Per auto op reis, als heer-alleen met drie dames, geheel Frankrijk door
en zonder chauffeur, het is voorwaar geen kleinigheid!
Drie dames, drie koffers, en mijn eigen klein koffertje, een stapel
mantels, jassen, plaids en capes, neen, er is geen hoekje plaats meer
over voor den kleinen "mécano", dien ik gehoopt had mee te kunnen nemen.
Ik zal alles zelf en heel alleen moeten doen: naphta, olie, water
bijvullen, banden opleggen of banden oppompen, smeren, poetsen,
schuren.... en sturen. Elken ochtend, een uur vóór 't vertrek, terwijl
mijn dames nog rustig te bed liggen, zal ik reeds aan 't werk zijn;
elken avond, een uur na aankomst, terwijl mijn dames zich aan 't
opfrisschen en aan 't verkleeden zijn, zal men mij nog aan den wagen
bezig vinden.
Zal het gaan....? Laat het ons maar probeeren!
De wagen is kant en klaar. Dat is hij al sinds dagen. Alles, àlles wat
kòn worden nagezien, ìs nagezien. Wat nu nog kan gebeuren, hangt alleen
van onze goede en kwade kans af. De bagage is opgeladen, mijn dames zijn
ingeladen, zij zitten met frissche wangen en blijde oogen te glimlachen
en ik moet ook glimlachen, omdat ze zoo goed bij elkaar in de auto
passen: de dames en hunne bagage. Men kan zich de eene zonder de andere
niet goed voorstellen, ze completeeren elkaar, maken één geheel uit.
Vooraan, op den wagen, rechts en links op de acetyleenlantarens, zijn
twee vlaggetjes geplant: rechts, de zwarte leeuw op gouden veld, de
Vlaamsche vlag; links de Hollandsche driekleur, met het oranje wimpeltje
in top. Dat staat wel aardig. Het zal vooral heel aardig staan als ze
straks, onder het rijden, levendig gaan wapperen. Hun frissche, helle
kleuren geven wat fleur aan den langen, open wagen, die eentonig grijs
van tint is, dè tint van een reiswagen.
* * * * *
De vlaggetjes wapperen....!
Gent, het groote, drukke, vuile en toch imposante Gent, de donkere,
viriele oude stad met de forsche gebouwen, ligt al een eind achter den
rug, en wij hossen en schudden en dansen over de hobbelige keiwegen. O,
die schrikkelijke vlaamsche en brabantsche keien! Kinderhoofden! zeggen
de hollandsche chauffeurs. Maar wij noemen ze: doodshoofden. Zullen we
wel ooit te Brussel geraken! Zal de wagen niet tot splinters uit elkaar
vliegen? Wij tellen de dorpen als zooveel lijdensstaties van een
folterweg. Hoe is 't Gods mogelijk om in zoo'n land auto te rijden? Wie
zijn de sombere barbaren, de oer-negers, de menschenhaters en de
menscheneters, die zulke bestrating ooit verzonnen? Wij schokken en
springen door een stadje: Dendermonde; af en toe kijk ik om of mijn
bagage en mijn dames nog steeds in den wagen zitten; wij hobbelen door
dorpen met een bevolking, die bijna uitsluitend uit kleine kinderen
schijnt te bestaan; risten, dozijnen, krioelingen van kinderen, op de
straat, in de moddergreppels, vóór, achter en langs de huizen; (o,
vruchtbaar Vlaanderen, wat wordt er met liefde aan uw toekomst gedacht!)
wij komen in een streek van hondenkarren, geen andere gespannen dan
hijgende, blaffende, brullende en sjokkende hondenkarren; even krijgen
wij een mooien, zachten grintweg (o, welk een verademing! wat een
zaligen voorsmaak van wat ons verder op de reis te wachten staat!) om
trouwens spoedig weer over de doodshoofden door elkaar geslingerd en
geschokt te worden; en eindelijk doemt Brussel in de verte op.
Komaan! We zijn er toch levend aangeland. Het overige zal nu maar
kinderspel meer zijn.