IV.

En zoo was het iets geweest, waarvan hij zich nooit zuiver rekenschap

had kunnen geven, hoe hij op een avond, in de groene koelte eener flauw

verlichte serre, Betsy eensklaps verzocht had zijn vrouw te worden,

geheel op eens, met een paar doorslaande zinnen. Hij had alleen dien

avond gevoeld dat hij niets anders vermocht als gemagnetizeerd door

iets bevelends in Betsy's wezen, dat hem tot die verklaring dwong. Zij,

kalm, zonder aarzeling, had aangenomen, er voor zorgende, dat de, in

haar gemoed bruisende, blijdschap over het vooruitzicht nu meesteresse

in een eigen omgeving te zullen worden, zich onder die kalmte schuil

hield. Zij verlangde naar een andere atmosfeer, dan de deftige mufheid

der groote kamer met de gladde spiegelruiten, het oude Deventersch,

den vlammenden haard, en de ooievaren en pioenrozen op het Japansche

scherm.

Maar Henk had, toen Eline hem, eenvoudig en vriendelijk, geluk

gewenscht had, een verbaasdheid en ontevredenheid gevoeld over zijn

eigen daad, die hem geen woorden deden vinden bij de zusterlijke

betuigingen van het jonge meisje.

En Eline, zonder er bewust van te wezen, ruw door al dit onverwachte

aangegrepen, school, uit plotselingen angst voor Betsy, in hare

melancholische terughoudendheid weg, terwijl zij sedert, zich toch

hare meerdere zwakheid bewust, het overheerschende streven der

zuster met een zeer prikkelbaren hoogmoed poogde te bestrijden,

in die overheersching niet meer de rust en voldoening van eertijds

weêrvindend.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 17 / 188 题