Onze lezers hebben reeds meermalen kennis gemaakt met den franschen
reiziger Guillaume Lejean, en hem op verschillende reizen door
Azië en Afrika vergezeld. De heer Lejean is een dier mannen, die hun
gezelschap steeds op prijs weten te doen stellen, en die, ook waar hij
ons zijne ontmoetingen en avonturen op zijne zwerftochten door vreemde
en onbekende landen verhaalt, toch niet voortdurend over zich zelven
spreekt, maar de kunst verstaat om, met vermijding van allen schijn
van geleerdheid, ons niettemin een schat van bijzonderheden mede
te deelen, die voor de kennis van landen en volken van hoog gewicht
zijn. Daarom durven wij onze lezers met vertrouwen uitnoodigen, den
bekenden vriend nog eenmaal tot gids te kiezen, en hem te volgen
op zijne reize door een der binnenlanden van het altijd nog zoo
geheimzinnige, zoo aantrekkelijke Afrika, welks sluier eerst in
onze dagen langzamerhand wordt opgelicht. Het geldt ditmaal eene
reis naar een deel van Opper-Nubië, naar Taka, dat de heer Lejean
reeds vroeger vluchtig bad bezocht, maar waar hij in het jaar 1864,
met een diplomatieke zending belast, terugkeerde, vooral ook met het
oogmerk om dit land meer van nabij te leeren kennen. Het punt van
uitgang was ook ditmaal Souakin, de havenstad aan Roode-zee; vandaar
ging de tocht, in zuidwestelijke richting, dwars door de nubische
woestijn en de landstreken, door de stammen der Hadendoa bewoond;
naar Kassala. Wij geven nu het woord aan den heer Lejean.