Zoo was het onzen reiziger, ondanks al zijne moeite, niet gelukt,
tegenwoordig te zijn bij den intocht der Russen in Samarkand. Zekerlijk
zullen wij onzen lezers geen ondienst doen, indien wij hier het verhaal
dezer groote gebeurtenis laten volgen, zooals dit voorkomt in een
der laatste werken van den heer Arminius Vambéry, de _Geschiedenis
van Transoxanië_.
Arminius Vambéry, tegenwoordig vice-president van de Aardrijkskundige
Maatschappij te Pesth, is niet alleen een der beroemdste reizigers,
maar ook een van de uitnemendste taalgeleerden van onzen tijd. Ook
voor de lezers der Aarde is hij geen onbekende.
Hetgeen wij hier laten volgen, is bijna letterlijk vertaald uit het
werk van den onverschrokken onderzoeker van Centraal-Azië, getiteld:
_Geschichte Bochara's oder Transoxaniens, von den frühesten Zeiten
bis auf die Gegenwart_.
Den 13den Mei 1868 ontving het russische leger bevel, naar Samarkand
op te rukken, en stelde het zich aanstonds in beweging. De kolonel
Petruschewsky, die de voorhoede kommandeerde, stond op den rechteroever
van een der armen van de Ser-afschan, toen zich Nedchm-eddin bij hem
aanmeldde, om, uit naam van den Emir van Bokhara, over den vrede te
onderhandelen, en zoodoende het voortrukken der russische troepen
te stuiten....
De generaal Kaufmann, de bedoelingen des vijands wantrouwende, zette
echter zijne beweging voort. Hij had onder zijne bevelen een-en-twintig
en eene halve kompagnie infanterie, en vierhonderd-vijftig Kozakken:
te zamen ongeveer achtduizend man, met zestien kanonnen.
Een groot deel van het leger van den Emir, dat veertig-duizend man
sterk was, hield de steile oevers aan de overzijde van de Zerafsjane
bezet. De Russen lieten zich door deze overmacht niet afschrikken;
hun rechtervleugel, onder aanvoering van den generaal-Majoor
Golowatscheff, daalde zonder aarzelen in de rivier af; en gedurende
een groot kwartier zochten de soldaten, wien het water tot aan de
borst kwam, eene waadbare plek, terwijl de vijandelijke artillerie
een hevig vuur op hen richtte. Het muzelmansche leger, vijf of zes
maal sterker dan de soldaten van den majoor Golowatscheff, poogde
hun den overtocht over de rivier te betwisten; maar zoodra de Russen
den vasten wal hadden bereikt, verlieten de Muzelmannen in allerijl
de voordeelige stellingen, die zij op de hoogten hadden ingenomen,
in hun overhaaste vlucht zelfs de kanonnen achterlatende.
Deze zoo spoedig en zoo gelukkig afgeloopen ontmoeting had plaats
op korten afstand van Samarkand. Toen de inwoners dier stad hunne
geloofsgenooten in allerijl zagen vluchten, sloten zij haastig de
poorten, want zij vreesden hunne eigene soldaten meer dan het leger
der christenen.
Zij zonden daarop eene deputatie naar den overwinnaar, bestaande
uit de voornaamste burgers der stad, waaronder eenige mollahs of
priesters, aksacalen of regeeringsleden, en anderen: en daags na den
slag, trok eene afdeeling van het russische leger, met den generaal
Kaufmann aan de spits, zonder slag of stoot Samarkand binnen. Onder den
schitterenden staf die den generaal volgde, merkte men ook den prins
Iskender-Khan op, zoon van den afghaanschen Sultan van Herat. Deze
prins had, naar men zeide, uit ijver voor de zaak van den Islam, zijne
diensten aan den Emir aangeboden; maar daar de Emir had verzuimd de
beloofde soldij te betalen, had Iskender een gebed opgezegd voor het
heil zijner ziel, en daarop dienst genomen bij de christenen!
Zoo viel, op den 14 Mei 1868, de weleer zoo roemrijke hoofdstad van
Timoer, de geboorteplaats en de laatste rustplaats van zoovele beroemde
heiligen van den Islam, sinds overoude tijden de stralende fakkel der
muzelmansche geleerdheid! In een oogwenk was zij christelijk geworden,
en uit de handen van de Oesbeken-dynastie der Mangiten overgegaan
in die van het huis Romanoff. Een Alexander (de groote Macedoniër)
was haar eerste veroveraar; wederom onder een Alexander kwam daar
een beslissende omkeer in haar lot. Voor meer dan tweeduizend jaren
schatplichtig aan een kleinen staat in het zuiden van Europa, is zij nu
onderworpen aan den schepter van den machtigen keizer van het Noorden.
De Grieken, de Arabieren, de Mongolen, de Turken, de Oesbeken.... wat
al oorlogen, wat al zegepralen, wat al dynastiën, wat heerlijkheid,
welke herinneringen! En welke andere stad van Azië heeft een verleden
achter zich, zoo schitterend als dat van Samarkand? Terwijl de landen
van het uiterste Oosten ons sedert de vorige eeuw meer of minder
goed bekend zijn, en Kathay en Zipangou bijna al het geheimzinnige,
dat hen eertijds omgaf, verloren hebben, had tot op onze dagen nog
niemand den sluier van Samarkand opgelicht. Dat is, tot verbazing
van Europa, nu geschied.
Een nieuw tijdperk is voor Midden-Azië aangebroken. Landen en steden,
die tot dusver voor den Westerling volstrekt ontoegankelijk waren,
zijn thans voor hem geopend. Daar waar een Europeaan, zelfs onder
de zorgvuldigste vermomming, geen stap kon doen, zonder zijn leven
op het spel te zetten, beweegt hij zich nu vrijelijk, naar het hem
goeddunkt, want een christenleger houdt het land bezet. Te Tadsjkend,
te Khodsjend, te Samarkand, vindt men sociëteiten, koffiehuizen en
kerken. Tadsjkend heeft een eigen russisch dagblad, de _Turkestanskia
Wjedomostie_ (het Nieuws van Turkestan); en aan het weemoedig geroep
van den moeëzzin paart zich het klokgelui der grieksche kerken,
onverdragelijker voor de ooren van den waren geloovige dan de donder
van het geschut. In de straten van datzelfde Bokhara, waar de schrijver
dezer regelen, voor eenige jaren, slechts muzelmansche lofliederen
hoorde, wandelen nu russische popen, kooplieden en soldaten, met al
de fiere gerustheid van den overwinnaar. Een lazaret en magazijnen
van levensmiddelen hebben de plaats ingenomen van dat weleer zoo
prachtige paleis van Tamerlan, waar alle vorsten van Azië hem hunne
hulde kwamen betuigen, waar zelfs de trotsche monarch van Spanje,
door zijn gezant, om de vriendschap liet verzoeken van den grooten
veroveraar; dat paleis, waar de Toeraniërs met eerbiedige geestdrift
zich kwamen nederbuigen om met hunne voorhoofden den "Groenen Steen"
aan te raken, het heilige voetstuk van den troon van Timoer!
Deze zegepraal der russische wapenen in Centraal-Azië heeft, naar ik
meen, aan den Islam een zoo zwaren slag toegebracht, als hem, in zijn
duizendjarige worsteling met het Kruis, wellicht nog nimmer getroffen
heeft. In onzen tijd doet zich de machtige invloed der westersche
beschaving in geheel het mohammedaansche Azië, van Konstantinopel
tot den Indus, gevoelen: Mekka en Medina zelfs konden zich daaraan
niet geheel onttrekken. Alleen Centraal-Azië was daarvan bevrijd
gebleven, het heiligdom van het islamismus; daar had het ware geloof
niet geleden door de goddelooze "nieuwigheden"; en in de schatting
der echte Muzelmannen was niet Mekka, maar Bokhara de geestelijke
hoofdstad van het islamisme. De asceet, de leden der godsdienstige
orden, de godgeleerden, zij hielden allen hunne blikken op deze
heilige stad gevestigd, en in hare scholen en moskeeën kwamen de
ijverigste Muzelmannen van Turkije, Egypte, Fez en Marokko, nieuw
voedsel zoeken voor hun geloof en hunne geestdrift. Het feit, dat
deze zoo bij uitnemendheid heilige grond thans door de _kafirs_, de
ongeloovigen, als heeren en meesters betreden wordt, heeft, in geheel
de mohammedaansche wereld, de gemoederen ten diepste geschokt. De
val van de "voornaamste zuil des geloofs"--zooals Bokhara genoemd
werd--heeft een stofwolk doen opgaan, die voor langen tijd den hemel
van den Islam verduisteren zal.
Met de inneming van Samarkand was evenwel de oorlog nog niet ten
einde. Na de nederlaag van zijn leger, vlood de Emir in aller ijl naar
Kermine. Zijn zoon, de vermoedelijke troonopvolger, Abd-Melik-Mirza,
had zich reeds gedurende den slag uit de voeten gemaakt, en was in
vliegenden ren naar Bokhara geijld; de schrik en ontzetting waren
zoo groot en algemeen, dat de vreedzame inwoners van het district
Mijankal hunne dorpen en gehuchten verlieten en naar de zijde van
Andsjoï en Meimene de wijk namen.
De Russen van hun kant haastten zich, de op een heuvel gelegen citadel
van Samarkand in weerbaren toestand te brengen; terwijl een deel van
het leger den Emir achtervolgde, en eene andere afdeeling de steden
op den weg van Samarkand naar Bokkara onderwierp.
Het korps van den generaal-majoor Golowatscheff, bestaande uit veertig
kompagnieën infanterie, drie sotnias Kozakken, met acht kanonnen,
verscheen eerst voor de versterkte stad Ketto-Koergane. Deze stad,
waarvan de naam _groote vesting_ beteekent, ligt aan den oever van de
Ser-afschan; tijdens mijne reis had men mij van die stad als van eene
onneembare vesting gesproken; en inderdaad waren de buitenwerken niet
te verachten. Dat belette evenwel niet, dat de sterke bezetting de
poorten voor het russische leger opende, zonder ook maar eene poging
tot tegenstand te hebben beproefd.
Bij het vernemen dezer tijding scheen de Emir zijne laatste krachten
te willen verzamelen; hij vestigde zijn hoofdkwartier te Mir,
halverwege tusschen Kette-Koergane en Kermine, en liet door zijne
ruiterij de russische voorposten tot onder de muren van Kette-Koergane
verontrusten. Getergd door die speldeprikken, besloot de generaal
Kaufmann eindelijk rechtstreeks naar Bokhara te marcheeren, en het
oesbeeksche leger met éénen slag te vernietigen. Het schijnt dat de
Emir en zijne raadslieden zich nog altijd illusiën maakten omtrent
hunne wezenlijke macht, en nog altijd meenden, den ouden hoogen toon te
kunnen voeren; tenzij de opgewonden geestdrift der fanatieke bevolking
hen zelven noodzaakte te doen, wat zij liever hadden nagelaten. Hoe
dit zij: zij waagden nog eens den strijd in het open veld.
De beide legers ontmoetten elkander te Serpoel, op hetzelfde slagveld,
waar driehonderd-negen-en-zeventig jaren vroeger het lot van twee
inlandsche dynastiën was beslist geworden. Ditmaal moest, zooals
zich licht begrijpen laat, het huis der Mangiten onderdoen voor
het huis van Romanoff; reeds dadelijk bij den aanvang van den slag,
bestormden de Russen, met hunne gewone onverschrokkenheid, de hoogten
ter wederzijde van den weg van Samarkand naar Bokhara, waarop het
leger der Oesbeken zijne stellingen had ingenomen. De soldaten van
den Emir hielden niet lang stand; hun terugtocht ging weldra over
in eene wilde vlucht; eenige uren later was de weg van Kermine met
hunne weggeworpen wapenen bezaaid.
Inmiddels had het kleine garnizoen, te Samarkand achtergelaten, een
geduchten aanval te doorstaan gehad. Terwijl de generaal Kaufmann
bezig was met het achtervolgen der troepen van den Emir, vielen de
inwoners van Samarkand, die het europeesche leger zoo welwillend
ontvangen hadden, met de Oesbeken van Khehri-Sebz, ten getale van
omstreeks vijf-en-twintigduizend man, onverhoeds de citadel aan.
Het garnizoen van Samarkand werd gekommandeerd door den baron von
Stempel; het was slechts zeshonderd vijf-en-tachtig man sterk, de
zieken daaronder begrepen. Wie maar een voet verzetten kon, verliet
het ziekbed; en deze handvol dapperen zwoer liever te zullen sterven
dan zich over te geven.
Het beleg duurde zes volle dagen, van den 12den tot den 18den Juni; de
Russen verloren negen-en-veertig dooden en honderd-twee-en-zeventig
gewonden. De belegeraars staken eene poort in brand, en maakten
een bres: maar toch was het hun niet mogelijk, de citadel binnen te
dringen. Dag en nacht bestormden zij, in dicht opeengedrongen massa's,
de muren der vesting, onder woeste kreten telkens en telkens den aanval
hernieuwende; de Russen spoedden zich van het eene bedreigde punt naar
het andere, hielden overal den vijand tegen en wierpen hem telkens
met groot verlies terug. Toch was de heldhaftige bezetting uitgeput,
toen de generaal Kaufmann, onderricht van hetgeen er voorviel, met
geforceerde marchen naderde om de citadel te ontzetten.
Zoo liep den ongelukkigen Mozaffar-ed-Din--zoo heette de Emir--alles
tegen. Wat zou hij doen? Naar Bokhara terugkeeren? Daar viel niet aan
te denken; zijn zoon, die zich nooit zeer gehoorzaam en onderdanig
getoond had, zou hem de poort voor den neus gesloten hebben. Hij
had zich aan het hoofd gesteld van de partij der ontevredenen
en fanatieken, en maakte zich gereed om, des noods met geweld
zijn vader den troon te betwisten. Naar Samarkand gaan? Dat was
onmogelijk; het zegevierende russische leger sneed hem dien weg af;
en vijf-en-twintigduizend zijner onderdanen waren daar met schande
teruggedreven door een garnizoen van eenige honderde soldaten!
Er bleef hem slechts ééne keus over, en hij schikte zich daarin:
hij trad in onderhandeling met de Russen, betaalde hun eene
oorlogsschatting van honderd-vijf-en-twintigduizend tilla, ruim een
millioen gulden, stond den russischen handel alle verlangde voorrechten
toe, en verklaarde zich verantwoordelijk voor de veiligheid der
onderdanen van den tsaar in zijn land. Feitelijk werd hij een vazal
van Rusland.
Transoxanië, zegt de beroemde hongaarsche reiziger op eene andere
plaats: Transoxanië of het khanaat van Bokhara, is, over het geheel
genomen, een laag land, dat ten oosten tegen de laatste hellingen
van het gebergte Thian-Sjan leunt. Met uitzondering van eenige hooge
vlakten en eenige harde, kleiachtige streken, _takir_, dat wil zeggen
droge en onvruchtbare aarde, genoemd, bestaat de bodem hoofdzakelijk
uit zwart of geel zand; bouwland, in den eigenlijken zin van het woord,
vindt men alleen op de hellingen der bergen, en langs de rivieren
en bevloeiingskanalen, die van de rivieren uitgaan. Overal elders
levert de natuur, evenals in geheel Centraal-Azië, waar zij aan
zichzelf wordt overgelaten, niets of bijna niets op; en tien jaren
van oorlog zijn voldoende om de vruchtbare vlakten te ontvolken en
in een zandwoestijn te herscheppen.
Op vele plaatsen schiet ook de volhardende vlijt en onvermoeide
inspanning des menschen te kort, om aan de dunne zandlaag een
eenigszins dragelijken oogst te ontwoekeren. Zelfs midden door de
bebouwde streken, en tot in de onmiddellijke nabijheid van Bokhara
en Samarkand, loopen breede strooken van volstrekt onvruchtbaar en
onbebouwbaar zand; en tusschen de beide genoemde steden voert de weg
door eene steppe van eenige mijlen lengte, de woestijn van Melik
geheeten, in wier laagste gedeelte nog voor driehonderd jaar een
zoutmeer werd aangetroffen.
Toch is, dank zij de bevloeiingen, de vruchtbaarheid van Bokhara en
van de twee andere khanaten, bijna tot een spreekwoord geworden; de
aarde brengt er rijkelijk vruchten voort, en wat zij voortbrengt is
van uitmuntende hoedanigheid. Het graan van Bokhara, hare vruchten,
haar zijde, haar katoen, haar geneeskrachtige kruiden en planten,
behoeven de vergelijking met geene andere te schromen. Het vee is wijd
en zijd beroemd; de paarden zijn door geheel Azië met lof bekend;
de kameelen van Bokhara vinden nergens huns gelijken; de schapen
munten uit door den zeer fijnen smaak van hun vleesch.
De minerale rijkdommen, nog zeer weinig bekend en erg verwaarloosd,
zijn zeer belangrijk, vooral in de bergachtige streek ten westen en
ten zuiden van Samarkand. Reeds de geschiedschrijver Belchi spreekt
van ijzer, ammoniak, kwikzilver, koper, lood, goud, naftha, vitriool
en van een zekeren steen, dien men aansteekt en verbrandt, dat wil
zeggen steenkool, waarvan de Russen ook eenige lagen ontdekt hebben.
De van nature zoo dorre bodem van Bokhara dankt zijne vruchtbaarheid
in de eerste plaats aan de weldadige rivier, bij de ouden onder den
naam van de Sogd bekend, sedert Kohik genoemd, en die tegenwoordig
met volle recht den naam draagt van Ser-afschan (uitdeelster der
rijkdommen). Ten noordoosten van Samarkand verdeelt de voornaamste tak
van de Ser-afschan zich in eene menigte armen, die naar de steppen
vloeien. De aanzienlijkste dezer armen loopt ten noordwesten der
stad, voorbij Pendsj-Shembeh en Sjatirdsja, en stort zich in het
meer Karakoel. Een andere tak vloeit ten zuidwesten van Samarkand, en
neemt langs Kette-Koergane en Bokhara, zijne richting naar de woestijn.
Als men nagaat, welk een groot aantal zijkanalen hun water aan de
voornaamste takken van de Ser-afschan ontleenen, dan staat men
verbaasd, hoe eene rivier van zoo weinig uitgestrektheid in de
behoeften van al deze kanalen kan voorzien: de massa water, die zij
afvoert, moet zeer aanzienlijk zijn. Behalve de Ser-afschan, heeft
men nog de beek van Khehri-Sebz, die geschikt is voor bevloeiing;
hare wateren komen somwijlen tot aan Karsji, en met behoorlijke zorg
geleid en verdeeld, konden zij het gansche land van dienst zijn.
Men heeft opgemerkt dat eene voortdurende bevloeiing gedurende eene
reeks van jaren, op den bodem eene laag van alluviaal-aarde van
genoegzame dikte doet ontstaan. Vooral het water van den Oxus heeft
deze vruchtbaarmakende eigenschap; maar ongelukkig genoeg trekt het
land bijna geen voordeel van dezen stroom: van Termez tot Tsjehardsjoe
is de rechter oever van den Oxus bijkans onbewoond; en het zou ook
zeerveel bezwaar in hebben, hier volksplantingen aan te leggen,
omdat de oevers zeer hoog zijn, zoodat de besproeiing zeer moeilijk,
om niet te zeggen onmogelijk is.
Het klimaat van Transoxanië is niet ruw en over het algemeen niet
nadeelig voor den landbouw. In de bergachtige streken tamelijk koud,
is de temperatuur in de hoogere vlakten aan den voet der bergen
gematigd; maar in de lage streken, nabij de steppen, bij voorbeeld
te Bokhara, te Karsji, te Karakoel, is het klimaat zeer afwisselend,
nu eens ondragelijk heet, dan vinnig koud. Ongezond is het echter
alleen te Bokhara; de ziekten, die in Transoxanië heerschen, moeten
meer geweten worden aan de ongezonde levenswijze der inwoners en aan
hunne verkeerde manier van zich te kleeden, dan aan de schadelijke
invloeden van de temperatuur.
Het gezegde omtrent de vruchtbaarheid en het klimaat van Bokhara is
evenzeer van toepassing op de landen, die ten oosten en ten westen aan
dat khanaat grenzen. Het is dan ook niet te verwonderen, dat de wonden,
door den oorlog geslagen, hier in betrekkelijk korten tijd weder
geheeld worden, mits slechts de oorlog niet te lang aanhoude. Reeds
Belchi verzekert ons, dat een geslagen leger zich nergens zoo spoedig
van zijne nederlaag herstelt, als in Transoxanië. Diezelfde schrijver
schat het aantal steden in die landstreek op driehonderd-duizend:
blijkbaar eene schromelijke overdrijving. Toch was Transoxanië en met
name de stad Bokhara, vroeger veel meer bevolkt dan tegenwoordig. Onder
de Samaniden waren de omstreken dezer stad zeer dicht bevolkt; ten
noordoosten, ten zuidwesten strekten zich, buiten de eigenlijke
stad, groote voorsteden uit; en de driehonderd-zestig moskeeën,
waarvan de inwoner van Bokhara nog met trots spreekt, bestonden
toen werkelijk. Tegenwoordig telt Bokhara hoogstens vijf-en-dertig
duizend zielen.
Dat zelfde geldt voor het gansche land. Transoxanië kan eene vijf- à
zesmaal sterkere bevolking onderhouden, dan het tegenwoordig bezit. De
ontzaglijke legerscharen, die, sedert de stichting van het khalifaat,
voortdurend krijgs- en veroveringstochten ondernamen naar westelijk
Azië en tot aan de oevers van den Nijl, waren voor het grootste deel
saamgesteld uit zonen der steppen, maar daarnevens ook uit de bewoners
der oevers van den Oxus en den Jaxartes.
De meerderheid der inwoners van het oude Transoxanië bestond uit
Iraniërs, en het perzisch was de nationale taal te Bokhara, te Fergana,
te Khahrezm. Dit bleef zoo onder de heerschappij der Arabieren, der
Samaniden, der Seldsjoeken en der vorsten van Khahrezm, ja zelfs nog
langen tijd na de invallen der Mongolen; toen maakte het perzisch
allengs plaats voor het turksch, dat tegenwoordig de heerschende
taal is.
Evenals de taal, heeft ook het karakter der Transoxaniërs eene groote
verandering ondergaan. De oude arabische schrijvers kunnen geen
woorden genoeg vinden om den adel des gemoeds, de oprechtheid, de
rechtvaardigheid en gastvrijheid van dit volk te roemen. Tegenwoordig
is van al deze deugden geen spoor meer over: met uitzondering van
de gastvrijheid, die wel niet in de steden, maar dan toch op het
platteland nog altijd beoefend wordt. Eeuwen lang is Transoxanië ten
prooi geweest aan de telkens hernieuwde invallen der Toeraniërs, en
daarbij is het land maatschappelijk en zedelijk te gronde gericht. De
veroveraars hebben niet alleen de steden verwoest en de oogsten
vernield, maar zij hebben ook in het hart der menschen alle hooge en
edele gevoelens en aandoeningen weggewischt.
Samarkand, ongetwijfeld het Maracanda der Grieken, de hoofdstad van
het oude Sogdiana, is reeds sedert overoude tijden de mededingster
van Bokhara. Vóór de regeering der Samaniden was zij de koningin der
steden in het stroomgebied van den Oxus; zij begon van haar hoogen rang
te dalen, toen Ismaël zijne residentie naar Bokhara verlegde. Onder
de kharezmitische vorsten hernam zij, naar men zegt, haar vroeger
overwicht; en later, onder de regeering van Timoer den Kreupele,
bereikte Samarkand het toppunt van haar bloei en heerlijkheid. Maar
na den val der dynastie van Timoer, begon ook voor haar een tijdperk
van achteruitgang en verval. Bokhara werd nu allengs de officieele
residentie; Samarkand moest zich vergenoegen met de nederiger rol
van zomerverblijf der vorsten, die door de schoonheid der waterrijke
streek en de frischheid van het klimaat werden aangetrokken.
Samarkand is minstens tweemaal verwoest geworden; eerst door de
Mongolen, en later door de wilde horden der Oesbeken. Van hare vroegere
heerlijkheid is dan ook geen spoor meer over. De stad telt tegenwoordig
eene bevolking van dertig duizend inwoners; zij bezit tachtig moskeeën,
drie-en-twintig scholen of collegiën en zeven-en-twintig karavanseraïs.