafde de bende het hek binnen, Wim tusschen hen in en
de portier, die wel eenige bekende gezichten zag bleef rustig in zijn
kantoortje, terwijl de jongens, uit vrees terug geroepen te worden,
niet rustten voor zij buiten het bereik van den portier waren.
„Het is hier nog niks veranderd,” zei Wim toen het troepje hijgend stil
stond.
„Ik ben erg benieuwd naar het Hol.”
„Nou, dat zal je zien,” zegt Ambro. „De kamer is net aan kant.”
Bij dit gezegde kijken de jongens elkaar met een blik van
verstandhouding aan.
Nu gaat het in gestrekten draf naar het Hol.
Als ze er aangekomen zijn, zegt Ambro met een fraaie buiging tegen Wim:
„Aan n de eer, mijnheer.”
En alsof hij niet weg is geweest, kruipt Wim op handen en voeten langs
het van ouds bekende paadje het geliefde Hol binnen.
Dan slaakt hij een kreet van verrukking.
„Da’s verduiveld aardig van jullie,” roept hij.
Het heele Hol is versierd met vlaggetjes, serpentine en papieren rozen.
In het midden hangt aan een tak een groote lampion te bengelen
waaronder een stoel staat, rijkelijk versierd met sparregroen ter eere
van het feestvarken.
Vlak over den stoel hangt aan een boom een blauw schild, waarop met
vergulde letters de woorden prijken:
„Welkom in het Hol van Kaan.”
Uit angst ontdekt te worden, durfden de jongens geen „lang zal ie
leven’s” te laten schallen en moest de plechtigheid in alle stilte
plaats hebben.
Toch bleef er nog een verrassing. Toen Wim met vereende krachten op z’n
versierde zetel was geheschen, zóó hardhandig, dat de sparrenaalden hem
om de ooren vlogen, haalde Ambro met gewichtig gebaar een rol papier
uit z’n zak en verzocht stilte.
Hij begon:
„Beste Wim, daar zit je weer,
Net zoo als den laatsten keer.
Jôh! we vinden ’t zoo fijn!
Lang mag j’ in ons midden zijn.
Waren wij niet al te bang,
Schreeuwden wij „hij leve lang”.
En dan was ’t met de lol
Gauw geëindigd in ons Hol.
Daarom spreek ik niet te luid
Deze welkomstrede uit.
Fluister het me allen na,
Héél zacht hiep, hiep, hiep hoera!”
(Dit bevel werd stipt opgevolgd en nog nooit was een jubilaris op zulk
een zonderlinge wijze verwelkomd. En Ambro vervolgde:)
Wim, je lijkt wel aangedaan,
Laat je tranen vrij uit gaan.
Veeg die druppel van je neus,
Want hij hangt er, maar niet heusch.
Nog een woordje tot besluit,
En dan is dit pracht-vers uit.
(na deze woorden haalt Ambro een klein pakje uit zijn zak en terwijl
hij het Wim aanbiedt, vervolgt hij:)
Dit geschenk is voor Wim Bolk
Namens heel het roovervolk,
Dat je het gebruiken mag
Ter herinnering aan deez’ dag.”
Na dit schoone vers, dat ook een verrassing voor de andere jongens was,
wilde Puckie, alles vergetend, een luid hoera aanheffen, dat direct
door de jongens gesmoord werd met uitroepen als: hou je kop, enz.
Intusschen maakt het feestvarken, nog geheel onder den indruk van de
opeenvolgende verrassingen het pakje open en ziet tot z’n groote
vreugde een prachtig zakmes, wel zoo mooi als het veel-benijde van
Ambro.
„Potver...!” roept hij blij.
„En ’n fijn hoor!” zegt Puckie.
„Zweedsch staal, uit Solingen,” pocht Chris.
„En niet goedkoop ook,” zegt Karel.
„’n Reuze-messie!” vindt Paul. Maar al deze loftuigingen op het mes
waren onnoodig, want er was niemand, die het zoo prachtig vond als Wim;
hij wist alleen maar niet hoe ie ze zou bedanken en verlegen drukte
hij, zonder iets te zeggen, de zes vriendenhanden.
„Nou een pijp rooken,” stelt Ambro voor.
„Da’s een idee,” zegt Wim, blij, dat ze weer in hun gewone doen komen.
„Maar ik heb me pijp niet bij me,” zegt hij.
„Da’s niks,” zegt Paul. „Neem de mijne maar, die heb ik toch maar voor
’t mooi.”
„Durf jij niet te rooken?” vraagt Wim.
„Hij durft wel, maar hij wordt er zeeziek van en hij is ook een jaar
jonger dan wij,” zegt Ambro.
Uit een gat in den grond wordt nu een groote blikken trommel te
voorschijn gehaald. Dit is de provisiekast van de bende; daar bewaren
ze hun detective-romans, hun rookgerei en zelfs kwam het voor, dat bij
feestelijke gelegenheden er versche kadetjes en chocoladereepen in
opgeborgen zijn.
De pijpen werden uit de trommel gehaald en in een doosje vonden zij nog
juist genoeg tabak om zes pijpen te stoppen.
Ambro haalde een lucifersdoosje uit zijn zak, waarin nog slechts één
lucifer zat.
„Oppassen, jongens, als die uitgaat, zijn we zuur,” waarschuwde hij.
En allen bogen zich over hem heen om het aanstaande vlammetje tegen
tocht te beschermen. En terwijl ze den adem inhielden, stak Ambro
moedig z’n pijp aan en trok als een stoomzuiger.
„Hou bij, hij brandt nog,” riep hij.
En bliksemsnel werden de vijf andere pijpen aangestoken. Nu dampen ze
er op los als mooren.
Wim had z’n stekelige feestzetel verlaten en was als de andere jongens
languit op den grond gaan liggen.
Er werd niet veel gesproken, hun volle aandacht was bij de pijp en al
beweerden ze tot elkaar dat rooken toch een genot was, in werkelijkheid
was het rooken van een pijp steeds een heele karwei, waarvan de eenige
bekoring was, dat ’t niet mocht en dat het mannelijk stond.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Twee tuinlui met een kruiwagen komen langs de rots aangeloopen en
naderen het rhododendronbosch.
„Kijk es,” zegt de eene. „’t Lijkt wel of daar wat smeult in dat
bosschie.”
„Waarachtig,” zegt de andere.
„Wat zalle me nou hebbe?”
„Es effetjes kijke.”
Voor een volwassen mensch was het bereiken van het Hol een heele toer,
vooral, zonder bekend te zijn met het door de jongens gemaakte paadje,
dat steeds zorgvuldig bij den ingang werd afgesloten door enkele
takken.
„Daar kom je soo niet in.”
„Stil,” zegt plotseling de ander. „’t Is of ik stemme hoor.”
Nu luisteren ze allebei aandachtig bij het boschje, en ja, ze hooren
duidelijk jongensstemmen.
„Wat motte me doen,” vraagt de eene.
„Weet je wat,” zegt de ander. „We zalle ’t zaakie omsingelen.” In het
groote bloemperk bij de sociëteit zijn drie tuinlui aan het werk en
deze worden te hulp geroepen voor de aanstaande jacht.
Maar de jongens, zijn op hun hoede. Ze hebben het gesprek van de
tuinlui wel terdege gehoord.
„We zijn verraaje, jongens,” zegt Ambro.
„Hoe komen we d’r uit, ze willen ons omsingelen. Maar stil, ik weet
wat! Puckie, Chris en ik zijn de vlugsten, wij kunnen ’t hardst
loopen.”
De jongens hebben de hoofden bijeen gestoken om te vernemen wat Ambro
van plan is te doen om zich uit deze hachelijke positie te redden.
„Wij drieën kruipen in verschillende richting naar den rand van het
boschje en houden ons zoo goed als het gaat, verscholen. Dan kijken we
uit naar een gaatje om ’m door te piepen, liefst alle drie tegelijk en
dan hollen we uit alle macht den tuin uit, laten we afspreken dat we
elkaar dan weer zien bij den telefoonpaal op de Diergaardelaan.”
„Alles best,” zegt Piet. „Maar wij dan?”
„Dat zal ik je zeggen. Jullie gaan plat op je buik liggen, dáár, een
eindje verder en houdt je doodstil. Wij verbergen jullie onder de
afgevallen bladeren; als je je maar koest houdt als wij drieën ’m
smeren, dan zullen ze vast denken dat er geen meer in het boschje zit.
Als alles dan veilig is, kunnen jullie ’m ook piepen. Maar gauw wat,
want we hebben weinig tijd.”
De vier jongens volgen stipt het bevel van Ambro op en in minder dan
geen tijd is er niets meer van hen te bespeuren.
Ambro, Puckie en Chris sluipen vlug voort naar den rand van het
boschje. Gelukkig voor hen, heeft het den vorigen dag flink geregend en
hebben ze geen last van krakende takken.
Intusschen houden de tuinlui de wacht om het boschje en twee van hen
turen door de dichte blader-massa om te zien of ze ook iets van de
bengels kunnen ontdekken.
Bliksemsnel springt er iets tusschen de beenen van een ouden tuinman
door en rent in volle vaart weg.
Het is Ambro.
De andere tuinlieden kijken hem verbaasd na, terwijl er een uitroept:
„Heere nog an toe, kan dat jong loope.”
Ambro is al bijna uit het gezicht. Puckie en Chris maken nu van de
gelegenheid gebruik, schieten ook uit het boschje en verdwijnen
eveneens als vluchtende gemzen.
„Wel heb ik me nou!” raast een der tuinlieden. „We worden effetjes
genomen, Piet.”
En zich richtende tot den ouden tuinbaas: „Sijmen, kâ-jij ze inhalen?
Ik niet.”
„Neen,” zegt Sijmen. „Die snuiters ben-me te vlug af.”
„Nou oppasse,” zegt een ander. „D’r kenne d’r nog best meer zijn.”
En met beide handen dringt hij de takken weg en baant zich een weg door
het dichtbegroeide boschje.
Hij heeft heel wat moeite om vooruit te komen, want de geheime paadjes
van de jongens zijn hem onbekend. Maar eindelijk is hij dan toch het
Hol genaderd en slaakt, gelijk Wim Bolk die verrast was door de
versiering ter zijner eere, een kreet van verbazing.
„Neen maar, kom nou d’r es kijke! Je mot ’t zien! ’t Laikent wel
kerremis. De heeren hebben een best plekkie uitgezocht.”
De vier jongens, liggen in doodsangst onder den bladerenhoop. Ze hebben
het benauwd en durven zich toch niet te verroeren.
De tuinman staat nu vlak bij Karel en de volgende stap die hij doet, is
bovenop Karel’s hand; maar de jongen weet zich goed te houden en de
tuinman merkt niets.
Nu de overige tuinlieden geen belang blijken te stellen in de
inrichting van het Hol van Kaan blijft ook hij niet langer talmen en
begint zich weer het boschje uit te werken.
Na verloop van eenigen tijd hooren de jongens niets meer en ze achten
nu het oogenblik gekomen om ook hun biezen te pakken.
Piet is de eerste die beweegt, hij schudt de bladeren van zich af en
roept zacht: „Jongens, de baan is vrij! Kom mee, we smeren ’m! Gauw
wat!”
De heele troep komt nu van onder het bladerendek te voorschijn en Karel
kan niet nalaten den jongens van zijn heldendaad te vertellen.
„Je lijkt wel die soldaat uit ’t turfschip van Breda,” lachte Piet.
„Nou, kijk me poot es,” zegt Karel. „De striemen staan er op!”
„We zullen ’t in de Geschiedenisboeken vermelden,” zegt Wim Bolk.
„Zelfverloochening van Karel Boekers, bij de belegering van ’t Hol van
Kaan op den 17den April van het jaar 1904.”
De jongens zijn nu veilig buiten het Hol gekomen en kijken behoedzaam
rond of er geen onraad meer in de buurt is. Piet constateert, dat de
baan vrij is.
„Vooruit,” zegt Wim. „Den tuin uit en naar den telefoonpaal.”
Daar komt het viertal hijgend aan en wordt er juichend begroet door de
rest van de bende.
„Nou, dat is goed afgeloopen,” zegt Wim opgelucht. „Ik heb ’m geknepen,
hoor! Ik dacht, dat we er bij zouden zijn.”
„Noem jij dat maar goed afloopen,” antwoordt Ambro met een bedrukt
gezicht.
„Nou,” zegt Piet. „Ze hebben ons toch maar niet te grazen gehad.”
„Ons niet,” zegt Ambro. „Maar ’t Hol, dàt hebben ze te grazen, dat zijn
we voor goed kwijt.”
„Ja, da’s waar,” zegt Paul. „Ze hebben ’t Hol ontdekt. We kunnen er
vast niet meer in.”
„Nou,” stelt Chris ze gerust, „’t Is te probeeren. Morgen zijn die
kerels ’t weer vergeten.”
„Ik geloof er niks van,” zegt Karel. „Je zult zien, ’t Hol is voor goed
naar de haaien,” en hij voegt er spijtig aan toe: „Hadden we maar niet
zoo zitten dampen.”
„’t Is wel sneu,” zegt Wim. „Net den eersten dag dat ik er ben ontnemen
ze ons onze vergaderzaal.”
„Waar moeten we nou voortaan zitten om onze geheime besprekingen te
houden?” vraagt Puckie.
„Onder de Hooge Brug,” zegt Piet.
„Een reuzen-plekkie! Ambro, zeg es wat, je staat zoo te suffen.”
„Ja, ik zal me daar ’t Hol laten afkapen,” zegt deze en z’n oogen
schieten vuur.
„An me nooit niet! Ik zàl ’t terug hebben.”
„Als je ons dan maar es verteld hoe!” zegt Wim.
„We moeten beginnen,” zegt Ambro, „met een week buiten het Hol te
blijven, want ik beloof je, dat ze op zullen letten. Als ze dan niets
meer van ons merken, zullen ze misschien denken, dat het maar een
tijdelijke schuilplaats was en geen haan zal er meer naar kraaien. Die
week, zullen we samen komen onder de Hooge Brug, maar dat is erg
gevaarlijk en we mogen ons dan wel heel stil houden, want daar kunnen
ze ons al gauw ontdekken.”
„Ik ga er morgenochtend heen om eens poolshoogte te nemen,” zegt Wim.
„Dan zal ik zoo goed als ’t gaat, den boel in orde maken en dan komen
jullie tusschen 12–1 maar kijken.”
„Moet je dan niet naar school?” vraagt Paul.
„Neen, antwoordt Wim. „Ik word twee maanden thuis bijgewerkt voor de
H.B.S.”
„Nou,” zegt Ambro. „’t Kon wel es gebeuren, dat ik morgen puzzerde en
dan vind ik je wel onder de brug.”
„Hè, willen we allemaal wegblijven?” stelt Chris voor.
„Mij best,” zegt Piet. „Maar als er zes mankeeren en juist wij met z’n
zessen, dan begrijp je wel, dat we voor ’n paar vrije middagen zuur
zijn.”
Dit vonden de anderen ook en ze besloten, geduld te hebben tot na
schooltijd. Ambro moest dan maar zelf weten wat hij deed.
De bende ging uit elkaar en sprak af den volgenden dag op het bepaalde
uur present te zijn op de nieuwe vergaderplaats.