VAN TWEE KONINGSKINDEREN.

Het was in oude, oude tijden.

Daar woonden in een heerlijk oord der wereld twee kinderen, tusschen

wier geslachten de aarde sinds onheuglijke tijden was verdeeld geweest.

In het rijk van Verstand heerschte, de oude koning intellectus, en in

het land van Gevoel de oude koning Sensorius, en zij waren koningen der

Alven, die toen de aarde bewoonden, en tusschen hen en hunne volken was

een eindelooze vijandschap, die al sinds eeuwen van geslacht tot

geslacht was overgeleverd.

Het paleis van koning Intellectus was in de rots uitgehouwen en het

huisraad was van metaal en marmer, want de onderdanen van dezen koning

waren kundig in alle nuttige werken van steenhouwen en

metaalbewerking;--zij wisten de groeven en mijnen op te sporen en kenden

de toepassing van allerlei krachten der werktuigkunde. Ernstig, maar

niet helder en opgewekt van gemoed, waren zij altijd aan het werk. Geen

vreugde bood ontspanning, geen poëzie bezielde, geen schoonheid adelde

het leven, en hoe verstandig de wijze koning regeerde en de welvaart

toenam, er was in, den toestand van het volk altijd iets, dat

onaangevuld was, en iets, dat zekere kilheid, zekere stroefheid bezat.

Koning Intellectus en zijne gemalin Nutte hadden maar één kind, een

zoon, den krachtigen jongeling Logicos, den roem en de hoop des lands.

In het andere gedeelte der aarde was het rijk van Gevoel. Het was geen

wonder, dat tusschen de beide landen een onophoudelijke strijd was, want

niet alleen waren de beide koningen zeer heerschzuchtig en streefden zij

naar de wereldheerschappij, maar het geheele land van Gevoel was in

alles de volkomen tegenstelling van het andere land. Het was of daar

nooit iemand dacht aan het nut, maar alleen aan het aangename en

bekoorlijke. Een warme luchtstreek, de grootste weelderigheid van

bloemen en vruchten, deden daar het leven als in een zoeten droom, vol

weekheid en ledigheid, voortgaan, maar wekten ook teederheid en

gevoelvolle schoonheid. Bijwijlen zwak en onstandvastig, bijwijlen

hartstochtelijk en opgewonden, altijd meedrijvende op de eb en den vloed

der wisselende gewaarwordingen, zoo was het volk. Het was

allerbeminnelijkst onpractisch. Wanneer het niet door hevige

aandoeningen was gedreven, leefde het zoet droomend voort, genoeg

hebbend aan zonneschijn, aan bloemengeur en aan zinnelijk kunstgenot.

Genoeg? Niet altijd. Daar waren tijden van krijg, van natuurrampen of

van verwoesting door den oorlog, en dan was er gebrek en ellende, door

geen wijs overleg voorkomen of gelenigd. In dit prachtig schoone,

dikwijls zacht en dikwijls fel bewogen land, woonde koning Sensorius met

zijne koningin Parel in een heerlijk paleis. Goud en edele steenen

vormden de wanden en zuilen, en een dak van ineengevlochten pauwvederen

overhuifde het; bloemen wonden zich overal in weelderige spiralen om de

zuilen en lijsten, en spreidden hare pracht van kleuren en geuren alom

uit; slechts door hare veelvervige bladeren heen scheen het licht, en

welriekende kruiden doorwasemden de lucht.

Mimosa, de tooverachtig schoone Mimosa, was de dochter van Parel en

Sensorius, zij, op wie de sagen des lands duidden, het bevallig kind van

schoonheid en gevoel.

* * * * *

Jacht en lichaamsoefeningen waren de eenige uitspanning in het land van

koning Intellectus, en de koningszoon werd daarin door geen enkele

overtroffen. Hij was eens ter jacht, en niemand was er zoo snel, kloek

en onvermoeibaar. De zijnen ver vooruitgesneld, zat hij een rooden vos

na, die hem den ganschen dag ontloopen was; aamechtig waren allen

neergezonken; zijn laatste gezel zeeg in het gras, maar nog altijd

pijlsnel vloog Logicos over struiken en hoogten, tegen de heuvels op, de

hellingen af, ha! over die greppel heen, voort, voort, hij is hem nabij,

maar telkens, als hij de hoogte oprent en hem bijna bereikt, duikt de,

vos weer, met den breeden staart omhoog, de andere zijde af. Voort weer,

voort....

De zon was ondergegaan, en des konings zoon zeeg op den grond neder en

de slaap kuste zijne oogleden dicht. Niet ver van hem af viel de vos in

de varenstruiken op den grond. Nauwelijks scheen de zon weer, of Logikos

rees op; als het lichte stof had hij zijne vermoeidheid afgeschud en

frisch ademde bij in den frisschen morgenstond.

Daar trof de vos weer zijn oog, dezelfde, die hem zoo gekweld had en hem

zelfs in den droom over veld en moeras had medegesleept. Hij spande den

ijzeren boog, die klonk bij het krommen; de pees trilde in de vingers,

en de fijn gevederde pijl stoof sissend vooruit. Vergeefs; opgesprongen

met eene vervaarlijke veerkracht, rende de vos vooruit, te gelijk toen

de pijl de pees verliet, en de schicht trof de platgelegen bladeren van

zijn verlaten leger. Met schaamte en spijt sprong de kloeke jongeling

hem na. Te huis te komen en te zeggen, dat de beste schutter gemist had!

Te huis te komen en te bekennen, dat de vlugste Alvenvoet zijne

veerkracht had verloren?

Vooruit! vooruit! met wilde haren, mond en neusgaten wijd geopend, om

lucht te ademen voor de verhitte longen, met bonzend bloed in de aderen.

Vooruit! vooruit! weer over struiken en heggen heen, over greppels en

boomstronken; hier hem met juiste berekening den pas afgesneden; daar

klinkt weer de gekromde boog, en trilt de pees en gonst bij het

loslaten; weer tevergeefs; de wol stuift van de rosse vacht, maar met

eene helsche snelheid vliegt de vos door, het bosch in, en de kloeke

jongeling moet met woede en spijt zijn buit opgeven, die nu te veel op

hem gewonnen heeft, om ingehaald te kunnen worden.

Mistroostig en vertoornd liep Logikos, bij het vallen van den avond,

voort, als zonder doel. In een dicht bosch kwam hij, waarin hij eene

opene plek vond, waar de lucht weer zichtbaar werd. Eene breede beek

vloeide daar doorheen tusschen groen bemoste en als geëmailleerde

rotsblokken, tot wat verder de oevers lager werden en de kanten rond

afliepen naar den zoom van het water. De duisternis verspreide alom haar

donkeren nevel, de kruinen der boomen wiegelden niet langer heen en

weder, maar staken scherp af tegen de groenachtig getinte avondlucht en

zij sliepen stil. Tusschen het dichte loof legde de vogel het hoofd

onder de vlerken; de Uil vloog uit, maar schrikte van de opkomende

sterren en vloog weer terug. De nacht heerschte over alles.

* * * * *

De schitterende zon was al uit de kleurenpracht van het oosten

uitgebroken, toen het bosch nog stille schaduwen bewaarde in zijn

binnenste. De schoone koningsdochter Mimosa had met hare blanke

speelgenooten den morgenstond gevierd met luchtige dansen en welluidende

melodieën. Mijmerend was ze dezen ochtend, de teedere Alve, en in zoete

gedachtenwisseling met zichzelve, en hare gezellinnen verlatend, zocht

zij de eenzaamheid. Langs een ruizelend stroompje ging haar vederlichte

voet, en bloemen zamelend in haren sluier volgde zij zijne bochten tot

in het bosch. In het midden van het dichte woud--zóó ver was zij nog

nooit geweest--was eene opene plaats: pas was de zon hier doorgedrongen

en verkwikte het groen en de bloemen, die hare kelken openden, het licht

te gemoet; de vogelen groeven zich kleine holen in het warme zand en

koesterden en wreven zich daarin met uitgespreide vederen en klappende

vlerken.

Toen Logikos zich ontwond aan de omarming van den slaap en voor dien

schoonen morgen de oogen opende, zag hij een schouwspel, dat hem nog

nooit gegeven was te genieten, zelfs in zijne stoutste droomen niet.

De heldere zon deed het riviertje sprankelen van licht en de 1

veelkleurige kiezels schitteren op zijn ondiepen bodem. Over het water,

te midden der heerlijke waterleliën, zag hij de schoonste Alve, die hij

ooit had aanschouwd, zich wiegelen op de als goud, schijnende

herfstdraden en zich spiegelen in het heldere nat, dat zich onder haar

zachtkens rimpelde. Zoo blank, zoo schitterend, zoo edel, zoo verlokkend

en betooverend had zijn land nooit iets opgeleverd. Was er eene booze

tooverelf in het, spel, die hem een zinsbedrog voorspiegelde? Of zou het

werkelijkheid mogen zijn? Mocht hij nog twijfelen dan zouden hem nu de

liefste tonen overtuigen, op wier maatgeluid zij zich wiegde.

Zoo sprong hij van zijn bemost rustbed op, om aan den oever de schoone

Alvenmaagd te begroeten.

--Wie zijt gij, die mij hier komt overvallen? Ik zing niet voor wien ik

niet ken.

--Welkom, zei hij tot haar, laat mij bij u nederzitten, en luisteren

naar uw gezang.

--O zing toch! van duizenden, die ge kent, kan niet een u bewonderen als

ik;--zing, nog nooit hoorde ik in ons land zulke klanken.

Zachtkens begon zij toen weer, half verlegen, half uittartend, te

zingen:

Alles teeder in den morgen.

't Vooglenkoor de schauw ontvluchtend

Koestert zich in 't jonge licht;

D'aarde geurt als waar z' één gaarde,

Zoete lucht suist overal.

Teerder klinken nog van binnen

Alle stemmen van 't gemoed,

Dat van zacht gevoel doortinteld,

Rozengeurig, rozenkleurig,

Zwelt van geestdrifts zonnegloed.

Zon van buiten, zon van binnen,

Schoonheid heerscht er overal.

--Goddelijke stem, zei de zoon van Intellectus peinzend, wat wonderlijks

voel ik in mij worden? Het is of eene openbaring in mijn binnenste

geschiedt, duister, niet half begrepen; en mijn geest zoekt tastend hare

symbolen te verklaren; mijne spieren ontspannen zich en mijn ijzeren wil

wordt zacht; nooit heb ik schoonheid gezien in de natuur, en het is

alsof zij nu eerst voor mij geschapen wordt in al hare pracht; wie wist

het, wat kunstige tooverij daar ligt in de melodische buigingen en

trillingen der stem! Alles noopt mij tot vreugde en weelde--en een traan

welt bijna op in mijn oog!

--Kent gij de verheffing van het kunstgevoel niet? Van waar komt gij,

gij, die verwonderd schijnt bij den naam der kunst?

--Ook wij hebben kunsten, maar hare voortbrengselen zijn geheel anders;

wij bewerken het ijzer, en koper ... tot nuttige zaken.

--O, dat is de kunst niet! riep Mimosa, de kunst, die ijzer smeedt! Is

dan de kunst niet alleen tot verrukking?

--Mijn verstand kan dit niet beseffen; kom gij schoone, en leer mij zien

in dat andere tooverland, dat zich nog slechts als een duistere nevel

aan mij voordoet.

Allengs was zij op den oever gekomen. Weldra de weg is zoo kort, als

twee harten opengaan zaten zij naast elkander en waren in lief gekoos

verzonken.

--Wie zijt gij toch? zei ten laatste Mimosa.

--Ik ben ... de oudste jager uit het land; ik woon in het rijk van

Verstand; en gij?

--Ik woon in het land van Gevoel. Helaas! zei ze blozend en de oogen

neerslaande,--dan zijn wij vijanden!

--Dat zou wel zoo behooren, maar daar heb ik geen moed toe; laat ik u

medenemen naar mijn land, mijne ouders zijn machtig, en als zij niet

weten van waar gij komt....

--Ach! ach! dat kan niet, ik kan niet weg, mijne ouders zouden zich dood

treuren.

Logikos vleide en smeekte; Mimosa schudde twijfelend het hoofd en haar

boezem zwoegde onder den strijd.

--Ach! geliefde! zeide zij, hoe zullen wij doen, om elkander niet te

verliezen?

--Hier moeten wij te zamen kom en om elkander te zien; wekelijks zal ik

hier komen, alsof ik ter jacht ging....

Wekelijks! en moet ik dan de andere dagen niet leven?

* * * * *

Aan de schoonste dingen komt een einde, en zoo ook, want de onbevangen

uitstorting der onberedeneerde liefde behoort tot de schoonste dingen,

aan deze minnekoozerij. Scheiden moesten zij, maar scheiden, om het

zoete wederzien te kunnen genieten.

Eenmaal 's weeks, dacht Logikos, toen hij te huis kwam,--het is

misschien beter zoo; eene geheime vrees bevangt mij wel eens, dat ik in

hare netten zou gevangen zijn, dat zij eene booze Nixe zou kunnen wezen;

maar betooverend schoon is zij en ik tart de geheele wereld van Verstand

en Gevoel!

Eenmaal 's weeks was het voor de gelieven feest in het bosch, en teerder

en teerder sloten zich hunne zielen aan elkander. Eens had Mimosa,

spelend de boogpees van den jager tot snaren, den boog tot eene citer

gevormd, waarmede zij hare stem begeleidde. Sinds dien tijd moest zij

dit telkens voor haren geliefde doen. Toen zij dit weder gedaan had,

zagen zij beiden eene zwarte raaf hen beluisteren en hen vijandig met

haar rond oog beloeren; Logikos greep naar zijn boog, maar, helaas! het

was een nutteloos speeltuig. Krassend en krijschend vloog de raaf

driemaal in een kring boven hun hoofd en streek toen pijlsnel naar het

land van Gevoel.

* * * * *

De oorlog was weer op zijn hevigst. Het Gevoelsvolk had allerlei

gewelddadige invallen gedaan, vergezeld van wat er verwoestends,

vreeselijks en hartstochtelijks gelegen is in dergelijke tochten. Wraak,

bandeloosheid, roof en moord waren als losgebroken.

Den grooten koning Intellectus groefden het peinzen en de inspanning

rimpels in het hoofd, en de rustelooze zorg weefde witte haren om zijne

slapen. Hij was er op bedacht, een beslissenden krijg te voeren, opdat

voorgoed eens een einde mocht komen aan zulke geweldenarijen: en het

gold niets minder dan alle krachten in te spannen, om het Gevoelsvolk

ten eenenmale uit te roeien. In kleine onverwachte overvallen waren deze

meestal overwinnaars, want listiger waren zij, en als zij eens

losbraken, woester en ontembaarder. Maar in het open veld waren zij

tegen de Verstandenaars niet opgewassen, wier tactiek, wier krijgskunde,

wier werktuigen en wapenen oneindig veel beter waren, die koeler en

beradener waren in hun krijgsbeleid. Het stond dus geschapen, dat, als

het tot een treffen kwam, het met de Gevoelers slecht zou afloopen en

hun koning er zijn kroon en leven bij zou inschieten, ja dat van dat

eenmaal zoo glansvolle rijk weldra geen spoor meer zou overblijven, dan

in de mythen van het nageslacht.

De groote koning Intellectus zat in zijn paleis al de kansen en gevallen

van den oorlog te berekenen, zijn machtig verstand doorzag alle

toestanden en mogelijkheden, en met wijsheid werd zijn oorlogsplan

vastgesteld. De grootste wijze van het land, dien de koning zelf zich

verwaardigde te raadplegen, de diepdenkende Logarithmos, kwam den vorst

in zijn kabinet opzoeken.

--Vergeef mij, machtig hoofd, sprak hij, dat ik het waag, u te

storen....

--Wat begeert gij?

--U eenige oogenblikken te onderhouden over den oorlog.

--Gij hebt toch geen bezwaren? vroeg de koning met gefronste wenkbrauw.

--De inspanning, die ons wacht is groot, zeide Logarithmos.

--Gij vreest toch niet? Denkt gij, dat onze niet staal gepantserde

mannen niet bestand zijn tegen de weeke krachtelooze vijanden?,

--Dat is zoo, vorst, en toch ... gij herinnert u de vreeselijke

nederlaag van ons heer, toen de vijand eens met zijne ontzettend

verleidelijke zangen de onzen....

--Zwijg, riep de koning snel en heftig, roep mij dat oogenblik niet voor

den geest. Maar juist daartegen heb ik al gezorgd; een oorverdoovend

geraas zal onze aanvallen vergezellen, en zoo zullen de onzen van de

tooverzangen niets kunnen hooren.

--Uw beleid zorgt voor alles. Toch heb ik nog iets, het _Beeld_....

--Het _Beeld_, zei de koning, somber voor zich uit starend; dat noodlot,

dat op ons rust, dat ons loodzwaar drukt!

--Dagen en nachten heb ik gezonnen op plannen, totdat ik nu eenige

gelukkige berekeningen heb gemaakt, een waagstuk wellicht, maar waarvan

de uitslag schitterend kan zijn....

En terwijl hij zich vooroverboog en aan 's konings oor fluisterde,

waarbij diens gelaat allengs meer ophelderde, zeide hij....

* * * * *

Treurig was de, schoone Mimosa. Eenmaal 's weeks! ach, hoe weinig!

De overige dagen schenen haar eeuwen. Droeve tonen klonken van hare

citer; droeve tonen in hare stem, en eenzaam, zonder hare gespelen, voer

zij vaak rond op de wateren, aan de wateren, aan de lucht, aan de

boomen, aan de vogels haar harteleed klagend.

In het land waren hevige aandoeningen gaande. Alles was in rep en roer,

alles liep te wapen. De koning werd door de sterkste gemoedsbewegingen

heen en weder geslingerd, en de koningin zat in haar ivoren zetel te

weenen. Offers rookten het geheele land door, de waarzeggende vrouwen

werden geraadpleegd, maar verderfelijk woedde nog de krijg en telkens

werden nieuwe benden naar de grenzen gezonden, om de verliezen te

herstellen.

De hoogepriester Aldebaran zat alle nachten in het boek der sterren te

lezen en het lot te bespieden. Eens toen hij op het plat van zijn toren

gezeten was, vloog hem plotseling eene zwarte raaf op den schouder en

fluisterde hem, iets in het oor, dat hem, blij deed opspringen en zich

spoeden naar het hof. Daar vond hij den koning en de koningin te zamen

in smartelijk gepeins verzonken.

--Welkom, zeiden zij, op u hopen wij nog, wat tijding brengt gij ons?

Gij moet ons redden.

--En ik _zal_ u redden.

Toen herhaalde hij, wat de raaf hem gezegd had: dat wekelijks in een

bosch Mimosa te zamen kwam met een zoon des vijands, en wel met 's

konings Intellectus zoon; dat deze daar gemakkelijk te vangen was, en

hoe men hem dan slechts tegen beding van gunstige voorwaarden zou kunnen

loslaten.

--Alles wel, zeide de koning, na de eerste verbazing, waarbij de

onaangename ontdekking van Mimosa's liefde eenigszins door het heerlijke

vooruitzicht werd goedgemaakt, maar gij weet wel, dat geen vrede kan

duren zonder het hoofd en de armen en beenen van het _Beeld_....

* * * * *

Hier is het noodig, eerst de geschiedenis te verhalen van het

geheimzinnige beeld.

Een tal van eeuwen geleden, zoo luidde de oude in runenschrift bewaarde

sage, had midden op de aarde een schoon beeld gestaan, van blinkend

graniet en zonder dat beeld kon de aarde niet blijven voortduren. Maar

nu was het eens gebeurd, dat dit schoone beeld door de tweespalt der

aardbewoners gebroken werd, en dat op de eene helft der aarde de romp,

op de andere helft de armen en de beenen met het hoofd gevonden, werden.

Sinds dien tijd hadden oorlog en vijandschap de wereld verdeeld en

gescheiden, en eerst dan zou er duurzaam vrede zijn, als het beeld weer

hersteld was. Vruchteloos trachtte men nu van beide zijden het gebrokene

kunstwerk te herstellen en het ontbrekende zelf aan te vullen, maar

nooit had dit kunnen gelukken. Even vruchteloos bleef het streven der

partijen, om de ontbrekende deelen van elkander machtig te worden. Want

het werd zeer geheim gehouden, waar die stukken zich bevonden, en er

waren middelen van bewaring en verzekering, die men van elkander niet

kende.

Daarom waren nu beide koningen er op bedacht, door het bemachtigen van

elkanders stukken van het beeld hunne zaak te doen zegevieren.

* * * * *

--Juist, zeide Aldebaran, nu moet gij toch weten, dat Mimosa eene citer

gemaakt heeft van den boog des jongen helds, den boog, die--ik weet dit

door de diepste geheimenissen mijner kunst--de verovering van het Beeld

onmogelijk maakt. Wij zullen Logikos oplichten en zijn boog bemachtigen.

Slechts in het bezit van dezen kan het ons gelukken, de spelonk te

openen, waar de beenen en armen met het hoofd van het beeld bewaard

worden. Verder weet ik u mede te deelen, dat de weg daarheen over eene

glazen brug voert, zoo fijn, dat slechts de allerlichtste Alvenvoet die

kan begaan, en dat alleen de allerschoonste stem de tooverspreuken kan

zingen, die daarbij vereischt worden. Nu heeft een orakel geboden, de

stukken van het beeld daar te gaan wegnemen en--daartoe aangewezen haar,

die den lichtsten tred heeft en de schoonste stem....

Zoo besloot de geleerde Aldebaran, langzaam en plechtig de laatste

woorden uitend.

--Mimosa! jammerde de koningin, helaas, helaas! mijn kind aan die

gevaren blootgesteld; o wreedheid van het lot!

--Nooit, zeide koning Sensorius, geef ik mijn kind daartoe over.

--Koning en koningin, antwoordde Aldebaran ernstig, kan ik alle gevaar

niet bezweren? Kan ik haar niet door het sap van bilzenkruid onzichtbaar

maken? Is niet haar voetstap als de lichtste veder en beroemd in de sage

des lands, en bepaald door het orakel aangewezen? Is niet hare stem de

schoonste en waaraan nog nooit de tooverkracht ontbroken heeft?

--Helaas, helaas! jammerde de koningin Parel, en de koning keek droevig

voor zich.

--Met al de macht, die ik over de verschillende elementen bezit, zal ik

haar beschermen; de geheime runen zal ik haar leeren, om ze uit te

spreken op het beslissende oogenblik. Er is geen twijfel aan, of

welgeslaagd komt zij terug; dan is het land gered en de strijd is

geeindigd voor altoos, en over de geheele aarde heerschen in vrede en

rust de gelukkige Sensorius en Parel.

Zij zwichtten voor het lot en de godspraak, en het fijn gesmeedde plan

werd ten uitvoer gelegd. Toen de dag, waarop de gelieven gewoon waren

samen te komen, aanbrak, was Mimosa niet in het bosch, want de wijze

Aldebaran had haar juist op dien dag den tocht doen ondernemen. Logikos

vond haar dan ook niet onder het loof der fijn gebloemde heesters, waar

zij gewoon waren elkander te wachten, maar de onheilspellende raaf met

haar schuin loerend oog zag hij weer in kringen om zijn hoofd vliegen,

en zichzelven op het eigen oogenblik besprongen en gevangen. Met de

grootste snelheid werd hij in verzekerde bewaring gesteld, en later zou

men een gezant naar koning Intellectus afvaardigen, om de gevangenneming

van zijn zoon te melden en te onderhandelen over de voorwaarden van

zijne vrijlating.

Mimosa, van dit alles onkundig, was intusschen naar de spelonk op weg.

Zij had al een geruimen tijd gereisd, eer zij kwam op de aangewezen

plaats. Daar vond zij, dat alle aanduidingen met de plaats

overeenkwamen. Aan een breed water kwam zij, dat zij gemakkelijk

overvoer met eene ruime schelp, en aan de overzijde zag zij eene glazen

brug, die naar de grot voerde, zoo dun en fijn, dat het schier

onmogelijk was, dat zij iemand kon dragen.

Maar licht als het blanke zwanendons, dat wij op het water zien drijven,

was haar tred, en zij was de brug bijna geheel overgegaan,

toen........................................ wat anders kondt gij van

eene verliefde verwachten? Zij dacht aan Logikos, den fieren jongeling,

aan het bosch, en hunne gelukkige bijeenkomsten,--maar de tooverspreuken

van den wijzen Aldebaran had zij vergeten, en met een ontzettenden knal

brak de brug onder hare voeten weg.

Toen zij weder bij hare zinnen kwam, vond zij zich geboeid en gevangen

op eene vreemde plaats. Daar barstte zij in droevig geween uit.

Logikos, dacht zij, u zie ik niet weder! En mijn vader en moeder, wat

zal er van hen worden, als zij mijn lot vernemen! En nu is alles

bedorven en van die rampen ben ik de oorzaak. Ach, droevige liefde,

waarom moest gij mijn hart zoo geheel innemen, en ik door u de machtige

woorden vergeten, die mij onkwetsbaar zouden maken, en die mij zeker

hadden doen slagen. Nu heb ik van mijn lief mijn leed gemaakt!

* * * * *

Drie, vier dagen zat zij in de gevangenis, totdat zij voor den koning en

zijn raad werd gebracht.

Wat was het haar vreemd en anders dan zij gewoon was! Hoe koud was het

hier, en hoe onbevallig!

Nergens schoonheid: was _dit_ een paleis?! Zoo dacht zij met de grootste

verbazing. Nergens bloemen, nergens de flonkerende steenen, de fijne

weefsels, de welriekende fonteinen, de zachte melodieën, die,zij van een

paleis onafscheidbaar achtte en die,zij bij hare ouders gewoon was. Koud

en hard schenen haar de koning en de raden, zooals zij daar gezeten

waren op hun granieten zetels.

Van schrik kon zij bijna niet antwoorden. Maar zij schenen ook reeds

alles te weten, en zij had slechts toe te stemmen en te bekennen:

alleen, toen haar naam gevraagd werd, waren allen hevig verbaasd, toen

zij zeide Mimosa, de dochter van koning Sensorius en koningin Parel te

zijn.

--De dochter van onzen aartsvijand,--die ons in ons land, onzen schat,

ons heiligdom wil rooven! sprak de koning somber; welke andere straf kan

daarop volgen dan de dood?

Twijfel scheen daarover niet te bestaan. De als steen onwrikbare en

ongevoelige rechters stemden het allen toe, zoowel om de zwaarte der

misdaad, die, ware zij gelukt, ontwijfelbaar het geheele rijk had te

gronde gericht, als om politieke redenen, daar het geslacht der Sensorii

dan zonder eenigen nakomeling zou uitsterven--want de koning en de

koningin waren al zeer oud--en alzoo geheel te gronde zou gaan.

Onder die beraadslagingen werd in het midden van den raad opeens een

gezant gebracht van koning Sensorius, die, zoodra hij Mimosa zag, in

tranen uitbarstte en op den grond vallende hare voeten kuste.

--Zoo hebben dan de hemelteekenen ons niet bedrogen, riep hij jammerend

uit; de zon is verduisterd geweest, licht en leven dreigden ons te

begeven, de vogelen zwegen, de bloemen sloten hare kelken; want onze

Mimosa was weg en alles had zijn glans van schoonheid verloren.--Toen, o

wijze en groote koning! vervolgde hij nu tot dezen, toen voelden wij,

dat aan de dochter der schoonheid en der teederheid eene ramp was

overkomen op hare onderneming. Zij keerde ook niet terug, en nu kom ik u

om haar bidden, dat zij tot ons terug moge keeren en wij zullen u den

vrede laten.

--Den vrede zullen wij _nemen_, als wij dien willen, zeide Intellectus

stroef en hooghartig: uwe koningsdochter heeft ons land op den rand des

ondergangs gebracht en zij is des doods schuldig.

--Ben ik als gezant hier veilig? vroeg deze.

--Dat zijt gij, op onze eer, en bij de machtige Azen zij het u gezworen.

--Welnu, vervolgde de gezant, weet dan, dat uw zoon, o wijze koning!

door ons gevangen is, en dat een gelijk lot hem zal wedervaren als onze

dochter van u zal ondervinden.

--Hoe! riep de koning--en allen ontstelden ten hevigste--hoe is het

mogelijk, dat de dappere Logikos gevangen is!

Nauwelijks had Mimosa dit woord gehoord, of zij viel in onmacht en zij

werd weggebracht in een der vertrekken van de koningin.

De koning en zijn raad hadden al verscheidene dagen lang beraadslaagd;

want het was een moeielijk en onvoorzien geval. Zeker was het

gemakkelijk, een gelijken ruil voor te stellen van Mimosa en Logikos,

maar dan was men even ver als vroeger en er was niets gewonnen. Men

wilde dus trachten, nog eenig voordeel bovendien te bedingen. Gezanten

waren intusschen naar het hof van Sensorius gezonden, om over de

uitlevering van Logikos te onderhandelen.

Intellectus zat nog altijd te peinzen over de voordeeligste wijze,

waarop hij zich uit den zonderlingen loop van zaken zou redden.

Te midden dier overdenkingen kwam hem de koningin Nutte bezoeken.

--Verstandige koning, zeide zij, ik wenschte u te spreken over

allervreemdste zaken. Gij weet, dat de schoone Mimosa,--want wij moeten

toch erkennen, dat zij schoon is, wat een dwaas en verstandeloos

schepsel ze ook zij--bij mij werd gebracht, toen zij in zwijm was

gevallen. Toen ik haar met eenige waterdroppels had hersteld, begon zij

te weenen en viel mij om den hals:--Ach! zei ze, gij zijt ook moeder;

bedenk, wat mijne moeder lijden moet, nu zij het gevaar kent, waarin ik

ben!

--Maar wat ik verder van haar vernam, gij zoudt het u niet kunnen

verbeelden, is niets meer of minder dan dat zij verliefd is op Logikos,

en--vertoorn u niet, wijze koning--hij op haar.--Door, het jachtbedrijf

medegesleept was hij ver, zeer ver verdwaald in een bosch, en daar had

hij haar ontmoet; wekelijks kwamen zij daar bij elkander, en het is

daar, dat hij gevangen werd genomen.

--Ziet gij den toeleg niet? riep Intellectus met nadruk: zij heeft hem

verraden....

--Onmogelijk, antwoordde de vorstin, want zij wist niet, wie hij was, en

het was niet minder door deze ontdekking dan door het hooren van zijne

gevangenneming, dat zij in zwijm viel.

--Ziedaar dan, sprak de koning met bitter verwijt tot den diepdenkenden

Logarithmos, die naast zijn zetel stond, ziedaar de vrucht uwer

opvoeding! Aan u was die toevertrouwd; wijsheid en beradenheid hadden

hem van u moeten toevloeien, en de hartstochten hadt gij in hem moeten

dooden; en wat hebt gij gedaan?

--De jacht is de leerschool voor den krijg, merkte de verootmoedigde

wijze schoorvoetend aan.

--Mits zij met een scherp oog en eene vaste hand gedreven worde, en met

koel zelfbedwang; dáárin ligt de eerste reden van zijn ongeluk. En die

liefde, vervolgde de koning verachtelijk, waarom hebt gij dien

hartstocht in hem laten bestaan?

--Ik wist waarlijk niet, dat die in hem bestond, zei de verlegen wijze.

--Vertrek! gebood de koning, en laat mij met de koningin alleen.

* * * * *

--Onmogelijk, riep de koning, onmogelijk! een zoon van het oude en wijze

geslacht des Verstands ... hoe zou die in eene zoo groote dwaasheid

vervallen kunnen!

--Dat is ook mij onbekend, wijze vorst, of liever, het was mij een

raadsel ... maar nu begin ik iets van eene oplossing daarvan als in de

verte te vermoeden.

--Wel! gij prikkelt mijn weetlust!

--Gij kent mij genoeg, niet waar, en gij weet, dat geen zwakheden of

aandoeningen mij licht zouden bedwelmen....

--De bezadigdheid van koningin Nutte is wereldberoemd.

--Toch was ik al dadelijk getroffen door de schoonheid en zachtheid van

dit onverstandige dwaze kind. Zóózeer, ik moet het bekennen, dat ik

allengs belang in haar begon te stellen. Of zij het bemerkte--zij opende

mij haar hart, en zij bekende mij hare liefde.... en nu, na eenige

dagen, nu zij herhaalde malen bij mij is toegelaten, ik weet niet hoe

het komt, maar het is of in haar bijzijn iets ongewoons in mij omgaat;

het is of ik mijn eigen zoon meer liefde toedraag; het is of het geheele

speeltuig van mijn geest anders besnaard is en anders gestemd, of ik

gezonder en opgeruimder ben; soms voel ik behagen zelfs in de redelooze

natuur; soms voel ik behoefte tot vroolijke ontboezeming,.... zie, die

verandering, dit alles, vreemde gewaarwordingen, waarvoor ik geen namen

ken, voel ik terstond, als zij tegenwoordig is; en daarom heb ik

begrepen, dat het mogelijk kon zijn, dat zij dezelfde tooverkracht op

mijn armen geliefden Logikos zal hebben uitgeoefend.

--Voorwaar, vreemde dingen geschieden in deze dagen! Toch is het waar,

als dit u kon gebeuren, hoeveel te lichter hem bij wien de maliën des

verstands nog niet zoo gesloten zijn, of eene dwaasheid kan daardoor

binnensluipen.--Maar ik gevoel mij niet wel; het is alsof al die strijd,

al die inspanning mij tegenstaan,--het zal vermoeienis wezen, denk ik.

Hoe kunnen wij toch onzen zoon wederkrijgen?

--Zend den afgezant terug, met belofte van Mimosa tegen hem uit te

wisselen.

--Ik zou dit wel willen,--maar het Beeld dan? Zie, het was juist tegen

Mimosa, en dit was de eenige voorwaarde voor haar leven, het was tegen

haar, dat ik de ons ontbrekende stukken had willen inruilen.

--Gij begrijpt, dat Sensorius hetzelfde zou vragen, en van ons het hoofd

en het verdere eischen.

--Zoo blijft er slechts over, te beginnen met de verwisseling van de

beide gevangene ... en dan weer de oorlog!

De gezant keerde naar zijn hof terug, met het voorstel van koning

Intellectus, om de wederzijdsche gevangenen uit te leveren. Onderling

werd de plaats van samenkomst bepaald; een open veld in het Onzijdige

Woud, en daar zou, ten overstaan van gevolmachtigden, de uitwisseling

gelijktijdig (want men vertrouwde elkander niet veel) plaats hebben.

Aan het hof van Sensorius was in dien tusschentijd niet minder beweging

geweest, dan wij bij Intellectus hebben waargenomen. Het wegblijven van

Mimosa, de droevige teekenen, dit alles had bij den koning en zijne ega

het treurige vermoeden tot zekerheid doen rijpen, dat haar een ongeluk

overkomen was: de bitterste droefheid had overal geheerscht, maar de

wanhoop der ouders te beschrijven, is ondoenlijk. Dag en nacht

weeklaagden zij. Toen de gezant terugkwam en de toedracht der zaak

verhaalde, was er in zoover blijdschap, dat Mimosa nog leefde, dat zij

zelfs eenigen invloed bij de koningin Nutte scheen verkregen te hebben;

en om de geliefde maar spoedig terug te hebben, werd dadelijk besloten,

Logikos tegen haar ten spoedigste uit te leveren. Aan andere dingen

konden zij niet denken; alles was wel, mits zij maar terug ware. Opdat

geen verraad te duchten ware, maar zeker meer om, de verlorene zoo

spoedig mogelijk weder te zien, besloten de koning en de koningin, haar

ter bestemde plaats zelf te gaan ontvangen. Snel werden alle

toebereidselen gemaakt, en met een groeten stoet van gewapenden zoowel

als van hovelingen, begaven zij zich in feestgewaad op weg. De bestemde

plaats was een schoon bosch, in welks midden een opene plek lag, waar

eene kleine rivier doorheen stroomde, zich rimpelend over de ondiepe

bedding of huppelend over de steenen, die op haar weg lagen. Aan de eene

zijde zouden de gezanten van Intellectus komen, die van Sensorius aan de

andere, en over het water sloeg men eene breede brug, waarvan de vloer

met takken en bloemen bestrooid werd.

Prachtig was de stoet van Sensorius en Parel, zooals die daar zweefde op

het water. De koning had zijn scharlaken kleed, de koningin haar

vedergewaad aan: in eene groote schelp werden zij door twee blanke

zwanen voortgetrokken, die gouden banden om den hals hadden; een rei van

bevallige nimfen volgde hen en hief zachte melodieën aan ter eere der

wedergevondene, en een andere stoet strooide bloemen en welriekende

kruiden uit.

Zie, die stofwolk aan de overzijde, eene lange reeks, een groote optocht

komt daar aan. Hoe kloppen de, harten der wachtenden; zie, daar moet hun

Mimosa bij zijn. Wat is dat voor eene aanzienlijke groep? Niemand minder

dan de koning Intellectus zelf en met hem zijne koningin, die hetzelfde

denkbeeld hebben opgevat en het veiliger geacht zelve bij den ruil

tegenwoordig te zijn. Daar staan dan plotseling en onverwacht de beide

vorsten tegenover elkander, beiden even verwonderd elkander daar aan te

treffen, maar niet minder elkander van aangezicht tot aangezicht te

zien.

Van de eene verbazing zou men tot de andere, tot nog grootere moeten

stijgen. Want ziet, hoe wijs ook koning Intellectus en hoe slim ook

koning Sensorius mochten zijn, daar gebeurt iets, waarop geen van beiden

gerekend heeft en waarvoor noch de diepzinnige Logarithmos, noch de

machtige Aldebaran zoo spoedig eenigen raad weten. Nauwelijks hebben

Mimosa en Logikos elkander gezien, of, hun bewakers ontsnapt, vliegen

zij de brug op en in elkanders armen.

--Nooit, nooit verlaat ik u weer! roept Mimosa, zich aan haar geliefde

vastklemmende.

--Altijd, altijd blijf ik bij u! zegt Logikos, haar teeder omvattende.

Nu heerscht de grootste verlegenheid aan belde zijden, en groote

ontevredenheid tevens. Alles was met de uiterste moeite geschikt, en

daar is alles opeens bedorven! O rampzalige liefde, die in de wereld

schijnt te wezen om de plannen der ouders in duigen te slaan! Die over

de berekeningen der wijzen wegwipt, en over alle andere aandoeningen

heenspringt als over eene korrel zands! Die altijd een uitweg vindt om

te ontsnappen!

Men trekt zich in de beide kampen terug en beraadslaagt.

Eindelijk treedt koning Sensorius vooruit en vraagt een onderhoud met

koning Intellectus. Daar staan de twee groote wereldheerschers tegenover

elkander.

--Groote en wijze koning! zegt Sensorius; zooals de zaken nu staan,

kunnen zij niet blijven: die beiden te scheiden is hun beider dood; en

als zij bij elkander blijven, wie van ons zal ze dan hebben? ik wil een

stap doen tot oplossing der verwikkeling,--ik geef mijne dochter, geef

gij uw zoon, dat zij elkander beminnen en vereenigd worden! Wij zijn

oud; dat wij het daarbij laten en onze laatste dagen in rust slijten,

ieder in zijn land.

Nu treedt Aldebaran naast zijn meester.

--Hoogwijze en grootmoedige vorsten! spreekt hij; der sterren loop is

een boek voor hooggestemde gemoederen; ik heb daarin gelezen en ziet,

heden juist geschiedt het samentreffen der banen van twee kometen, die

elkander in geen tienduizend jaren gesneden hebben, en het is die

vereeniging, die mij de zekerheid geeft, dat de ontmoeting der beide

koningskinderen eene zaak is, die in het groote boek des tijds schijnt

voorspeld en gewild te zijn.

--Groote en wijze vorst! valt snel de geleerde Logarithmos in, die

hoogwijze sterrenwichelaar heeft u wat verhaald van twee kometen; zooals

alle halfgeleerden, die meer op instinct dan op kennis afgaan en meer

verbeelding dan verstand hebben, heeft hij u slechts de halve waarheid,

en die nog scheef, voorgesteld. Zeker, die twee kometen komen samen en

hare banen snijden elkander, maar als gij nu een oogenblik nadenkt,

begrijpt gij, dat die lijnen elkander slechts snijden voor één oogenblik

en dan weder verder dan ooit van elkander afgaan, en zoo dit dan een

voorteeken heeten moet, vind ik het een zeer slecht voorteeken. Ik bid

u, luister niet naar de grillige inbeeldingen van een gemoedelijken

dweper.

--Groote vorsten! hervat Aldebaran met verbeten woede, de waanwijsheid

van dezen zoogenaamden geleerde, die niets begrijpt dan wat hij

handtastelijk voor zich ziet, zal u weinig aan zijne woorden doen

hechten; gij proeft er den kouden cijferaar uit. Laat ons het symbool

behouden, waarin de peillooze diepte der wereldwijsheid hare

openbaringen in ons gemoed zendt, en daarnaar handelen.

--Edele koningen! zegt Logikos, hoort naar de stem van het verstand en

het gemoed zelve, en niet naar de eenzijdige formules, waarin die beide

geleerden deze twee hebben afgesloten. Gij, koning Sensorius! hebt eene

edele daad gedaan, door het eerst uwe toestemming te geven....

--Het zij zoo, spreekt Intellectus tot Sensorius, gij zijt mijn

vijand,,maar er is grootmoedigheid in uwe handeling; ik wil niet minder

zijn.

--En nu hebt ook gij, mijn koninklijke vader! eene edele daad verricht.

--Waar twee in eene edele daad overeenkomen, zegt Mimosa met hare

liefste stem, daar zijn zij één.

Toen kwamen de beide koningen vooruit en gaven elkander de hand ter

verzoening en ter verzekering van hun woord.

* * * * *

Zulk eene vreemde verwarring als er nu plaats had, was nog nooit gezien;

de beide kampen vereenigden zich, tenten werden overal opgeslagen en de

beide koningen en koninginnen voegden zich bij elkander. Kostbare

vloerkleeden, fijne weefsels werden uitgespreid en met rozen

overstrooid; zachte geuren stegen op in de lucht; de jongelingen van

Intellectus wedijverden in lichaamsoefeningen en schieten en in

dialectische wedstrijden; citerspel, zang en dans heerschten bij die van

de andere zijde. Dien nacht vierde men feest tot het dagen begon, en

toen, na eenige uren rust, kwam het oogenblik, om de vereeniging der

twee gelieven te vieren.

Van losse steenen werd een altaar gebouwd, en reukwerken daarop

ontstoken. Daar stond de schoone Mimosa, schitterend wit van gewaad en

met een lichaam zoo glanzend, zoo teeder en fijn, alsof het slechts met

rozebladeren gevoed was, en naast haar de krachtige, verstandige

koningszoon. De beide wijzen baden tot Alvader; toen namen zij den kelk

van eene sneeuwwitte waterlelie, gevuld met honig en nectar:

Schoon zijn de bloemen,

zong Aldebaran.

Wijs zijn de bijen,

sprak Logarithmus.

Geurig de nectar,

zong de eerste weder.

Honig is nut,

was het antwoord van den tweede.

Zoo plengden zij voor het nut en voor het schoon, voor het verstand en

voor het hart; de koningskinderen zouden die weldra door den innigsten

band vereenigen.

De beide koningen legden de handen hunner kinderen in elkander, en de

koninginnen drukten een kus daarop. Mimosa en Logikos dronken nu ten

aanzien van allen uit den kelk, en plengden het overschot op het altaar,

en zoo waren zij vereenigd en vereend. Wat men van elke zijde

luisterrijks had medegebracht tot verwelkoming der wedergevondenen, werd

nu ter viering van beider vereeniging aangewend. Als er lang en hevig

gestreden is en de vijanden zien elkander van aangezicht tot aangezicht,

dan zijn zij beiden verwonderd elkander niet anders te vinden, dan slaat

de schaal, althans voor eenigen tijd, opeens over, en men wedijvert in

betuigingen van achting en vriendschap. Zoo was het ook hier. Weldra was

er geen spoor van vijandschap zichtbaar, en allen vereenigden zich in de

feestvreugde. Aan die stemming was het ook te danken, dat er geen

ijverzucht bestond; hoewel het moest erkend worden, dat de onderdanen

van Sensorius verreweg de eer van het feest hadden. Niet alleen

toonden--zij den meesten smaak in de versierselen, die zij aanbracht en;

niet slechts was al wat er schoons blonk van hen afkomstig; maar ook

door hunne tooverachtig schoone zangen, door hun dans en muziek gaven

zij aan allen de opgewekte vroolijkheid, zooals de zonneschijn aan het

eerst in doffe tonen gehulde landschap. Daarentegen zou het onbillijk

zijn niet te vermelden, dat van de zijde van Intellectus een

voortreffelijke maaltijd afkomstig was, en al de practische schikkingen

bij zulk eene gelegenheid zoo onontbeerlijk.

Helder en lustig heerschte de vreugde, tot het avond werd en de beide

vorsten met hun gevolg aftogen, ieder naar zijn land, en de gelukkige

koningskinderen bleven in het schoone bosch, waar zij elkander voor het

eerst gezien hadden.

Het duurde slechts kort, of de koning en de koningin van elk, der beide

landen stierven, en Logikos en Mimosa volgden hen op en vereenigden

onder hunne heerschappij in vrede al de volken der aarde.

Logarithmos en Aldebaran waren de eenigen, die het nooit eens konden

worden; hun twist liep nu eens over het geval, dat de nieuwe koning en

koningin kinderen verwekten.

--Als het een zoon is, zei Aldebaran kregelig, gaat het alles den ouden

weg weer op.

--En als het eene dochter is, antwoordde Logarithmos, zult gij uw

verderfelijken invloed weer op haar uitoefenen.

--En als het eens, zei Aldebaran,--als derde vooronderstelling, als het

eens een zoon èn eene dochter waren?

Dan weer twistten zij over de stukken van het Beeld. Maar ziet, tot hun

beider, ja tot aller verbazing en verstomming ontdekten zij, eens, dat

op de plek in het bosch, waar het vereenigingsfeest van Logikos en

Mimosa gevierd was, een wonderschoon beeld verrezen was, één geheel uit

de deelen, die in de beide koninkrijken waren verspreid geweest.

--Was dit nu maar eerder gebeurd, zeide Logarithmos, dan had dat dwaze

huwelijk niet behoeven plaats te hebben.

--Neen, had hunne vereeniging maar eerder plaats kunnen hebben,

antwoordde Aldebaran, dan was misschien het beeld des te eerder hersteld

geweest en te gelijk de vrede.

En dat was het wijste woord, dat de geschiedenis van Aldebaran vermeldt.

Daar dit alles evenwel zoo ten eenenmale buiten hunne verwachting en

buiten hun toedoen gebeurd was, konden zij den schok niet wederstaan en

niet beter doen dan maar sterven. En dat deden zij dan ook.

Zij konden dus niet zien, wat Mimosa ter wereld zou brengen. Dat weten

wij ook niet; wij weten alleen, dat de valsche raaf met haar glurend

rond oog niet meer gezien werd, en dat het nageslacht de sagen bewaard

heeft van eene gouden eeuw, waarin geheel de aarde gelukkig, was onder

de vereeniging van den zoon van Intellectus, uit het oude, doorluchtige

huis van Verstand, en de dochter van Sensorius, uit het niet minder

aanzienlijke en nog oudere huis van Gevoel.

* * * * *

Vogels van diverse pluimage · 第 26 / 29 题