Toen Eline den morgen na heure uitbarsting van verdriet beneden kwam,
om te ontbijten, was Henk reeds de deur uit, op weg naar den stal,
waar zijne paarden en tevens zijne beide, door Betsy niet in huis
gedulde, Ulmerdoggen verzorgd werden. Zij vond alleen den kleinen
Ben, die, eentonig neuriënd, met zijn korte breede vingertjes vet
van boter, aan een boterham zat te plukken. Betsy hoorde ze zeer
bedrijvig rondloopen en ernstige beraadslagingen houden met Grete,
een vinnige keukenmeid. Dien middag kwamen Frans en Jeanne Ferelijn
en freule De Woude Van Bergh, met haar broêr, dineeren.
Eline zag er frisch en helder uit, in eene eenvoudige matinée: een
rok van drie groote volants en een effen corsage, beide van een
donkergrijze, wollige stof, die glad over het corset spande, het
midden omsnoerd en omstrikt met een grijs zijden lint als ceinture;
aan haar hals een klein flikkerend gouden pijltje. Zij droeg geen
ringen, geen braceletten: zij had iets zeer gewild eenvoudigs en
jonkvrouwelijk stijfs. Op het voorhoofd en in den nek kroezelden wat
fijne lokjes als uitgerafelde zijde.
Vriendelijk, terwijl zij hem bij de deur reeds toelachte, knikte zij
den jongen toe, en achter hem gekomen, pakte zij zijn dik hoofdje
tusschen beide handen, om er, wat bevreesd voor zijn boterige
vingertjes en lipjes, een flinken zoen op te drukken.
Toen ging zij zitten, met een tevreden gevoel over hare verzorgde
bevalligheid, in haar hersteld gemoedsevenwicht aangenaam gestemd
door de lauwe warmte van de kachel, terwijl de sneeuw neêrviel in een
donzige stilte. Onbewust glimlachend, wreef zij zich haar blanke,
witte handen en bezag haar rozige, witgepunte nagels, om daarna
behagelijk naar buiten te zien, waar eene fruitvrouw, in tweeën
gebogen, mager als een riet, hoekig, in een vuile grijze shawl een
kar, met besneeuwde sinas-appels voortduwde. Behagelijk ook, met iets
egoïstisch verheugds, dat de zaak haar niet zou deeren, hoorde zij,
zich een broodje snijdend, naar een twist tusschen Betsy en de vinnige
meid, luide bevelende betuigingen en korte brutale tegenwerpingen, die
tegelijkertijd opklonken tusschen het gerammel van ijzeren pannen, of
het porceleinen geklater van een driftig neêrgeplaatsten stapel borden.
Betsy kwam binnen, met een ontevreden uitdrukking in haar, onder zware
wenkbrauwen tintelende, oogen, haar korte, vleezige lippen nijdig
samengetrokken. Zij droeg een stapeltje kristallen dessertschaaltjes,
die zij nu zelve wilde wasschen, daar Grete, de keukenmeid, er
een gebroken had. Voorzichtig, trots hare verbittering, zette zij
het stapeltje neêr, vulde een spoelkom met lauw water, zocht naar
een kwast.
--Die drommelsche meid....! Verbeeld je, een van mijn fijne
schaaltjes. Dat gaat ze waarachtig met kokend water wasschen. Het is
ook altijd zoo, als je die lomperts wat toevertrouwt.
Hard, met een ruwen nadruk klonken haar woorden. Wrevelig duwde zij
Ben, die haar in den weg stond, opzij.
Eline, zeer bereidvaardig in haar aangenaam humeur, wilde aanstonds
helpen, wat Betsy, gestreeld, gaarne aannam. Zij beweerde nog veel te
doen te hebben, maar liet zich intusschen op de bank neêrvallen en zag
toe, hoe Eline voorzichtig de schaaltjes éen voor éen afkwastte en in
de plooien van een theedoek droogde, met kleine, bevallige gebaren,
zonder hare vingers te bevochtigen of een droppel te storten. En zij
gevoelde het verschil tusschen hare eigene bruisende bewegelijkheid,
ontsproten uit haar rijke gezondheid, en Eline's elegance, gemengeld
met iets als eene vrees zich te zullen vermoeien of te bezoedelen.
--A-propos, gisteren bij de Verstraetens hoorde ik, dat ze van avond
niet naar de opera gingen, om uit te rusten van de tableaux; tante
vroeg, of ik de loge wilde hebben. Heb je lust te gaan?
--Naar de opera? En je gasten?
--Jeanne Ferelijn wilde vroeg weg, omdat haar kind weêr koû heeft
gevat, en ik woû Emilie en haar broêr vragen, of ze meêwillen. Henk
kan thuis blijven. Je weet, het is een loge van vier.
--Het is mij wel. Heel goed.
Tevreden over zichzelve zette Eline het laatste schaaltje, doorglanzend
met fijn geslepen punten, neêr, en de spoelkom weg toen er in de
keuken een twist uitbarstte, doorkletterd met de zilveren ritseling
van een neêrgesmeten bundel lepels en vorken. Grete was met Mina, de
werkmeid, aan den gang. Betsy repte zich en weldra volgden ruwe bevelen
en brutale tegenwerpingen elkaâr op, als in een snellen dialoog.
Ben was intusschen, eenigszins soezig, met een open mond, op de plek
blijven staan, waar zijn moeder hem heengeduwd had, vol van een stille
vrees voor al dat rumoer daarbuiten.
--Kom Ben, ga je meê naar tantes kamer? vroeg Eline en glimlachend
strekte zij haar hand naar hem uit. Hij kwam nader en beiden gingen
de trap op.
Op de eerste verdieping bewoonde Eline twee kamers, gescheiden door
een portière: een slaapkamer en een ruim boudoir. Met een verfijnde
zuinigheid en takt had zij deze vertrekken een aanzien van weelde weten
te geven, waarover iets als een artistiek waas lag. Het was er bont en
vol, terwijl een gewilde wanorde hier en daar natuurlijke stillevens
vormde. Haar piano stond schuin in een hoek. Een lage divan, overdekt
met een Perzische stof, was overlommerd door een volbladige aralia. Een
kleine schrijftafel was overladen met tallooze kleine voorwerpen van
weelde. Beelden, platen, veêren, palmen vulden alle hoeken. De roze
marmeren schoorsteen was bekroond met een Venetiaansch spiegeltje,
door roode koorden en kwasten als opgebeurd. Een Amor en Psyche, naar
Canova, in biscuit, vormde daar een groep van een, zich overgevende,
ontsluierde jonkvrouw en een minzieken gevleugelden god.
Toen Eline met Ben binnenkwam, streelde de rossige gloed van den
haard heur aanstonds de wangen. Zij wierp het kind eenige verscheurde,
uit hun banden hangende, prachtwerken toe, om het bezig te houden; en
het nestelde zich op den divan, onder de aralia. Eline trad even haar
slaapkamer binnen, waarvan de ramen nog eenige smeltende ijsbloemen
vertoonden, fijn geëtst, als in kristal.
Als een apotheoze van tulle en kant stond daar een toilette-duchesse,
grillig omgeven met de satijnen cornets van oude balbouquetten,
en overladen met flacons en coupes van porcelaine-de-Sèvres en
kristal. Tusschen al dit wit en roze schitterde de spiegel als
gepolijst metaal. Het ledikant verschool zich achter roode draperieën;
een breede psyché, dwars in een hoek, ving in zijn glas een groote
watering van licht op.
Even zag Eline rond, of de meid alles naar behooren had geschikt;
toen, huiverend in de kilte van het juist geluchte vertrek, ging zij
opnieuw haar zitkamer in en sloot de deur. Het was er zeer behagelijk
in die iet of wat orientalische weelde, terwijl van buiten de sneeuw
een schelwitte weêrkaatsing naar binnen schoot.