Florence had wel hulp noodig. Haar vader had groote behoefte daaraan,
en dit maakte den bijstand harer oude vriendin onwaardeerbaar. De dood
zweefde over zijne peluw. Reeds eene schim van wat hij vroeger was,
ziek naar het lichaam en afgemarteld naar den geest, had hij zijn hoofd
neergelegd op het bed, dat zijne dochter voor hem gespreid had, en het
niet weder opgebeurd.
Zij was altijd bij hem. Doorgaans kende hij haar, hoewel zijne
ontstelde hersenen haar dikwijls in vreemde omstandigheden
verplaatsten. Zoo sprak hij haar somtijds aan alsof zijn zoon pas
gestorven was, en zeide hij, dat, schoon hij er niets van had gezegd
dat zij bij dat bedje zooveel dienst bewees, hij het toch wel gezien
had—toch wel gezien had; en dan verborg hij snikkend zijn gezicht, en
stak hij zijne vermagerde hand uit. Somtijds vroeg hij naar haar zelve.
“Waar is Florence?”—“Ik ben hier, papa; ik ben hier.”—“Ik ken haar
niet!” riep hij dan uit. “Wij zijn zoo lang gescheiden geweest, dat ik
haar niet ken.” En dan staarde hij zoo angstig rond, dat zij zich
verheugde als het haar gelukte de tranen terug te roepen, die zij
anders zoo ijverig poogde te drogen.
Somtijds zwierf hij uren lang door tooneelen van vroeger tijd, waar
Florence hem dikwijls niet meer kon volgen. Dan herhaalde hij die
kinderlijke vraag: “Wat is geld?” en peinsde daarover, en redeneerde
met zich zelven, meer of minder geregeld, om een goed antwoord te
vinden; alsof zij hem nog nooit dan op dat oogenblik was voorgesteld.
Dan herhaalde hij mijmerend den naam zijner oude firma duizenden malen
achtereen, en keerde bij elke herhaling zijn hoofd op het kussen om.
Dan telde hij zijne kinderen—een—twee, stuitte, keerde zich om, en
begon weder opnieuw.
Maar dit was alleen wanneer zijn geest het meest verbijsterd was.
Meestal hielden zijne gedachten zich alleen met Florence bezig. Wat hij
het meeste deed was dit: Hij herriep dien nacht, waaraan hij kort
geleden zooveel had gedacht, dien nacht toen zij beneden in zijne kamer
kwam, en verbeeldde zich dat zijn hart hem verwijtingen deed, en hij
haar na- en de trap opging om haar terug te halen. Dan, dien tijd
verwarrende met de latere dagen van de vele voetstappen, verwonderde
hij zich over hun aantal, en begon hij, terwijl hij haar volgde, ze te
tellen. Dan was er eensklaps een bloedige voetstap, die tusschen de
andere voortliep; en daarna begonnen er deuren open te staan, door
welke hij in spiegels akelige afbeeldsels zag van bleeke mannen, die
iets in hunne borst verborgen. Maar onder die menigte van voetstappen
en den bloedigen voetstap, hier en daar, bleef toch steeds de stap van
Florence. Altijd ging zij hem vooruit, altijd volgde haar zijn
rustelooze geest, aanhoudend tellende, al verder en al hooger, als naar
den top van een toren, zoo hoog, dat men jaren noodig had om hem te
beklimmen.
Eens vroeg hij of dat niet Suze was, die niet lang geleden had
gesproken.
Florence antwoordde “ja, lieve papa,” en vroeg of hij haar zou willen
zien.
Hij antwoordde “zeer gaarne;” en Suze kwam, niet weinig bevende, voor
zijn bed.
Dit scheen eene groote verademing voor hem te zijn. Hij verzocht haar
om niet heen te gaan; hij vergaf haar wat zij hem gezegd had, en zij
moest nu weer blijven. Florence en hij waren nu geheel anders, zeide
hij, en zeer gelukkig. Zij moest hier maar naar zien. Hij meende dat
hij het lieve hoofdje op zijn kussen neertrok en naast het zijne legde.
Zoo bleef hij dagen en weken. Eindelijk werd hij stiller, en lag nu als
eene flauwe schim van een man op zijn bed, en sprak zoo zacht dat men
hem alleen hooren kon als men dicht bij zijne lippen luisterde. Het was
nu een dof genot voor hem daar te liggen, met het venster open, en uit
te zien naar de zomerlucht en de boomen, en des avonds naar de
ondergaande zon; de schaduwen der wolken en de bladeren gade te slaan,
terwijl het was alsof hij zekere sympathie met schaduwen gevoelde. Het
was natuurlijk dat hij dit deed. Voor hem waren het leven en de wereld
niets anders.
Hij begon nu te toonen, dat hij om Florence’s vermoeienis dacht, en
spande zijne zwakke krachten dikwijls in om haar toe te fluisteren: “Ga
toch eens wat wandelen, liefje, in de vrije lucht. Ga eens naar uw
goeden oom.” Eens, toen Walter in de kamer was, wenkte hij dezen om bij
hem te komen en te bukken; en zijne hand drukkende, fluisterde hij hem
toe, wel te weten dat hij hem zijn kind kon toevertrouwen, als hij dood
was.
Op een avond tegen het ondergaan der zon, toen Florence en Walter bij
elkander in zijne kamer zaten, gelijk hij gaarne had, gebeurde het dat
Florence, die haar kindje op den schoot had, zachtjes voor den kleine
begon te zingen—hetzelfde oude liedje, dat zij zoo dikwijls voor het
doode kind had gezongen. Hij kon dit toen nog niet verdragen; zijne
bevende hand uitstekende, bad hij haar om op te houden; maar des
anderen daags vroeg hij haar om het nog eens te zingen, en dit des
avonds dikwijls te doen. Zij zong, en hij luisterde met een afgewend
gezicht.
Op zekeren tijd zat Florence bij zijn venster, met haar werkmandje
tusschen haar en Suze, die haar nog trouw gezelschap hield. Hij was
ingesluimerd. Het was avond, maar zou nog een paar uren licht blijven;
de rustige stilte bracht Florence in eene peinzende stemming. Zij zat
mijmerend te denken aan het oogenblik toen hij, die daar zoo veranderd
lag, haar voor het eerst aan hare schoone mama had voorgesteld, toen
Walter haar op den schouder tikte en met zekeren schrik deed omzien.
“Lieve,” zeide Walter, “er is iemand beneden, die u verlangt te
spreken.”
Zij verbeeldde zich dat Walter ernstig zag, en vroeg hem of er iets
gebeurd was.
“Neen, neen, liefje,” antwoordde Walter. “Ik heb al zelf met dien heer
gesproken. Er is niets gebeurd. Zult ge komen?”
Florence vertrouwde haar vader aan de zwartoogige mevrouw Toots, die
zoo wakker zat te werken als eene zwartoogige vrouw maar kon, en ging
met Walter naar beneden. In het vroolijke voorkamertje, dat op den tuin
uitzag, zat een heer, die, toen zij binnentrad, opstond om naar haar
toe te komen, maar door iets eigenaardigs van zijne beenen zijdwaarts
afsloeg, en slechts door de tafel werd gestuit.
Nu dacht Florence aan neef Feenix, dien zij in de schaduw van het
gebladerte eerst niet had herkend. Neef Feenix vatte hare hand en
wenschte haar geluk met haar huwelijk.
“Ik had wel kunnen wenschen,” zeide neef Feenix, zich neerzettende toen
Florence was gaan zitten, “al vroeger gelegenheid te hebben om u mijne
felicitatiën aan te bieden; maar onbewimpeld gezegd, er hebben zooveel
onaangename omstandigheden plaats gehad, die elkander, om zoo te
zeggen, op de hielen volgden, dat ik zelf in een drommel van een staat
ben geweest, geheel ongeschikt voor conversatie of gezelschap. Het
eenige gezelschap, dat ik gehad heb, is mijn eigen gezelschap geweest;
en het is zeker alles behalve vleiend voor iemands eigenliefde, als hij
ondervindt dat hij, onbewimpeld gezegd, de capaciteit heeft om zich
zelven doodelijk te vervelen.”
Uit iets verlegens en gedwongens in neef Feenix’ manieren—die, in
weerwil zijner kleine zonderlingheden, altijd de manieren van een
gentleman had—en ook uit Walter’s voorkomen, maakte Florence op, dat
hierop iets moest volgen, dat een meer bepaald doel had.
“Ik heb mijn vriend, mijnheer Gay, als ik de eer mag hebben om hem zoo
te noemen,” zeide neef Feenix, “al gezegd, dat het mij verheugt te
hooren dat mijn vriend Dombey stellig aan de beterhand is. Ik vertrouw,
dat mijn vriend Dombey zich niet al te zeer over het verlies van
geldelijk vermogen zal kwellen. Ik kan niet zeggen, dat ik ooit zelf
een groot verlies van geldelijk vermogen ondervonden heb, daar ik,
onbewimpeld gezegd, nooit heel veel te verliezen heb gehad. Maar
zooveel als ik verliezen kon, heb ik toch verloren, en ik kan niet
vinden dat ik het mij bijzonder aantrek. Ik weet, dat mijn vriend
Dombey een verduiveld eerlijk man is; en het moet mijn vriend Dombey
tot een grooten troost strekken, te weten dat men algemeen zoo over hem
denkt. Zelfs Tommy Screwzer—een man, die een verbazend galachtig gestel
heeft en met wien mijn vriend Gay denkelijk wel bekend is—kan geen
woord daartegen inbrengen.”
Florence gevoelde meer en meer dat er iets komen moest, en zag ernstig
daarnaar uit; zoo ernstig, dat neef Feenix, alsof zij gesproken had,
antwoordde:
“De zaak is, dat mijn vriend Gay en ik er over gesproken hebben, in
hoeverre het voegzaam zou zijn u om eene gunst te verzoeken, en dat ik
de toestemming van mijn vriend Gay heb—die mij met eene vriendelijkheid
en openhartigheid is te gemoet gekomen, waarvoor ik hem zeer verplicht
ben—om u daarom te verzoeken. Ik ben wel bewust, dat eene zoo
beminnelijke dame als de bekoorlijke en talentrijke dochter van mijn
vriend Dombey, niet veel aandrang zal noodig hebben; maar het doet mij
toch genoegen, dat ik door mijn vriend Gay’s invloed en goedkeuring
word gerugsteund. Gelijk in mijn parlementstijd, als iemand eene motie
te doen had—dat in die dagen zelden gebeurde, want wij werden door de
hoofden der partijen streng onder discipline gehouden, dat heel goed
voor ons was en belette dat wij ons gedurig blootstelden, gelijk velen
van ons gaarne zouden gedaan hebben—evenals in mijn parlementstijd,
gelijk ik zeide, als iemand alleen een klakkebos had af te schieten,
het voor heel slim gehouden werd te zeggen, dat hij het geluk had van
te gelooven dat het zijn gevoelen niet aan weerklank in de borst van
mijnheer Pitt ontbrak, den stuurman, die de stormen tartte en
bemeesterde. Waarop dan een verduiveld groot getal van leden dadelijk
bravo riep en hem zoo moed gaf. Schoon de waarheid is, dat die kerels,
die order hadden om hard bravo te roepen, als de naam van mijnheer Pitt
genoemd werd, daaraan zoo gewoon waren dat zij er altijd van wakker
werden. Anders wisten zij zoo geheel niet wat er omging, dat
Conversatie-Brown gewoonlijk placht te zeggen—een man van vier
flesschen in de financiën, wien de vader van mijn vriend Gay wel zou
gekend hebben, want het was voor den tijd van mijn vriend Gay zelf—dat,
als er iemand gezegd had, tot zijn leedwezen het Huis te moeten
berichten dat er in het portaal een van de leden lag, die eene beroerte
had gekregen, en dat de naam van dat lid mijnheer Pitt was, er even
geducht bravo zou zijn geroepen.”
Dit verschuiven van hetgeen er komen moest maakte Florence zeer
onrustig, en zij keek, met toenemende ontroering, van neef Feenix naar
Walter.
“Er is niets gebeurd, liefje,” zeide Walter.—“Er is niets gebeurd, op
mijne eer,” zeide neef Feenix; “en het spijt mij zeer, het middel te
zijn om u een oogenblik ongerustheid te veroorzaken. Ik verzoek u te
mogen verzekeren, dat er niets gebeurd is. De gunst, die ik te vragen
heb, is eenvoudig—maar het komt mij waarlijk zoo buitengemeen
zonderling voor, dat ik mijn vriend Gay ten uiterste verplicht zou
zijn, als hij zoo goed wilde wezen—hoe zal ik het zeggen—om het ijs te
breken.”
“Walter, aldus uitgenoodigd, en gedrongen door den blik, waarmede
Florence naar hem omzag, zeide:
“Liefste, het is niet meer dan dit. Dat gij eens naar Londen wilt
rijden met dezen heer, dien gij kent.”—“En met mijn vriend Gay
insgelijks—neem mij niet kwalijk,” viel neef Feenix er op in.—“En met
mij, om er ergens eene visite te brengen.”—“Aan wien?” vroeg Florence,
van den een naar den ander ziende.—“Als ik u bidden mocht,” zeide neef
Feenix, “om niet op een antwoord op die vraag aan te dringen, zou ik
gaarne de vrijheid willen nemen om dat verzoek te doen.”—“Weet gij het,
Walter?” zeide Florence.—“Ja.”—“En vindt gij het goed?”—“Ja. Alleen
omdat ik zeker ben, dat gij het ook goed zoudt vinden, Florence, schoon
er redenen kunnen zijn, gelijk ik wel begrijp, die het beter maken dat
er vooraf niets meer van gezegd wordt.”—“Als papa nog slaapt, of mij
missen kan, als hij wakker is, zal ik terstond gereed zijn,” antwoordde
Florence. En stil opstaande verliet zij de kamer, na nog even naar hen
te hebben omgezien met een blik, die wel eenigszins angstig was, maar
toch aanduidde dat zij zich geheel op hen verliet.
Toen zij terugkwam, gereed om mede te gaan, stonden zij bij het venster
ernstig met elkander te spreken; en Florence kon niet nalaten zich te
verwonderen wat het onderwerp was, dat hen in zoo korten tijd zoo wel
met elkander bekend had gemaakt. Maar zij verwonderde zich niet over
den blik van trotschheid en liefde, waarmede haar echtgenoot afbrak
toen zij binnenkwam, want zij zag hem nooit of die blik vloog haar te
gemoet.
“Ik zal een kaartje voor mijn vriend Dombey laten,” zeide neef Feenix,
“oprechtelijk vertrouwende dat hij met ieder uur in gezondheid en
krachten zal bijkomen. En ik hoop, dat mijn vriend Dombey mij de gunst
zal bewijzen, om mij te houden voor iemand, die eene verduiveld warme
bewondering voor zijn karakter heeft, als een Engelsch koopman en een
verduiveld echt gentleman te gelijk. Mijn buiten is verduiveld in
verval, maar als mijn vriend Dombey verandering van lucht mocht noodig
hebben, en daar zijn kwartier wou nemen, zou hij het eene buitengemeen
gezonde plek vinden—gelijk het ook wel wezen mag, want het is er
verbazend vervelend. Als mijn vriend Dombey lang zwak mocht blijven, en
mij vergunde hem iets te recommandeeren, dat mij zelf dikwijls heeft
goedgedaan, als iemand die somtijds heel raar is geweest, en die
tamelijk ongeregeld leefde, zou ik zeggen, laat het dan een dooier van
een ei zijn, met suiker en nootmuskaat geklopt, in een glas sherry, en
’s morgens gebruikt met een sneedje drogen toast. Jackson, die de
bokszaal in Bond Street hield—een uitstekend man in zijn vak, van wien
mijn vriend Gay zeker wel gehoord zal hebben—placht te zeggen, dat men,
om voor het boksen kracht te krijgen, rum nam in plaats van sherry.
Maar in dit geval zou ik sherry recommandeeren, omdat mijn vriend
Dombey niet wel is; en de rum hem dus, om het onbewimpeld te zeggen,
naar het hoofd zou kunnen vliegen en hem meer kwaad- dan goeddoen.”
Dit alles zeide neef Feenix op eene manier, waaruit duidelijk bleek dat
hij onrustig en zenuwachtig was. Toen Florence zijn arm gevende, en
zijne eigenzinnige beenen, die den tuin schenen te willen inkuieren,
met alle kracht in bedwang houdende, bracht hij haar naar de deur en
hielp haar in de koets, die naar haar stond te wachten.
De twee heeren stapten insgelijks in en men reed voort.
De rit duurde zoolang, dat het reeds donker werd toen men in zekere
stille, deftige straten in het westen van Londen kwam. Florence stak nu
hare hand in die van Walter, en keek met strakken ernst en telkens
klimmende aandoening elke nieuwe straat in, die men insloeg.
Toen de koets eindelijk ophield voor dat huis in Brook Street, waar het
heillooze huwelijk van haar vader gevierd was, zeide zij: “Walter, wat
is dit? Wie is er hier?” Toen Walter haar met een enkel woord
bemoedigde, maar eigenlijk geen antwoord gaf, keek zij naar den gevel
op en zag dat al de vensters gesloten waren, alsof het huis onbewoond
was. Neef Feenix was nu uitgestapt en bood haar zijne hand.
“Komt gij niet, Walter?” zeide Florence.—“Neen, ik zal hier blijven.
Beef maar niet. Er is niets te vreezen, lieve Florence.”—“Dat weet ik
wel, als gij zoo dichtbij zijt. Daarvan ben ik zeker, maar—”
De deur werd zachtjes geopend, zonder dat er was aangeklopt, en neef
Feenix bracht haar uit den zomeravond het geslotene, dompige huis
binnen. Somberder dan ooit, scheen het van de bruiloft af gesloten te
zijn gebleven, en sedert aanhoudend duisternis en zwaarmoedigheid te
hebben verzameld.
Florence ging bevende de schemerachtige trap op en bleef met haar
geleider voor de deur van het salon staan. Hij opende die zonder
spreken, en gaf haar een wenk om naar de achterkamer te gaan, terwijl
hij daar bleef. Na een oogenblik aarzelens gehoorzaamde Florence.
Bij het venster aan eene tafel, waar zij scheen gelezen of geteekend te
hebben, zat eene dame, die haar hoofd, naar het wegstervend licht
gekeerd, op hare hand liet rusten. Florence kwam twijfelend nader, en
bleef toen eensklaps stilstaan, als had zij alle vermogen om zich te
bewegen verloren. De dame keerde haar hoofd om.
“Groote hemel,” zeide zij, “wat is dit?”—“Neen, neen!” riep Florence,
terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van
zich af te weren. “Mama!”
Zij stonden elkander aan te zien. De hartstochten hadden het doen
verwelken, maar het was toch nog het gezicht van Edith—nog schoon en
statig. Het was nog het gezichtje van Florence, en door den afschrik,
dien het uitdrukte, blonken medelijden, smart en eene dankbaar teedere
herinnering heen. Op beider gelaat stonden verwondering en vrees
geschilderd, terwijl zij elkander roerloos en sprakeloos stonden aan te
zien, over den zwarten afgrond van het verledene heen.
Florence was de eerste die veranderde. In tranen uitbarstende, riep
zij, uit het volle hart: “O, mama, mama, waarom moeten wij elkander zoo
wederzien? Waarom zijt gij ooit goed voor mij geweest, toen niemand
anders dat was, dat wij elkander zoo moeten wederzien!”
Edith bleef stom en roerloos voor haar staan en zag haar strak aan.
“Ik durf er niet aan denken,” zeide Florence, “ik kom zoo van papa’s
ziekbed. Wij zijn nu nooit van elkander af en zullen dat nooit weer
zijn. Als gij wilt dat ik hem vergiffenis vraag, zal ik het doen, mama.
Ik ben bijna zeker dat hij ze nu geven zal, als ik er hem om vraag.
Moge de Hemel ze u ook geven en u troosten!”
Zij sprak geen woord.
“Walter—ik ben met hem getrouwd en wij hebben een zoontje,” zeide
Florence schroomvallig, “is voor de deur en heeft mij hier gebracht. Ik
zal hem zeggen dat gij berouw hebt, dat gij veranderd zijt,” zeide
Florence, haar droevig aanziende, “en hij zal papa met mij aanspreken,
dat weet ik. Is er behalve dat iets wat ik doen kan?”
Edith, nu hare stilte verbrekende, maar zonder een oog of lid te
bewegen, zeide langzaam:
“De smet op uw naam, op dien van uw man en van uw kind. Zal die ooit
vergeven worden, Florence?”—“Ooit vergeven, mama? Dat is al vergeven,
vrijwillig, vrijwillig, zoowel door Walter als door mij. Als dat een
troost voor u is, is er niets dat gij zekerder gelooven moogt. Gij
spreekt niet—gij spreekt niet van papa,” zeide Florence haperend; “maar
ik ben toch overtuigd, dat gij wenscht dat ik om zijne vergiffenis zal
vragen. Daarvan ben ik zeker.”
Zij sprak geen woord.
“Ik zal,” zeide Florence, “ik zal ze u brengen, als gij het mij wilt
laten doen; en dan misschien zullen wij meer gelijk wij vroeger voor
elkander plachten te zijn afscheid nemen. Ik heb niet van u geschrikt,
mama,” zeide Florence zeer zacht, en nu naderbijkomende, “omdat ik bang
voor u ben, of vrees dat gij mij schande zoudt aandoen. Ik wensch maar
mijn plicht jegens papa te doen. Hij is mij nu heel dierbaar, en ik ben
hem heel dierbaar. Maar ik kan toch nooit vergeten, dat gij heel goed
voor mij zijt geweest. O, bid den hemel toch,” riep Florence, aan hare
borst vallende, “bid den Hemel toch om al die zonde en schande te
vergeven, en om mij te vergeven, dat ik dit niet laten kan (als het
kwaad is), wanneer ik bedenk wat gij vroeger waart.”
Edith, alsof Florence’s zwaarte haar neerdrukte, zonk op hare knieën en
vatte haar om den hals.
“Florence!” riep zij. “Mijn goede engel! Eer ik weder razend word, eer
mijne verstoktheid terugkomt en mij doet verstommen, geloof mij, bij
mijne ziel, ik ben onschuldig.”—“Mama!”—“Schuldig aan veel! Schuldig
aan datgene wat voor altijd eene woestijn tusschen ons plaatst.
Schuldig aan datgene wat mij mijn leven lang van al wat rein en goed
is—van u, van de geheele wereld, moet afzonderen. Schuldig aan eene
blinde hartstochtelijke wraakzucht, waarvan ik zelfs nu nog geen berouw
kan of wil hebben; maar niet schuldig met dien doode. Voor God niet!”
Op hare knieën liggende, stak zij beide handen op en bezwoer het.
“Florence,” zeide zij, “rein en liefderijk wezen—gij, die ik
liefheb—die mij lang geleden hadt kunnen doen veranderen, en zelfs in
de vrouw, die ik ben, voor een tijd eenige verandering
teweegbracht—geloof mij, daaraan ben ik onschuldig; en laat mij nog
eens dit dierbare hoofd voor de laatste maal aan mijn eenzaam hart
leggen!”
Zij was ontroerd en schreide. Als zij in vroegere dagen meermalen zoo
geweest was, had zij nu gelukkiger kunnen zijn.
“Er is niets anders in de wereld,” zeide zij, “dat mij deze ontkentenis
had kunnen afpersen. Geene liefde, geen haat, geene hoop, geene
bedreiging. Ik zeide, dat ik sterven wilde, zonder een woord te spreken
of een teeken te geven. Ik had zoo kunnen doen, en zou zoo gedaan
hebben, als wij elkander niet hadden weergezien, Florence.”—“Ik
vertrouw,” zeide neef Feenix, die nu naar de deur kwam trippelen, en
half in, half buiten de kamer het woord nam, “dat mijne bekoorlijke en
talentrijke nicht mij nu niet kwalijk zal nemen, dat ik, door eene
kleine list, deze ontmoeting heb teweeggebracht. Ik kan niet zeggen,
dat ik in het eerst geheel ongeloovig was aan de mogelijkheid, dat
mijne bekoorlijke en talentrijke nicht zich ongelukkig gecompromitteerd
zou hebben met dien overledene met zijne witte tanden; omdat iemand,
onbewimpeld gezegd, in deze wereld—die verduiveld wonderlijke
omstandigheden oplevert, en stellig het onbegrijpelijkste ding is
waarvan iemand ondervinding heeft—somtijds heel vreemde dingen van dien
aard waarneemt. Maar, gelijk ik mijn vriend Dombey eens zeide, ik kon
de schuld van mijne bekoorlijke en talentrijke nicht niet toegeven,
voordat die volkomen bewezen was. En daar ik gevoelde, toen die
overledene, om het onbewimpeld te zeggen, op zulk eene verduiveld
gruwelijke manier was omgekomen, dat hare positie zeer onaangenaam
was—en daar ik buitendien gevoelde dat onze familie eenigszins te laken
was, dat zij zich niet meer aan haar had laten gelegen liggen, en dat
wij eene onoplettende familie zijn—en dat mijne tante, hoewel eene
verduiveld levendige vrouw, misschien niet de allerbeste moeder geweest
was—nam ik de vrijheid om haar in Frankrijk te gaan opzoeken, en haar
zooveel protectie aan te bieden, als iemand, die zoo kaal is als ik,
kon aanbieden. Bij welke gelegenheid mijne bekoorlijke en talentrijke
nicht mij de eer bewees van te zeggen, dat zij mij, op mijne manier,
voor een verduiveld goed soort van kerel hield, en dat zij zich dus
onder mijne protectie stelde. Hetgeen ik, onbewimpeld gezegd, voor eene
groote vriendelijkheid van mijne bekoorlijke en talentrijke nicht
hield, daar ik geweldig wrak begin te worden, en hare zorg mij van veel
dienst is geweest.”
Edith, die Florence naar eene sofa had gebracht, wenkte met hare hand,
als wilde zij hem verzoeken om niets meer te zeggen.
“Mijne bekoorlijke en talentrijke nicht,” hervatte neef Feenix, die nog
bij de deur bleef rondtrippelen, “zal het mij niet kwalijk nemen, als
ik, tot voldoening van mij zelven en van haar en van mijn vriend
Dombey, wiens bekoorlijke en talentrijke dochter wij zoozeer
bewonderen, mijne aanmerkingen nog wat verder voortzet. Zij zal zich
wel herinneren dat zij en ik, van den eersten af, nooit een woord over
hare vlucht hebben gewisseld. Mijne gedachte was altijd wel, dat er
iets geheimzinnigs in de zaak was, dat zij wel zou kunnen ophelderen
als zij wilde. Maar daar mijne bekoorlijke en talentrijke nicht eene
verduiveld resolute vrouw is, wist ik wel dat er, om het onbewimpeld te
zeggen, geen gekscheren met haar was, en wilde ik mij dus aan geene
discussiën met haar wagen. Maar daar ik sedert eenigen tijd bemerkte,
dat haar zwak zekere zeer krachtige soort van teederheid voor de
dochter van mijn vriend Dombey scheen te zijn, viel het mij in dat het,
als ik eene aan beide kanten onverwachte ontmoeting kon teweegbrengen,
misschien heilzame gevolgen zou hebben. Toen wij dus zoo in stilte in
Londen waren, eer wij naar het zuiden van Italië gaan, om daar te
blijven tot wij, om het onbewimpeld te zeggen, naar ons laatste huis
gaan, dat eene verduiveld onaangename herinnering is, deed ik mijn best
om de woning van mijn vriend Gay op te sporen—een welgemaakt man,
ongemeen rondborstig van karakter, die mijne bekoorlijke en talentrijke
nicht denkelijk wel bekend zal zijn—en had toen het geluk van zijne
beminnelijke vrouw te mogen hier brengen. En nu,” zeide neef Feenix,
met een ernst, die door het luchtige van zijn toon en het omslachtige
zijner manier van spreken heen blonk, “bezweer ik mijne nicht om niet
halverwege te blijven staan, maar zoover zij kan te recht te helpen wat
zij verkeerd heeft gedaan—niet voor de eer van hare familie, niet voor
haar eigen goeden naam, niet om een van die redenen, die ongelukkige
omstandigheden haar hebben geleerd voor onbeduidend, of, om het
onbewimpeld te zeggen, voor weinig beter dan larie te houden—maar omdat
het verkeerd en niet recht is.”
Neef Feenix’ beenen waren nu zoo goed om hem weg te brengen; en de twee
alleen bij elkander latende, sloot hij de deur.
Edith bleef eene poos stil zitten, dicht naast Florence. Toen haalde
zij een verzegeld papier uit hare borst.
“Ik heb lang met mij zelve overlegd,” zeide zij zacht, “of ik dat al of
niet zou schrijven, in geval ik onverwacht mocht sterven en dan
wenschen zou het te hebben gedaan. Naderhand heb ik weder overlegd of
ik het al of niet zou vernietigen. Neem het, Florence. De waarheid
staat er in geschreven.”—“Is het voor papa?” zeide Florence.—“Het is
voor wien gij wilt,” antwoordde Edith. “Het wordt u gegeven, en hij
krijgt het van u. Hij had het anders nooit kunnen krijgen.”
Wederom bleven zij zwijgend zitten, in de toenemende duisternis.
“Mama,” zeide Florence, “hij heeft zijn vermogen verloren; hij is op
den oever van den dood geweest; hij zal misschien zelfs nu nog niet
herstellen. Is er geen woord, dat ik hem van u zal zeggen?”—“Hebt gij
mij niet gezegd,” vroeg Edith, “dat gij hem zeer dierbaar waart?”—“Ja,”
antwoordde Florence met eene van aandoening bevende stem.—“Zeg hem dan,
dat het mij spijt, dat wij elkander ooit hebben ontmoet.”—“Niets meer?”
zeide Florence na eene poos van stilte.—“Zeg hem, als hij er naar
vraagt, dat ik geen berouw heb van wat ik gedaan heb—nog niet—want als
het morgen nog eens moest gedaan worden, zou ik het doen. Maar als hij
veranderd is—”
Zij zweeg. Er was iets in de stille aanraking van Florence’s hand, dat
haar stuitte.
“Maar dat, nu hij veranderd is, hij wel weet dat het nu nooit gebeuren
zou. Zeg hem, dat ik wensch dat het nooit gebeurd was.”—“Mag ik
zeggen,” zeide Florence, “dat het u speet te hooren dat hij zooveel
geleden heeft!”—“Niet,” antwoordde zij, “als hij daardoor geleerd
heeft, dat zijne dochter hem zeer dierbaar is. Eens zal het hem zelf
niet spijten, als hij dat daardoor heeft geleerd, Florence!”—“Gij
wenscht hem goeds, gij zoudt willen, dat hij gelukkig was. Ik ben
overtuigd, dat zoudt gij!” zeide Florence. “O, laat ik hem dat kunnen
zeggen, als ik er eens gelegenheid toe heb!”
Edith zat met hare donkere oogen strak voor zich te staren, en gaf geen
antwoord voordat Florence hare bede had herhaald; toen trok zij hare
hand door haar arm en zeide, peinzend in den nacht daarbuiten starende:
“Zeg hem, dat als hij in zijne eigene tegenwoordige stemming redenen
kan vinden om medelijden te hebben met mijn vroeger lot, ik hem daarom
heb laten verzoeken. Zeg hem dat, als hij redenen kan vinden om met
minder bitterheid aan mij te denken, ik hem daarom heb verzocht. Zeg
hem dat, schoon wij voor elkander dood zijn en elkander aan dezen kant
van het graf nooit zullen wederzien, hij weet dat er nu toch één gevoel
in gemeenschap tusschen ons is, dat er nooit vroeger was.”
Hare stugheid scheen te zwichten, en er stonden tranen in hare donkere
oogen.
“Door dat gevoel,” zeide zij, “vertrouw ik dat hij beter over mij en ik
beter over hem zal leeren denken. Als hij Florence het meeste
liefheeft, zal hij mij het minste haten. Als hij zich het gelukkigst
gevoelt in haar en hare kinderen, zal hij het meeste berouw hebben over
zijn eigen aandeel in den donkeren droom van ons huwelijksleven. Dan
zal ik ook berouw hebben—laat hem dat weten—en denken dat ik, toen ik
zooveel dacht aan al de oorzaken, die mij gemaakt hadden tot hetgeen ik
was, meer had moeten denken aan de oorzaken, die hem gemaakt hadden wat
hij was. Dan zal ik trachten hem zijn deel in de schuld te vergeven.
Laat hij trachten om mij mijn deel te vergeven.”—“O mama,” zeide
Florence, “hoe verlicht het mijn hart, zelfs bij zulk een wederzien en
afscheid, dat ik dit hoor.”—“Vreemde woorden in mijne eigene ooren,”
zeide Edith, “en vreemd voor mijne stem om ze uit te spreken. Maar al
was ik het rampzalige schepsel geweest, waarvoor ik hem reden gaf mij
te houden, dan geloof ik dat ik ze toch had kunnen uitspreken, als ik
gehoord had, dat gij en hij elkander zeer dierbaar waart. Laat hij, als
gij hem het dierbaarste zijt, altijd gevoelen, dat hij dan het zachtst
over mij denkt—en ik het zachtst over hem denk! Dit zijn de laatste
woorden, die ik hem zend. En nu vaarwel, mijn liefste leven!”
Zij sloot haar in hare armen, en scheen geheel hare vrouwenziel van
liefde en teederheid in eens uit te storten.
“Deze kus voor uw kind! Deze kussen tot een zegen over uw hoofd!
Dierbare Florence! Allerliefste! Vaarwel!”—“Toch om elkander nog weer
te zien!” riep Florence uit.—“Nooit weder! Nooit weder! Als ge mij in
deze donkere kamer alleen laat, denk dan dat ge mij in het graf hebt
gelaten. Onthoud alleen dat ik eens leefde, en dat ik u liefhad.”
En Florence verliet haar, zonder haar gezicht meer te zien, maar tot
het laatste toe door hare liefkoozingen vergezeld.
Neef Feenix wachtte haar aan de deur, en bracht haar beneden in de
sombere eetzaal bij Walter, op wiens schouder zij haar hoofd liet
zinken om uit te schreien.
“Het spijt mij verduiveld,” zeide neef Feenix, op de eenvoudigste
manier en zonder het eenigszins te verbloemen zijne mouwboorden naar
zijne oogen brengende, “dat de bekoorlijke en talentrijke dochter van
mijn vriend Dombey en beminnelijke vrouw van mijn vriend Gay, haar
gevoelig hart zoo geschokt moet gevoelen door de zoo even afgeloopene
samenkomst. Maar ik hoop en vertrouw dat ik toch wel heb gedaan, en dat
mijn geëerde vriend Dombey zijn gemoed verlicht zal vinden door de
ontdekkingen, die nu hebben plaats gehad. Ik betreur het buitengemeen,
dat mijn vriend Dombey zich, om het onbewimpeld te zeggen, zoo
verduiveld in den pekel heeft geholpen door eene alliantie met onze
familie; maar ik ben sterk van gevoelen, dat als die helsche schavuit
Carker—die man met zijne witte tanden—er niet geweest was, alles
tamelijk glad zou hebben gegaan. Ten aanzien van mijne nicht, die mij
de eer bewijst van eene buitengewoon goede meening van mij te hebben
opgevat, kan ik de beminnelijke vrouw van mijn vriend Gay verzekeren,
dat zij er op aan kan, dat ik, om het onbewimpeld te zeggen, een vader
voor haar ben. En wat al die afwisselingen in het menschelijk leven
aangaat, en de wonderlijke manier, waarop wij ons gedurig gedragen, is
al wat ik zeggen kan, met mijn vriend Shakespeare—een man, die niet
voor ééne eeuw, maar voor alle tijden leefde, en met wien mijn vriend
Gay buiten twijfel bekend is—dat het naar de schaduw van een droom
gelijkt.”