HOOFDSTUK VIII

Mobilis in Mobile.

Dat naarbinnenslepen was vrij lomp, doch had met de snelheid van

den bliksem plaats gehad. Wij hadden den tijd niet gehad om tot

ons zelven te komen. Ik weet niet wat mijne makkers ondervonden,

toen zij in die drijvende gevangenis naar beneden werden gehaald,

maar wat mij aanging, ik voelde eene kille huivering door mijne leden

gaan. Met wie hadden wij te doen? Zonder twijfel met zeeroovers van

een nieuwe soort, die op hunne wijze de zee doorkruisten.

Nauwelijks was het enge luik gesloten, of ik bevond mij in volslagen

duisternis. Mijne oogen, die nog verblind waren door het daglicht,

zagen niets. Ik voelde met mijne bloote voeten de treden van eene

ijzeren trap. Ned Land en Koen werden stevig aangegrepen en volgden

mij; onder aan de trap opende zich eene deur, die onmiddellijk achter

ons met dof geluid gesloten werd. Wij waren alleen. Waar? Ik kon het

niet zeggen, mij nauwelijks voorstellen. Alles was donker, maar zoo

volslagen donker, dat na eenige minuten wachtens mijne oogen zelfs

nog geen van die onbepaalde schemeringen zagen, welke men zelfs in

den donkersten nacht bemerkt. Ned Land was woedend over die wijze

van handelen, en liet zijne verontwaardiging den vrijen loop.

"Duizend duivels," riep hij, "dat zijn lui aan wie de Caledoniërs nog

een lesje in de gastvrijheid zouden kunnen geven! Het ontbreekt er nog

maar aan, dat het menscheneters zijn! Het zou mij niet verwonderen,

maar ik verklaar, dat ik mij niet zonder tegenstand zal laten opeten."

"Bedaar, vriend Ned, bedaar," antwoordde Koenraad kalm.

"Maak u vóor den tijd niet boos; wij liggen nog niet in de pan

te braden!"

"In de pan, neen," zeide Ned, "maar in den oven wel. Het is hier

waarachtig donker genoeg. Gelukkig heb ik mijn mes nog, en ik zie

genoeg om er mij van te bedienen."

Ik liep al tastende vooruit; na vijf of zes stap stiet ik tegen een

ijzeren muur van platen met bouten vastgeklonken. Toen ik mij omkeerde

voelde ik eene houten tafel, waarbij verscheiden bankjes stonden. De

vloer was bedekt met eene dikke mat, welke het geluid onzer schreden

verdoofde. Aan de naakte wanden voelde ik niets wat op deur of venster

geleek. Koenraad, die langs den tegenovergestelden kant had rondgetast,

kwam weder bij mij, waaruit het ons bleek dat de hut zoo wat twintig

voet lang en tien voet breed zijn moest. Wat de hoogte aangaat,

Ned Land kon, hoewel hij nog al lang was, den zolder niet bereiken.

Er was een half uur voorbijgegaan zonder dat de toestand veranderd

was, toen onze oogen van de diepste duisternis plotseling tot het

scherpste licht overgingen. Eensklaps werd onze gevangenis, verlicht,

dat is te zeggen, dat zij met zulk een schitterend licht vervuld werd,

dat ik het aan de oogen niet verdragen kon. Aan de helderheid en de

witheid herkende ik het als het electrieke schijnsel, dat rondom het

onderzeesche vaartuig dat prachtige lichtverschijnsel had teweeg

gebracht. Nadat ik de oogen eenige oogenblikken onwillekeurig had

gesloten gehouden, opende ik ze weer en zag dat het licht viel uit een

gepolijsten halven bol, welke in de zoldering der hut was aangebracht.

"Nu kan men ten minste zien," riep Ned, die met zijn mes in de hand

zich ter verdediging gereed hield.

"Ja," antwoordde ik, "maar onze toestand blijft er niettemin even

duister om."

"Laat mijnheer slechts geduld nemen," zeide de kalme Koenraad.

De plotselinge verlichting der hut liet mij die in de kleinste

bijzonderheden zien. Er waren slechts een tafel en vijf bankjes in te

vinden; de onzichtbare deur moest hermetisch gesloten zijn; geen het

minste geluid trof ons oor. Alles scheen dood in het vaartuig. Ging

het voorwaarts, dreef het aan de oppervlakte van den Oceaan, of was

het in de diepte gedaald? Ik kon het niet gissen.

Echter was dat licht niet voor niets ontstoken. Ik hoopte dus dat

eenigen van de equipage zich weldra zouden vertoonen. Als men de

menschen wil vergeten, verlicht men hunne gevangenis niet.

Ik bedroog mij niet; een geschuif van grendels deed zich hooren,

de deur ging open en twee mannen traden binnen.

De een was klein maar sterk gespierd, breed van schouders, zwaar

gebouwd van leden, met een krachtig hoofd, zwaar en zwart haar,

en dikken knevel, en een levendig en doordringend oog. Zijn geheele

persoon drukte die zuidelijke levendigheid uit, welke in Frankrijk het

kenmerk is der bewoners van Provence. De tweede onbekende verdient

uitvoeriger beschrijving; een gelaatkundige zou op diens aangezicht

als in een open boek gelezen hebben. Ik herkende zonder aarzelen een

heerschzuchtig karakter, vol vertrouwen op zich zelven, want zijn

hoofd stond edel op zijne schouders, en zijne zwarte oogen zagen u

aan met koele zekerheid; hij was kalm van natuur, want aan de licht

gekleurde huid was het te zien, dat zijn bloed langzaam stroomde; hij

bezat geestkracht, blijkens het snel samentrekken zijner wenkbrauwen;

eindelijk moest hij moed bezitten, want zijne ademhaling bewees,

dat hij groote levenskracht bezat. Ik voeg er nog bij dat die man

trotsch was, dat zijn vaste en kalme blik groote gedachten verried,

en dat hij stellig openhartig zijn moest, omdat de uitdrukking zijner

bewegingen geheel met die van zijn gelaat overeen kwam.

Onwillekeurig voelde ik mij in zijne tegenwoordigheid zeker, en ik

voorspelde mij veel goeds van die samenkomst. Was die man 35 of 50

jaar; ik zou het niet juist hebben kunnen zeggen. Hij was lang van

gestalte, had een breed voorhoofd, een fijnen rechten neus, een scherp

geteekenden mond, prachtige tanden en schoone lange handen. Hij was

zeker wel de verwonderlijkste type, welke ik ooit ontmoet had. Als iets

bijzonders merkte ik op, dat zijne oogen, welke een weinig ver van

elkander stonden, tegelijk een vierde gedeelte van den gezichteinder

konden omvatten, waardoor, zooals mij later bewezen werd, zijn gezicht

nog veel scherper was dan dat van Ned Land. Als die onbekende naar

eenig voorwerp zag, fronste hij de wenkbrauwen, trok het oog zoo te

samen, dat slechts de pupil zichtbaar bleef, beperkte daardoor den

blik alléen tot het bedoelde voorwerp en keek. Maar met welk een

blik! Hoe werden de door den afstand kleiner wordende voorwerpen

verduidelijkt! Hoe drong die blik in de ziel door! Hoe drong hij ook

door in die vloeistof, welke voor ons oog ondoorzichtig is; hoe las

hij in de diepten der zee!

De twee onbekenden hadden mutsen van bevervel op, en laarzen aan van

de huid van een walrus; zij droegen kleeren van bijzonder weefsel,

die de lichaamsvormen gunstig deden uitkomen, en groote vrijheid van

beweging toelieten.

De grootste van de twee, waarschijnlijk de bevelhebber van het

vaartuig, bekeek ons met bijzondere opmerkzaamheid, zonder een

enkel woord te zeggen; toen wendde hij zich tot zijn makker en

onderhield zich met hem in eene mij geheel onbekende taal. Het was

eene welluidende, harmonische, buigzame taal, welker klinkers op

verschillende wijzen schenen te kunnen worden uitgesproken. De ander

antwoordde met een hoofdschudden, en voegde er slechts twee of drie

volkomen onverstaanbare woorden bij, daarop scheen hij mij met zijn

blik te willen ondervragen. Ik antwoordde in het Fransch, dat ik

zijne taal niet verstond, maar hij scheen mij niet te begrijpen;

die toestand werd vrij lastig.

"Als mijnheer onze geschiedenis eens vertelde," zeide Koenraad,

"dan zouden die heeren er mogelijk eenige woorden van begrijpen."

Ik begon het verhaal van onze lotgevallen, terwijl ik op al mijne

woorden een bijzonderen nadruk legde, en geen enkele bijzonderheid

vergat. Ik gaf onze namen en hoedanigheden op, daarop stelde ik hem

volgens de wetten der wellevendheid den hoogleeraar Aronnax, zijn

knecht Koenraad en meester Ned Land den harpoenier voor.

De man met dien zachten en kalmen oogopslag, hoorde mij bedaard,

beleefd en met de grootste oplettendheid aan. Maar geen trek van zijn

gelaat verried, dat hij mij begrepen had. Toen ik gedaan had, sprak hij

geen woord. Ik kon nu nog beproeven hem in het Engelsch aan te spreken;

misschien verstond hij die taal; ik kende haar en ook Hoogduitsch;

maar beiden slechts genoeg om ze vlug te lezen, doch niet om ze vlot

te spreken. En hier kwam het er vooral op aan om mij te doen verstaan.

"Nu is het uwe beurt," zeide ik tot den harpoenier, "praat gij nu

eens in het beste Engelsch, dat ooit een Angelsaks gesproken heeft,

en beproef eens of gij gelukkiger zijt dan ik."

Ned liet het zich geen tweemaal zeggen en begon hetzelfde verhaal

als het mijne; het was in den grond hetzelfde, alleen de vorm

verschilde. De harpoenier door zijn driftig karakter medegesleept,

sprak met zeer veel vuur. Hij beklaagde zich hevig dat hij tegen

alle recht en billijkheid in gevangen werd gehouden, vroeg volgens

welke wet men hem vasthield, riep de habeas corpus-akte in, dreigde

hen te vervolgen, die hem onrechtvaardig opsloten, zwaaide met zijn

armen, schreeuwde en gaf eindelijk door zijne gebaren te kennen,

dat wij van honger stierven. Dit was volkomen waar, doch wij hadden

het bijna vergeten.

Tot zijne groote verbazing scheen het dat Ned evenmin verstaan was als

ik. Onze bezoekers vertrokken zelfs geen wenkbrauw, het was duidelijk

dat zij Fransch, noch Engelsch verstonden. Ik was verlegen omdat wij

onze welsprekendheid te vergeefs hadden uitgeput, en wist niet meer

wat te doen, toen Koenraad mij vroeg: "als mijnheer het goedvindt,

zal ik de zaak eens in 't Hoogduitsch vertellen."

"Wat, kent gij Duitsch?" riep ik uit.

"Een weinig, zooals bijna elk Nederlander, mijnheer!"

"Ga uw gang dan maar, mijn jongen."

En Koenraad vertelde met de grootste bedaardheid voor de derde

maal onze lotgevallen. Maar niettegenstaande de fraaie volzinnen

en het schoone stemgeluid van den verteller, slaagde het Duitsch

evenmin. Eindelijk tot het uiterste gebracht, trachtte ik mij alles nog

te herinneren, wat mij van mijne eerste studiën was bijgebleven, en ik

poogde hun onze geschiedenis in het Latijn te vertellen. Cicero zou

zich de ooren hebben toegestopt, en had mij naar de keuken gejaagd;

maar ik bracht het er redelijk wel af, de uitslag echter was even

ontmoedigend.

Toen deze laatste poging bepaald mislukt was, wisselden de beide

onbekenden eenige woorden in hunne onverstaanbare taal, en vertrokken

zonder ons zelfs met eenige geruststellende beweging te groeten. De

deur ging weer dicht.

"'t Is een schandaal!" schreeuwde Ned Land, die voor de twintigste

maal losbarstte. "Wat, men spreekt hen in het Fransch, Engelsch,

Duitsch en Latijn aan, en geen van die schavuiten heeft de beleefdheid

van te antwoorden!"

"Bedaar, vriend Ned," zeide ik tot den woedenden harpoenier, "uw

toorn leidt tot niets."

"Weet gij dan wel, mijnheer de professor," hernam mijn lichtgeraakte

metgezel, "dat men in die ijzeren kooi best van honger kan sterven?"

"Kom, kom!" zei Koenraad, "met een beetje philosophie kan men het

lang uithouden!"

"Vrienden," zeide ik, men moet niet wanhopen; wij hebben reeds in

vrij wat erger omstandigheden verkeerd. Doet mij dus het genoegen

om nog te wachten, voordat gij een oordeel over den kapitein en de

equipage van dit vaartuig velt."

"Mijn oordeel is reeds gevormd," antwoordde Ned Land, "het zijn

schelmen...."

"Goed, en uit welk land?"

"Uit het land van de schelmen!"

"Mijn beste Ned, dat land staat op de wereldkaart nog niet juist

aangeteekend, en ik beken dat de afkomst van die beide onbekenden

moeielijk te bepalen is. Men kan alleen zeggen, dat het geen Franschen,

Engelschen of Duitschers zijn; evenwel houd ik het er voor, dat die

kapitein en zijn stuurman dicht bij den evenaar geboren zijn; er is

iets zuidelijks in hun voorkomen; maar hun gelaat en vormen kunnen

niet doen beslissen of het Spanjaarden, Turken, Arabieren of Indiërs

zijn. Hunne taal is geheel onverstaanbaar."

"Dat is nu het onaangename van niet alle talen te kennen," antwoordde

Koenraad, "of het nadeel van niet éene eenige wereldtaal te bezitten."

"Dat zou tot niets leiden!" sprak Ned Land. "Hoort gij niet dat dit

volk eene taal op hun eigen hand heeft, een gerammel om iemand wanhopig

te maken, die om eten vraagt! Maar begrijpt men in alle landen van

de wereld niet, wat het beteekent als men den mond open doet, zijn

kakebeen op en neer beweegt, en met tanden en lippen klapt? Wil dat

niet overal, in Quebec en op de Pomotu-eilanden, te Parijs en in

Japan zeggen: ik heb honger, geef mij wat eten?"

"Och," zeide Koenraad, "er zijn zulke onbegrijpelijke menschen."

Toen hij dit zeide ging de deur open, er kwam een hofmeester binnen,

die kleeren bracht van eene stof vervaardigd, welke ik niet kende. Ik

haastte mij om ze aan te trekken, en mijne makkers volgden mijn

voorbeeld.

Gedurende dien tijd had de hofmeester, misschien wel een doofstomme,

de tafel voor drie personen gedekt.

"Dat lijkt toch ernst te zijn," zeide Koenraad, "een goed voorteeken!"

"'t Zou wat," antwoordde de haatdragende harpoenier, "wat drommel

zouden wij hier te eten krijgen? Schildpaddenlever, haaiengebraad,

zeehondenbiefstuk!"

"Dat zullen wij eens zien!" zeide Koenraad.

Eenige schotels met zilveren deksels werden in orde op de tafel gezet,

en wij namen plaats. Het was zeker dat wij met beschaafde lieden

te doen hadden, en zonder het electrieke licht waaronder wij zaten,

zou ik gedacht hebben in een hôtel aan de table d'hôte te zitten. Ik

moet echter zeggen, dat brood en wijn geheel ontbraken. Het water

was frisch en helder, maar--water viel in 't geheel niet in den

smaak van Ned Land. Onder de opgediende gerechten herkende ik eenige

heerlijk klaargemaakte vischsoorten, maar over eenige overigens lekkere

schotels, kon ik geen oordeel uitspreken en ik zou zelfs niet hebben

kunnen zeggen of ze tot het planten- of dierenrijk behoorden. Het

servies en tafelzilver waren net en smaakvol. Elk stuk, lepel, vork,

mes, bord, enz., was met eene letter geteekend, waaromheen in een

kringetje eenige woorden stonden, op deze wijze:

20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond · 第 9 / 28 题