Het groote halfjaarlijksche feest, dat door doctor Blimber gegeven
werd, en waarop al de jonge heeren werden genoodigd, was naar behooren
gevierd; en de jonge heeren hadden zich, zonder onvoegzame betooning
van lichtzinnige blijdschap en verzadigd van geleerdheid, naar huis
begeven. Skettles ging het land uit, om zijn vader Sir Barnet Skettles
te gaan opzoeken, wiens innemende manieren hem eene diplomatische
betrekking hadden verschaft, waarvan de honneurs door hem en Lady
Skettles tot algemeen genoegen—zelfs van hunne eigene
landgenooten—werden waargenomen; iets, dat bijna voor een mirakel werd
gehouden. Tozer, thans een rijzig jonkman, was zoo vol oudheidkunde,
dat hij in zijne kennis van het Engelsch bijna met een echten ouden
Romein gelijkstond: een roem, die zijne goede ouders met de teederste
aandoeningen vervulde, en den vader en moeder van Briggs (wiens
geleerdheid, gelijk slecht gepakte bagage, zoo in de war lag, dat hij
nooit kon vinden wat hij noodig had) met schaamte het hoofd deed
verbergen. De vruchten, welke de laatste jonge heer met veel moeite van
den boom der kennis had geplukt, waren zoodanig gebroeid, dat zij,
gelijk heel ontijdig fruit, niets van den waren smaak hadden behouden.
Jonge heer Bitherstone, bij wien het forceerstelsel het minder
ongelukkige en niet ongewone gevolg had van niet den minsten duurzamen
indruk na te laten, was veel beter op zijn gemak, en zich thans aan
boord van een naar Bengalen bestemd schip bevindende, was hij met zulk
een bewonderenswaardigen spoed aan het vergeten, dat het twijfelachtig
was of zelfs zijne declinatiën van substantieven tot aan het eind van
de reis zouden duren.
Toen doctor Blimber, op den ochtend van het feest, volgens zijne vaste
gewoonte had moeten zeggen: “Jonge heeren, op den vijf en twintigsten
der volgende maand zullen wij onze studiën hervatten,” was hij van
zijne vaste gewoonte afgeweken en had gezegd: “Jonge heeren, toen onze
vriend Cincinnatus zich naar zijne hoeve terug begaf, leest men niet,
dat hij den senaat een Romein voorstelde, dien hij tot zijn opvolger
zocht te benoemen. Doch er is hier een Romein,” zeide doctor Blimber,
en legde zijne hand op Feeder’s schouder, “adolescens imprimis gravis
et doctus, jonge heeren, wien ik, een tweede Cincinnatus, aan mijn
kleinen senaat, als hun toekomstigen dictator wensch voor te stellen.
Jonge heeren, op den vijf en twintigsten der volgende maand zullen wij
onze studiën hervatten, onder de auspiciën van mijnheer Feeder.” Op dit
bericht (hetwelk doctor Blimber de ouders vooraf beleefdelijk had
medegedeeld) lieten de jonge heeren een eerekreet hooren; en Tozer bood
den doctor, in aller naam, een inktkoker aan, met eene redevoering, die
zeer weinig van de moedertaal, maar vijftien aanhalingen uit het Latijn
en zeven uit het Grieksch bevatte, hetgeen de jongsten der jonge heeren
met ongenoegen en wangunst vervulde, en hen deed zeggen: “Wel ja, het
was heel mooi voor dien langen Tozer, maar zij hadden hun geld niet
gegeven om er langen Tozer mee te laten pronken; hadden zij wel? Wat
had lange Tozer er meer part aan dan de anderen? Het was zijn inktkoker
immers niet? Waarom kon hij niet van het goed van anderen afblijven?”
met andere uitdrukkingen van ontevredenheid, waaraan zij niet beter
lucht schenen te kunnen geven dan door hem langen Tozer te noemen.
Geen woord was den jongen heeren gezegd, geen wenk was hun gegeven van
een aanstaand huwelijk tusschen mijnheer Feeder en de schoone Cornelia
Blimber. Doctor Blimber vooral scheen moeite te doen om een gezicht te
zetten alsof niets hem meer zou verrassen; maar de jonge heeren wisten
het toch zeer wel, en toen zij vertrokken om het gezelschap hunner
betrekkingen en vrienden te gaan opzoeken, was het met eerbiedig
ontzag, dat zij van mijnheer Feeder afscheid namen.
Feeder’s romaneske droomen waren vervuld. De doctor had besloten het
huis van buiten te laten schilderen en geheel te repareeren, en zijne
zaak en Cornelia aan hem over te doen. Het schilderen en repareeren
begon daags nadat de jonge heeren vertrokken, en ziet! nu was de
bruiloftsochtend gekomen, en Cornelia, met een nieuwen bril, stond
gereed om zich naar het huwelijksaltaar te laten leiden.
De doctor met zijne geleerde beenen, en mevrouw Blimber met een lila
hoed, en mijnheer Feeder, met zijne knokkige vingers en borstelig
hoofd, en mijnheer Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder,
die de plechtigheid zou verrichten, waren allen in het salon bijeen, en
Cornelia, met hare oranjebloesems en bruidsjuffertjes, was juist naar
beneden gekomen en zag er, gelijk van ouds, wat ingeknepen maar
allerbekoorlijkst uit, toen de deur geopend werd, en de jonkman met
slechte oogen, met luider stem, de volgende proclamatie deed:
“Mijnheer en mevrouw Toots!”
En daarop trad Toots binnen, zeer zwaarlijvig geworden en met eene dame
aan den arm, die zeer fraai en met smaak gekleed was, en zeer heldere
zwarte oogen had.
“Mevrouw Blimber,” zeide Toots, “laat ik u mijne vrouw mogen
presenteeren.”
Mevrouw Blimber was verrukt haar te mogen recipieeren. Mevrouw Blimber
was wel wat uit de hoogte, maar toch zeer vriendelijk.
“En daar ge mij lang gekend hebt, weet ge,” zeide Toots, “laat ik u
mogen verzekeren, dat zij een van de buitengemeenste vrouwen is, die er
ooit geleefd hebben.”—“Maar lieve!” zeide mevrouw Toots.—“Op mijn woord
van eer, dat is zij,” zeide Toots, “Ik—ik verzeker u, mevrouw Blimber,
zij is eene zeer buitengemeene vrouw.”
Mevrouw Toots lachte vroolijk, en mevrouw Blimber bracht haar naar
Cornelia. Toen Toots deze insgelijks zijn compliment had gemaakt, en
zijn ouden leermeester begroet, die, met toespeling op den huwelijken
staat, zeide: “Wel zoo, Toots. Dus zijt ge nu in ons gild gekomen,
Toots!” ging hij met Feeder ter zijde naar een venster.
Mijnheer Feeder, die zeer vroolijk was, plaatste zich in de houding van
een bokser, en gaf Toots kunstmatig een stootje op het borstbeen.
“Wel, oude jongen!” zeide Feeder lachende. “Daar zijn wij er. Allebei
gevangen. He?”—“Feeder,” antwoordde Toots, “ik feliciteer u. Als gij
zoo—zoo—zoo volmaakt gelukkig zijt in den echten staat, als ik ben,
zult gij niets meer te verlangen hebben.”—“Ik vergeet mijne oude
vrienden niet, ziet ge,” zeide Feeder. “Ik vraag ze op mijne
bruiloft.”—“Feeder,” antwoordde Toots met ernst, “de zaak is, dat er
verscheidene omstandigheden bestonden, die mij verhinderden om u iets
mede te deelen voordat mijn huwelijk voltrokken was. Vooreerst had ik
mij, wat jufvrouw Dombey betreft, als een redeloos dier bij u
aangesteld; en ik gevoelde wel, als ik u op eene bruiloft vroeg, dat ge
natuurlijk zoudt denken dat het met jufvrouw Dombey was, waardoor
ophelderingen te pas zouden zijn gekomen, die mij, op mijn woord van
eer, in die crisis, geheel overstelpt zouden hebben. Ten tweede, werd
ons huwelijk zeer stil gehouden; want er was niemand bij dan een vriend
van mij en mijne vrouw, die kapitein is bij—ik weet eigenlijk niet
recht waarbij,” zeide Toots, “maar dat is van geen beduiden. Ik hoop,
Feeder, dat ik, door u een bericht van het voorgevallene te schrijven,
eer mevrouw Toots en ik op reis gingen, aan al de verplichtingen der
vriendschap heb voldaan.”—“Toots, mijn jongen,” zeide Feeder, hem de
hand gevende, “ik stak er den gek maar mee.”—“En nu, Feeder,” zeide
Toots, “zou ik gaarne willen weten, wat gij van mijn huwelijk
denkt.”—“Ik vind het heerlijk,” antwoordde Feeder.—“Zoo, vindt gij het
heerlijk, Feeder?” zeide Toots met grooten ernst. “Hoe heerlijk moet ik
het dan niet vinden! Want gij kunt nooit weten welk eene buitengemeene
vrouw zij is.”
Feeder wilde dit gaarne op goed geloof aannemen maar Toots schudde zijn
hoofd en wilde er niet van hooren dat dit mogelijk zou zijn.
“Gij ziet wel,” zeide Toots, “wat ik met eene vrouw noodig had,
was—kortom, was verstand. Geld, Feeder, had ik wel. Verstand had ik—had
ik niet veel.”
Feeder prevelde: “O ja wel, Toots, dat hadt ge wel!” Maar Toots zeide:
“Neen, Feeder, dat had ik niet. Waarom zou ik het verbloemen? Dat had
ik niet. Ik wist dat daar verstand was,” zeide Toots, naar zijne vrouw
wijzende, “bij hoopen. Ik had geene betrekkingen, die zich over rang of
stand konden ergeren of boos maken, want ik had geheel geene
betrekkingen. Ik heb nooit iemand gehad, die mij toekwam, behalve mijn
voogd; en hem, Feeder, heb ik altijd voor een struikroover gehouden.
Dus was het niet te denken, weet ge,” zeide Toots, “dat ik naar zijne
meening zou vragen.”—“Neen,” zeide Feeder.—“Derhalve ging ik naar mijne
eigene meening te werk,” hervatte Toots, “en het was een gelukkige dag
toen ik dat deed, Feeder. Niemand dan ik alleen kan zeggen hoeveel
verstand die vrouw heeft. Als de rechten der vrouwen en al die soort
van dingen ooit goed te recht gebracht worden, zal haar krachtig
verstand het moeten doen.—Suze, melieve,” zeide Toots, plotseling om
het gordijn van het venster kijkende, “maak het u toch niet te
druk!”—“Ik praat maar, beste,” zeide mevrouw Toots.—“Maar, liefje,”
hervatte Toots, “ik bid u, maak het u toch niet te druk. Gij moet
waarlijk voorzichtig zijn. Maak het u toch niet te druk, lieve Suze;
zij raakt zoo licht opgewonden,” zeide Toots, ter zijde tot mevrouw
Blimber, “en dan vergeet zij den dokter heel en al.”
Mevrouw Blimber hield mevrouw Toots de noodzakelijkheid voor om
voorzichtig te zijn, toen Feeder haar zijn arm bood om haar naar een
van de koetsen te brengen, waarmede men naar de kerk zou rijden. Doctor
Blimber geleidde mevrouw Toots, en Toots de schoone bruid, om welker
stralenden bril twee gazige bruidsjuffertjes als vlindertjes
fladderden. Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder, was
reeds vooruitgegaan.
De plechtigheid werd met alle staatsie verricht. Cornelia, met hare
gekroesde krulletjes, hield zich zeer bedaard; en doctor Blimber gaf
haar weg als een man, die daartoe ten volle besloten was. De gazige
bruidsjuffertjes schenen het meest ontroerd. Mevrouw Blimber was
aangedaan, maar met mate, en zeide den eerwaarden heer Alfred Feeder
onderweg naar huis, dat zij, als zij Cicero maar in zijne afzondering
te Tusculum gezien had, nu geen wensch meer onvoldaan zou hebben.
Er volgde een ontbijt, dat tot hetzelfde kleine gezelschap beperkt
bleef, en waarbij Feeder geducht vroolijk was en zijne vroolijkheid
zoodanig aan mevrouw Toots mededeelde, dat men Toots verscheidene malen
over de tafel heen hoorde zeggen: “Lieve Suze, maak het u toch niet te
druk!” Het fraaiste van alles was, dat Toots zich verplicht achtte om
eene aanspraak te houden en, in weerwil van alle telegrafische teekenen
zijner vrouw om het hem te ontraden, dit werkelijk voor het eerst van
zijn leven deed.
“Ik kan waarlijk, in dit huis,” zeide Toots, “waar ik—wat er ook
somtijds met—met mijne hersenen mocht gedaan zijn—dat van geen beduiden
is en ik ook niemand verwijt—altijd als een lid van doctor Blimber’s
familie ben behandeld, en lang zelfs een eigen lessenaar heb gehad—mijn
vriend Feeder niet zien—”—“Trouwen,” blies mevrouw Toots hem in.—“Het
zal bij deze gelegenheid niet ongepast en niet geheel onbelangrijk
wezen,” zeide Toots met een vergenoegd gezicht, “hier aan te merken,
dat mijne vrouw eene zeer buitengemeene vrouw is, en dit veel beter zou
doen dan ik zelf—mijn vriend Feeder niet zien trouwen—inzonderheid
met—”—“Met jufvrouw Blimber,” fluisterde mevrouw Toots hem toe.—“Met
mevrouw Feeder, lieve,” zeide Toots, op den zachten toon eener
afzonderlijke redewisseling. “Wat God vereenigd heeft, zal niemand—weet
ge wel? Ik kan mijn vriend Feeder niet zien trouwen, inzonderheid met
mevrouw Feeder—zonder hunne—hunne toasten in te stellen; en moge,”
zeide Toots, zijne oogen op zijne vrouw vestigende, als om zich
daardoor tot eene hooge vlucht te inspireeren, “de toorts van Hymen een
vreugdevuur voor hen wezen, en mogen de bloemen, die wij heden op hun
pad hebben gestrooid, alle—alle somberheid verbannen.”
Doctor Blimber, die veel van zinnebeeldige uitdrukkingen hield, klapte
zachtjes in zijne handen en zeide knikkende: “Zeer wel gezegd, Toots,
zeer wel gezegd, inderdaad.” Feeder antwoordde met eene schertsende
dankbetuiging, met gevoel getemperd. Zijn eerwaarde broeder bracht een
zeer fraaien toast op den doctor en mevrouw Blimber uit, en de
bruidegom zelf wederom een nauwelijks minder fraaien op de glanzige
bruidsjuffertjes. Toen ontboezemde doctor Blimber met eene galmende
stem en in een pastoralen trant eenige gedachten over het rieten dak,
waaronder hij met mevrouw Blimber zou gaan wonen, en over de bijen, die
om hunne stulp zouden gonzen. Kort daarna hief de voorzichtige mevrouw
Blimber—daar des doctors oogen opmerkelijk begonnen te flikkeren, en
zijn schoonzoon reeds had aangemerkt, dat de klok voor de gekken
gemaakt was, en gevraagd had of mevrouw Toots ook zong—de zitting op,
en zond Cornelia, zeer koel en rustig, met den man van haar hart in
eene postkoets heen.
Mijnheer en mevrouw Toots begaven zich naar de Bedford (mevrouw Toots
was daar in vroeger tijd, toen zij nog Nipper heette, meer geweest) en
vonden daar een brief, waaraan Toots zulk een geducht langen tijd
besteedde om hem te lezen, dat mevrouw Toots er ongerust over werd.
“Lieve Suze,” zeide Toots, “ongerustheid en schrik zijn nog erger dan
drukte. Ik bid u, blijf toch bedaard!”—“Van wien is hij?” zeide mevrouw
Toots.—“Wel melieve,” was het antwoord, “van kapitein Gills. Schrik nu
maar niet. Walters en jufvrouw Dombey worden thuis gewacht.”—“Beste,”
zeide mevrouw Toots, haastig en zeer bleek van de sofa opstaande, “wil
mij maar niet bedriegen, want dat baat toch niet. Zij zijn thuis
gekomen—dat zie ik duidelijk aan uw gezicht.”—“Zij is toch eene
buitengemeene vrouw!” riep Toots met bewonderende verrukking uit. “Gij
hebt volkomen gelijk, lieve, zij zijn thuis. Jufvrouw Dombey heeft haar
vader gezien, en zij zijn verzoend.”—“Verzoend!” riep mevrouw Toots,
hare handen samenslaande.—“Lieve,” zeide Toots, “ik bid u, maak het u
toch niet te druk. Denk om den dokter. Kapitein Gills zegt—of eigenlijk
zegt hij dat niet, maar ik verbeeld mij, dat ik uit zijn schrijven kan
begrijpen—dat jufvrouw Dombey haar ongelukkigen vader uit zijn oude
huis heeft weggehaald en meegenomen, naar dat waar zij en Walters
wonen—dat hij daar heel ziek ligt—stervende, naar men denkt, en dat zij
hem nacht en dag oppast.”
Mevrouw Toots begon bitter te schreien.
“Liefste Suze,” zeide Toots, “als gij eenigszins met mogelijkheid kunt,
denk dan toch om den dokter. Als gij niet kunt, is het van geen
beduiden; maar doe er toch uw best toe.”
Zijne vrouw, die eensklaps hare oude manieren weder aannam, bad hem zoo
aandoenlijk om haar naar haar lievelingetje, haar meesteresje te
brengen, dat Toots, wiens medelijden en bewondering even groot waren,
van ganscher harte daarin bewilligde, en zij afspraken om terstond te
vertrekken en in eigen persoon antwoord te brengen op den brief des
kapiteins.
Nu hadden zekere toevalligheden den kapitein (naar wien mijnheer en
mevrouw Toots zoo spoedig op reis zouden gaan) dien dag zelven op het
bloemenpad des huwelijks gebracht, niet als hoofdpersoon, maar als
getuige. Dit had zich aldus toegedragen.
Toen de kapitein, tot zijn onbeschrijfelijk genoegen, Florence en haar
kindje voor een oogenblik had gezien, en een langen tijd met Walter
gepraat, ging hij eene wandeling doen, daar hij het noodig achtte eens
eenzaam na te denken over de wisselvalligheid der menschelijke zaken,
en zijn blinkenden hoed te schudden over het ongeluk van mijnheer
Dombey, met wien hij innig medelijden had. Hij zou zich zelfs zeer
droefgeestig over het lot van dien heer hebben gemaakt, als hij niet om
het kindje had gedacht, dat hem, telkens als het hem in het hoofd kwam,
zoozeer verheugde, dat hij hardop lachende langs de straat stapte, en
zelfs meer dan eens, in eene vlaag van plotselinge verrukking, tot
verbazing der aanschouwers, zijn blinkenden hoed omhoogwierp en weder
opving. De snelle afwisselingen van licht en schaduw, waaraan deze twee
tegenstrijdige onderwerpen van bespiegeling den kapitein blootstelden,
hadden zulk een invloed op zijne gemoedsrust, dat hij gevoelde eene
lange wandeling noodig te hebben om tot bedaren te komen; en daar
streelende herinneringen hiertoe veel konden bijdragen, verkoos hij
eens in zijne oude buurt te gaan rondwandelen, tusschen masten,
roeispanen, blokkenmakers, scheepsbeschuitbakkers, kolendragers,
teerketels, matrozen, kanalen, dokken, draaibruggen en andere
kalmeerende voorwerpen.
Deze vreedzame tooneelen werkten zoo weldadig op het gemoed des
kapiteins, dat hij met stille tevredenheid voortwandelde, en zich zelfs
binnensmonds met het liedje van Mooie Peggy verlustigde, toen hij, een
hoek omslaande, eensklaps sprakeloos bleef staan op het gezicht van een
zegepralenden optocht, die naar hem toekwam.
Aan het hoofd van dien stoet was de geduchte jufvrouw MacStinger, die
met een gezicht vol onverzettelijke vastberadenheid, en met een
reusachtig horloge op hare steenharde borst pronkende, hetwelk de
kapitein terstond als het eigendom van Bunsby herkende, niemand anders
dan dien diepdenkenden zeeman zelven onder den arm had; terwijl hij,
met het neerslachtig verstrooide gezicht van een gevangene, die in een
vreemd land wordt weggevoerd, zich geduldig aan haar wil overgaf.
Achter deze kwamen de kleine MacStinger’s in een troepje, juichende, en
achter deze twee dames, van onverschrokken uitzicht, met een kort
heertje met een hoogen hoed tusschen haar beiden, die insgelijks
juichte; geheel achteraan Bunsby’s jongen, met paraplu’s beladen. De
schrikkelijk pralende opschik der geheele bende zou, al hadden de dames
niet zoo vastberaden en onverschrokken gekeken, genoegzaam hebben
aangeduid dat de trein een offerstoet, en dat Bunsby het slachtoffer
was.
De eerste gedachte des kapiteins was aan den loop te gaan. Dit scheen
ook de eerste gedachte van Bunsby te zijn, hoe hopeloos de uitvoering
daarvan ook moest blijken. Maar toen er een herkenningskreet uit het
gezelschap opging, en Alexander MacStinger met opene armen naar den
kapitein kwam toeloopen, streek deze de vlag.
“Wel, kapitein Cuttle!” zeide jufvrouw MacStinger. “Dat is wel
toevallig. Ik ben nu niet meer kwaad op u, kapitein Cuttle; gij behoeft
niet bang te zijn dat ik iets meer zal zeggen. Ik hoop in een anderen
geest naar het altaar te gaan.” Hier zweeg zij even, blies met eene
lange inademing hare borst op, en zeide, op het slachtoffer doelende:
“Mijn aanstaande, kapitein Cuttle.”
De neerslachtige Bunsby keek rechts noch links, noch naar zijne bruid,
noch naar zijn vriend, maar vlak voor zich naar niets. Toen de kapitein
zijne hand uitstak, stak Bunsby ook de zijne uit; maar op des kapiteins
groet sprak hij geen woord.
“Kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, “als gij oude grieven
wilt genezen, en uw vriend, mijn aanstaande, nog op het laatste
oogenblik zien als jong gezel, zullen wij blijde zijn met uw gezelschap
naar de kerk. Hier is eene jufvrouw,” zeide zij, zich naar de
onverschrokkenste der twee dames keerende, “mijne bruidsjuffer, die
gaarne uw geleide zal aannemen, kapitein Cuttle.”
De korte heer met den hoogen hoed, die de echtgenoot der andere dame
bleek te zijn, en zich blijkbaar verheugde, dat een zijner medemenschen
tot zijn eigen staat zou verlaagd worden, liet de bedoelde dame daarop
los; welke toen dadelijk kapitein Cuttle beetpakte, en aanmerkende dat
men geen tijd te verzuimen had, met eene forsche stem bevel gaf om op
te marcheeren.
Des kapiteins bekommering over zijn vriend, niet ongemengd in het eerst
met bekommering over zich zelven—want eene onbestemde vrees, dat hij
wel met geweld getrouwd zou kunnen worden, vervulde hem, tot zijne
kennis van het formulier hem te hulp kwam, en hij zich de wettige
verplichting herinnerde om te zeggen: “Ik wil,” zich persoonlijk veilig
achtte zoolang hij voornemens was om op alle vragen duidelijk te
antwoorden: “Ik wil niet”—bracht hem geweldig aan het zweeten, en
belette hem eene poos op te merken, welken weg de stoet nam en wat er
gesproken werd. Toen zijne ontroering wat bedaarde, vernam hij van
zijne dame, dat zij de weduwe van zekeren mijnheer Bokum was, die een
post aan het tolkantoor had gehad; dat zij de dierbaarste vriendin van
jufvrouw MacStinger was, welke zij als een voorbeeld voor hare sekse
beschouwde; dat zij dikwijls van den kapitein had gehoord, van wien zij
hoopte dat zijn vroeger leven hem berouwde; dat zij vertrouwde dat
Bunsby wel wist welk een zegen hem ten deel viel, maar dat zij vreesde
dat de mannen zelden wisten wat zulke zegeningen waren, voordat zij ze
verloren; met nog meer van dien aard.
Al dien tijd kon de kapitein niet nalaten op te merken, dat jufvrouw
Bokum den bruidegom nauwlettend in het oog hield, en dat zij, als men
aan den hoek van een steegje kwam, hetwelk eene vlucht scheen te kunnen
begunstigen, zich gereed hield om zulk eene vlucht desnoods te
beletten. Ook de andere dame en haar man, het korte heertje met den
hoogen hoed, waren blijkbaar, volgens afspraak, op hunne hoede; en
bovendien hield jufvrouw MacStinger den ongelukkigen Bunsby zoo stevig
vast, dat elke poging om te ontsnappen verijdeld moest worden. Dit viel
zelfs het gepeupel in het oog, dat door schreeuwen en uitjouwen zijn
begrip van de zaak aan den dag legde; waarvoor de geduchte jufvrouw
MacStinger zich geheel onverschillig hield, terwijl Bunsby zelf in een
staat van bewusteloosheid scheen te verkeeren.
De kapitein deed verscheidene pogingen om zich met dezen philosoof in
gemeenschap te stellen, al was het maar door een enkel woord of een
teeken; maar dit mislukte hem telkens, zoowel door de waakzaamheid der
wacht, als door de moeielijkheid, die het altijd inhad om door eenig
zichtbaar teeken Bunsby’s aandacht te trekken. Zoo naderden zij de
kerk, een net, van binnen en van buiten gewit gebouw, onlangs door den
eerwaarden Melchizedek Hawler gehuurd, die op dringend aanzoek had
toegegeven dat de wereld nog twee jaren in wezen zou blijven, maar
zijne volgelingen had onderricht dat zij dan stellig moest vergaan.
Terwijl de eerwaarde Melchizedek een lang gebed deed, nam de kapitein
eene gelegenheid waar om den bruidegom in het oor te brommen:
“Hoe gaat het, mijn jongen, hoe gaat het?”
Waarop Bunsby, met eene vergetelheid van den eerwaarden Melchizedek,
die alleen door zijne wanhopige omstandigheden kon verontschuldigd
worden, antwoordde:
“Verd...md slecht.”—“Jack Bunsby,” fluisterde de kapitein, “doet gij
dit hier uit eigen vrijen wil?”
Bunsby antwoordde: “Neen!”—“Waarom doet gij het dan, mijn jongen?”
vroeg de kapitein niet onnatuurlijk.
Bunsby, altijd nog met een onbeweeglijk gezicht naar den anderen kant
van de wereld kijkende, gaf geen antwoord.
“Waarom scheert gij u niet weg?” zeide de kapitein.—“He?” fluisterde
Bunsby, met eene oogenblikkelijke schemering van hoop.—“Scheer je weg,”
zeide de kapitein.—“Wat zou het baten?” antwoordde de neerslachtige
wijze. “Zij zou mij toch wel weer pakken.”—“Probeer maar!” hernam de
kapitein. “Moed gehouden! Kom aan! Nu is het tijd. Loop, Jack Bunsby!”
Maar in plaats van dien raad te volgen, antwoordde Jack Bunsby akelig
fluisterend:
“Het is alles begonnen met die kist van u. Waarom heb ik haar dien
avond ooit konvooi gegeven?”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein met
schrik, “ik dacht dat gij haar den baas waart, en niet zij u. Een man,
die zulke gevoelens heeft als gij!”
Bunsby slaakte slechts een gesmoorden zucht.
“Kom aan!” zeide de kapitein, hem met zijn elleboog aanstootende. “Nu
is het tijd. Loop! Ik zal u den rug dekken. De tijd vliegt om. Bunsby!
Het is voor de vrijheid. Wilt gij?—eens.”
Bunsby bleef onbeweeglijk.
“Bunsby,” fluisterde de kapitein. “Wilt gij?—tweemaal.”
Bunsby wilde nog niet.
“Bunsby!” drong de kapitein. “Het is voor de vrijheid. Wilt
gij?—driemaal. Nu of nooit.”
Bunsby deed het nooit, want een oogenblik later was hij met jufvrouw
MacStinger getrouwd.
Eene der akeligste omstandigheden der geheele plechtigheid voor den
kapitein was de doodelijke belangstelling, welke Juliana MacStinger
liet blijken, en de noodlottige aandacht, waarmede dat veelbelovende
kind, alreeds het evenbeeld harer moeder, alles gadesloeg wat er
gebeurde. De kapitein zag daarin eene oneindig voortloopende reeks van
valstrikken voor mannen—eeuwen van druk en dwang, waartoe de
zeevaarders gedoemd waren. Het gezicht was veel opmerkelijker dan de
onverzettelijke onverschrokkenheid van jufvrouw Bokum en de andere
dame, de blijdschap van het korte heertje met den hoogen hoed, of zelfs
de wreede onverschilligheid van jufvrouw MacStinger. De jongeheeren
MacStinger begrepen weinig van hetgeen er voorviel, en gaven er nog
minder om, daar zij onder de plechtigheid voornamelijk bezig waren met
op elkanders laarzen te trappen; het contrast met deze ellendige
kinderen deed echter de vroegrijpe vrouw in Juliana des te heerlijker
uitkomen. Nog een paar jaren, dacht de kapitein, en het zou iemand
slecht bekomen te gaan logeeren waar dat kind was.
De plechtigheid werd besloten met een algemeenen aanval der jeugdige
familie op Bunsby, die met den teederen naam van vader begroet en om
halve stuivers gevraagd werd. Toen deze uitstortingen van gevoel waren
afgeloopen, en de stoet gereed was om weder te vertrekken, werd men nog
eene poos opgehouden door een onverwachten inval van Alexander
MacStinger. Dat lieve kind denkende, dat in eene kerk buiten de gewone
godsdienstoefening niets anders kon gebeuren dan begraven, verbeeldde
zich vast, dat zijne moeder nu begraven en voor altijd voor hem
verloren was; en in den angst dezer overtuiging schreeuwde hij zoo
hard, dat hij er blauw van in het gezicht werd. Hoe treffend dat blijk
van teerhartigheid ook voor zijne moeder was, lag het niet in het
karakter dier buitengemeene vrouw te dulden, dat deze zwakheid al te
ver werd gedreven. Nadat zij dus vruchteloos gepoogd had haar zoontje
door stompen, schudden, toesnauwen en dergelijke middelen tot een beter
begrip te brengen, bracht zij het in de opene lucht en beproefde eene
andere methode, waarvan het gezelschap kennis kreeg door eene snelle
opvolging van scherpe geluiden, naar een applaudissement gelijkende, en
daarna door Alexander, met een rood gezicht en luid weeklagende, op den
koudsten steen van het kerkpleintje te zien zitten.
De processie, nu gereed om naar Brig Place terug te keeren, waar een
bruiloftsmaal bereid was, begaf zich weder op weg, niet zonder dat
Bunsby van de verzamelde menigte een aantal luimige felicitatiën met
zijn pas gewonnen geluk ontving. De kapitein ging mede tot aan de deur
van het huis, maar ongerust geworden door de zachtere manieren van
jufvrouw Bokum, die, nu zij van hare taak was ontheven—want de
waakzaamheid der dames nam zeer merkbaar af zoodra de bruidegom veilig
getrouwd was—meer tijd had om hem hare belangstelling te toonen, nam
hij daar afscheid, met eene flauwe verontschuldiging wegens eene
vroegere afspraak, en eene even flauwe belofte om straks terug te
komen. De kapitein had nog eene reden tot ongerustheid in de gedachte,
dat hij de eerste aanleiding tot Bunsby’s ongeluk had gegeven, hoewel
zonder dit te bedoelen en alleen door zijn onbeperkt vertrouwen op de
vermogens van dien philosoof.
Naar den houten adelborst en Sam Gills terug te keeren, en niet eerst
te gaan vragen hoe mijnheer Dombey voer—hoewel het huis, waar deze ziek
lag, ver buiten Londen en op den zoom eener frissche heide stond—kon de
kapitein niet op zich verkrijgen. Hij liet zich dus, als hij moe werd,
een eindje rijden, en deed zoo vroolijk den tocht.
De gordijnen waren gesloten en het huis was zoo stil, dat de kapitein
bijna bang was om aan te kloppen; maar toen hij aan de deur luisterde,
hoorde hij dichtbij zacht spreken, en daarop voorzichtig aankloppende,
werd hij door Toots ingelaten. Toots en zijne vrouw waren zoo pas
gekomen, daar zij naar den adelborst waren geweest om hem te zoeken, en
daar het adres hadden gekregen.
Zij waren er echter niet zoo kort, of mevrouw Toots had het kindje
reeds weten te krijgen, en zat het op de trap te kussen en te
liefkoozen. Florence stond gebukt naast haar, en niemand had kunnen
zeggen, wien mevrouw Toots het meest liefkoosde, de moeder of het kind,
of wie teerder was, Florence voor hare Suze, of Suze voor haar, of
beide voor het wichtje; zoo vol liefde en blijde beweging was de kleine
groep.
“En is uw papa zoo erg ziek, mijne allerliefste jufvrouw Flore?” zeide
Suze.—“Hij is heel, heel ziek,” antwoordde Florence. “Maar, lieve Suze,
gij moet mij nu niet aanspreken zooals ge vroeger placht te doen. En
wat is dat!” zeide Florence, met verbazing hare kleeren aanrakende. “Uw
oud japonnetje, lieve? Uwe oude muts, en krullen en alles?”
Suze barstte in tranen uit, en bedekte het handje, dat haar zoo
verwonderd had aangeraakt, met kussen.
“Mijne lieve jufvrouw Dombey,” zeide Toots nader komende, “dat zal ik u
verklaren. Zij is de buitengemeenste vrouw van de wereld. Er zijn er
niet veel die haar gelijken. Zij heeft altijd gezegd—zoo zeide zij eer
wij getrouwd waren, en zoo zeide zij nog vandaag—dat zij, als gij thuis
kwaamt, naar u toe zou gaan eveneens gekleed als toen zij u placht te
dienen, uit vrees dat zij u anders vreemd zou voorkomen en gij minder
van haar mocht houden. Ik bewonder haar bovenal zoo gekleed,” zeide
Toots. “Ik aanbid haar als zij zoo gekleed is! Mijne lieve jufvrouw
Dombey, nu zal zij weder uwe kamenier zijn, uwe oppasster, alles wat
zij ooit geweest is en nog meer. Zij is geheel niet veranderd. Maar
lieve Suze,” zeide Toots, die met diep gevoel had gesproken, “al wat ik
vraag is, dat gij om den dokter denkt en het u niet al te druk maakt.”