De table-d'hôte was juist begonnen in het hotel Belle Vue te Deutz,
over Keulen, aan den anderen Rhijnkant. Door de acht hooge vensters
helderlachte een zomer-zon binnen, straalde in de glazen vóor elk bord
geschaard, bevonkelde den wijn, deed het goud van de spiegellijsten en
de schoorsteenpendule blinken, verhelderde het witte tafellaken en de
sloofjes van de kellners, schemerde schijnsels van frischheid over de
fletse wanden, poeyerde stofgoud door de kroezige haren van de vrouwen.
De pastijtjes werden binnengedragen. Een uitwaseming was over de tafel,
als bij felle koû 's winters in een dicht rijtuig, dat vol is. Een
soeplucht steeg naar de zoldering. De heeren veegden hun snorren en
kinnen schoon, zwaayend en duwend met de servetten. Heeren krabden zich
achter hun ooren, legden beide handen half toegeknepen, de zegelring
goed zichtbaar, aan weêrszijde op de tafel naast hun bord, keken rond,
schuin-smakkend met de lippen van voldoening over de gegeten soep,
schuin langs hun buurvrouwen naspeurend of er gevoeglijk een gesprek te
beginnen zoû zijn. Andere heeren snoten hun neuzen; eenige deden het met
hun rug naar de tafel en snoten half achter de ruggen van die naast hen
zaten; twee dames schrokken even. De jonge meisjes staarden vóor zich en
hielden de handen op elkaâr gedrukt achter het leêge soep-bord, andere
bekeken de bewegingen van het licht tegen de muren en namen den schijn
aan hun armbanden in orde te doen. De oudere dames kruimden een stukje
brood en groetten glimlachend, met lichten hoofdknik, de menschen die te
laat kwamen. Een oude vrijster kon haar grijze oogen maar niet van den
jongsten kellner afhouden, een blonden baardeloozen krullekop met dikke
korte lippen, die handig de pasteitjes tusschen de gasten in kon houden,
zonder ze ooit aan te raken of hen te noodzaken een beetje op zij te
buigen. De schuivende stappen van de kellners klonken droog en krakend
af op het zeil over de vloer. Dit geluid vermengde zich met den doffen
klank van de schoone borden, die den gasten voorgeschoven werden, op het
tafellaken, met het gekletter van stapels borden, die in een hoek van de
zaal werden neêrgezet, met het zilveren getik van de vorken en messen,
die sommige heeren naast hun bord tegen elkaâr lieten glijden of onder
het eten samentikten.
Onder de soep had niemant een woord gesproken.
Zachtjes werden er nu koele gesprekken begonnen. Beginnende glimlachjes
waren om enkele monden. Zij spraken, schor, en fluisterend, over het
mooye weêr, over de aangename ligging van het hotel, over het
muziekfeest gisteren-avond in Keulen, over hun reizen. Een jongen van
twintig jaar sprak tegen een meneer, die tegenover hem zat. Daarom klonk
zijn stem boven de anderen en keken de menschen, die dicht-bij hem
zaten, naar hem op. Een reuteligheid in zijn keel en het knippen van
zijn oogen was zijn verlegenheid. Links, aan het uiterste einde van de
tafel, zaten twee roode, vette Westfalers, hun servetten van-boven in
hun wijde boorden onder de ruig-roode onderkinnen, die over vette
varkensvleeschbereidingen gingen praten. Drie fatterige Berlijnsche
heeren naast hen bogen hun drie hoofden over hun borden bij elkaâr,
bespotten de Westfalers en spraken daarna heel zachtjes over een
zangeres, die deel had genomen aan het muziekfeest van gisteravond en
die om een andere reden nog-al erg over den tong ging.
Na de pasteitjes, bij het rundvleesch, de wit-groene met kaneel bruin
bespikkelde bloemkool, en de rookende aardappelen, vermeerderde het
suizend stemmengegons aan tafel. Heeren bedienden de dames naast hen.
Een fijn blond tenger kantoorbediendetje uit Keulen, die wist, dat de
zwaarlijvige Hollandsche jongejufvrouw aan zijn linker kant altijd heel
weinig van alles gebruikte, lispte, in vlijmerig hollandsch: Jufvrouw,
mag ik u eens mikroskopiesch bedienen? De jufvrouw lachte met breede
lippen en zware witte tanden. Een lange magere heer voerde het woord
over politiek en meer bizonder over Bismarck.
Jozef en Mathilde zaten bedaard en stil naast elkaâr te kijken. Zij
waren moe van de eerste huwelijksweken en van de reis, zij dachten er nu
maar aan zoo gauw mogelijk thuis te zijn. Zij zagen allebei een beetje
bleek. Mathildes gang en haar hand-en armgebaren waren flets van
gemakzucht, een gevolg van de uitputting. Jozef was ook stiller dan
gewoonlijk. Zij zaten zij aan zij, hij voortdurend in het licht-grijze
pak, zij in een licht-bruine japon, zonder veel garneering of kant, en
zij keken een beetje beteuterd om zich heen en konden den rechten
konversatietoon maar niet vatten. Tusschenbeide zeiden zij zachtjes een
eenzaam woord tegen elkaâr.
--Zijn er van-morgen geen brieven gekomen? vroeg Jozef.
--Nee, dat heb ik ook al vreemd gevonden. Ik had mevrouw Berlage toch
zóo gevraagd me te schrijven of alles thuis goed in orde was en ik heb
haar toch duidelijk gevraagd om me hier-na-toe te schrijven, om dat dit
het laatste adres op onze reis was.
--Nou, misschien komt er van-avond nog wat.
En hij gaf haar de sla aan, die, met den ròsen en glibberigen zalm het
volgend gerecht uitmaakte.
--Zal u er ook wat peper bij nemen, mevrouw? vroeg een hollandsche stem
aan Mathildes linker kant.
In de rondte was het gesprek aan tafel nu algemeen geworden. Allerlei
stemmen, doortruffeld van het vorkgepik op de borden en het geluid van
slikken, klonken door-een. Hier en daar begon men geanimeerd te worden.
Een roodachtig heer hoestte in zijn servet, een slok wijn was zijn
verkeerde keelgat ingegaan. Een oude dame, met witte muts en paarsen
linten er aan op het hoofd, draaide zich naar hem toe, wilde hem helpen.
Maar hij stelde haar gerust met zijne korte kleine hand. Hij nam een
slok water. Een paar plaatsen verder sloten nieuwe bekenden vriendschap.
Links had een diskussie plaats over politiek. Het begon warm te worden
in de zaal. De dame die zoo lang naar den jongen kellner had gestaard,
wenkte hem en verzocht hem minzaam de middendeur open te laten staan.
Door de vestibule heen zag men nu in het wuivende groen van den tuin,
die aan den anderen kant van het hotel was. Men beproefde ook door een
venster versche lucht te krijgen. Een oogenblik hoorde men den Rhijn in
zacht golfgeklots voorbij spoelen. Maar 't tochtte en op algemeen
verlangen werd het venster weêr gesloten.
--Hè, ik woû, dat we al thuis waren zeî Mathilde.
Het eten duurde voort. Twee oude jonge heeren veegden hun voorhoofden
af. Zij hadden zich bizonder te goed gedaan. Een bejaarde dame zuchtte
van benauwdheid. De kellners zagen oplettend na wie nog te bedienen was.
De zonneschijn was langzamerhand gedaald van de muren en van de stapels
borden op de dientafels, die er tegen aanstonden, was ook niet meer op
de gezichten van de eters, maar brandde nog alleen op de halzen en
ruggen van hen, die aan den vensterkant zaten.
Zij gingen aan het dessert. Eerst kwam de moskovische taart. Een paar
heeren, die haast hadden, rolden hun servetten slordig op, keken vóor
zich, stonden op met stoelgekraak en een lichte beweging van de dames
aan hun zijden, bogen even, terwijl ze met iets zenuwachtigs in hun
oogen een blik over het gezelschap lieten gaan, dat hen een oogenblik
te-rugbekeek en waarvan heel ouden en heele jongen groetten gingen gauw
heen door de vestibule, namen daar hun gele strooye hoeden van den
breeden erg beladen kleerenstandaard, hun dunne wandelstokken uit den
bak er onder, en liepen schielijk de deur en den tuin uit.
Door een andere deur, van op-zij, kwam nu de portier van het hotel
binnen, nam zijn breedbollige pet af en ging op zijn teenen naar Jozef.
--Een telegram! zeî Mathilde.
Uit beleefdheid deden de andere alsof er niets gaande was en spraken
voort. Jozef zeî niets maar zag bevreemd zijn naam aan en opende den
telegram met zijn dessertmesje.
--Van huis? vroeg zij.
Na twee sekonden vouwde Jozef het papier toe, frommelde het koevert,
waarin de telegram geweest was, in mekaâr, gooide de prop op den vloer
en zeî: 't Is niets, terwijl zijn gezicht heel effen stond. De anderen
kraakten nu noten in de rondte en zogen uit donzig vette druiven. De
jongelui waren goed aan 't drinken. Men bestelde nog een flesch wijn. De
dames hapten hun laatst hoopje vanielje-ijs op, dronken nog een slokje
spuitwater en maakten zich éen voor éen klaar om wech te gaan. Eenige
menschen kregen koffie. Een oude heer kreeg een cigaar uit zijn koker,
sneed er het puntje af en leî de cigaar op tafel, naar lucifers
rondziende. Twee andere heeren, met groote overhemdsborsten en breede
zwarte dassen, waren gemoedelijk familie-herinneringen aan 't op halen,
die hen nader tot elkaar brachten en slikten wat zij haast te veel
gezegd hadden wech in een langzaam bij kleine scheutjes koffie-slurpen,
terwijl er een met zijn lepeltje op zijn schoteltje tikte, als de andere
aan het woord was.
--Wat is 't? fluisterde Mathilde.
--Niets, herhaalde hij.
Maar zij drong aan:
--Toe, zeg 't nu maar.
--Willen wij eens naar boven gaan? zeî Jozef een beetje harder.
Zij stond gauw op, groette nauwelijks twee nog aanwezige dames en
wachtte Jozef in de vestibule bij de breede wenteltrap met zijn blinkend
gepolitoerde lage treden. Hij kwam ook aanloopen, kuchte luchtig en
zocht in zijn vestjeszak naar een tandestoker; de andere hand hield hij
in zijn broekzak.
--Nu wat is 't? vroeg zij, hem aarzelend aanziende.
--Ik zal 't je boven laten lezen. En zwijgend gingen zij de trap op.
Mathilde wist niet wat te denken, zij beet op haar onderlip en klapte
in haar handen om haar ongeduld te temperen. Boven in hun grijzige
logeerkamer, sprak Jozef nog geen woord: hij scheen in gedachten.
Zwijgend gaf hij haar den telegram over. Mathilde las 'm.
--O, God, zeî ze, wat zullen we nu doen?
--Niets, andwoordde hij, precies hetzelfde wat we anders gedaan zouden
hebben.
--Laten we maar liever zoo gauw mogelijk afreizen.
--En niet meer in Arnhem stil blijven?
--Nee, natuurlijk niet, dadelijk naar huis gaan. Vader is erg ziek.
--Zoo erg zal 't niet zijn. Hij heeft een sterk gestel. Laten we maar
eerste den brief afwachten. Dan kunnen we altijd nog zien.
Mathilde wandelde de kamer op en af en dacht na. Jozef stond aan 't
venster geleund en trommelde tegen de ruiten. Hij kreeg een cigaret
uit zijn zak.
--Ik ga maar vast pakken, zeî Mathilde.
--Dat kun-je altijd doen, zeî hij, of nee, láat 't liever doen. Lieve
kind, je bent zoo moe.
--Wat zoû vader schelen? zeî Mathilde, over den koffer gebukt.
--Ja, dat weet ik niet. 't Kan natuurlijk van alles zijn, maar de brief
zal wel gauw komen, dan weten we 't. Jozef was bezig vóor den spiegel
zijn das recht te keeren en zijn snor op te krullen. Al zijn oude
vriendschap voor de Stuwen kwam boven; hij was ongerust. Ik ga nog even
in den tuin, zeî hij, win-je nou maar niet op, lieve kind, en laat me
waarschuwen als er nog iets komt.
Beneden was de table d'hôte gedaan.
Voortdurend klepte de buitendeur open en dicht, de luide en lachende
stemmen van de heengaanden klonken op, om wech te suizen in de open
lucht, zoodra de deur weêr dicht was geslagen, en gevolgd te worden door
andere, meer gemoedelijke stemmen, die langzaam opkwamen en uitstierven
en van slofferige voetstappen waren vergezeld, of door stemmen, die
klonken als kristallen glazen en door het geruisch van japonnen werden
omsisd.
Jozef zoû juist de kamer uitgaan, toen een kellner de trap opkwam, een
telegram in zijn hand. Jozef duwde den man te-rug, om Mathilde niets te
laten merken en gaf hem een order over het ontbijt van morgenochtend,
als had hij hem daarvoor ontboden. Terwijl hij den nieuwen telegram
openmaakte, ging Jozef achter den kellner de trap af.
De Stuwen was gestorven. Men wist niet waaraan. "Oorzaak onbekend" stond
er. Jozef werd verzocht zoo spoedig mogelijk te-rug te komen. Jozef vond
dit alles heel natuurlijk. Hij was niet gewoon licht te schrikken, hij
draaide in de vestibule even op éen hiel rond en ging toen weêr langzaam
naar boven, den telegram voor zich uit houdende.
Mathilde was niet voortgegaan met pakken maar was gaan zitten op een
stoel bij het ledikant, om eens na te denken. Dat vader zoo gauw zoû
kunnen sterven! Wie had dat gedacht! Arme vader! Hoe teeder en met
hoeveel droefheid had hij haar omhelsd, toen zij wech ging, ver van hem
wech, op haar huwelijksreis! Wat had hij haar een aanbeveling gegeven
voor de toekomst, alsof hij haar nooit terug zoû zien! Wat had hij veel
gesproken van de eenzaamheid, die hij tegemoet ging! Och, och, hoe had
ze hem ook kunnen verlaten! Hij had 't zelf gewild, ja, maar ze had 't
toch niet moeten doen ze had het nooit moeten doen! Waarom was ze ook
getrouwd, waarôm was ze wech-gegaan uit zijn beschermende armen, die zij
verwarmde, die haar alléen nog konden omhelzen en zonder haar leêg en
slap neêrhingen. En nu dood, zuchte zij ... Maar ... dood? nee, hij was
niet dood, hij kon niet dood zijn! Hij was maar ongesteld; hij moest
toch wel erg ongesteld zijn, dat ze zoo telegrafeerden van huis! Of
misschien ook niet, misschien hadden ze den indruk willen verzwaren, om
te maken dat Jozef en zij gauw overkwamen, om geen last met den ouden
heer te hebben en te zorgen, dat hij in geen geval alleen stierf, dàt
dáar geen mogelijkheid voor zoû zijn. Ja, zoo moest het wezen. En zij
stond gauw op om verder door te pakken, met het vaste besluit dadelijk
naar huis te sporen. Jozef zoû wel toestemmen, hij vond alles goed, wat
zij woû. Daar stond Jozef weêr in-eens vóor haar.
--Je vader is van-middag overleden, zeî hij bedaard en hoogst ernstig,
en hij hield haar den telegram voor.
Zij nam dien niet aan, andwoordde niet, ging weêr op den stoel, waar ze
daar-zóo over alles had nagedacht zitten. Met wijd open oogen keek ze
Jozef strak in zijn gezicht. Twee dikke tranen vielen op haar licht
bruine japon. Zij huilde een oogenblik stil en hevig. Toen stond ze op
in een overgegeven houding, heel week:
--Nou ben ik wél heelemaal voor jou en voor niemant anders op de wereld,
zeî ze. Zij legde haar armen om zijn hals. Hij sloeg zijn handen om haar
schouders. Hij kreeg ook tranen in zijn oogen en zag er haar zwarte haren
in golven aan zijn borst. En zij zagen mekaâr aan, beiden opgewonden door
den heftigen toestand.
Toen Mathilde met de koffers klaar was gekomen, waschte zij haar oogen
en ging Jozef opzoeken in den tuin. Zij kwam in de vestibule en keek
naar de eetzaal. De zon daalde bedaard wech achter de huizen van Keulen,
zij bereikte de tafel niet meer. Een paar kellners liepen haastig af en
aan. De tafel was bijna heelemaal opgeredderd. Over het wijn-en
vetvlekkig tafellaken vlogen vliegen in korte kringen om de vergeten
broodkruimels heen. Een zware gemengde etensreuk benauwde de zaal. Op
de vloer was een stukje rotte appel en een druivenschil gevallen. De
stoelen stonden door elkaâr, een eind naar achteren geschoven de
servetten hingen er lusteloos en verkreukeld over heen. Er kwamen twee
meiden de glazen uitwasschen in een hoek van de zaal. Een kellner gooide
de eene met een perenschil. In platduitsch schold zij hem daarover uit,
terwijl de rook van haar warm water in de rondte dwarrelde.
Mathilde stiet de voordeur open en ging naar Jozef, die, een cigaret in
zijn mond, voortdrentelde tusschen het groen in.