Wat de dichterlijke geest der middeleeuwen in zijne phantastische
_doodendansen_ op zoo menigvuldige wijze afbeelden, en met zoo veel
diepen en bijtenden humor op de wanden der kerken, in de teekeningen der
handschriften of de initialen der eerste drukwerken voorstelde, heeft
niet opgehouden te bestaan. Het is nog altijd de oude strijd tusschen
leven en dood. Als de Noordsche reuzen, Zomer en Winter, werpen zij
elkander beurtelings onder. Altijd heeft wel Holbeins knekelman de
overhand--maar slechts voor een gegeven tijd, en telkens staat een nieuw
leven op om den strijd te hervatten en op zijne beurt den "koning de
verschrikking" te overstelpen. Het gras schiet onder de zeis van den
onverbiddelijken maaier toch weder op. Uit de stof van het vergane
ontwikkelt zich een nieuwe groei.
Noemt gij onder de vele tegenstellingen, die elkander kruisen, en
elkander schijnen te vereischen om elkander aan te vullen, die van leven
en dood alledaagsch, zij is niet minder snijdend en gedurig nieuw in de
bijzondere vormen, waarin zij optreedt.
Ziet daar den stoet, die de dooden wegbrengt, langzaam de straten
doorgaan, en de scherpste tegenstelling vormen met al wat hij ontmoet.
Er zijn bakkers, die aan de levenden brood brengen; artsen, die het
leven gaan verdedigen; kooplieden, die, vast op het leven steunende,
twintig jaren vooruit hunne plannen berekenen; lange rijen van fraaie
huizen in aanbouw gaat hij voorbij; verder een orgel, waarvoor kinderen
dansen; het orgel houdt even op voor de zwarte mannen, en de kinderen
kijken naar den stoet met een verbaasden glimlach om wat zij niet
begrijpen, en het speelt weder voort. Verder gaat de stoet en nadert de
uiteinden der stad; eerst nog voorbij drukke pakhuizen, en fabrieken
niet, hare stoomende, snuivende, rammelende en kletterende bezigheid; de
haven laat hij links liggen, met al hare schepen, waar het bootsvolk
zingend bezig is de zeilen te hijschen voor de reis naar een ver land om
van daar de geriefelijkheden voor de levenden weer mede te brengen.
De zwarte wagenmenner, die onder de wippende huilebalk zijn winst zit te
berekenen, is de stad uitgereden, en langzaam gaat het nu door dreven,
waar de natuur met haar frisch groen, hare vruchten en bloemen niets dan
weelderig leven verkondigt. Een half uur later heeft die stoet zijn werk
volbracht, en alles is omgekeerd: de dood had al die mannen met zijne
machtige vuist een oogenblik bedwongen, zij ontworstelden zich aan dien
greep, zij keeren terug tot het leven, het leven neemt de overhand, en
de stoet, als uit eene dommeling ontwaakt, is, als door terugwerking der
tegengehouden veer, bij uitstek levendig geworden. De doodenrijder,
moderne Psuchopompos of Thot, zweept de paarden, die, de koppen
schuddend, wakker wegdraven: de volgkoetsen rijden luchtig voort, dartel
schuddende op de riemen; de zwarte dragers ontheffen hunne aangezichten
van de nederwaarts gebogene lijnen, en wenkbrauwen, oogen, mond staan
weer in de gewone plooien.
Deze optocht, die dagelijks als eene sombere frons het anders levendige
gelaat der stad rimpelt, heeft ook daar geen spoor meer achtergelaten,
en in de werkzame, levendige stad ziet de terugkeerende stoet er als
iets vreemds, iets onbegrijpelijks, iets bespottelijks uit.
Wij zijn de stad straks uitgegaan en den landweg op, en dezen volgende
komen wij in een dorp.
De oude tegenstelling vindt gij ook daar. Gij zult haar kunnen ontmoeten
in een klein nederig huis, dat geheel gesloten is. Nog gisteren was het
open, en prijkte het eenige raam met verschillende winkelwaren. Achter
in den winkel lag een hoop talhout en turf, benevens klompen en touw;
worsten hingen van de zoldering af en aan een houten rek boven de
toonbank eenige bundels vetkaarsen. Maar voor het raam was eene
heerlijke uitstalling; daar lagen, tot mondterging van alle kleine
broekemannetjes, die naar de bewaarschool gingen, wat appels, een
schoteltje, waarop eenige geelgestreepte brokken, en wat zoetgoed, in
eenige koekjes van een hoogst verdacht en dubbelzinnig voorkomen en van
de zonderlingste kleuren bestaande--een gruwel voor u, mevrouw, als men
ze had durven vertoonen aan uwe theetafel met de fijne Japansche kopjes,
eene heerlijkheid voor de kleine schoolkinderen, die er op de toonen
naar stonden te hunkeren en met de vingers tegen de glasruiten er naar
wezen; zoo valt er over de smaken niet te twisten. Voorts hingen daar
drie geelgroene sigaren aan een touwtje, en er stonden ook twee
bierglazen, een met knikkers en een met griffels gevuld; en op eene van
de ruiten was een papier geplakt, dat "doopgoed te huur" aankondigde. En
waarlijk! er hing ook eene prent van Klein Duimpje, die ik al zoo lang
tevergeefs gezocht had, namelijk een ouden, echten Klein Duimpje, geen
nieuwe namaak. Want ook deze antiquiteit wordt, als zoo vele andere
oudheden, nagemaakt! Maar dan is de charme er af, de geur van archaïsme
en naïefheid verloren. Zelfs de versjes worden gemoderniseerd en
verliezen al hunne waarde. Nog herinner ik mij een van die tweeregelige
onderschriften:
Moeder zeit wel dat is fraai
Daar zit hij in de eetschapraai.
Wat dat beteekende wisten niet alleen mijne kornuiten niet; ook de
groote menschen begrepen het niet meer. Maar ik wist van mijn vader, die
oude boeken kende, dat schapraai oudtijds een kastje, een buffetje
zouden wij nu zeggen, beteekende en ik was trotsch op deze kennis. Het
was mijn eerste woord Oud-Hollandsch, en het heeft misschien invloed
uitgeoefend op mijne zucht om er meer van te kennen. Later verlangde ik
dikwijls naar zulk een ouden echten Klein Duimpje als eene herinnering
aan de jeugd. Ik zocht er naar, alsof het den houtprenten gold van een
Spieghel onser Behoudenis. Maar ik vond hem nooit. Wel nieuwe
namaaksels, zonder de eetschapraai, die de moderne kunstenaar en dichter
niet begrepen en weggelaten hadden. En hier hing nu een echte, zeer
kunstig en eenvoudig afgezet met ronde vlakjes rood en groen, die op elk
figuurtje met losse hand waren uitgestrooid, geheel onpartijdig, waar
zij ook neerkwamen.
Ik wilde die prent koopen, maar de deur van het winkeltje was gesloten:
van al de heerlijkheid is vandaag niets te krijgen, en als de kleine
jongens hooren, dat dit zoo is, omdat de oude winkelier dood is, dan
begrijpen ze er niets van, omdat dit woord voor hen zonder eenige
beteekenis is, of zij vinden den dood iets zeer ondeugends, omdat dat
ding hen belet bij het koopen van een griffel een brok toe te krijgen
van den goeden man.
Zagen wij in de stad het leven de overhand nemen, hier heeft op het
oogenblik zijne machtige tegenpartij het gewonnen. De groote
medicijnflesch van den meester heeft er niets tegen kunnen doen, en
staat nu op den schoorsteen in het kamertje achter den winkel, en de
kurk kijkt schuin en verlegen op de deftige bef neer, alsof zij zeggen
wilde: daar komen wij gek af. De hoog en bijna tegen de zoldering
hangende schilderijtjes en de spiegel zijn naar den muur omgekeerd;
zooals dat, zoowel uit een soort van eerbied als van bijgeloof, pleegt.
Alles is verzegeld, maar ééne kast met hardgeel geverfde deuren niet, en
als gij die opent, ziet gij daar een alledaagsch, maar even
ondoorgrondelijk iets. De oude man, die daar ligt, is geen zeer bekend
of publiek persoon geweest; zijn strak gelaat, met die bijzondere
uitdrukking, die gewoonlijk aan den mond van dooden eigen is, moge
ernstige denkbeelden inboezemen en een heer van gedachten--maar het zegt
niets aan den beschouwer over het geheim van het innerlijk leven, van
het zedelijk en geestelijk bestaan van dien man; misschien was hij goed,
voortreffelijk, misschien slecht, misschien was hij gelukkig of diep
rampzalig. Alleen zijn koud kleed ligt daar nog, zijn tast--en zichtbare
vorm,--het etherische is weg, vervlogen als een vlug zout, waarvan de
flesch gebroken is.
Een paar dagen later is ook hier een kleine stoet, die hem wegbrengt;
acht mannen dragen de baar, die door een vijftal andere mannen gevolgd
wordt. Ook hier moet hij zich dwars door het leven een weg banen;
paarden en koeien, wagens en karren, arbeiders, werklieden en kramers;
en de schooljeugd stuift op de klok van twaalf het schoolgebouw uit, en
dartelt om de dragers heen, als zij van tijd tot tijd stilhouden, om van
hand te verwisselen, en daarbij de hoeden even afnemen ten eerbiedigen
groet.
* * * * *
Kinderen had de man niet nagelaten en de eenige erven waren verre neven
en nichten. Op den dag, die voor de ontzegeling en tevens voor den
openbaren verkoop bestemd was, waren deze en andere belanghebbenden,
tien of twaalf in getal, al vroeg in den morgen in het opkamertje
aanwezig, waar schilderijen en spiegel nu niet langer ten teeken van een
doode omgekeerd waren, doch waar een karafje met bittere jenever en een
keteltje met koffie veer de levenden stonden aangerecht. Intusschen
heerschte de dood hier nog zoo zeer, dat er weinig, zeer zacht, en
alleen met groote tusschenpoozen van stilte gesproken werd. De jonge
meisjes stonden te snappen en tusschenbeide zacht te giegelen, maar zij
deden het stilletjes in een hoek, en met de hand voor den mond; de
overige vrouwen hoorde men in de oogenblikken van stilte zeer diep
zuchten alsof zij al de zonden der geheele wereld te boeten hadden.
--Wat is hij gauw uit den tijd geweest! sprak er eene, met een zucht,
dien zij uit de zolen van hare schoenen ophaalde.
--Dat is hij net, zuchtte eene andere.
--Och! zou hij zijne ziel wel hebben bezorgd! twijfelde eene derde.
--Kijk, 't was verleden jaar met Sint Jan, neen Heere mensch, waar gaat
de tijd heen, 't wordt nou met Sint Jan al twee jaar, daar was buurvrouw
Pietertje's meu, je kent buurvrouw Pietertje? nou, die haar meu, of
eigenlijk haar mans meu, weet je, want haar mans moeder moest zuster
tegen haar zeggen, en die zat aardappelen te schillen, en krek was ze
weg.
--Wat zeg je, me lieve mensch!
--Nou ik zeg maar, 't is een heel ding, zoo ineens van het tijdelijke in
't eeuwige; een mensch heeft toch al eens wat te disponeeren en te
overdenken.
--Net, ware vrouw, dat zou 'k zeggen; ik zeg geen kwaad van hem, maar
zoo opeens als hij, dat is toch altijd een bedenkelijk ding, als een
mensch zoo met al zijne zonden heengaat,--maar ik wil hem niet
oordeelen, de Heer heeft het oordeel.
Intusschen had dit alles wel iets van een oordeel; maar den overledene,
kalm in zijn aarden rustbed, raakte dit niet.
Hoe langer hoe meer begon nu het leven te winnen, en de dood te
verliezen. De koffie en de karaf werden aangesproken, de taal werd
levendiger en luider, en stuk voor stuk verdween die zekere gedruktheid
of gedwongenheid, die, als ware men in het gezelschap van een
aanzienlijk heer, tot nog toe geheerscht had.
--Heeft hij iets beschreven?
--Ik weet het niet, mensch, maar 't zal niet veel wezen wat hij
achterlaat, hij liet zich door iedereen inpakken.
--Dat zeggen ze; ik had hem in geen tien jaren gezien; maar hij was
altijd wel wat losjes met 't geld.
--Neen, er moet wel wat zitten, hoewel ik niet zeggen wil, dat hij goed
op zijne zaken paste: 't is hard genoeg voor die 't rechtvaardig
toekomt!
--Och vrouw, wat zal ik je zeggen, een mensch is maar een mensch, en hij
had ook al 't zijne van de zonde, en dat zullen we nu maar niet ophalen,
ik zeg maar, de Heere heeft het oordeel.
Maar al matigden zich alleen beschikte, openlijk door ieder dezen ook
reeds het oordeel aan, de overledene bewoog er zich niet om in zijne
onverstoorbare rust.
--Och! hij heeft mij zoo veel goed gedaan, zeide, stil in een hoek, en
afzonderlijk zittend, op hartelijken, diep erkentelijken toon, terwijl
zij een traan wegveegde, eene vrouw, die niet tot de belanghebbenden
behoorde, maar met eenige andere gebeuren daar mede tegenwoordig
was;--och, hij heeft mij zoo veel goed gedaan, en verleden winter nog,
toen mijn jongen er zoo naar aan toe was.
Maar lof noch blaam was meer iets werkelijks voor den overledene, en
zijn strak, onbewogen gelaat was het beeld eener ziel, voor welke dat
alles thans in het niet was weggezonken. Grootsch maar huiveringwekkend
is die kalmte en dat verheven zijn boven alle oordeel der menschen.
Intusschen was de ontzegeling geschied en ging de notaris een
bureau--kastje onderzoeken, waar men met lange halzen en opgesperde
oogen omheen stond, in verwachting van een testament, waarin ieder der
aanwezigen als een ver en onduidelijk denkbeeld had, alleen tot
erfgenaam benoemd te moeten zijn. Maar niets van dien aard werd
gevonden, louter papieren van geene waarde en eenig los geld. In de
laden onder de kast vond men 's mans kleederen en het zondagspak van
zonderlinge oude snede, netjes in een doek gewikkeld, onderaan.
--Wat willen de vrienden met de kleederen gedaan hebben? vroeg de
notaris.
Er was eenige woordenwisseling over; niemand wilde ze hebben, dus was
het besluit: verkoopen. Doch de vrouw, wier dankbaarheid wij straks
hoorden, bewerkte, dat men het goed eene andere bestemming geven zou, en
niet dulden, dat 's mans kleederen in het openbaar, aan Jan en alleman,
misschien met bespotting, zouden verkocht worden.
Brave ziel, dat was een kiesch denkbeeld, dat uwe dankbaarheid u daar
heeft ingegeven!
Middelerwijl was alles, wat er in kasten en kisten zat, uitgehaald,
omvergehaald, betast en besnuffeld. Er is altijd iets in, dat hindert en
stuit, aldus wat iemand in eigendom bezat en waarover hij opgenomen en
bekeken te zien, en vreemde oogen in laden en kasten, vroeger slechts
voor den eigenaar toegankelijk. Ook hierin was het alsof bij elke lade,
die geopend, bij elk stuk, dat uit zijne bewaarplaats gehaald werd, de
invloed van den dood verloor en het leven de overhand nam.
Nu is het proces--verbaal der ontzegeling gesloten, en de
belanghebbenden worden een voor een uitgenoodigd het te onderteekenen.
--Kunt gij schrijven? vraagt de griffier.
--Ja, een beetje, antwoordde degeen, die het eerst optrad,--maar ik moet
eerst de fok opzetten.
Die _fok_ bestaat in een grooten bril met ronde glazen en schildpadden
randen, die als een weer--of sterrenkundig werktuig uit eene breede
chagrijnen doos wordt gehaald.
De man, die sneller een gemet zou afploegen dan eene halve bladzijde
volschrijven, neemt de pen op, zeer voorzichtig, alsof hij instinctmatig
begreep, welk een gevaarlijk wapen zij is, en bevestigt haar met de
linker--in de breede harde vingers der rechterhand.--Waar? vraagt hij
over zijn bril opziende, en het wordt hem gewezen, waar hij zijn naam
moet stellen. De pen staat op het papier, maar geeft niet af--er is geen
inkt in. Ingedoopt staat de pen weder op het blad, de bek buigt, buigt,
buigt nogmaals, maar laat slechts twee punten zien, van elkander
afgescheiden, en geen inkt vloeit tusschen die ruimte naar beneden. Nog
eens ingedoopt--de man schommelt onder dat alles op zijn stoel heen en
weder, onrustig, pijnlijk, zweetend,--eindelijk geeft zij af, maar bij
den ophaal der _K_ met eene ontzettende ontploffing een twintigtal
zwarte bommen over het blad verspreidende. Doch nu gaat het dan ook
voort; langzaam wel is waar, maar zeker, bevalt de pen van eene _o_, die
er als een ei uitrolt; eene beverige _r_ volgt, maar wil met het ei
niets te doen hebben, van betere familie wellicht, en houdt zich op een
hoogmoedigen afstand; maar trotschheid maakt niet bemind en daarom laten
de _S_, zonder reden eene kapitale, en de _t_ haar links liggen. Nu
volgen poot aan poot de letters _iaan_, getand als zagen, gekorven en
afgeknabbeld als oude munten.
De eigenaar van dezen voornaam legt zeer tevreden het hoofd op den
linkerschouder, en aldus, terwijl de tong over de lippen heen en weer
gaat, begint hij opnieuw eene _K_, en zijn naam _Krul_ komt er uit en op
het papier, terwijl nu in het alphabet hevige onaangenaamheden schijnen
te zijn, daar geene van de letters de andere wil aanraken.
Onder dit alles is de lijder meer dan vijf minuten bezig geweest, de pen
met stijf geknepen kromme vingers vast en loodrecht op het papier
houdende, tot er eindelijk onder een triomfant gezicht van den
schoonschrijver, die nu zeer bedaard zijne _fok_ afzet, afveegt en bergt
in de chagrijnen doos, het meesterstuk van penneconst staat:
_Korstiaan Krul_.
--Jij hoeft ook geene krul achter je naam te zetten, zegt de
notarisklerk, die met alle pennen, op alle papier, schrijft alsof het
gegraveerd ware.
Op dergelijke wijze, de meesten met evenveel inspanning, teekenen verder
de overige belanghebbenden.
Nu werden de aanstalten tot den verkoop gemaakt, en het is aardig op te
merken, welk eene tegenstelling de drukte en woeling gaan vormen met de
stilte van zoo even. De schaal is nu ten eenen male overgeslagen en het
leven wint het geheel en al. Buiten is alles gedrang en vroolijkheid,
binnen is alles in rep en roer. De notarisklerk luidt met de groote bel
en het publiek verdringt zich; deze klerk, die tevens afslager is, gaat
buiten het raam op een stoel staan, de notaris zit binnen achter het
geopende venster te schrijven, en de verkoop begint.
De notarisklerk:--Komaan, vrienden, dat gaat er naar toe, biedt maar
eens op, die het hoogste biedt, die heeft het! eene vogelkooi, (de
voorwerpen worden door een helper, ook op een stoel staande, in de
hoogte gehouden en den volke vertoond) eene vogelkooi, de vogel is pas
weggevlogen,--komaan, van een gulden af, éen gulden, om achttien
stuivers, om zestien stuivers, om veertien stuivers, om
twaalf,--(langzamer) om elf, om tien....
--Mijn! wordt er gegild.
--Voor Teunis Plat,--je mag de tralies wel eens nazien of ze goed zijn.
Men wete, dat gemelde Teunis Plat, zeer kort geleden, een paar dagen
achter de tralies had gezeten; vandaar het luide gelach, dat op deze
aardigheid volgde.
Zeven stukken gewicht! gaat de afslager weder voort met eene
onnavolgbare radheid van tong:--komaan mannen komaan, biedt maar eens,
wie biedt er wat! zeven stuks gewicht, denkt om den herijk, van twee
gulden, komaan, 't is echt koper, die het hoogste biedt is ook kooper,
acht en dertig stuivers, om zes en dertig, enz.
Nu worden eenige Japansche borden voorgebracht.
--Die moet jij koopen, van Dorsen, allons, die bij opbod, éen gulden
voor van Dorsen, hè? je moet de vrouw wat meebrengen jongen, voor de
eerste, voor de tweede, niemand niet? voor--de--derde--maal, voor van
Leeuwen.
En de borden worden over de hoofden heen, van de eene hand naar de
andere geduwd, tot zij toevallig nog heel bij den kooper belanden.
Zoo gaat, het eene stuk voor, het andere na, de inboedel, die eens de
omgeving, de kleine geliefde wereld van den eigenaar uitmaakte, uiteen,
en verdwijnen daarmede de laatste sporen van het uitwendig bestaan van
een mensch. Zoo wij de trapsgewijze verandering in de karakters der
erven nagaan, zien wij ze hoe langer hoe wilder, inhaliger en
baatzuchtiger worden, met die aardige klimming, die de belanghebbenden,
zoo vaak belangstellenden, en deze belangzuchtigen doet worden, en de
voorwerpen, zelfs tegen elkander, opjagen. Lustig gaat het onderwijl
daarbuiten toe, onder de kwinkslagen van den klerk en de grappen der
menigte, welke ieder stuk goed, dat wordt voorgebracht, vergezellen. Nu
eens zijn het de kaarsen, die de klerk--afslager als "het nieuwe licht"
aankondigt; als er eene porseleinen kom voorkomt en een uit de menigte
vraagt, of er eene barst in is, roept deze grappenmaker: "neen,--twee;"
of als het eene klok is, en zij vragen "loopt zij goed?" luidt zijn
antwoord: "neen--zij hangt." Eindelijk is het boeltje op, en allen gaan
naar huis, de notaris met zijne paperassen, de notarisklerk met de
groote bel, en de koopers met de vogelkooi, en de hangklok, en de
kaarsen van het nieuwe licht, en de gebarsten borden. Ook dit weefsel is
weder afgeweven.
In het huis wordt geverfd en getimmerd, en waar de oude man gezeten had
met zijne hoop en zijne vrees, met zijne wenschen, zijne genoegens en
verdrieten, daar spelen nu kinderen en werken een andere man en vrouw.
Alles wisselt, en op de stof van den een groeien de vruchten, de
bloemen, en het onkruid van den ander.
* * * * *
De heerweg leidde langs de begraafplaats, een hoog liggend stuk land,
dat, met een eeuwenouden aarden wal en greppel omgeven, in later tijd
met opgaande boomen omplant was. Voor den geest van een eenzamen
wandelaar, die zich op den rand van een greppel had nedergezet, bouwde
zich het verre verleden op, als de herinnering van een droom,
stuksgewijze, nevelachtig, en toch levendig belangwekkend.
Ontegenzeggelijk was deze omwalde ruimte van oude dagteekening. Een oud
Germaansch kamp wellicht, waar wagons en paarden in de rondte geschaard,
en ruwe tenten opgeslagen, waar nationale krijgsdansen uitgevoerd
werden, en de drinkhorens met gerstebier rondgingen, en de goudgelokte
Germaansche vrouwen de eenige zachtheid waren onder die ruwe kracht; het
was misschien de tijdelijke verblijfplaats van een dier oude stammen,
die wij bijna alleen kennen uit de overblijfselen, die hunne dood- en
grafplechtigheden voor ons bewaard hebben; of van welke kleine bende
hier ook geleefd mocht hebben uit die groote karavaan der menschheid,
die de aarde doortrok en slechts wat beenderen en asch, wat steenen of
ijzeren wiggen en spiespunten, wat broze urnen met haar eigen verbrand
overschot achterliet. Wie weet wat die oude akker nog inhoudt! Nu rusten
de moderne dooden te midden en op de overblijfselen van oude wapenen,
gereedschappen en huisraad uit de jeugd der volken, van een der oude
stammen, die zich hier eenmaal nederzette en leefde.
Terwijl de geest aldus het een en ander van het verbrokkelde verleden
weder opbouwde, dwaalde het oog over den akker en zag bij eene versch
gevulde groeve, waar de spa nog naast lag, eene vrouw staan, arm, maar
niet slordig gekleed, die een jongen van tien of twaalf jaren aan de
hand hield. Ofschoon zij zich al lang verwonderd zal hebben, wat de
eenzame wandelaar daar toefde en peinsde, zag zij hem nu eerst aan en
hij haar, en het kind blikte beurtelings naar hem en naar haar. Wat een
hevigen strijd kostte het haar misschien, om niet te bedelen, terwijl
haar trouwste steun haar pas ontrukt was. Die zieletoestand sprak
duidelijk genoeg uit haar gelaat, al hield zij woord en hand en elke
beweging tegen, en al belette zij haar kind het vragen.
De wandelaar ging naar haar toe.
--Ach, wat heb ik met hem verloren! hij deed mij zoo veel wel! zeide zij
droevig.
--Kunt gij geen werk vinden? vroeg de wandelaar.
--God geef van ja,--maar 't is voor eene vrouw niet altijd gemakkelijk,
werk te vinden.
--Gaf hij u werk?
--Zoo veel hij kon, deed hij het; verleden jaar nog in den kwaden tijd
bestelde hij mij ergens, maar ik moest er vandaan....
--Waar vandaan?
--Van het veld mijnheer, antwoordde zij, den arm over de landen in de
verte uitstrekkende;--ik had nog nooit op het veld behoeven te werken,
zóó ver was 't nog niet met mij gekomen, maar alleen met mijne vier
kinderen kon ik er niet tegen op, en toen ging ik meewieden.... (zij
zeide dit met eenigen weerzin); eerst wiedden wij eenige stukken met
gewas, dat goed te kennen was, en dat ging wel. Maar toen moesten wij
jonge tarwe wieden ... (zij hield even op; wat al gedachten, nooden, en
strijden kwamen haar bij dit eenvoudig verhaal weder voor den geest!)
... toen moesten wij jonge tarwe wieden, mijnheer! vervolgde zij, en ik
had dat nooit gedaan en nooit op jonge tarwe gelet, en toen kende ik het
onderscheid niet tusschen dat en het gras--het is bijna eender,
mijnheer, als men er niet aan gewoon is, en honderdmalen haalde ik in
plaats van het onkruid, tarwe uit, zooals zij mij zeiden, die naast mij
liepen,--maar de baas zag dit niet.
Ik deed dat acht dagen, want wij moesten eten maar eindelijk zeide ik,
toen ik het niet leerde, bij mijzelve: neen! de baas betaalt mij, en ik
haal zijne tarwe uit in plaats van het onkruid, en toen ging ik
weg;--dat was niet pleizierig voor hem, omdat hij mij daar geplaatst
had, maar toen kwam de ziekte van mijn jongen daarbij, en hij hielp en
redde ons toch weer....
Er waren eenige oogenblikken van stilte.
--Zij zullen hem wel gauw vergeten, maar bij ons zult gij nooit vergeten
worden, zeiden zij, voor het heengaan een paar doode takken, die op het
graf gevallen waren, daarvan verwijderende. Na deze eenvoudige hulde
ging zij vertrekken.
O Diogenes, dacht de wandelaar, ik weet niet of gij uwen mensch al
gevonden hebt, en of uwe lantaarn nog brandt--maar als tot de
eigenschappen van den ideaalmensch, dien gij zoekt, waarachtige kiesche
dankbaarheid behoort, dan heb ik van uwen mensch al een niet
verwerpelijk exemplaar gevonden.
--Zoo er eenige onsterfelijkheid hier op aarde zoet is, zeide hij tot de
vrouw, is het die van te leven in een dankbaar hart,--wilt gij iets van
mij aannemen, en mijner gedenken?
Zij dankte hem en ging haars weegs, naar het dorp; de wandelaar trad
voort, den langen weg op, die voor hem lag.
* * * * *