INLEIDING.

Hij liegt alsof het gedrukt was, zeide men vroeger met een spreekwoord,

dat uit den grooten eerbied voor boeken geboren werd. Hij liegt zoo

mooi, zoo glad, zoo juist, dat het uit een boek schijnt genomen.

Oudtijds heette het: "daar staat geschreven," maar de spreekwoorden

nemen de zeden der tijden aan en na de uitvinding van de typographie

beteekende het gedrukte hetzelfde gezag als vroeger het geschrevene.

Zoo zeide men ook eens, om iets onbegrijpelijks uit te drukken, dat is

Grieksch en Latijn voor mij, of als het erg liep, dat zijn hiërogliefen.

Maar het Grieksch en Latijn is niet meer voor enkelen en de hiërogliefen

zijn ontcijferd. Welke taal zullen wij nu voor de vergelijking kiezen?

Men kan zelfs niet meer met voeg zeggen, dat is Sanskriet of Chineesch

voor mij, want ook die talen zijn niet onbereikbaar. Hoogstens mag een

gewoon mensch beweren, dat iets er voor hem uitziet als spijkerschrift.

Ja, de spreekwoorden verouderen en veranderen. Een uitgezocht deel van

het vleesch, dat in de oudheid een godenstuk heette, werd in de goede

dagen, toen de geestelijken de praerogatieven der godheid voor zich

namen, een paterstuk. De Hervorming, die zoo veel veranderde, verbeterde

dit in een domineestuk, totdat eindelijk het ongeloof ook dit weder

seculariseerde en algemeen menschelijk maakte.

En zoo is het ook met de boeken gegaan. Dat spreekt als een boek, zei

men, en daarmee was het uit. Maar de boeken hebben hun prestige

verloren. Iedereen maakt boeken en snel ook. Negen jaren over een boek

te broeden, zooals Horatius aanraadde, wie zou er aan denken! In negen

jaren is een boek al weer verouderd. Zij zijn ephemeriden, zij strekken

om de gedachten en beelden van het oogenblik uit te drukken, en maar

weinige zijn duurzamer.

* * * * *

Op een morgen had ik eindelijk een niet zeer vermakelijk werk ten einde

gebracht. Ik had het laatste blad gelezen van een grooten hoop boeken,

waarover mij gevraagd was of zij eene heruitgaaf verdienen. Het waren

novellen, gedichten, tooneelstukken. Titels, papier, letter, toonden al

eene herkomst van voor ruim twintig jaren. En de illustraties--verluchten,

verlichten noemden onze middeleeuwers die versiering naar het oude

illummare, waarvan het nieuwere _illustreeren_ een aanmatigender vorm

is--de illustraties, die deze boeken nog niet illuster hadden gemaakt,

waren even verouderd. Welke onredzame steenteekeningen, waardig den

komischen vloek van Bilderdijk:

Een steenen hart, een hoofd gevoed met keien,

Beelde aap of hond in kouden steendruk uit,

Waar gloed noch smaak hun warmen glans in spreien

En 't zielsgevoel de teedre borst voor sluit!

.................................................

Maar weg dat tuig, dat kunstverwoestend knoeien!

Welke wonderlijk uitgedoste poppen, die heeren en dames, eens zich zoo

elegant en nieuwmodisch wanende, nu zoo dwaas in hun verouderde

kleederen, weergegeven zonder dien tact, waardoor een kunstenaar aan

elke snede der mode iets kan verleenen, dat de dragers boven het

bespottelijke van het verouderen verheft.

En wat zou ik zeggen over den inhoud? Het was een moeielijk geval. Denkt

men aan den rijken schat van werken, wier schoonheid of beteekenis

onvergankelijk is--dan vraagt men, waartoe zooveel middelmatigs gedrukt

of althans herdrukt, en moedeloosheid dreigt onszelven de pen te doen

nederleggen. Toch blijft de aandrift onverwinlijk en ook wij schrijven,

ieder zoo goed en kwaad als wij kunnen, ieder zooals zijne pen gebekt

is, omdat wij het niet laten kunnen.

En wij hebben toch gelijk, want ook onze tijd, onze denkbeelden en

gevoelens hebben recht zich af te beelden; en kan het niet geschieden in

eeuwenverdurend marmer, dan in vergankelijke photographieën. Dus een

minder volstrekte maat genomen.

Zijn dan deze stukken goed, naar onzen tijd, naar onze omstandigheden

gerekend? Zit er kracht, oorspronkelijkheid, durven in? Zijn die

novellen en tooneelstukken de, afbeelding van wat de veelbewogen

gemoederen in het moderne leven vervult? Draagt de vorm den stempel van

een karakter? Geven deze gedichten iets kernigs voor den geest, iets

teeders voor het hart, eenige winst voor den versbouw en de muziek der

taal?

Zoo ver was ik gekomen, en bij elk gewicht in de schaal geworpen rezen

de stukken, en rezen, zij werden zoo licht ... toen de uitgever van de

_Vogels van diverse pluimage_ binnentrad en, een pakje op mijne tafel

leggende, zeide:

--Doe mij 't plezier, dat eens door te kijken en te zeggen of je die

stukken voor een herdruk goed vindt.

--Alweer! zei ik, jij ook al; ik heb pas dien heelen hoop

doorgeworsteld,... niet goed, niet slecht, maar....

Ik had dit pakje intusschen geopend en zag wat oude werken van

mijzelven.

Mijn waarde uitgever keek mij met een fijnen glimlach aan en zeide:

--Dat heb ik op de laatste fondsveiling gekocht, en nu kom ik je vragen

of je ze nog eens wilt laten drukken.

Maar, menige argelooze lezer weet niet wat eene fondsveiling is.

Een uitgever, die eenige jaren lang heeft uitgegeven, krijgt allengs een

berg kopij. Kopij, argelooze lezer, beteekent niet, zooals gij

waarschijnlijk denkt, een nabeeldsel, eene navolging; en de benaming is

ook geene satire op de twijfelachtige oorspronkelijkheid van zoo vele

boeken. Neen, in de boekenwereld beteekent kopij juist het omgekeerde,

namelijk het oorspronkelijke handschrift, waarnaar de boeken gedrukt

worden. Verder beteekent kopij in het algemeen het werk van een

schrijver, en vertegenwoordigt ook het recht tot uitgaaf van zijne

geschriften.

Nu heeft dan een uitgever een hoop kopij van verschillende schrijvers en

deze vormt zijn fonds. Als de eerste uitgaaf heeft uitgewerkt, kan men

er later op eene of andere wijze altijd weer wat van maken. Andere

letter, vernieuwing, opfrissching, verguldsel en een bandje, en--het

boek gaat zijne tweede incarnatie te gemoet.

Deze is een voorrecht der boeken boven de menschen. Wij menschen

verschijnen maar eens, en als onze eerste en eenige uitgaaf niet goed

opgaat of verkeerd uitvalt, is onze menschelijke kopij verloren, het is

een mislukt leven. Maar zoowel deze vergeten, miskende of mislukte

kopij, als de beste on schitterendste tekst, gaat eindelijk ten grave,

naar den papiermolen, om nieuwe grondstof te worden. Doch van herdruk,

gezuiverd van errata en taalfouten, verbeterd en vermeerderd, met

verguld en een bandje, is hierbeneden voor den mensch geene spraak meer.

Men heeft de bezwaren hiervan gevoeld en de onsterfelijkheidsleer heeft

eene poging gedaan om een metaphysischen herdruk van ons te bezorgen.

Maar van deze bovenaardsche herdrukken is zelfs den fijnsten bouquinist

nog geen exemplaar onder de oogen gekomen; het blijft eene hypothese,

eene speculatie; misschien ook zou zulk eene tweede uitgaaf eene slechte

speculatie blijken, die de kosten niet loonde.

Maar voor een boek is eene tweede of zelfs derde incarnatie een herleven

en dikwijls pas een eigenlijk leven. Het is bij lange na niet de eigen

verdienste, die de fata libelli bepaalt. Daar hangt zeer veel van den

smaak, van den ijver, van de betrekkingen der uitgevers af, en menig

degelijk voortbrengsel gaat, verloren, omdat het verscholen bleef, en

het bleef verscholen, omdat de uitgever het slecht uitgaf en verkeerd

exploiteerde.

De oude kopij is dus niet alleen bruikbaar en wat waard, soms is zij

even goed als nieuw.

Maar het kan gebeuren dat een uitgever er het zijne van gehad heeft en

te veel kopij bezit. Daarom brengt hij een deel van zijn fonds, van zijn

voorraad kopij aan de markt. Dan worden er veilingen gehouden van het

fonds van een of meer uitgevers. Zulke fondsveilingen hebben veel van

slavenmarkten. Zelfs doode auteurs worden daar verkocht. Maar de levende

worden er evenals in het Oosten uitgestald, bekeken, betast, becijferd

en geveild. Voor gebreken wordt niet ingestaan, en wie er bekocht is,

heeft het zijn eigen oogen te wijten. Men moet weten voor welken arbeid

eene kopij nog dienen kan; of zij huiswerk kan doen, of zij gezond is en

hard kan werken, dan wel of zij jong, of zij schoon is en geschikt om te

pronken en te verleiden.

Op die markt kunt gij ook eene prijscourant der letterkunde opmaken.

Luimig goed blijft genoteerd: zeer willig en veel navraag. Gedichten, de

puike, zeer wisselvallig, maar doorgaans in het geheel geen animo. Naar

verzen, mooi ordinair, is evenwel redelijke vraag. Novellen, de goede

qualiteit, met levendigen omzet. Theologie, men noteert lichte, middel

en zware; tegenwoordig flauw; de koopers zeer geretireerd; bijna van de

markt genomen. Alleen stichtelijke lectuur, de fijne soort, gunstige

stemming.

Gij kunt deze beurstermen ook achter de namen der Nederlandsche auteurs

zetten. Dat wordt ook op die slavenmarkten gedaan, maar hier wil ik

liever geen namen noemen.

De geldswaarden van al die marktproducten wordt meer bepaald door de

werkkracht dan door de schoonheid. Schoonheid is dikwijls te hoog en te

onhandelbaar. Bevalligheid geldt meer, en modieuze zwier, die zich

vroolijk en lachend voordoet, het meest. Maar bovenal er moet mede

gepronkt kunnen worden.

* * * * *

Neen, de eerbied voor de boeken is verdwenen. Hoe ver zijn wij

verwijderd van de gevoelens, die Thomas a Kempis uitdrukt. Met een

gebed, zeide hij, moest men zich voorbereiden voor het lezen. Die een

boek sloot had Gode dank te zeggen voor de geestelijke weldaad hem

bewezen. Met gereinigde schoenzool moest men eene librerie binnentreden,

en met eerbiedig stilzwijgen, want die grond was heilig. Geen stofje

mocht kleven op de banden, geen vocht of ongedierte de bladen

beschadigen. En die een boek in de hand nam, moest het doen met de

gevoelens, die den ouden Simeon vervulden, toen hij in den tempel het

kindeke Jezus in zijne armen hield.

Zoo sprak de gemoedelijke Broeder des gemeenen levens; in den tijd toen

de boeken groot of dik waren, zware kleederen droegen en de kostbaarste

aan kettingen vastlagen in de librerie. Sedert die dingen zijn zij aan

de kettingen en sloten ontsnapt, altijd lichter, en dunner, en

vluchtiger geworden; zij hebben luchtige, fijne kleedjes gekregen en

bonte veeren en als vrije wilde vogels zijn zij pan vliegen, de wereld

door.

Van zulk eene markt nu waren ook mijne boeken afkomstig, die ik nu

opeens weer voor mij zag.

--Kijk ze eens in, zei mijn bezoeker, en zie of ik ze kan herdrukken.

--Daarover zal ik eens moeten denken, antwoordde ik;... dit niet,... dat

niet ... dat is twijfelachtig,--wij zullen zien.

--Kan het niet een tweede bundel van je _Vogels_[1] worden?

--Men heeft dien titel vreemd, gezocht gevonden--zal ik er nu weer mee

aankomen?

--De titel is goed, zeer goed; hij spreekt, hij schildert, en geeft

juist wat het is. Geloof mij, wij weten wat titels zijn en doen.

--Daarin heb ie gelijk,--welnu, het zou kunnen; het zijn dan weer andere

vogels, sommige zwakker. Maar ik moet eerst zien of ze nog vliegen

kunnen.

* * * * *

En daar zat ik dan met mijne vroegere, nu half vergeten schepselen voor

mij. Eenige van die bladen zijn al vele jaren oud en hun inhoud vaak

veel ouder--lang of kort geleden, zooals gij wilt--maar mij ontsloten

zij eene andere, soms geheel afgestorvene wereld. Eene mengeling van

aangename en droevige herinneringen. Johannes heeft het uitstekend voor

mij uitgedrukt, toen hij op Patmos schreef:

"En ik nam het boeksken uit de hand des engels, en ik at dat op; en het

was in mijn mond zoet als honig--en als ik het gegeten had, werd mijn

ingewand bitter."

Hier zijn liefelijke herinneringen uit de eerste vaag van het leven;

jonge droomen, wier bloesem vrucht belooft; rooskleurige wolkjes, die de

schoonste gestalten voorspiegelen. Maar de werkelijkheid is gekomen, en

de droomen wekken nu soms een glimlach; onverwachte vruchten zijn

gerijpt; en uit de wolkjes zijn andere dingen te voorschijngekomen dan

wij dachten. Soms ook was de werkelijkheid grootscher en schooner dan de

droomen. Maar in ieder geval, de tijd, die ons heeft voortgejaagd, heeft

een afstand gesteld tusschen die bladen en ons, en schoon de denkbeelden

en herinneringen ons lief zijn, hunne vormen zijn anders dan die, waarin

wij ze nu zouden boetseeren. Vandaar dat vreemde gevoel van lust en

onvoldaanheid.

Hier is de _Oude haard_[2] met alles wat er omheen behoorde. Hij is

begroeid met herinneringen, als de muren met de oude gebaarde takken en

telkens jonge bladeren van het klimop. Het vuur, dat er in gloort,

verlicht den antieken schoorsteen met zijne beschilderde tegels en

eikenhouten beeldsnijwerk, en het goudleer aan den wand. De oude

portretten aan den muur bewegen zich en willen uit de zwarte lijsten

komen; zij knippen met de oogen en knikken met de hoofden en de lippen

zeggen fluisterend: zijt gij daar terug?

En het vuur knettert en vlamt, terwijl ik er in zit te staren, als,

vanouds, en uit de vonken en vlammen springen beeldjes en gedachten te

voorschijn. O jonge, eens bij het haardvuur gekweekte, teedere

gemoeds-orchydaeën, phantastieke figuren, droomverbeeldingen, wat wilt

gij, wat hebt gij mij nu te zeggen? Welke zonderlinge schimmen dansen

weer in de kamer, trillende schaduwen der voorwerpen, caricaturen van

vorm, geworpen op den geheimzinnig schemerigen muur! Kleine kabouters

zitten op de smeulende turven en klauteren heen en weer, onmogelijke,

onleefbare schepsels, half idee en half vorm, maar die niet aan zoo veel

vleesch en been konden geraken als noodig is om te bestaan. Geboren bij

het staren en mijmeren in den kunstmatigen gloed van het vuur,

vervliegen zij zoodra het uitgaat. Als ik wil toegrijpen, is het enkel

asch.

Nevelige, schichtige, tamme piepkuikens, uitgestorven dodo's, met de

nieuwe vlucht kunt gij niet meer meedoen.

Daarna is het een boek, een Levensboek. Dat is een stuk waarachtig

leven. Hier komen weer liefelijke beelden op. Geen marmeren beelden en

geen forsch gekleurde schilderijen: het zijn zachte frescokleuren met

gedommelde vormen. Kinderlijk soms en gebrekkig van behandeling, maar

daartusschen goed geslaagde figuren, en allengs worden duidelijker,

sterker en bestand tegen weer en wind.

Dit alles hernieuwt zich voor den geest en ik leef een dubbel leven, met

de bewustheid van het heden en de bewustheid van het verledene. En wat

oordeelt het heden over het verledene?

Zooals men op zeker tijdstip gevaar loopt zijn werk beter te vinden dan

het is, zoo is er ook na een lang tijdsverloop kans dat men het slechter

acht dan het is. Ontwikkeling en omstandigheden hebben den geest

gewijzigd. Den ouden toestand ontgroeid, is men er vreemd aan geworden.

Wij hebben andere denkbeelden, andere idolen, of, zoo zij al dezelfde

zijn, zij eischen andere vormen. Laat de dooden de dooden begraven.

Eenmaal hebben zij geleefd, kunnen zij weer levend worden?

En toch zijn zij ons zoo lief, toch willen wij er veel van behouden, ook

in dien vorm. Men hecht aan zijne jeugd en de kindergestalten zijner

phantasie.

Zouden zij thans ook wel beter geschreven zijn geworden? Zijn zij voor

anderen, buiten ons eigen heden staande, niet even goed alsof zij pas

ontstonden? Hebben zij althans niet _iets_, dat duurzamer is? Hier en

daar zal iets gezuiverd, hier en daar iets tams versterkt, iets

transcendentaal gehoofdletters genivelleerd, een ouderwetsche muts

gemoderniseerd moeten worden. Mogen zij zoo verbeterd niet weer opnieuw

de wereld in?

Of--want straks was ik zoo streng voor anderen--of, is dit de lokstem,

der eigenliefde, en moeten wij vreezen:

Nochtans 't geschiet op liste,

Alzoo ik mercken kan,

Daer praet een blau sophiste

Met den armen lettermann.

* * * * *

Laten zij dan als eene vlucht vogels maar weer uitvliegen, de vorige

bende achterna. Eerst zullen wij ze monsteren. Daar zijn er wier

slagpennen nog stevig zijn. Andere, niet zoo sterk, zullen zich toch nog

goed houden. Andere weder kunnen op hunne eigen wieken niet drijven;

ach, zij hadden eigenlijk geene wieken. Sommige van de vroeg gekweekte

hadden hun vollen wasdom nog niet bereikt en waren dun in de veeren. Nu,

na hun langen tocht, zijn zij geheel krachteloos en tam geworden en hun

gevederte zoo kaal, dat zij op geene pluimage meer aanspraak kunnen

maken. Zij hebben te weinig meer gemeen met de overige om in staat te

zijn nog eens met hen uit te vliegen. Daarom zal ik ze liever in eene

kooi zetten. Dat is beter voor zwakke of gebrekkige vogels. Het is er al

mede als met de menschen--er zitten er vele in kooien, met verlof om in

eene beperkte ruimte rond te fladderen, en die niet sterk en maar dun in

de veeren zijn bevinden zich daar het best bij. Soms kan er een ook eene

veer leenen, die een ander afgeschud heeft, en maakt dan zelfs onder

zijne kooikameraden nog heel wat vertooning.

Maar wat zich vrij en krachtig voelt, verlaat de beperkte ruimte, vliegt

uit en zoekt zijn eigen weg en bestemming. Waarheen? Vooruit! Op eigen

sterke wieken gedragen, jaagt hij voort in de onbegrensde ruimten.

Sommige, door een gunstigen wind voortgestuwd, duizelen van hun eigen

vaart, worden angstig, willen terugkeeren, en bij het wenden van hun

koers storten zij neer en verpletteren zich den kop. Andere, die gauw

duizelig werden en niet zoo hoog vlogen, breken maar een vlerk of poot

en krabbelen stilletjes weer naar de kooi terug.

De beste en sterkste kampen gewoonlijk met veel tegenwind; menige

schoone veder wordt hun ontrukt, bij het zoeken naar hunne bestemming en

het moeitevol vergaderen van voedsel, doch naar de kooi, al konden zij

het er nog zoo goed hebben, keeren zij nooit weer.

Laten zij dan uitvliegen. Ik verzamel ze en roep ze op,

Kom hier, gij, deze on gene van mijn pluimgeslacht.

Maar ik geef daartoe liever het woord aan den hop; die weet beter hoe

men dat volkje moet toespreken:

Ehophophophophophophophophophop

Io io, ito ito ito ito

Kom hier, gij deze en gene van mijn pluimgeslacht,

Die 't bouwveld der landlien in vruchten rijk

Beweidt, ontelbare vluchten op koren belust,

Zaadkorrellezende bent,

Snel van vleugelen, verbroldend zoetklinkende zangen,

Die in scharen de voren

Vullend, om de kluiten fladdrend zachtkens orgelt

Lieflijk met zoeten zang

Tio tio tio tio tio tio tio tio

Wie er van u in de tuinen en klimop

twijgen het voedsel u leest,

Wie op de bergen, gij ook wildevijgenverslinders, aardbeziënpikkers,

Vliegt haastig nu hierheen op den roep van mijn stem,

Trioto trioto totobrix.

Die, op de lage moerassen, de bijtende

Muggen opsnapt, of de waterstreken

Bewoont en het schoon Marathonische grasland,

Vogel, gij bontgevleugelde,

Hazelhoen, hazelhoen,

Gij ook, die over den golfslag der zeeën

Saam met de scharen der ijsvogels vliegt.

Komt hier, komt hier, om te hooren de nieuwigheid!

Al de geslachten verzaamlen wij hier nu

Van 't langhalzig vogelenvolkjen.

Want, hier komt een wijze grijsaard,

Vol van nieuwheid,

Nieuwe dingen komt hij stichten.

Komt hier ter vergaadring allen,

Haast u, haast u, haast u, haast u,

Torotorotorotorotorotix

Kikkabau, kikkabau,

Torotorotorotorolililix!

Dit heerlijke vogellied, echte vogelmuziek met woorden van Aristofanes,

is in het jaar 414 voor het eerst op het Atheensche tooneel gezongen en

gespeeld; het is uit zijne comedie _De Vogels_.

Ik mag van deze "lustige, geflügelte buntgefiederte Dichtung," zooals

Schlegel ze noemt, toch wel spreken zonder dat de kwade tongen mij de

domheid toedichten mijne dieren daarmee te vergelijken? Toch is

misschien de waarschuwing niet overbodig. O, lustige, geflügelte,

buntgefiederte Dichtung, welk een libretto voor Mozart's

Papagenen--melodieën! Dat zijn eerst Vogels, waarde lezer, en van

schitterende pluimage. Dat is een van die boeckxkens--wat een letters

had men vroeger noodig--om gelijk Simeon als "het kindeke Jezus" in

zijne armen te drukken, en te juichen dat men die heerlijkheid

aanschouwt.

Maar het is toch geen boekje voor iemand als onze gemoedelijke Thomas a

Kempis. Het is een goddeloos boek, vol Atheensche Witze en Attisch zout,

vol dolle idealen en snijdende parodieën, met wat obsceniteiten,

afgewisseld door de zangerigste melodieën--fijne poëzie en

nachtegaalsslag,--en bovendien met eene foliopersiflage van de goden,

eene persiflage, die Aristofanes den tweeden prijs niet deed missen,

terwijl het zachtstwijsgeerig rationalisme Sokrates het leven kostte.

Zoo waren de Atheners. Aristofanes voert er in zijne _Vogels_ een paar

exemplaren van op. Peisthetairos, een plannenmaker en speculant, en

Euelpides, groot van verwachtingen, klein van moed, lustig van zinnen.

Zij verlaten Athene om ergens op of boven de aarde eene betere plaats te

zoeken, waar niet altijd geprocedeerd wordt, waar men zijne schulden

niet behoeft te betalen en waar men zijnen lust kan vieren. Zij komen in

de streken, waar de vogels wonen; zij ontmoeten den hop en stellen hem

voor, in de lucht eene groote vogelstad te bouwen. Prachtige gedachte,

zegt de hop en roept al de vogels, met het lied, dat ik mededeelde. Daar

stroomen zij toe, eene onheilspellende wolk van gevogelte. Zij dreigen

de Atheners; het zijn vogelvangers, zeggen zij en willen hen met bek en

klauw te lijf. Deze verweren zich met schotel en braadspit, totdat de

hop betoogt dat het vrienden zijn. Peisthetairos vertelt hun, dat de

vogels de oudste heeren en meesters der wereld zijn, dat de goden zelve

zich van vleugels en de hulp der vogels bedienen, dat de menschen zich

in alle handelingen naar hen richten. De vogels moeten dus hun rang en

heerschappij boven goden en menschen weer innemen. Zij moeten eene stad

bouwen tusschen hemel en aarde, zoodat de reuk der offers niet meer tot

de goden kan opstijgen en deze van gebrek moeten omkomen, als zij de

heerschappij der vogels niet aannemen. Dat plan wordt met

vleugelapplaudissement toegejuicht en uitgevoerd. Peisthetairos wordt

koning van de nieuwe, weldra verrezen Wolkenkoekoekstad.

Met eene wonderbare tegenstelling hooren wij dan uit zijn mond allerlei

verstandige en eerlijke uitspraken tegen de fortuinzoekers, die allengs

op de stad afkomen. Maar ten slotte stijgt de komische toon weer tot de

hoogste luim. Daar komt Prometheus, zich achter een zonnescherm

verschuilend, opdat Zeus hem niet zou zien, meedeelen, dat het met diens

macht gedaan raakt, dat de reuk der vette offerstukken niet meer

omhoogstijgt en de goden daarboven hongeren als op een vastendag.

Weldra zenden zij drie gezanten, Herakles, Poseidoon en eenen Triballos,

een caricatuurgod der barbaren, die koeterwaalsch praat. Zij komen

beleefd tot Peisthetairos, maar deze doet alsof hij ze niet ziet en gaat

voort met de toebereidselen veer een smakelijk gebraad, dat den

lekkerbek Herakles allengs verteedert en verleidt. Peisthetairos is

geneigd tot vrede met de goden, maar vooreerst moet Zeus hem den

heerschersstaf geven, en dan zal hij de goden ten eten vragen.

Onmogelijk, zegt Poseidoon; maar Herakles ruikt het gebraad en stemt al

toe.

Vervolgens moet Zeus hem zijne dochter Basileia--het koningsgezag--tot

vrouw geven.

Onmogelijk, zegt Poseidoon.

Ga maar mede in den hemel met hen om Basileia en al wat gij wilt te

halen, zegt Herakles; ik zal intusschen hier het gebraad klaarmaken.

Het stuk sluit hiermede dat Peisthetairos terugkomt, reeds van verre

schitterend als de zon, en naast hem de schoone bruid Basileia. Hij

zwaait den bliksem, het gevleugelde werptuig van Zeus, en een heerlijke

geur stroomt door alles heen. Het koor jubelt hem een hymenlied te

gemoet en bezingt de macht van den bliksem, gevoerd door den nieuwen

Zeus, en zijne prachtige bruid Basileia.

En zoo eindigt deze halsbrekende vogelutopie.

Maar wij, hoe komen wij weer heelhuids uit deze wolkenvogelstad op de

gewone aarde en bij ons eenvoudig pluimgedierte?

Doch zoo gaat het in het leven. De lezer dient er zich mee te troosten,

dat het plotseling geschiede, zonder overgang. Evenzoo worden wij met

een schok wakker uit de schoonste droomen, en na de omzwervingen in den

ether zien wij opeens onze voeten op de straatsteenen staan. Toch blijft

van dat zweven in de wolken altijd iets in de herinnering rondzingen.

Vogels van diverse pluimage · 第 4 / 29 题