Het nieuwe stadhuis, _des werelds achtste wonder_, was nog niet eens als
kunstgedachte in van Campens geest ontkiemd, en hoewel reeds lang de
klacht rees, dat het oude te klein was en de vroedschap er op zinde een
nieuw te stichten, deed men het nog maar met het
Aeloud Stadhuis, verminkt Stéhuis,
Gewoon van ouderdom te bukken.
Dat bestond eigenlijk uit drie deelen. Rechts, als men er voor stond,
was het oude gebouw, met zijn geheel onversierden, puntigen gevel,
beneden van grauwe bergsteen, boven van gebakken steen opgebouwd; links
de latere aanbouw, waar, in de vensterbogen en nissen der éene zich
boven eene open bovengang verheffende verdieping, de gothische
klaverfiguur als eenig versiersel zichtbaar was; en tusschen deze twee
de van zijn klokwerk, en zijne spits met de oude kogge in top, beroofde
toren. Het geheel, meest uit de 15e eeuw herkomstig, was zeker zeer
nederig, en stak in eenvoud af bij de omringende huizen, die reeds
meerendeels in den vroolijken, frisschen trant van geschakeerde
roodkleurige baksteen en grijze houwsteen, en met slanke spitse
trapgevels waren gebouwd. In dezen toren was burgemeesters kamer, en het
was daar, dat Smoutius eenige dagen na de preek, die wij bijwoonden,
binnentrad. Als wij hem vooruitgaan, zien wij de vier burgemeesters
reeds aan de groene tafel gezeten, waarop, behalve eenige papieren en
boeken, een hamer lag, van een tafelbel en inktkoker vergezelschapt.
De voorzitter vatte de bel, wier klinkende klepel een bode deed
binnentreden; en deze, het behangsel voor de deur opgelicht hebbende,
bleef staan.
--Is de weleerwaarde heer Smoutius present?
--Edelgrootachtbare heeren, de weleerwaarde is in de secretariskamer
wachtende; zal hij--
--Geleid hem bij burgemeesteren.
Zwijgend en strak--als waren zij veeleer een tooverachtig uitvloeisel
van de hand van Rembrandt of Thomas de Keyser, of van een der velen,
die, karakteristiek en echt nationaal kunst--genre, hun vermaarde
regenten vereeuwigd hebben--zwijgend en strak zaten zij, toen de
prediker binnenkwam, en zoolang hij van de deur tot de tafel voorttrad.
Geen geluid dan het kraken der zandkorrels op den vloer onder Smouts
schoenzolen. Eenen minder onvervaarde mocht de moed in de schoenen
gezakt zijn--bij hem toonde geene spierbeweging aan, dat het gerekte en
pijnlijke stilzwijgen hem raakte.
Hoe luttel kans op gunst er was voor hem, die hier werd opgeroepen, zoo
hij aan de orthodox--kerkelijke zijde stond, kon de eerste, oogopslag
toonen. Daar zaten niemand minder dan Jan Corneliszoon Geelvink, naar
den regel de van het vorige jaar aangebleven burgemeester en de drie
nieuwe: Abraham Boom, gedurende deze drie maanden voorzitter, Anthony
Oetgens van Waveren en dr. Andries Bicker Gerritszoon, allen uit
patricische regentengeslachten gesproten, en die met de overlevering van
het gezag ook den wil om het uit te oefenen geërfd hadden; allen reeds
dikwijls met elkander als burgemeester of in de vroedschap opgetreden.
Bicker en Van Waveren, die met Beuningen en Hooft, des drossaarts vader,
reeds in 1622, toen het nog gevaarlijk was, vrijzinniger taal hadden
doen hooren en den openlijken schimp der predikanten tegen de vroedschap
uitgelokt hadden; van Waveren, later de groote tegenstander van Willem
II, die in 1625 en 1627 met Geelvink en Bicker die zelfde vrije en
gematigde beginselen in burgemeesters kamer hadden overgebracht, en
tegen wie dan ook bij de vernieuwing van den magistraat, een alom
verspreid schotschrift waarschuwde:
Dit zijn de Quanten
Die oprechten willen de Arminiaansche Santen, enz.
allen de verklaarde en machtigste vijanden van wat zich in den name van
God en den rechtzinnigen godsdienst, het recht gegeven waande over der
medemenschen gewetens te beschikken, en van den heerschzuchtigen dwang
der geestelijken. Bicker zal de stilte het eerst breken. Hij is in de
volle kracht en zelfstandigheid van een leven, dat nog geen vijftig
jaren telt, met het kloeke, beraden gelaat, den strengen blik, de vaste,
bij wijlen sarcastische lijnen van den mond in den grooten knevel en
spitsen baard niet verborgen: dezelfde zooals dertig jaren later Van der
Helst hem schilderen zal.
--Heer predikant, burgemeesteren hebben u voor zich ontboden.
--Ik ben bereid den Edelgrootachtbaren Heeren ter wille te zijn, zoo ver
in mijn vermogen is, antwoordde de toegesprokene, wien geen wenk zelfs
een zetel had gewezen, den ongevederden breedgeranden hoed in de hand
houdende, en buigende met een eerbied, waar geen deemoed, maar slechts
vormelijke beleefdheid in lag.
--Zooveel dat in uw vermogen is--gij kondt daarmede eene achterdeur
openhouden, waarmede burgemeesteren niet gediend zullen zijn. Wij willen
opheldering en verantwoording van uw gehouden tale in de laatste
biddagpreek.
--Ik heb gesproken tot opwekking en stichting van de gemeente. De mensch
is een arme, ellendige zondaar, geneigd tot alle kwaad, en zoo hij
daarom dikwijls iets hooren moet wat zijn trots en eigenliefde kwetst,
het is het Woord des Heeren, dat wij niet mogen terughouden. Ik weet
niet met woorden iets misdreven te hebben,--sprak hij met den grootsten
eenvoud.
Het was behendig de zaak dus te draaien alsof hij niets buitengewoons
gezegd had.
Bickers voorhoofd fronste zich en de samengenepen lippen toonden de
ingehouden drift.
--Het is niet de eerste maal, Weleerwaarde, dat wij u hier spreken,
en wij kennen uwe procedures, die ons echter niet van den weg zullen
brengen. In tijden als deze, waarin liet gemeenebest van buiten in
oorlogen gewikkeld is, kan geen twiststoken van binnen geduld worden,
en zal men strengelijker te werk moeten gaan, dan men anders doen zou.
--De kommerlijke tijden, waarop gij doelt, zijn Gods vinger, die
waarschuwend dreigt; en het is de plicht van de dienaren des Woords,
dit der gemeente onder 't oog te brengen.
--Daarover willen wij niet twisten; de zaak is, dat burgemeesteren, zoo
zij besloten, u nogmaals over uwe heftige predikatiën te onderhouden,
tevens besloten met kracht en ernst daar een eind aan te maken, te meer
daar vroegere vermaningen zonder invloed zijn gebleven. Het is niet over
uwe prediking van Gods Woord, dat wij u willen spreken--maar over uwe
politieke bemoeiingen, en uwe beoordeeling van den magistraat.
--Als burgemeester Boom het mij vergunt, sprak Oetgens, eenige met
potlood geschrevene aanteekeningen voor zich nemende--zal ik de
geïncrimineerde uitdrukkingen ter sprake brengen.
De voorzitter knikte toestemmend.--Heer Adrianus Smoutius, vervolgde
Oetgens, wij wenschen de gehoudene predikatie aan ons overgeleverd te
zien, opdat wij haar nader kunnen onderzoeken.
--Het doet mij leed, zeide Smout, beleefd buigende en met een gebaar van
verontschuldiging,--dat ik hieraan niet voldoen kan; de kerkeraad heeft
daartoe geen verlof gegeven.
--Uwe weigering zal ons het recht niet uit de hand nemen, dat stuk te
beoordeelen.
--Het bleek nu wat burgemeesteren hadden zitten schrijven onder de
preek. De geschrevene aanteekeningen kwamen ter sprake. Smout aarzelde
eerst en draaide er omheen, doch eindelijk op den man af daartoe
opgeëischt, erkende hij, dat hij met de beroerders van Israël den
magistraat, met Rehabeam de burgemeesters bedoeld had. Nu zal men moeten
bekennen, dat het minder vleiend is openlijk een beroerder van Israël
genoemd en met een boozen koning vergeleken te worden; en, is het dus in
burgemeesteren te begrijpen, dat zij daarmede niet gediend waren, dan
strekt het hun tot lof, dat zij hem met gematigdheid vroegen of hij dan
niet op andere wijze zijn beklag had kunnen doen, en hoe hij meende te
kunnen verantwoorden, dat hij aan de gemeente aldus het recht tot
opstand predikte.
--De ergernis is publiek gegeven en moest ook publiek gestraft worden,
zeide Smout. Hij trad daarop in een lang betoog over den schutterseed,
over de Arminiaansche ketterijen, en sinds wanneer, vroeg hij, sinds
wanneer weigert men der kerk het recht om in kerkelijke zaken te
beslissen en over predikanten te oordeelen,--sinds wanneer zou een
predikant niet meer het recht hebben de gemeente te vermanen over hare
afdwalingen? De heer Oetgens vroeg, waarom ik niet elders beklag gedaan;
meent hij daarmede bij den prince? Dat is meermalen zonder vrucht
geschied--en het schijnt we, dat Zijne Doorluchtigheid ook in Amsterdam
niet alles kan of durft.
Dat was een stout woord. Der Amsterdamsche regeering--de kern dier
autocratische en oligarchische macht, die steeds rijzende was naar het
toppunt van schier onbeperkte heerschappij, en in wier hand de prediker
thans geheel was als een schaap onder de wolven--al konden de herders
het naderhand wreken--, aan die regeering in het aangezicht te durven
zeggen, gij, die mij van heerschzucht beschuldigt, gij ziet den balk in
uw eigen oog voorbij!
Een stout woord, en zoo dit uwe bedoeling geweest is, dan hebt gij, "de
hand in de tasse gestoken ende eenen steen daar uyt genomen, ende dien
geslingerd en getroffen den Philistijn in zijn voorhoofd."
Of het een schoen was, dien men zich aantrok, omdat hij scheen te
passen, dan wel of het alleen om de beleediging was, burgemeester Boom
zag den spreker strak in het gelaat en vorschte naar het doel. Dat
gelaat loog niet--het was rood, de grijze oogen schitterden onder de
gefronste wenkbrauwen. Boom richtte zich op in zijn armstoel, en de
saamgenepen hand wat zwaar op de tafel leggende, zeide hij langzaam:
--De heer Smout vergete zich niet--en bedenke, dat hij voor
burgemeesteren van Amsterdam staat.
Dat was zeker geene kleinigheid, en er was geen zweem van snorkerij in
deze woorden. Menig stout spreker zou hier wat ingebonden, menig hoofd
hier gebogen hebben. Burgemeesteren van Amsterdam--die heeren en
meesters van Amstels macht en rijkdom, die in de weegschaal tegen de
stadhouders zoo dikwijls de zwaarste bleken, die slechts de Staten boven
zich rekenden, wier besluiten zij toch zoo vaak verlamden, en die zoo
dikwijls tot de heerschzuchtigste willekeur vervielen; maar ook, men
moet het nooit vergeten, de mannen, die rusteloos den lande dienden,
mannen, die minder geleerd en welsprekend dan men er thans zoo velen
vindt, maar gewoon waren zelve, nú te velde, dán op de vloot, dán als
gezant of in de raadzaal, alles te gelijk te wezen, mannen van de pen,
van het woord en van het zwaard.
Het was een stout woord, Smoutius, en zoo wij u eene deugd moeten
toekennen, is het zeker die van onversaagd uwe meening te uiten. Maar
ook Smout stond niet alleen; mocht hier voor het oogenblik de kans niet
gelijkstaan, op den duur en op een anderen grond was zij dit wel, want
achter den eenvoudigen prediker stond de kerkeraad, maar vooral het
volk, dat zich laat opwinden en als werktuig gebruiken, en dan met
blinde kracht voortholt.
Belangrijk was het, die twee machten tegenover elkander te zien, de
wereldlijke en de geestelijke, de wet en de kerk, strijdende wie
heerschen zou.
Toen Smout bemerkte, dat het ernst werd, kwam hij met een voorslag aan;
de kerkeraad namelijk had twee predikanten willen afvaardigen om
burgemeesteren de bewijzen af te vragen, die zij tegen Smout hadden, en
hij betoogde weder, dat het alleen aan den kerkeraad stond in deze
geheel kerkelijke zaak te oordeelen.
Het was gedurende dit geheele onderhoud zijn streven, de kern der zaak
te ontwijken. De voorzittende burgemeester gaf hem dit duidelijk te
kennen.
--Noch de verbindbaarheid van den schutterseed, zeide hij,--noch de
strijd tusschen Dordt en de remonstrantsche sociëteit, noch het recht
der kerk om over hare predikanten te oordeelen, zijn punten in quaestie,
maar uwe politieke bemoeiingen en openlijke beoordeeling uit den
preekstoel van daden des magistraats. Daarom zullen wij niet dulden, dat
de zaak kerkelijk behandeld worde, maar ze _politiek_ behandelen en
zonder vorm van proces alle seditieuze predikatiën weren.
Daar dit zooveel gezegd was als:--wanneer wij het morgen goed vinden,
zetten wij u de stad uit, en het voorbeeld van collega Kloppenburg[3]
hem voor den geest kwam, meende Smout nog ééne poging te moeten wagen op
hun gemoed, daar hij tegen verstand en wil tevergeefs had gestreden.
--Ach, mijne heeren! zeide hij--komt nog tot bekeering, werpt u voor des
Heeren voeten, buigt u neder voor den Heere van Israël, gij zult het
moeten verantwoorden, zoo gij de ware religie in gevaar stelt,--doch de
hartstocht en het fanatisme, waarmede hij vasthield aan wat hij de goede
zaak meende, sleepten hem weder mede:--Gij zult de verdrukking der kerk
moeten verantwoorden, vervolgde hij scherper; denkt aan Jerobiam, als
hij de hand tegen den man Gods uitstrekte, zoo verdorde zijne hand:
--wat mij aangaat, ik zie wel, hier geen recht te zullen erlangen en dat
elders te moeten zoeken.
--Heer predikant, antwoordde Boom met kalmte en waardigheid, ook wij
hebben te verantwoorden--de rust van stad en gemeente. Elders recht
zoeken, zegt gij; bij wie? Meent gij, dat gij de zaak wederom op den
kansel zult brengen en het volk opruien? Dan weten burgemeesteren wat
hun te doen staat, en dan zullen zij het volk en de waarachtige religie
tegen dergelijke seditieuze procedures beschermen; het is niet voor
niets, dat nieuwe vendelen zijn ingenomen, en zoo het tot het ergste
komen en daarvan mocht gebruik gemaakt worden, burgemeesteren zullen
zich voor God en hun geweten kunnen verantwoorden.
--Uwe zaak zal in advies gehouden worden.
Het verhoor werd gesloten. Smout vertrok zooals hij gekomen was, en
terwijl burgemeesteren nog eene wijl "in het torentje" beraadslaagden,
werd de draad, waaraan het zwaard boven zijn hoofd hing, al dunner en
dunner.