Mevrouw Van Erlevoort was steeds aan drukte gewend geweest en zij
had er zich steeds wel bij bevonden. Als moeder van zeven kinderen
had zij nooit anders dan gelach, gekibbel of gewoel om zich heen
gezien en zou zij niet begrepen hebben, hoe een talrijk huisgezin,
in een andere atmosfeer, rustiger en vrediger dan de hare, zou
hebben kunnen bestaan. Haar huis was dan ook van den beginne af
vervuld geweest met het schelle gejubel, de luidruchtige twisten en
het onophoudelijk door elkaâr gedraaf harer kinderen, en toen deze
opgroeiden, met al den levenslust en de dartele woeligheid hunner
bruisende jeugd; daarna was, eenige jaren na het verscheiden van haar
echtgenoot, mr. Théodore Otto Baron Van Erlevoort ter Horze, lid der
Tweede Kamer van de Staten-Generaal, een tijd van ongekende kalmte
ingetreden, toen vier harer kinderen de een na de ander huwden en
haar woning verlieten. Théodore, de oudste, het eerst, die nu hunne
goederen in Gelderland beheerde, en te midden van zijn jonge vrouw
en hun talrijk kroost op het Huis ter Horze zoowel in heereboer als
in jeugdigen patriarch scheen herschapen te zijn; daarna de derde
dochter, Mathilde, wier kort huwelijk zeer ongelukkig was geweest;
vervolgens de twee oudste meisjes, Cathérine en Suzanne, de eene
gehuwd met een Engelsch bankier, mr. Percy Howard, en nu te Londen
gevestigd; de andere met jhr. Arnold Van Stralenburg, griffier bij
de Arrondissements-rechtbank te Zwolle.
Zoo was mevrouw Van Erlevoort overgebleven met haar twee zoons,
Otto, adjunct-kommies bij Binnenlandsche Zaken, Etienne, te Leiden
studeerend in de rechten, en haar jongste, Frédérique, en zonder de
nieuwe bekoring en frissche emoties van haar grootmoederschap, zou zij
te midden dezer betrekkelijke kalmte zeker melancholiek zijn geworden,
gewend als zij was aan het gedribbel of gehuppel van voeten op de trap
en het gelach en gezang van heldere stemmen in haar ruime vestibule.
Eenige jaren na haar huwelijk keerde Mathilde met vier kinderen bij
mevrouw Van Erlevoort terug; na de scheiding van haar man, waren deze
haar toegewezen geworden. Van Rijssel leefde sedert in het buitenland,
en men hoorde weinig meer van hem.
Mevrouw Van Erlevoort beklaagde hare dochter, welke heur lot van
verwaarloosde en miskende echtgenoote zoo lang met waardigheid had
kunnen torsen, en zij nam ze vol liefde tot zich, in het diepste haars
harten overgelukkig, door het nieuwe, ontluikende leven, dat de vier
kleinkinderen in haar woning medebrachten. Zij bedierf hen allen,
zooals zij nimmer haar eigen kinderen had bedorven, kon bij hunne
grootste guitenstreken met den besten wil der wereld niet boos worden
en bracht Mathilde daardoor soms tot radeloosheid en wanhoop. Deze
wist niet wat er van hen worden zou bij zooveel toegevendheid;
zij smeekte mevrouw Van Erlevoort haar toch niet te wederstreven in
gerechtvaardigde strengheid en verdiende strafuitdeelingen; mevrouw Van
Erlevoort beloofde, maar vergat haar belofte bij de eerste gelegenheid
de beste, terwijl Frédérique, zelve bedorven, Mathilde wel bij haar
klachten steeds gelijk gaf, maar ook weinig het hare bijbracht tot
eenige billijk strenge pedagogie. Alleen bij Otto kon Mathilde nog
op eenigen vasten steun rekenen en de vier bengels hadden ook alleen
respect voor oom Ot. Hij paarde aan de goedhartigheid zijner moeder
het gezonde verstand en de degelijkheid van zijn vader, en scheen in
zijn beraden kalmte eenigszins ouder dan hij was, maar er lag zulk een
innemend waas van hartelijkheid over zijn flinke trekken, er sprak
zoo iets vertrouwelijks en sympathieks uit zijn donkere, lichtvolle
oogen, dat zijn ernst en zijn degelijkheid eerder aantrokken, dan voor
zijn acht-en-twintig jaren te somber en te straf schenen. Etienne
was daarentegen een en al vroolijkheid, onbedachtzaamheid en
lichtzinnigheid, en de lieveling van zijn moeder, wie de glans en
zonnegloed van zijn karakter de ziel scheen te koesteren. Frédérique
was dol op haar beide broêrs, maar noemde Otto dikwijls papaatje en
stoeide met Etienne bijna als Lientje met Nico en Tine met Johan.