IV.

Jozef en Mathilde spraken af dat hij, zoodra de oude heer weêr heel

hersteld zoû zijn en beneden in huis weêr in zijn oude leventje, een

formeel huwelijksaanvraag doen zoû. Mathilde-zelf durfde er niet het

eerst over spreken. Zij doorwachtten nu het langzaam beteren van den

heer de Stuwen. Over een groote veertien dagen, had dokter Hansen

gezeid, zoû de vader zich weêr gemakkelijk bewegen kunnen en de trappen

op-en afloopen. Tot zoolang moest men geduld hebben, want Mathilde

bracht Jozef aan 't verstand, dat zij volstrekt niet gissen kon, wat

vader van de tijding denken zoû. Als hij weêr op zijn gemak den gewonen

levensloop volgde, moest men hem alles meêdeelen.

Met dendag draaide nu de oude heer bij. Hij begon eerst wat beter te

eten, toen bleef hij even ópzitten met zijn koeranten, toen stopte hij

zijn pijpjes, toen begon hij pleizier in keuvelen te krijgen, en

eindelijk stapte hij de duffe ziekenkamer uit. Dit zal nu een dag of

tien geleden geweest zijn.

De maand Oktober eindigde stil. Het was een heldere koele avond buiten.

Er passeerden weinig menschen op de gracht. De heer de Stuwen zat voor

de tafel in de binnenkamer. Het kolomkacheltje brandde flauwtjes. De

gasbekken waren boven het grijze hoofd ontstoken en hij las de krant

onder 't soppen van een tafelbeschuitje in een juist weêr volgeschonken

nagemaakt blauw Saksiesch theekopje. Tegenover zijn plaats aan tafel

stond een groot ouderwetsch bruin blad met opstaanden rand in koperen

beslag. Het vlammetje onder het oud-zilveren theepotje bewoog: zóo hoog

stond het ouderwetsch toestel, met de ketel met kokend water, dat de

stoom tegen het lichtje áankwam. De overgeblevene helft van een

manille-cigaar lag op het met asch en gestortte suiker bedekte

schoteltje, naast de linkerhand van den heer de Stuwen, waarmeê hij de

krant vasthield.

Mathilde was juist wechgegaan om klarigheid te maken om met haar vader

naar de komedie te gaan.

Daar werd hard aan de voordeur gescheld. Toen Jans bijna bij de voordeur

moest zijn, gingen de Stuwens blikken even luisterend links langs het

bedrukte blad, zijn mond ging op een kiertje staan: Wie, dacht hij, kan

daar zijn?

Jozef was aan de deur. De Stuwen herkende zijn stem toen hij Jans

goeyen-avond zeî, en vond 't vervelend, dat hij juist nû kwam.

--Zoo, van Wilden, ik had niet gehoopt je van-avond nog te zien.

--Hoe maakt u 't, meneer de Stuwen? ... Ja, ik zal u zeggen ... ik woû u

graag eens spreken ... over ernstige zaken ...

--Nou, kom binnen, kom binnen ... Jans, neem meneer z'n jas eens aan.

--Nee, dank u, die zal ik maar aanhouwen ... Ik zal u niet lang

ophouden ... ik heb maar weinig tijd.

--Ga zitten ... zoo, en wat heb je nu voor gewichtigs?

De Stuwen was ook weêr gaan zitten.

Jozef zat op de kleine kanapee, die tegen den wand stond. Zijn

cylinder-hoed stond naast hem op het karpet met de lichtrood zijden

voering naar boven. Zijn overjas hing open; zijn ellebogen stonden op

zijn knieën; zijn donkerbruine glacé-handschoenen kraakten sisten tegen

mekaâr; zoo krachtig poogde hij zijn handen te vouwen. Zijn hoofd hield

hij gebogen, zijn oogen neêr. Een enkelen keer dwong hij ze echter den

heer de Stuwen sterk aan te zien. Hij sprak boekachtig.

--De stap die ik doe is wel een beetje onvoorbereid, meneer, ... maar wij

zijn toch al oude vrienden en daarom ben ik er des te gereeder toe

overgegaan ... Meneer, ik kom de hand van Mathilde vragen ...

Jozef hoeste en keek den ouden heer lang, heel lang met zenuwachtig

trillende oogen aan.

--Houdt zij van u?

--Ja, meneer, dat weet ik ... Wij hebben samen al over ons hartsgeheim

gesproken ... Zij heeft mij wel lief en ik, ik haar onuitsprekelijk ...

--Ik moet je ronduit bekennen, dat je me erg verrast. Ik had nooit aan

zoo iets tusschen jullie gedacht. Je scheelt, als ik wel heb, dertien

jaar met mijn dochter. Je karakter ken ik genoeg ... Maar wat praat ik?

Wat moet ik beginnen, als jij met mijn eenig kind gaat strijken? ... De

Stuwen huilde nu. Van Wilden, ik houd zooveel van dat kind, zij is 't

eenige, wat ik nog over heb ... Mag ik wel vragen, oprecht en vrij,

hoeveel inkomen je wel hebt, van Wilden, en hoe je je huishouden denkt

in te richten? ... Wezenlijk, je komt me zoo met je aanbod uit de lucht

vallen, dat ik er heelemaal door in de war ben ... Laat me d'r eens wat

over denken, hè? ... Kom dan over een week of zoo maar mijn antwoord

hooren ... Gut, jongen, van Wilden, geloof me, ik had zoo iets nooit

vermoed ... Ik houd van je, dat weet je, en 't geluk van Mathilde gaat

mij erg ter harte ...

Jozef was opgestaan, beverig, klammerig. Boven in huis zong Mathilde het

liedje uit Faust van den koning van Thule; zij kwam de trap af. Toen zij

aan de onderste drie treden was, had ze juist haar handschoenen dicht

geknoopt en kwam nu met een sprongetje de achterkamer binnen: Vader,

is u klaar?

Jozef had nog juist kunnen zeggen:

--Mag ik u dan per schrift nog 't een en ander over mijn zaken

melden? ... Ik hoor Mathilde, bedenk u nu rustig ... ik wil ook niet dat

er in deze kwestie iets te overhaast of tegen uw goeddunken gebeuren

zal, ... maar ... vóor alles, ... houd in 't oog dat niemand haar ... in

staat is haar ... gelukkiger te maken, ik ... daar is ze, ... dat ik

oneindig veel van haar houd ... Tot ziens dan!

Hij kwam Mathilde aan de deur tegen. Hij dorst niet tegen haar te

glimlachen. Zij zag ontsteltenis in zijn oogen. Zwijgend drukte hij haar

hand. Zijn hand beefde. Zij zag haar vader ook opgewonden. Zij begreep

dat Jozef alles had gezegd. Eén oogenblik had zij de gedachte haar vader

te omhelzen en hem zoo smeekend aan te zien, dat hij dadelijk zijn

permissie zoû geven ... éen oogenblik maar, want zij hield zich in en

ging stil in de kamer staan. De heer de Stuwen liet Jozef uit. De

buitenlucht koelde de gezichten van Jozef en de Stuwen af. Jozef nam

zijn hoed af en verdween in de schemering van 't lantaarnlicht aan den

wallenkant.

Vijf minuten later ging de oude heer met Mathilde naar de komedie. Jans

liet ze uit en bleef verder in haar eenzaame keuken te-rug om naast de

poes in te dommelen zonder te merken dat de lamp knersend uitging.

De Stuwen en Mathilde zeiden dien avond weinig tegen mekaâr.

* * * * *

Dien avond, een paar uur na dat hij bij de Stuwen geweest was, ging

Jozef naar de club. 't Was al over tienen. Het gas in de winkels vlamde,

de gordijnen voor de clubventers waren neêr. Jozef draaide den hoek om

en richtte zich naar de deur in gezelschap van twee andere elegant

gekleedde heeren. Beneden, van de keldervensters van het clubgebouw,

steeg een warme damp van gekruid eten op in de neuzen.

De straathoek hier was vol loopende menschen. De lucht stond bewolkt en

de gezichten blonken geel in het gaslicht. De oogen blonken, als lichten

van diep uit de hoofden schijnend. Soms ging het geraas van rijtuig en

paard plotseling van de straatsteenen over in het doffe geklok van den

hoefslag op het asfalt. Schorre fruitventers-kreten, heesche

jodenschreeuwen een schel hondgejank riepen op onder de schuifelende

gebarende en gesprekken houdende menigte, donkere lijven in een ver

gebrom en een morrend gesuis tot de lucht.

In hun baarden lachend wandelden Jozef en zijn kennissen langzaam. Boven

de fluweelen kragen van hun overjassen schemerden, in helder witte

boorden geklonken, hun roode door de pret vettige halzen. Er kwam een

donkere jufvrouw onder een breedgeranden rubenshoed achter hen aan. Zij

kuchte. Jozef keek om. Van weêrszijde werd toen giechelend gelachen.

De groote zaal van de club was in lichte kleuren beschilderd: licht-rood,

lila en blauw; ovale vakken met bloem-en fonteinafbeeldingen, gescheiden

door half uit den muur gebouwde hoekige pilaren, die van boven en van

onderen zich in een opeenhoping van gouden krullen verloren. De

bloemvakken werden afgewisseld door geslepen spiegels. Midden in den

zaal stonden drie bieljarten, waar heeren met lekker-ruikende-baarden in

hun overhemdsmouwen om heen liepen; de lampekappen stortten het licht

over de bieljarten neêr, dat de spelden in de kleurige dassen deed

blinken, maar de gezichten in de schaduw liet; de heeren droegen de

keuën geweêrsgewijze over den schouder, de pomeranz, met krijt

besmerend. Achter in de zaal stond de lankwerpige groene leestafel, waar

meer bejaarde heeren kranten lazen; aan de vensters waren de zwart

ebbenhouten tafeltjes; kletsende, rookende heeren zaten er om heen

grokjes te drinken.

Jozef kwam binnen met zijn vrienden. Een knecht vol blauwe liverei met

zilveren knoopen nam de over-jassen en de hoeden aan. Aan een tafeltje,

dicht-bij de deur, waar al drie jongeluî aan zaten, gingen zij ook.

--Bonsoir, Hasman ... Dag, Piet, hoe maak jij 'et? D'Ablaincourt! ...

Zitten jullie hier al lang?

--Nee, even maar, we hebben koffie gedronken in Suisse.

--Was 't er vol?

--Nee, och God, niemant.

--Jawel, en Dobber van Rotterdam dan? Zeî Hasman.

--O, was die d'r ook? Die heb ik t'r gisteren gezien, zeî Jozef.

Verbeel-je, hij proponeerde me om een spelletje ekartee te spelen, maar

dat kon ik niet doen, dat begrijp je, nee, zeg ik, dat gaat hier in

Amsterdam volstrekt niet, als de menschen mij hier na den eten ekartee

zagen spelen, zoû ik morgen aan de Beurs niets te doen hebben.

--Nou, zoo erg geloof ik nou niet, dat het is, zeî Piet.

--Asjeblieft, zeî Jozef, de menschen zijn hier nog verschrikkelijk

kleinstädtisch. Ik durf in geen publiek koffiehuis kaart te spelen. Dat

kunnen alleen renteniers doen en in geen geval jonge menschen, die in

effekten doen.

D'Ablaincourt was met den knecht aan 't overleggen wat hij drinken zoû.

--Mag ik je iets offreeren, van Wilden?

--Ja, groc américain, heel graâg!

--Jongens, ik heb vandaag zoo'n mooye meid gezien, zeî Hasman.

--Ja? Waar?

--Op de Heiligeweg. Ik ben d'r nog een tijdje nageloopen door de

Leidsche straat, maar 't duurde me te lang.

--Ja, à propos, van Wilden, hoe staat 't met jouw Lucie?

--Dank-je, heel goed; jammer, dat 't uit is tusschen ons ... maar van den

anderen kant toch niet jammer, want ik geloof dat 't heel goed is, dat

ik nu eindelijk eens ga trouwen.

--Ja, maar, beste vrind, wat heb je aan een ongefortuneerde vrouw?

--O, dat hangt er heelemaal van áf ... as je een meisje trouwt, mooi, en

die op je verliefd is, en als je dan de overtuiging hebt, dat je een

uitstekende getrouwde man zal zijn ... Ik zal veel van d'r houën en we

zullen 't heel goed met mekaâr kunnen vinden.

--Jongen, jongen, wat ben jij toch 'n degelijk mensch ... en dan na een

jaar of zes zoo vijf kleine springertjes om je heen ... heel plezierig

nie-waar? Je bent tóch altijd zoo'n liefhebber van kinderen!

--O, waarom niet, andwoordde Jozef, al sjouw je wat voor dat je trouwt,

daarom kan je later toch wel een goeye huisvader zijn.

--Ja, en je leeft op 't oogenblik ook heel bedaard, dat is waar.

--Wel zeker, heel bedaard, maar, beste jongen, dat heb ik altijd

gedaan ... ik leef altijd bedaard ... ik ga nu van-avond bijvoorbeeld

waarschijnlijk weêr eens dood bedaard naar Josephine uit den Haag.

De knecht kwam nu met een platina blaadje, waarop drie grocs américain

stonden, die de heeren met een lucifer aanstaken, zoo als ze het in

Parijs hadden zien doen.

--Op je aanstaande, Jozef! zeî een van de andere heeren, zijn glas in de

hoogte.

--Blaas eerst de vlam uit, je zal je branden, riep een ander er

tusschendoor, om een aardigheid te zeggen.

--Nou, en ik drink op Josephine! zeî Hasman.

--Nee, profaneer niet, zeî Jozef, je moet geen dingen met mekaâr in

verband brengen, die niets met mekaâr te make hebbe.

--Nee, dat moeten jullie ook niet doen, zeì de heer Blas, die tot nu toe

gezwegen had en voor een heel verstandig mensch doorging, maar, van

Wilden, ik zoû je toch wél eens iets willen vragen ... hoe of jij toch

eigenlijk de meisjes op je verliefd maakt, bijvoorbeeld, zonder

indieskreet te willen zijn, je aanstaan nu, die houdt nou toch bepaald

van je, nietwaar?

--Ja wel, ik hoop het ten minste wel.

--Hoe komt dat dan nou? Je bent altijd op de Beurs, op je kantoor, hier

in de club, en je neemt het leven verder nog al luchtig op, je bent

zelfs een beetje fatterig, hoe kan jij een meisje uit een stille

burgerlijke ingetogen familie zoo gecharmeerd op je maken?

--Dat is nog al eenvoudig, andwoordde Jozef, ten eerste, omdat haar

vader en zij met weinig menschen omgaan en ik zoo wat de eenige jonge

man ben, dien zij kent, ten tweede om dat ík veel van haar hoû.

De heeren zaten met hun ellebogen op de tafel, met de eene handen de

hoofden steunend of aan de glazen, de andere in de broekzakken en op

tafel trommelend, te luisteren; om hen heen leefde de zaal in het rollen

en klotsen van de bieljartballen, het applaudiseeren voor een mooyen

stoot met een licht geklop van de keuën op den vloer en het stemgegons

van de babbelende tafeltjes met een enkelen luiden schater; de rooknevel

van geurende cigaren steeg langzaam naar de zoldering.

Na een uurtje begonnen Jozef en zijn vrienden zich te vervelen. Aan

andere tafeltjes spraken zij nog een paar vrienden aan, en groetten een

paar kennissen en gingen nog een beetje de straat op.

Twee dagen later ontving de heer de Stuwen een dik zorgvuldig toegemaakt

koevert, dat hij ook op een avond, ook in zijn achterkamer, bij het nog

flauwer brandend kolomkacheltje, openmaakte.

Jozef legde er zijn maatschappelijken toestand in bloot. Hij was

eigenaar en bestuurder van een effektenzaak, die jaarlijks een acht-à

tienduizend gulden afwierp. De omstandigheid, dat hij aan een bekwaam en

ijverig kashouder de leiding van het kantoor had toevertrouwd, stelde

hem in de gelegenheid zijn tijd, die niet aan het maatschappelijk

verkeer was gewijd, met lezen en studeeren door te brengen. Dikwijls was

hij maar een half uur per dag op zijn kantoor en zijn overigen tijd

thuis, of, zelden, in de club. Maar 't sprak dat hij voortaan al zijn

lidmaatschappen van sociëteiten en verdere celibatairs-genootschappen op

zoû zeggen, om met zijn vrouwtje, alleen voor en in zijn eigen huis te

leven. Hij wilde zich ook ernstiger nog als nu op de studie toeleggen,

een bezigheid, die, wilde zij vruchten dragen, op zich zelf al veel van

zijn vorderen zoû.

Terwijl de Stuwen den brief weêr bij de andere papieren in den omslag

leî, dacht hij na over het besluit dat hij zoû nemen. Hij glimlachte.

Mathilde had sinds die paar dagen nauwelijks van Jozef durven spreken.

Alleen gisteren-avond, toen hij haar een beetje plechtig had afgevraagd,

of zij wezenlijk, in het volle besef van wat de toekomst zoû brengen,

van Wildens vrouw woû worden, had zij hem doen blijken, hoeveel zij van

Jozef hield. Zij verzekerde alles overwogen, over alles nagedacht te

hebben en tot het besluit te zijn gekomen, dat haar toekomst was aan de

zijde van dien man te leven en te sterven.

Er was dus, dacht de Stuwen, niets tegen het huwelijk ... Hij had immers

zelf, hij, die Jozef misschien 't best van allen kende, toch nog de

laatste dagen hier daar in de stad naar de reputatie van zijn aanstaande

schoonzoon geïnformeerd en overal waren hem de beste berichten gegeven.

Vroeger had Jozef wel een beetje "gesjouwd", schreef een van de heeren,

dien hij inlichtingen had gevraagd, maar hij was toch altijd, vooral in

den laatsten tijd, een bedaarde jongen geweest. Hij zoû van Wilden dus

maar andwoorden en Mathilde, als zij thuis kwam,--zij was van-avond bij

mevrouw Berlage--gelukkig maken.

Ja, Mathilde was uit. Hij zat hier alleen en kon dus dat zaakje nu juist

goed ten einde brengen. Plotseling dacht hij aan zich-zelf, hoe alleen

hij zich op 't oogenblik voelde; de kachel was aan 't uitgaan, zijn thee

werd koud. Mathilde was er ook niet om voor dat alles te zorgen. En in

éens voelde hij geheel de verlatenheid, waarin hij in 't vervolg zoû

zijn. Hoe was 't mogelijk! Nu pas dacht hij aan wien hem toch het naaste

was! Wat moest hij nu worden? Alleen zijn ouden dag tegemoet gaan, dat

was geen pleizierig idee. En was dat het lot van alle vaders in zijn

omstandigheden, in zijn noodzakelijke omstandigheden, dit besefte hij

wel. Zijn glimlach verdween en hij huilde. Hij voelde zich koud, hij

keek rond. Wat was het eenzaam hier in huis! 't Gebeurde wel meer, dat

Mathilde eens uit was 's avonds, maar nooit had de kamer hem zoo kil en

leeg geschenen als nu, ofschoon hij zeker wist, dat Mathilde op haar

gewonen tijd thuis zoû zijn om hem goeye nacht te zeggen, naar zijn warm

kruikje te zien en zijn kussen te schudden, en dat, al ging het huwelijk

ook door, zij toch minstens nog een maand of zes bij hem zoû zijn.

Hierna vermande zich de heer de Stuwen. Hij stond op, sloot zachtjes de

deur en kreeg uit de zwaar mahoniehouten sekretaire, rechts van het

raam, dat op het binnenplaatsje uitzag, zijn schrijfgereedschap. Hij

schreef, met een beetje schuin uitloopende regels, aan Jozef, dat hij,

na lang over den stap nagedacht te hebben, besloten had zijne dochter te

permitteeren hem te trouwen, dat hij verder Jozef verzocht een dezer

dagen eens nader over deze aangelegenheden te komen spreken. De brief

was min of meer koel ingericht. De Stuwen voelde voor Jozef niet meer de

vriendschap van vroeger. Maar hij kon nu eenmaal niet anders, ofschoon

hij 't zelf onredelijk vond.

Gedurende den tijd, die aan het huwelijk voorafging, veranderde de

Stuwen zichtbaar in de oogen van Mathilde. Meestal was Jozef 's avonds

bij hen, maar éen of twee maal in de week, als de Stuwen alleen zat met

Mathilde in den schemerschijn van 't lichtje onder de theepot, dan was

't of hij niet meer op zijn woorden kon komen, zoo als vroeger, dan

gebeurde 't wel, dat er een uur verliep, terwijl de Stuwen zich in zijn

koerant verdiepte en Mathilde over haar borduurwerk gebogen zat, in

geheele stilzwijgendheid. En was Mathilde verwonderd over haar vader,

vroeg ze hem, of hem iets scheelde, of er soms iets aan zijn gezondheid

haperde, dan verbaasde hij zich over die vragen, dan zeî hij volstrekt

zelf niet te weten, haar anders, met minder hartelijkheid en

vertrouwelijkheid, te behandelen dan vroeger. Zij ging nu trouwen, dat

was heel, heel goed, dat was de weg, dien iedereen ging op haar jaren en

hij zoû wát trotsch zijn eenmaal in zijn dochter een mooye flinke

getrouwde vrouw te zien. Wat hem dan zoo stil maakte en afgetrokken, hij

wist 't zelf heusch niet, hij vertrouwde van Wilden geheel, hij was over

't toekomstig lot van Thilde niet ongerust. Maar onbewust vulde hem het

voorgevoel van de verlatenheid, die hemzelf te wachten stond. Hij had

nooit veel vrienden gehad en sinds den dood van zijn vrouw, na zijn

langen rouw, had hij er in 't geheel niet aan gedacht zijn oude

kennissen weêr op te zoeken, nog minder nieuwe aan te knoopen. Hij was

altijd een huiselijk man geweest, die een stillen kleinen kring, rustig

's morgens aan 't ontbijt, rustig 's avonds in het schemeruur, de

voorkeur gaf boven menschen-zien en vertooning-maken. Daar Mathildes

aard hierin nogal met den zijne over-een-stemde, hadden zij zich met hun

tweeën, hoe langer hoe meer buiten het algemeene, gedruismakende

maatschappelijke leven gesloten. Nu, nu het oogenblik van scheiding en

verandering in die huiselijke orde naderde, zag hij in gedachten eens

uit naar de jaren, die komen zouden. Zijn dochter ging wech, natuurlijk!

Ja, zij zoû wel altijd veel van hem blijven houden, veel van zijn uren

zoû hij nog in haar stil en aangenaam gezelschap kunnen slijten. Maar

hij wist heel goed, hij herinnerde zich nog wel deugdelijk uit de eerste

jaren van zijn eigen huwelijk, met wat een scheele oogen jonggetrouwden

aanzien, dat een derde zich in hun intieme leven mengt en dat hij een

tijdperk van ondragelijke eenzaamheid tegemoet ging, daar twijfelde hij

geen oogenblik aan, en deze gedachte maakte hem stil. Want even afkeerig

als hij was van veel en druk gezelschap, een even groote behoefte had

hij aan enkelen in zijn nabijheid, om zijn vertrouwelingen te wezen en

zijn gemoedsleven te deelen. Mathilde kwam er niet op te vermoeden, wat

de eigenlijke reden was voor de verandering in haar vaders manier van

zijn. Zij had al van alles verzonnen, maar wat haar in was gevallen, om

de onhoudbaarheid dadelijk weêr verworpen. Vroeg zij 't hem, dan bleef

hij maar andwoorden, dat hij daar zelf niets van merkte. Zij ook dacht

voortdurend alleen aan de toekomst. Maar 't kwam haar zoo natuurlijk en

zeker voor, dat vader bij hun in zoû komen wonen! Zij twijfelde daar zoo

weinig aan, dat niets haar meer verstomd zoû hebben als te hooren, dat

de onmogelijkheid van wat zij voor natuurlijk hield de eenige oorzaak

was van haar vaders droefgeestigheid.

Eens op een avond, toen haar vader bizonder treurig voor zich uit zat te

turen, kwam zij weêr op iets:

--Vader, is u zoo verdrietig, om dat ik trouwen ga?

--Och, nee, dat is het niet.

--Maar wat is er dan toch, wat dan in 's hemels naam, er moet toch iets

bizonders aan de hand zijn. Waaraan dacht u nu op 't oogenblik? Zegt u

dat nu eens oprecht. Het zal toch niet eenvoudig aan uw gestel liggen.

Ik heb ten minste nooit gehoord van een lichamelijke kwaal, die op zoo'n

manier aan den dag zoû komen.

--Kind-lief, ik weet het zelf niet.

--Maar het kan toch niet zijn om dat ik trouwen ga, want, lieve hemel,

dat doen alle meisjes op mijn leeftijd en het is nog nooit gezien, dat

een vader zich dat zoo erg aantrok. U houdt wel veel van me, dat weet ik

wel, maar ik kan toch niet gelooven, dat u zooveel van mij zoû houden,

dat u ziek wordt bij de gedachte, dat we een beetje van mekaâr moeten

gaan, dat zoû toch al te erg zijn. Dat zoû ziekelijk zijn en eenig in

zijn soort, en nee, en dat kan niet, dat is onmogelijk. Ik kan het mij

niet verbeelden ... Och toe, vader, doet u nu niet zoo raar ... Kan u er

zelf niets, niets aan doen? ... Vader, wil ik dan maar liever niet

gaan trouwen?

--Nee, kind, ik verzeker je, dat is het niet, het moet iets lichamelijks

zijn. Ik zal er den dokter eens over spreken ... Denk je nog wel dikwijls

aan je moeder? vroeg de Stuwen plotseling.

--Tusschenbeide. Ik kan eigenlijk niet goed aan d'r denken. Hoe wil ik

me iemant voorstellen, die ik mij nog maar zoo weinig herinner.

--Je moeder was net zoo als jij, lieve kind, je bent haar sprekend

evenbeeld. Ze was net zoo opgewonden als jij wel zijn kan, en ook haar

uiterlijk had héel veel van het jouwe ... En weet je, waar ik nu eigenlek

bedrukt over ben? ... Als 't eens met jou ging, zoo als 't met haar is

gegaan ... Kind, je hebt zóoveel van d'r!

--Maar, vader, hoe bedoelt u? Ik begrijp u niet; dat ik ook vroeg

sterven zoû?

--Ja, kind, je kon niet weten. Laten we eens iets veronderstellen ... Als

jij ook een kindje kreeg en je stierf dan, zoû je dat niet

verschrikkelijk vinden?

--Och, vader, ik weet niet, ik kan me daar volstrekt geen voorstelling

van maken.

De heer de Stuwen was ongerust. Den volgenden dag, toen hij weêr een

uurtje alleen zat, kreeg hij hoofdpijn van het denken aan zijn vrouw en

aan Mathilde. Hij dacht aan Mathildes zwarte haar, aan haar donkere

oogen, die zij, zonder verandering bijna, van haar moeder had. En dan

haar levendigheid, haar vuur; dat hem vroeger juist zoo op zijn vrouw,

die maar zoo kort geleefd had, verliefd had gemaakt. Mathildes

levenslustigheid sloeg nu en dan in wildheid over. Dat maakte hem ook

bang. Nu, in den laatsten tijd met het huwelijk in 't vooruitzicht, was

dat wel beter geworden, maar vroeger, wat kon zij aangaan! Het was wel

gebeurd, dat zij stil alleen samen zaten en lazen, hij de koerant, zij

een roman. Dan was zij dikwijls niet van het boek af te krijgen geweest,

haar slapen gloeiden vlak boven de bladzijden, tot zij in-éens ontsteld

op-sprong, gejaagd de kamer rondliep en eindelijk tegen de muur ging

staan leunen, haar voorhoofd op den rand van een schilderij. Een

oogenblik duurde dat maar, dan keek ze om en proestte het uit van het

lachen over haar eigen kinderachtigheid. Met tranen nog in haar oogen,

liep zij dan naar haar vader, die verwonderd naar haar had zitten

kijken, en drukte hem bijna te pletter in een omhelzing. Wat kon zij

woest zijn! Wat kon zij op de piano dreunen en urenlang zitten spelen,

zonder ooit op te houden, zonder om te zien. Zij was bepaald een

vreemdsoortig meisje; haar moeder had ook wel zoo iets. Maar zij veel

meer. Wat kon ze met een hartstocht teekenen, uren lang, boven alleen op

haar kamer, zonder ooit voor 't venster te kijken naar de menschen

beneden langs de straat. En dan, die vlagen van godsdienstigheid

tusschenbeide! Daar begreep de Stuwen nog 't minst van. Hij was ook wel

naar de kerk gegaan in zijn jeugd en had veel preêken gehoord van een

vromen pastoor, maar met de jaren kwam de onverschilligheid en het vage,

geheimzinnige geloof van zijn vrouw, had hém juist nog meer doen

verflauwen. Hij was bepaald van de liberale partij geworden, hij las het

Handelsblad en was 't vrij wel eens met dominee Hugenholtz. Maar

Mathilde niet. Zij kende God, had zij dikwijls beweerd, en als ze iets

goeds deed, voelde ze duidelijk de zegening van God in haar binnenste.

Of pastoor Sluyter, die vroeger wel eens aan huis kwam, haar dat had

geleerd, dat wist de Stuwen niet. Maar hij merkte elken dag, hoe

gelukkig of haar geloof Mathilde maakte. Daarom sprak hij er zoo weinig

mogelijk met haar over.

Ja, het geloof alleen maakte Mathilde vroeger gelukkig, zij wist het

zelf heel goed.

Tot haar vijftiende jaar toe, had zij alleen den God van haar moeder en

van pastoor Sluyter gekend. Zij stelde zich hem voor als den oppersten

rechtvaardigen rechter, een bejaard eerbiedwaardig mannelijk wezen, met

langen sneeuwwitten baard, die haar zag en zijn wenkbrauwen fronste, als

ze kwaad deed of dacht, als ze ongehoorzaam was aan vader, lui was onder

't werk of met een vriendinnetje lachte in de kerk of de japonnen van de

dames haar daar meer bezighielden dan Hij en Zijn Majesteit; die

welwillend op haar neêr zag en haar zegende, als zij braaf was, goed

werkte, en gedwee tegenover haar meerderen.

Maar toen zij volwassen werd, het een en het ander gelezen had en haar

ziel groot voelde worden, toen had het gevoel over dien God

noodzakelijker en levendiger dan vroeger aan haar voorgedaan. Als ze 's

zomers 's morgens opstond en de zon goudgloed was in haar kamer, als ze,

even voor het venster staande, de blaadrenmassaas van de iepenboomen zag

waayen en ruischen en de lucht zoo blauw was boven de glinsterende

daken, vooral ook als ze eens buiten kon zijn en rondwandelen in de

vrije natuur, of als ze muziek hoorde of een prachtigen roman las, dan

rees er een onnoemlijke behoefte aan uitstorting en aan dank in haar

gemoed, dan richtte zij zich tot dien hoogen Persoon, uit Wien al dat

vreemde geluk moest voort komen. Dan dankte zij Hem voor de gave van

haar leven, voor haar genieting en voor de hoop op nog grooter geluk,

die zij in zich droeg. Zij wenschte ook zoo zeer geleid te zijn, een

raadgever te hebben. Nu besefte zij het: Hij zoû haar leider wezen! Zij

bad van Hem veel goeds te mogen doen in haar leven, zij dankte Hem, als

ze iets goeds had gedaan. Zij droomde ook van liefde. Daarom óok bad zij

aan den God van alle liefde. Het gebeurde wel, dat zij woorden vond om

Hem toe te spreken en Hem haar vereering te betuigen, net zoo als zij

tegen haar stoffelijken minnaar zoû zeggen, als die mocht komen.

Toen ze van Jozef begon te houden, had zij gehuild van dankbaarheid in

haar gebed aan God.

* * * * *

Intusschen verliep de winter, een zachte winter. In 't voorjaar zouden

Jozef en Mathilde trouwen. Het engagement was publiek. Mathilde had zich

al gewend aan de pleizieren en aan de eentonigheid van zoo geengageerd

te zijn. Jozef hield nu zijn arm om haar middel geslagen en zoende haar

in het bijzijn van den ouden heer. Het kwam Mathilde voor, dat haar

liefde op dezelfde hoogte bleef staan. Dan zaten zij met hun drieën bij

mekaâr en bespraken plannen voor de toekomst. In weêrwil van zijn

afwijzingen was 't nu vast bepaald, dat de oude heer bij het jonge paar

in zoû komen wonen. Eens maar werd er nog een avondje met meer

menschen gegeven.

Toen de tijd van het huwelijk kort op handen was, werd Mathilde

zenuwachtig. Haar stil genoegen van dagelijks met Jozef te zijn werd

vermengd met zekere nog nieuwe gewaarwordingen van gejaagdheid en angst.

Als ze soms op de kanapee in de binnenkamer naast mekaâr zaten en

praatten, terwijl de oude heer, op een stoel voor de tafel, goedig en

stil er opmerkingen tusschenvoegde, voelde Mathilde in-éenen met een

soort van bevreemding, van verwondering, dat zij daar nu zoo zat, in

dezen toestand en pratend over de inrichting voor haar volgend leven,

die zoo bizonder verschillend van de tegenwoordige wezen zoû en waarvan

zij nog zoo weinig wist. Als Jozef, op den heel gemeenzamen toon, waarop

hij deze onderwerpen behandelde, over de wenschelijkheid gesproken had

met zijn vrouwtje een huis op de Heerengracht te huren en haar vroeg,

wat zij dacht van de Heerengracht bij de Gasthuismolensteeg, om dat hij

zijn kantoor hield op het Cingel daar dicht in de buurt, dan kon zij hem

plotseling aanzien, alsof zij geschrokken was van wat hij zeide. Zij

keek ernstig en hield zich stil. Men hoorde het lichtje onder de theepot

branden. En dan sprak hij weêr voort, zonder iets te merken. Het

gebeurde wel, dat de oude heer indommelde midden-in de gesprekken

overdag of 's avonds. Als Mathilde dan Jozefs stem alleen voort hoorde

gaan, kwam het voor dat zij hem niet vertrouwelijk aan dorst zien, maar

een groote droefheid over zich voelde komen en haar blikken maar niet

van den slapenden vader afhouden kon. Zij zag de kamer rond en, 's

avonds of overdag, in de voor-of in de achterkamer, het was zóo donker,

dat zij kippenvel kreeg. Zij keek naar de wanden, een voor een, en

begreep maar niet, waarom zij die al-gauw voor andere, lichtere en

vroolijkere waarschijnlijk, verruilen zoû. Er kwam haar een weemoedige

vriendelijkheid van de vormen van de meubels, die tegen het behangsel

stonden, tegemoet. Het buffetje herinnerde aan de heerlijke oude dagen,

die voorbij waren voor altijd, de lijsten van de schilderijen

herinnerden, dat haar vader, na een schoonmaakdag, die altijd recht

hing, om dat de schoonmaakster ze schuin aan het driehoekig koord weêr

opgehangen had; zij dacht er over, dat haar vaders haren vroeger veel

minder grijs waren, en Jozefs stem klonk dan als heel uit de verte, als

het gelui van een stalen klok. 's Avonds naar haar slaapkamer gaande en

daar zijnde, onder het uitkleeden, had zij een gevoel van vagen angst

voor Jozef. Het was zoo donker overal. Hij kwam haar toch niet na op de

trap! Hij stond toch niet aan haar deur te tikken, na dat zij hem

afgesloten had? Hij had zich toch niet in de een of andere kast

verborgen, om haar te verschrikken of te verrassen? Hij zoû toch niet

van onder de tafel of het bed vandaan kruipen, om bij haar te zijn, al

te dicht bij haar, om haar aan te raken, vriendelijk, hartelijk, stevig,

om haar te omhelzen al te vurig, haar zeer te doen, om haar pijn te

doen, haar te knijpen, iets van haar te stelen, iets voor altijd van

haar wech te nemen, wat haar dierbaar was, iets innig van haar eigen?

Hij drong zich toch niet tegen haar aan, eischend dat zij iets af zoû

geven, wat zij niet missen kon? En in een groote haast ging zij naar

bed. Dáar verdwenen de onrustige gedachten en ging zij teeder aan hem

liggen denken, schikte zich gemakkelijk op de matras en de kussens, om

niets te voelen en zich niets te verbeelden dan hem en hem alleen, om in

haar éentje gemakkelijk en ongestoord van hem te houden. Zij had voor

dek een laken, een deken en een sprei. Zij sloeg die tusschenbeide

heelemaal uit over haar hoofd om zóo, in de pikke duisternis, Jozef

alleen te zien. Of wel, wanneer het haar te benauwd werd, vouwde zij het

dek om en trok het, zoo eens zoo dik, zoo hoog mogelijk onder haar kin

en dan, met dichte oogen, wreef zij zachtjes haar kin over dat dikke dek

heen en wêer; dan stond hij, in al de bizonderheden van zijn persoon,

zóo levendig voor haar geest, alsof hij wezenlijk in haar kamer was.

Maar zij hield er van haar eigen denken over hem na te pluizen. Hoe kwam

het, dat zij hem nu zoo erg zag? Gesteld eens, dat hij op dit oogenblik

wezenlijk was op de plek, waar zij zich nu verbeeldde hem te zien, in

welke houding zoû hij dan zijn? Stónd hij, gewoon rechtop? Neen, dan

moest hij op haar bed staan, zoû zich dus ten eerste niet stijf staande

kunnen houden op het weeke beddegoed, ten tweede zoû zijn hoofd tegen

den hemel stooten om dat hij zoo lang was, ten derde zag zij hem zoo van

dichttebij, dat zij te-gelijk zijn voeten en zijn haren zoû kunnen

aanraken, iets wat dán niet mogelijk zoû wezen. Lag hij dan naast haar

of op haar, stond hij buiten het ledikant? Neen. Stond zijn beeltenis

dan afgeschilderd ergends midden in haar hoofd? Dat moest zijn. Zij zag

hem uitkomen op een donkeren kleurlozen of naar het grijs-rood aardenden

achtergrond. Die beeltenis moest dan wel heel klein wezen, om daar

binnen geborgen te kunnen zijn. En toch zag zij hem levensgroot. Hij was

er en hij was er niet. Dat maakte haar weêr bang. Dan kwam daar nog bij

waarom sloop die vreemde gestalte zoo bij haar binnen en overmeesterde

al haar denken? Wat had die man een overdreven punten aan zijn snor, die

zij langs haar wang voelde scheren; een heele lichte, nauwelijks

merkbare onaangename geur kwam er rechts uit zijn boord op. De even

zichtbare kringvormige indruksels onder zijn oogen vond zij leelijk ...

En dan was hij haar weêr heelemaal vreemd. Wat kwam hij doen, wat wilde

hij toch van haar? Zij en hij waren toch twee verschillende menschen.

Hoe kon zij dan niet aan haar zelf denken zonder hem te zien? Waaróm

drong hij zich dan zoo aan haar op en ademde zij met hem samen? Hij

vervolgde haar; wat zoû hij haar doen? ...

Dikwijls keek Mathilde in deze dagen weêr naar het portret van haar

moeder, droever en bleeker elken dag. De straffe rimpels van de

neusvleugels tot de mondhoeken prentten zich dieper in het gezicht van

de vroeg gestorvene.

De laatste veertien dagen vóor het trouwen zorgde Mathilde met haar

modemaakster voor haar japonnen en met boodschapjes in de stad, die al

haar middagen vulden, voor haar verderen uitzet. Zij was ongeduldig. De

tijd moet nu maar gauw verloopen, nu alles toch eenmaal besloten was.

Maar heviger dan vroeger had zij aanvallen van berouw over hetgeen zij

ging beginnen. Zij zoû haar goeden, ouden, armen vader alleenlaten? Want

hij kon de huwelijksreis toch niet meêmaken, dat ging niet. Hoe had zij

daartoe kunnen besluiten? Maar hij kwam immers later bij hen inwonen?

Ja, ja, maar ondertusschen! Hij werd hoe langer hoe stiller en meer

in-één-gedoken. Wat zoû er van hem te-recht komen?

Door allerlei zulke bespiegelingen heen, brak de huwelijksdag aan. Toen

Jozef haar dien avond, dien oppersten avond, meênam naar het station,

was alle gevoel in een verdooving ondergegaan. Het afscheid van haar

vader ging flauwtjes te werk. Zij had den heelen dag bijna niets gegeten

en alleen maar een paar glazen water gedronken. In den trein had zij de

koorts. Geen woord werd er gezegd. De bezorgdheden van Jozef, die haar

alles zoo gemakkelijk mogelijk maakte, merkte zij niet eens. Zij zat

daar, lijkwit. Een onbestemde nieuwsgierigheid drong huiverig door haar

verdooving heen. Zij dacht aan niets eigenlijk. Haar keel was droog. Het

was haar te moede, als stond zij in een dikken grijzen damp met een

ondoordringbaar verschiet in de rondte. In een nevel van onuitgedrukte

aandoeningen ging zij haar nieuwe leven in.

Een liefde · 第 8 / 21 题