15 Juli 1606. _Rembrandt_.

_Rembrandt_! maar het zegt nog niets, Rembrandt te heeten. Wisch dien

naam uit van het boek der geboorten, en gij zult slechts twee ouders

zien, treurende om het verlies van een zuigeling, maar geen kunstwereld

zou de bewustheid hebben van het derven van een genie.

Rembrandt en de Bijbel. Die naam in den vromen zin der ouden, onder de

hoede geplaatst van den grooten Geest, uit wien alles is; die naam

neergelegd in de schaduw van het oude gedenkboek van der menschheid

geschiedenis! De driftige phantasie schiet reeds vooruit en beeldt zich

den krachtigen man af, onder wiens geniale hand die oude bladen weder,

beginnen te leven en te spreken, den rijken geest, welks kunst, zooals

weinigen het vermochten, in zijne tallooze verschijnselen geheel het

menschelijk leven afspiegelt.

De geest bevruchtte den geest: door de plaats, waar wij zijn,

geprikkeld, wordt de verbeelding opgewekt en is het, als leven wij het

verledene mede.

Met het kind, dat wij zien geboren worden, zien wij een ander kind

opgroeien, slechts weinige jaren zijn oudere, het zeventiende

jaarhonderd, de krachtige, stoute, scheppende eeuw.

Die eeuw, onder trompetgeklank en geschutgedonder geboren, was voor ons

met eene nieuwe overwinning aangevangen. Bij haar wieg stond een

krachtig volk aan het eind der eerste periode zijner wanhopige

worsteling om vrijheid; geen moorddadige krijg meer, maar een geregelde

oorlog; niet langer eene opgestane partij, maar een nieuwe vrije staat;

de Staatsche vlag waaiend en het Prinselijk Wilhelmus klinkend over Oost

en West; de geest van mannelijke kracht vervuld, de hoogste levensuiting

in alles, in vrijheidsgevoel, in burgerlijk leven, in politiek, in

reizen en handelsdaden; de voorbereiding tot een stoute vlucht in kennis

en kunst.

Maar met die forschheid en krachtsovervloed, ook de schaduw van dat

sterke licht.

Hoort het wiegelied der eeuw in sombere profetie! Het spreekt van den

aanvang van staatkundigen en godsdienststrijd; de zaden zijn gestrooid

en de kiemen wortelen; aan de ééne zij de Prins, zijne partij, het volk,

de predikanten, de orthodoxie; aan de andere de magistraat, de

patriciërs, het vrije onderzoek; _de stalen kling van Mijnheer den Prins

en de rok van den advocaat in de weegschaal; het Bernt in 't veld_ en

weldra, weldra, het uitslaan der laaie vlam, slechts versmoord in het

bloed van een beroemd schavot.

Ziedaar het diep bewogen hartstochtelijk lied des tijds in de jeugd van

Rembrandt en de eeuw.

Toch te midden dezer antagonismen der lagere wereldverschijnselen, gaat

de hoogere werkzaamheid des geestes voort hare zege en hare meerderheid

te handhaven, en door de botsing niet gedeerd, rustig en grootsch,

treden drie helden te voorschijn: Spinosa, Vondel, Rembrandt.

Rembrandt had met zijne eeuw, voor zoover die op Nederland betrekking

had, familietrekken gemeen. Zij stammen beide uit het krachtig ras der

gegoede burgerij; zij staan beide op de grondslagen, door de renaissance

gelegd, die wondervolle wedergeboorte des menschelijken geestes, waaraan

wij het herstel te danken hebben van het verbroken evenwicht tusschen

geest en stof, van de rehabilitatie der natuur; doch de groote schilder

blijft geheel en al vrij van de pseudo--klassieke vormen, waar zijn tijd

soms te zeer in toegaf: beide zijn zij daarentegen sterker dan die

renaissance van hun doel en hunne middelen bewust: beide vertoonen zij

gelijke gezonde vereeniging en samenvloeiing van natuur en geest; beide

de krachtigste individualiteit. Het kind groeide op met de eeuw; maar de

vorming des eersten ligt in duister. Het is slechts aan de hand der

verbeelding, dat men zich die zou kunnen voorstellen.

Zoo zouden wij den knaap kunnen volgen, die naar de school gaat, en den

schoolvorst zien met de plak, met knevel en ringkraag, en wiens

Streng gelaat

Hem doet ontzachlijk zegepralen,

gelijk een dichter uit den tijd hem beschrijft; wij zouden er hem zien

leeren lezen en schrijven, schrijven vooral naar de modellen van

penneconst.

De schoonschrijverij was zeer geëerd, en mannen als Gadelle, als Lukas

Fopz. Lely en Perszijn, Sambix, Boissens en van de Velde maakten er zich

mede beroemd, om Coppenol hier niet te vergeten, geëerder nog door

Rembrandts ets dan door Jan Vos' betiteling van _Fenix aller pennen_.

Zeker was te Leiden de _Spieghel der Schrijfkonste_ in gebruik, waarin

de Fransoysche schoolmeester van Rotterdam Jan van de Velde, zijne

theorie uiteenzette en zijne kunst vertoonde. Wat de schoonheidszin van

den knaap genoten heeft bij de sierlijke karakters en de calligraphische

spelingen, bij den _man_, en het _borstbeeld_, en de _zwaan_, en _het

groote schip met volle zeilen en wimpels_, door de rappe ganzeschacht

rondom en aan het hoofd van het schrift in van de Velde's boek

getrokken! Wat zijn geest in die figuren zal gephantaseerd hebben en er

in thuis zijn geweest! Wat hij op bladzijrand en kaft aan zijne geestige

hand zal hebben bot gevierd!

Dán zouden wij den vrijen tijd van den knaap hebben kunnen nagaan,

verdeeld tusschen den molen, den speeltuin, het leven op de straat, en

de proeven van het ontkiemend talent.

Later zouden wij hem niet missen op de vrije jaarmarkten, als onder

trompet en pijp, de hoofdmans met corselet en casquet, de vendrichs met

de bardisaen (hellebaard), de schutterij met spies en met musket

uittogen, en de rethorijkers hunne spelen vertoonden, en de stad vol

vreemde kramers en goochelaars was; vooral niet in het voorportaal van

het Stadhuis waar de kramen met zilverwerken, boeken en schilderijen

waren uitgestald.

Dan zouden wij het belangrijke tijdvak bijwonen, waarin het bewustzijn

der roeping zich deed gevoelen, waarin de lang gekoesterde droom, het

heerlijk grootsche denkbeeld, kunstenaar te zijn, trots moeders vrees om

het spreekwoord

Hoe schilder

Hoe wilder

zou worden verwezenlijkt! En wij zouden den jonkman zijne intrede zien

doen in de kunst--werkplaats van den pas uit Italië gekeerden Jacob

Isaacz. van Swanenburgh, in het gild, waar de Swanenburghen, De Neyn,

Schilperoort, Elsevier, Joris en Pieter van Schoten, David Bailie, Jan

van Goyen toen den staf zwaaiden, doch weldra door het geslacht, dat zij

opleidden, tot op oneindigen afstand zouden worden voorbijgestreefd. Ook

voor deze, de belangrijkste periode, Rembrandt bij Swanenburgh,--bij

Lastman--bij Pinas, zijn terugkeer naar Leiden, zijne herhaalde tochten

naar Amsterdam,--de geschiedenis heeft er weder een ondoordringbaren

sluier over getogen.

Wij mogen de geheimen van de wording niet aanschouwen, het voltooide

meesterwerk zal ons opeens doen verstommen. Het was een donkere nacht,

waarin verborgen bleef, wat er omging, en waaruit wij plotseling een

bliksemstraal zien voortschieten, de _Simeon in den tempel_.

Maar neen, het was geen bliksemstraal, want het licht houdt onafgebroken

aan, er is geen tusschentijd van duisternis. Wat wij voor een enkelen

bliksemstraal hielden, die opeens voor één oogenblik den nacht verbrak,

het was het aanwezen van den vollen morgengloor; zonder schemering, als

de ochtend in het Oosten is het zonlicht in vollen glans uitgebroken, om

niet weer onder te gaan.

Slag op slag zijn het nu meesterstukken, nieuwe openbaringen van zijne

lichtende kracht.

Met een ongelooflijk scherpen blik,--gij behoeft er de saamgetrokken

kracht, het doorborende zijner oogen slechts op aan te zien--op de

natuur, op het leven, de beweging, de fijnste gebaren van elk individu,

is hij in het betrappen en wedergeven ook der moeielijkste en

vluchtigste momenten, teekenaar zooals niet velen het waren; maar is hij

bovenal in het hoogste gevoel voor kleur en de duizendvoudige

geschakeerde uitwerkselen des lichts de onnavolgbare en eenige.

Met de middelen speelt hij: nu eens is het de pen en het bruin, dan

graveerstift en etsnaald, hier de fijnste, uitvoerigste behandeling,

daar de stoutste, bruisende, hoekigste smeren, te gelijk soms met den

teedersten toets; hier het dommelig halfdonker, daar het uitstrooien van

lichtgloed, of samentrekken des lichts op één schitterend punt.

Het is geen vak, dat hij kiest, hij omvat alles, en alles met volkomen

meesterschap.

De geheele natuur, het landschap zooals het zich in Holland in zijne

verschieten uitspant, en door de luchten veelvoudig beschaduwd en

betoond wordt, de wolken, de zee, de planten, de dieren.

Geheel het menschelijk leven in al zijne openbaringen; van den

geringsten stand, van den krommen, mismaakten bedelaar tot de hoogste

gegevens der historie; den mensch op straat, in zijn huwelijksleven, in

zijne maatschappelijke werkzaamheid, den mensch der geschiedenis en den

mensch der poëzij.

Rembrandt is niet vollediger te karakteriseeren dan als de schilder van

het leven, van het leven in zijn wijdsten omvang.

Zonder het uitwendige en inwendige aan elkander op te offeren heeft hij

de fijnste individualiseering en het karakter der vormen in acht

genomen, en toch al de zielkundige waarheid en diepte behouden; komen

zoowel het uitwendige als de gemoedsbewegingen en geheel het inwendige

leven, dikwijls slechts door een enkele toets of lijn, tot volkomene

uitdrukking; hij geeft het leven niet als bovennatuurlijk, afgetrokken

ideaal, noch als symbool of drager eener daarin gelegde idée, maar als

levende, doorgaande werkelijkheid, en het leven, dat hij afbeeldt,

evenals het werkelijke, is dáár om zijns zelfs wille, zonder ander doel

dan zichzelve, zonder eene andere rechtvaardiging dan de schoonheid

zijner verschijning te behoeven. Hij geeft het in al zijne dramatische

volheid en beweeglijkheid. Maar hij geeft het, dat dit vooral blijve

opgemerkt, na het in zijn geest de wedergeboorte der kunst te hebben

doen ondergaan. Dit is de grondtoon in al zijne werken; van zijn

eenvoudigsten etskrabbel tot zijn schitterendst meesterwerk, overal

ademt het u te gemoet.

Levensvolheid is het, die zijne portretten bezielt; die spreekt van de

zich bewegende lippen zijner figuren, uit hun gebaar en hun tred; die de

wolken drijft over zijne landschappen, en hare boomen doet groeien; die

zijn historiebeelden die betooverende werking verleent, waardoor zij ons

toeschijnen niet anders te kunnen, maar met noodzakelijkheid aldus te

moeten zijn.

Die ziener in het volle menschenleven moest wel aangetrokken worden door

den Bijbel, dat boek, zoo vol gemoedsbeweging, zoo vol van veelsoortige

levensuiting, zoo rijk van handeling.

De grootste en meest verschillende kunstenaars hebben dit boek in beeld

gebracht. Welk eene verscheidenheid van opvatting tusschen de

middeleeuwsche autaartafels, tusschen Rafaëls loges, Michel Angelo's

welfschilderijen, tusschen Lucas van Leidens, Albrecht Durers Bijbel, en

dien van Rubens. Volkomen oorspronkelijk en nieuw op zijne beurt is

Rembrandts Bijbel. Hier geen symboliek, geen vooropstellen van het

mysterie. Hier geen spoor van dogma, van kerkelijkheid. In

overeenstemming met het beginsel, dat zijn geheele werk beheerscht, en

als een der luidste getuigenissen van dit beginsel, vindt gij in

Rembrandts Bijbel, dit boek als boek des levens, en zijne gebeurtenissen

als eene rijke, onuitputtelijke bron van levensverschijnselen, van

karakters, van drama's, van gemoedstoestanden teruggegeven. Hij zet het

feit, het historisch voorval voorop in zijne concrete, werkelijke,

meestal menschelijke verschijning. Het is eene geheel eigenaardige,

treffende opvatting, die slechts in een vrijdenkend, en in een Noordsch

land kon geboren worden. En als eene nuance in die opvatting moet ik er

op wijzen, dat de schilder niet zoozeer de afbeelding geeft van een lang

vervlogen gebeurtenis, maar dat wij bij hem de menschen zien leven,

handelen, bewegen en bewogen worden, dat wij de feiten nog eens en

opnieuw zien gebeuren, en de handelingen, als bij wonder, zich weder als

nieuw, als aanwezig voordoen. Het is alsof hij, gelijk de Nederlander

der 17de eeuw de Bijbelsche gebeurtenissen op zijn leven en zijn volk

toepaste, en zijne eigen historie met de Bijbelsche paraphraseerde, die

voorvallen op en in het tegenwoordige leven terug--en overbrengt. Het is

bij hem niet, hoe Simeon eens vóór achttienhonderd jaren lofzong bij het

kind, dat hij knielend in zijne armen hield, maar wij zien eene nieuwe

dergelijke gebeurtenis, als geheel actueel, plaats grijpen. Het is niet

het _Ecco Homo_, dat, voor achttien eeuwen aanschouwd werd, bij

Rembrandt is het feit opnieuw tot leven geworden en wij beleven het

mede.

Zóó werd door hem die geheele cyclus van Oud en Nieuw Testament uit het

dogma en het verleden in het leven en het heden gebracht, met stoute

scheppingskracht weer opgevoerd en in het leven van zijnen, van onzen

tijd overgeplaatst. Vandaar, van die sterke actualiteit, van dat

vooropstellen van het eeuwig menschelijke, dat in de harten altijd

weerklank vindt, het treffende, de emotie, die zijne voorstellingen

uitwerken.

Hij heeft nog meer gedaan.

Hij heeft bij deze bewonderenswaardige uitkomsten allerminst de

innigheid, noch de naïefheid, noch het verhevene, noch het dichterlijke

laten liggen. Verheven noem ik den lichtgloed, die van boven het somber

tafereel der Kruisafneming bestraalt; majestueus in houding en gebaar,

in belichting en gemoedsuitdrukking de Opwekking van Lazarus;

verteederend naïef de figuur van Maria bij Simeons lofzang; treffend van

hartstochtschildering en van dramatisch geweld de vertooning aan den

volke in de _Ecce Homo_.

* * * * *

Rembrandt en de Bijbel, was de gedachte, die wij uitspraken op de

geboorteplaats, bij de wieg des kunstenaars. Voorwaar die naam is groot

geworden, sinds hij werd nedergelegd onder de hoede der gewijde bladen,

en rechtvaardigt de geestdrift, die ons lokte naar de plaats, waar hij

ontstond en zich ontwikkelde.

Rembrandts genie is den eeredienst des menschdoms waardig.

* * * * *

Vogels van diverse pluimage · 第 28 / 29 题