EEN BOUWVISIOEN.

Mijn wieg stond tusschen krullen--muren

En sieraan van gebakken deeg.

Wij hadden een avond onder kunstvrienden doorgebracht en levendig

gesproken over de bouwkunst onzer dagen. Zij was er geprezen, gehoond,

ontkend en erkend. De groote meesters der Duitsche kunst waren

opgeroepen, maar ook weder vrijgelaten. Want de kring onzer denkbeelden

trok zich samen over de meer dagelijksche bouwwerken en de op vele

plaatsen noodlottige bestelling, dat het architectonische talent

verhinderd wordt, zijne wetten te doen heerschen over het industrieele.

Den volgenden dag kreeg ik een brief van onzen overdrijvenden vriend

Bamboots, die dus luidde:

* * * * *

"Toen ik van onze lustige samenkomst in uw dichterlijk koepeltje,

gelegen aan die sloot, die in haar zucht naar ontwikkeling er naar

streeft, vaste stof te worden, waar de zon zoo heerlijk onderging in uw

teeder groen getinte Rhijnwijnroemers, en de nacht in erbarmen zijn

sluier spreidde over de moderne bouwerij, die wij zoo naakt hadden

uitgekleed; toen ik daarna huiswaarts keerde naar mijne stad, voerde

mijn weg mij weer langs dat stuk weigrond, waarop wij 's morgens reeds

samen dien wonderbaren heksenkring met zijn breeden cirkel van

paddestoelen hadden bekeken en bepraat. Ik had alles vergeten, wat uw

landbouwkundige vriend ons daaromtrent had voorgepraat, maar toen ik

daar dit stuk land voorbijging en in den vollen maneschijn den gordel

zag, dien de champignons om die kale en uitgeputte plek gronds hadden

gevormd, kon ik niet nalaten, er bij stil te staan. Het nog niet boven

allen twijfel opgehelderde natuurverschijnsel, dat niet tot mijn

verstand sprak, prikkelde daarentegen mijne verbeelding te meer. Daar

waren van die paddestoelen, die er als groote regenschermen uitzagen,

andere als ronde tafels op één voet, andere als geboomte met breede

bladerkroon; ik dacht, hoe men er op zou kunnen zitten of er onder

liggen, uitgestrekt op den rug. Dan gluurde ik, of ik de heksen niet

zag, die in deze kringen plegen rond te varen en feest te houden. Alle

gegevens waren voor eene verschijning voorhandem een geprikkelde geest,

de stellige wil om zich alles te laten zien, de plaats, en de tijd, en

de maan, de maan, die het licht, dat zij aan de zon ontleent, gebruikt

om wat deze in helder daglicht stelt, weer terug te voeren in mythischen

schemer, de maan, die met de zon denzelfden strijd voert als in den

mensch de verbeelding met het verstand, als in den roman de verdichting

met de historie. Ik begon te zien,--ik weet nog niet wat; ik trok met

mijn stok een pentagram op den grond, en bedacht eene

bezweringsformule;--ik zag--maar waarom _ik_?

Laten wij er eene legende van maken; legende, kind van het morganatisch

huwelijk van feit en fictie; laten wij een ruiter hierheen doen draven

over den weg, die het land doorsnijdt. Ik zie hem al, hem en zijne

schaduw. Zij gelijken wel een paar van de wolken, die voorbij de maan

zweven, de man, die zonder scherp begrensden vorm in draf daarheen

trekt, en zijne schaduw, die naast hem, en even nevelachtig als hij, het

lage hakhout even streelt en er langs glijdt. Het is doodstil en

eenzaam, de hoefslagen smoren in het zand: hoor, hoe stil het is,

ting--één klokslag, zeer in de verte: er leven dus nog menschen, waar

klokken zijn, die zij aan den gang moeten houden of zijn het eer de

klokken, die de menschen aan den gang houden? De schim op dat hakhout

staat stil en de ruiter ook, om te luisteren: alles doodstil; over de

vlakte is niets te zien, dan in de verte ongelijke, hoopjes schaduw,

waar over dag boerenhoeven in kunnen zitten, maar die thans verdwenen

zijn; doodstil,--woew, woew!--in de verte slaat een werfhond even aan,

maar zoover, zoover als alles wat over dag werkelijkheid heet. De schim

glijdt weer voort over het hakhout en de ruiter haar na. Wat zijn die

witte gedaanten, die in een kring daar op het veld zitten? Het paard

maakt er een sterken zijsprong voor, steigert, met de voorbeenen

maaiend, dat de hoeven tegen elkaar kletteren, en stort onderstboven,

nadat zijn ruiter al in het zand is gegleden. In twee, drie wentelingen

is het weer op de been, terwijl de ruiter midden op den weg zit en

zitten blijft. Hij had nu ook wel willen schrikken en op zij springen,

maar was als aan de plek gekluisterd op den weg, die voorbij den

heksenkring loopt.

Wat groeien die paddenstoelen! Waar er geen staan, spruiten zij met

snelheid uit, en die er zijn, zwellen, tot zij zoo groot zijn als

kinderen. Het glinstert er, het wriemelt, het zweeft, het leeft. Op

elken zit eene schim; deze geven elkaar de hand en gaan draaien en

gieren, zij zijn alle gemaskerd en verkleed. Hier schijnt het Orfeus te

zijn, op eene padde rijdend en spelend op de citer; Orfeus, de

symbolische genius aller bouwkunst, die door rythmus en harmonie de

onbewerktuigde stof zich tot gebouwen verbinden doet. Aan hare kleederen

kunt gij zien, wie de anderen nabootsen. Sinte Katharina is er met het

radvenster, dat haar naam draagt, en Braga, de kunstenaar van het

Noorden, met Neith, Egyptische Adiene; ginds is Aholiab en Bezaleël en

Hiram van Tyrus, en meester Erwin von Steinbach, met eene puntige muts

als het ogief zijner kathedraal, en zijne kunstrijke dochter Sabina, en

zoovelen nog, wier namen belangrijke tijdperken teekenen in de

geschiedenis der bouwkunst. Dat schijnt wel Brunellesco, de eerste

moderne bouwmeester, en ginds Bramante, Palladio, Vignola. In het midden

staat eene reusachtige, padde overeind, met een witten mantel om en eene

gevederde kleine muts op den kop, en houdt een troffel in den poot,

waarmede zij zwaait en beveelt. De anderen noemen haar Borromini. De

wilde dansers houden op, en nu gaan zij van aardkluiten en steenen

allerlei werken maken, met daken en koepels en zuilen van champignons;

zij bouwen, maar komen niet verder, want anderen schoppen er tegen, of

trekken een der onderste stutten weg, en dan valt het opeengestapelde

weer in, en dan joelt en jankt en kijft het weer onder en door elkander.

Die in het midden roert nu met den troffel in een ketel, de brij wordt

dikker en taaier, het is eene pap van de steeds groeiende paddestoelen.

Nu gaan zij het deeg kneden en daarvan bouwen, en zij stapelen zuil op

boog en lijst op sokkel en alles op en over elkaar.

Hiii!! snerpt het als eene gierende windvlaag door de lucht, nu de bouw

is voltooid, en als eene draaiende hoos gaat het er weer omheen, tot de

kring van gemaskerde spoken, die elkander aan de hand houden en den rug

toekeeren, eene wentlende streep gelijkt. Het is een woeste sabbat.

* * * * *

Hier is het kind, hier is ons aller kind! zingen zij.

Van mij is de neus!

Ik verschafte de ooren!

De glinstrende oogen zijn mijne!

Ik gaf het de macht om zijne kaken op te blazen.

En ik die van alle vormen aan te nemen en nooit iets te zijn!

Ieder had zijn deel aan het kind. Zij brachten het in hun midden en

wierpen het elkander beurtelings toe, al sneller en sneller, den kring

rond, terwijl zij het doopten met een naam, waarvan zij ieder slechts

eene letter uitspraken, en leder gaf het eten uit den grooten ketel met

paddestoelen--brij; en bij ieder groeide het kind, snel, even snel als

des nachts de tooverkring der paddestoelen opschiet. En het was weldra

volwassen.

Nu gaan zij het inwijden in de bouwleer, en geven het zijn leerbrief:

_De leerling, die den knaap een breekijzer geeft_.

De eerste plicht van den leerling is het gebruik van het breekijzer:

breek af, maar roof u eerst wat vormen, die gij onthouden en gebruiken

kunt.

_De gezel, die den leerknaap een troffel en een

verfkwast geeft._

Om alles glad te strijken krijgt de bouwgezel den troffel, en om te

overpleisteren, wat men niet zien mag. Kunst is schijn, en schoon is

schijn. Bouw van hout, van stroo, van bordpapier, van oude vilten

hoeden. Verachtlijk is de stof, maar de schoone schijn is het al. Snel

vaart de verfkwast over alles heen, en hout en stroo en klei worden

goud, graniet en marmer.

_De meester teekent den leerknaap met het

duivelsteeken op de linkerheup._

Uit uzelven schep, maar steel het eerst van andren.

De kunst is klein, lang het lustige leven.

Geen wet of regel gelde u meer.

Wees vrij!

* * * * *

Dan volgt het practisch onderwijs. Zij wijzen hun ingewijden zoon, hoe

zij bouwen van stukken paddestoel, en van de brij uit den ketel, van

stroo en papiertjes, van biezen en takjes; zij leeren het van allerlei

tuig alle stoffen na te maken; zij kneden en knoeien en lijmen, zij

knutselen en plakken en stapelen een bouwwerk opeen, waar ieders

bouwtrant een stuk toe gaf, Egyptisch, Grieksch, Chineesch, Romeinsch,

Gothisch, uit elke streek der wereld.

* * * * *

Met een ontzettend gieren zwalkte de bezeten troep thans om het

voltooide werkstuk heen. De opperheksenmeester vloog boven op den top,

stak daar in de gedaante van een bok zichzelven in brand, en regende

naar omlaag in aschvlokken, die door de anderen opgevangen en verslonden

werden.

Het spokende heir was nu buiten alle bedwang.

Allen begonnen te twisten over den voorrang; zij smaalden en spotten

over elkanders werk, tot zij het eindelijk in stukken begonnen te slaan,

en het geheel in duigen lag. In hunne dolheid misgrepen zij zich ook aan

hun eigen kind, dat zij met de brokstukken wilden dooden en daaronder

dreigden te verpletteren.

Ginds kraait een haan.

Woew!--op een werf in de verte slaat de hond weer aan. De dag breekt

door. Als eene woedende hoos vliegt de drom om en om, in

spiraal--kringen, die al kleiner en kleiner worden, de lucht in en

eindelijk uit het oog, gelijk de morgennevel, die voor het zonlicht

uitwijkt, en zijn slepend kleed na zich trekt. Gelukkig voor den armen

leerknaap, die er gekneusd, maar toch levend afkwam, en voortsnelde naar

eenig toevluchtsoord, de wijde wereld in. Daar is hij aannemer van

huizen geworden en bouwt zich in de groote steden spoedig rijk. Zelfs

wordt hem eerlang het maken van een monument opgedragen.

Zachtjes aan werd de gewone wereld weer hersteld. De takken verscholen

hun dwaze, spookachtige gezichten, de schaduwen krompen in, het licht

begon alle vormen, als de steenhouwer, van de grove omhullingen te

ontdoen en ze scherper en nader aan te dringen; de boerenhoeven werden

weder op haar plaats gezet in de nesten van groen; als een gouden maan

ging de phantasie onder, en de scherpe, alles ziende zon van het

verstand rees op.

En de ruiter, die, nog altijd verstijfd van schrik, in het zand had

gezeten, kwam weer, hij wist niet hoe, op zijn paard, dat hij met de

toomen verward vond in de struiken. Het beest schudde zich en rilde niet

minder dan de ruiter, die, bevreesd om achter zich te zien naar den

dorren heksenkring met zijn krans van paddestoelen, rende naar de stad,

waar hij mij stillekens alles vertelde, en zijne haren liet zien,

verzengd door den gloeienden walm van den zichzelven verbrandenden bok.

Er is geen twijfel aan of de man heeft het geheim betrapt van de wording

en voortplanting van onze tegenwoordige bouwkunst; en naar zijne

beschrijving te oordeelen, heb ik het heksenkind als meester zien bouwen

aan eene nieuwe villa in mijne buurt.

Vogels van diverse pluimage · 第 17 / 29 题