Na eenigen tijd, over negenen, kwam Georges De Woude van Bergh en
het laatst Etienne Van Erlevoort binnen, die de verontschuldigingen
van zijn broêr, welke verhinderd was geweest mede te komen,
overbracht. Otto gevoelde geen sympathie voor Vincent, ofschoon hij
met dezen nooit de minste onaangenaamheid gehad had; in zijn eigen
degelijk, kalm, mannelijk karakter, waarvan het gezonde evenwicht zich
nooit verbrak, in zijn hartelijke flinkheid kon hij geen vriendschap
koesteren voor iemand, die zich, naar zijn meening, geheel en al
beheerschen liet door een ziekelijke nervoziteit, zonder ooit eenige
geestkracht in te spannen, om er zich boven te verheffen. Otto was
een van de weinigen, die Vincent niet vermocht tot zich te trekken;
bijna ieder gevoelde in zijn omgang wel iets, dat terugstiet, maar
dat tevens later zeer aantrok; iets als een zoet vergift, waarmede
men eerst bekend moest zijn, als een bedwelming van opium. Door
zijn voortdurend reizen had Vincent veel menschenkennis, of liever,
veel tact verkregen om met allerlei lieden om te gaan, en hij kon,
zoo hij wilde, den schijn van welk karakter ook aannemen, met het
zelfde gemak, waarmede een slang zich lenig wringt in verschillende
bochten of een goed acteur verschillende rollen vertolkt. Maar Otto,
in een onbewuste fierheid op zijn gezonde kracht, die recht door zee
ging, minachtte Vincent om de vergiftige bekoring welke hij van zich
kon doen uitstralen en waardoor een ander zich verleiden liet.
Een blauwige rook wolkte weldra door het vertrek, daar Vincent
sigaren had geprezenteerd; alleen hijzelve rookte niet. Hij had een
paar flesschen St. Emilion uit een kast gehaald, ontkurkte ze en
zette vier wijnglazen op de tafel. Etienne, luidruchtig als altijd,
verhaalde in een sterk gekruid jongelui's-patois tal van anecdoten
en histories, met een mimiek en gebaren, die hem iets gaven van een
gentlemanlike comiek uit een café-chantant. Paul en Georges lachten,
Vincent echter haalde met een blasé-glimlachje zijn schouders op,
en terwijl hij inschonk, murmelde hij minachtend met zijn lichte stem:
--Wat een kind ben je toch, Eetje, Eetje!
Etienne trok zich de opmerking niet aan, en voer voort, terwijl hij
in het geheel geen gaas meer over zijn stijl plooide, en de anderen
luisterden toe, behagelijk de bouquet van hun wijn genietend. Vincent
bleef Etienne echter voor den gek houden.
--Wat een stoute jongen is die kleine Erlevoort, om zulke dingen te
durven vertellen, hè? Wat een ondeugd! sprak hij en de spotzieke lach
om zijn lippen had zoo iets aanmoedigends en innemends, dat Etienne
nog niet uit het veld geslagen werd.
Vincent schonk nog eens in en Georges prees zijn wijn. Hij was onder
jongelui weinig spraakzaam en amuzeerde zich met een stil genot,
daar hij alleen voor dames de moeite nam al het schitterende schuim
zijner conversatie te doen sprankelen. Vincent vroeg hem het een en
ander omtrent zijn werkkring op Buitenlandsche Zaken, terwijl Etienne
ernstige waarschuwingen aan Paul deed, die hem ongeloovig aankeek.
--En later wordt je dan zeker naar de een of andere plaats
gedetacheerd, nietwaar? vroeg Vincent.
--Dat kan gebeuren, antwoordde Georges.
--Het is ten minste een betrekking, waarin je nog het een of ander
zien kan. Maar hoe iemand zijn gansche leven op een bureau slijten
wil, is me onbegrijpelijk. Ik zou dood zijn voor mijn tijd. Daar heb
je nu Erlevoort, ik meen je broêr, Eetje....
--Nu, laat Otto maar loopen, sprak Paul. Die maakt een schitterende
carrière, dat zal je zien....
--Je weet, Otto is voor minister of gouverneur-generaal in de wieg
gelegd.... ten minste dat beweert de oude vrouw altijd. Ik ben alleen
de verschoppeling van de familie! riep Etienne.
--Ja, het bedorven jongetje, hè, lachte Vincent. Hoe ver ben je nu
met je studies?
--Ik, wel ik moet candidaats doen, maar ik loop geen college, ik
studeer hier in Den Haag.
--Vindt je het hier dan zoo genotvol in jullie Den Haag? vroeg Vincent
met een toon van minachting op dien plaatsnaam.
--Ja, het gaat vrij wel....
--Hoe is het in godsnaam mogelijk! Jullie zijn dan toch al met
bitter weinig tevreden, of liever jullie weten volstrekt niet wat
er eigenlijk in de wereld is. Den Haag maakt mij slaperig en suf,
er hangt iets soezigs in de lucht....
--Kom, dat zal wel aan jou liggen, lachte Paul.
--Het is mogelijk en het ligt ook zeker aan mij, dat ik zoo een leven
als de meesten van jullie leiden, geestdoodend vind. Wat voeren jullie
nu uit! Je loopt hier altijd rond in een heel klein kringetje, net
een paard in een tramwayspel op de kermis. Je hebt in je betrekking,
als je er een hebt, altijd dezelfde bezigheidjes en daarna dezelfde
amuzementjes. Het is insipide, hoor!
--Maar wat wil je dan hebben, dat we doen? vroeg Georges.
--Mijn God, leidt voor mijn part zoo een plantenleven voort, maar
ik begrijp niet, dat jullie niet eens verlangen er uit te gaan,
de wereld eens te zien....
--En jij, jij hebt nu, zooals je het noemt, de wereld gezien,
nietwaar.... en wat heb je nu....? Je hebt twaalf ambachten en
dertien ongelukken gehad, en je hebt op het oogenblik het toch ook
niet schitterend ver gebracht! riep Paul, een weinig ontstemd over
de minachting, waarmede Vincent hem beoordeelde.
Er lichtte even achter zijn lorgnet een vinnige schicht uit Vincents
fletsen, blauwen blik, terwijl zijn dunne lippen zich vastsloten in
hun glimlach.
--En je vergeet je plichten als gastheer met je filozofie! riep
Etienne, op zijn leêg glas tikkend.
--Ach, het is mogelijk, dat ik wat onrustiger van temperament ben
dan jullie; dat zal de heele chose zijn! sprak Vincent kwijnend;
hij schonk de glazen nog eens in en liet zich mat neêr op de bank,
naast Georges, en zijn oogen dwaalden vermoeid door het vertrek.