De zee had een geheel jaar lang hare getijden gehad. Een geheel jaar
lang waren winden en wolken gekomen en gegaan, en had de tijd, in storm
en zonneschijn, zijn rusteloozen arbeid verricht. Een geheel jaar lang
hadden de getijden van het wisselend menschenlot den hun toegewezen
loop gehouden. Een geheel jaar lang had het vermaarde kantoor van
Dombey en Zoon voor zijn leven gestreden, tegen onverwachte
tegenspoeden, nadeelige geruchten, ongelukkige waagstukken, ongunstige
tijden, en vooral tegen de verdwaasdheid van den eigenaar, die zijne
ondernemingen geene haarbreedte wilde inkrimpen, die naar geen woord
van waarschuwing wilde luisteren, dat het schip, waarmede hij den storm
wilde tarten, zwak was en het niet kon uithouden.
Het jaar was om, en het groote kantoor was gevallen.
Op een zomermiddag, omtrent een jaar na dat huwelijk in de City, werd
er op de Beurs over een groot bankroet gemompeld. Zeker koud en trotsch
man, daar welbekend, was er niet, en was door niemand vertegenwoordigd.
Den volgenden dag hoorde men, dat het kantoor van Dombey en Zoon zijne
betalingen had gestaakt, en den volgenden avond werd er eene lijst van
bankroetiers uitgegeven, met dien naam bovenaan.
Nu had de wereld veel te zeggen. Het was eene onnoozele,
lichtgeloovige, erg mishandelde wereld. Het was eene wereld, waarin men
nog nooit van een ander soort van bankroeten had gehoord. Er waren
geene voorname mannen in, die wijd en zijd handel dreven met valschen
godsdienst, vaderlandsliefde, deugd en eer. Er was geen papier in
omloop, waarvan iemand rijkelijk leefde, en waarbij groote sommen van
braafheid werden beloofd, waarvoor geen kapitaal aanwezig was. Nergens
kwam men ooit iets te kort behalve geld. De wereld was heel boos; en
die menschen vooral, die men in eene slechtere wereld voor insolvente
speculanten in vertooning en geveinsdheid had kunnen houden, waren ten
hoogste verontwaardigd.
Nu werd Perch, den kantoorlooper, door het spel der omstandigheden eene
nieuwe verzoeking tot losbandigheid aangeboden. Het scheen zijn lot te
zijn, telkens wakker te moeten worden om zich beroemd te vinden. Pas
gisteren, mocht men zeggen, was hij weder in het bijzondere leven
afgedaald, na zijne vermaardheid door die vlucht en de daaropvolgende
gebeurtenissen; en nu werd hij weder door dat bankroet tot een
gewichtiger persoon dan ooit gemaakt. Van zijn bankje in het groote
kantoor opstaande, waar hij nu naar de vreemde gezichten zat te kijken,
die spoedig bijna al de oude klerken vervingen, behoefde Perch zich
maar op straat of voor de toonbank van het Koninklijke Wapen te
vertoonen, om eene menigte vragen te hooren, waaronder bijna zeker de
belangrijke vraag voorkwam, wat hij te drinken wilde hebben. Dan weidde
Perch uit over de uren van hooggaanden angst, die hij en zijne vrouw te
Ball’s Pond hadden doorgestaan, toen zij pas begonnen te vermoeden, dat
“de zaak niet goed ging.” Dan vertelde Perch de hem aangapende
luisteraars, met eene zachte stem, alsof het lijk van het overledene
kantoor nog onbegraven in de naaste kamer lag, hoe jufvrouw Perch het
eerst was begonnen te vermoeden, dat de zaak niet goed ging, door dat
zij hem (Perch) in zijn slaap had hooren kermen: “Zestig percent!
Zestig percent!” Welk onrustig droomen en slaapspreken hij vermoedde
dat ontstaan moest wezen uit den indruk, dien de verandering in
mijnheer Dombey’s gezicht op hem maakte. Dan onderrichtte hij hun hoe
hij eens gezegd had: “Mag ik zoo vrij zijn om te vragen, mijnheer, is
uw gemoed niet gerust?” en hoe mijnheer Dombey had geantwoord: “Mijn
trouwe Perch—maar neen, het kan niet zijn!” en zich toen met de hand
voor het voorhoofd had geslagen en gezegd: “Verlaat mij, Perch!” Dan,
kortom, vertelde Perch, als slachtoffer van zijne positie, eene menigte
van allerhande logens, zich zelven tot tranen roerende door diegene,
die van een aandoenlijken aard waren, en werkelijk geloovende, dat de
verzinsels van gisteren, door de herhaling, vandaag eene soort van
waarheid kregen.
Perch besloot deze mededeelingen altijd door weemoedig aan te merken,
dat, natuurlijk, wat hij ook mocht vermoed hebben (alsof hij ooit iets
vermoed had) het hem niet voegde het vertrouwen van zijn patroon te
verraden—deed het wel? Welk gezegde (daar er crediteuren bij waren)
altijd gehouden werd zijn gevoel tot eer te strekken. Zoo ging hij
doorgaans met een gebalsemd geweten heen en liet hij een aangenamen
indruk achter, als hij weder naar zijn bankje terugkeerde, om daar naar
de vreemdelingen te zitten kijken, die zoo vrij met die groote
geheimen, de boeken, omgingen, of nu en dan op de teenen naar Dombey’s
ledige kamer te sluipen en het vuur op te poken, of aan de deur een
luchtje te scheppen en nog een treurig praatje met een bekenden
voorbijganger te houden, of zich door kleine beleefdheden den
voornaamsten der vreemde indringers te vriend te maken, van wien hij
een postje bij eene assurantiemaatschappij verwachtte, als de zaken van
het kantoor geliquideerd waren.
Voor majoor Bagstock was het bankroet wezenlijk eene ramp. De majoor
had niet veel gevoel voor anderen—al zijne aandacht was op J. B.
gevestigd en hij was ook aan niet veel gemoedsbewegingen onderhevig, of
men moest hoesten en hijgen gemoedsbewegingen kunnen noemen. Maar hij
had in zijne club zoodanig met zijn vriend Dombey gepronkt, en de leden
in het algemeen zoo dikwijls zijn rijkdom naar het hoofd gegooid, dat
de club, die toch maar menschelijk was, er in juichte dit den majoor nu
betaald te kunnen zetten, door hem met eene vertooning van groote
meewarigheid te vragen, of hij dien geweldigen tuimel ook eenigszins
verwacht had, en hoe zijn vriend Dombey zich daaronder hield. Op al
zulke vragen antwoordde de majoor, purperrood wordende, dat het eene
booze wereld was, mijnheer; dat Joey anders zijn weetje wel wist, maar
zich had laten foppen als een kind; dat, als gij J. Bagstock dit
voorspeld hadt, toen hij met Dombey op reis ging en dien vagebond door
geheel Frankrijk najoeg, J. Bagstock u zou hebben
uitgelachen—uitgelachen, mijnheer. Dat Joe bedrogen was, mijnheer,
gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker
was; zoo zelfs, dat als Joe’s vader morgen uit zijn graf opstond, hij
den ouden heer voor geen stuiver zou vertrouwen, maar hem zou zeggen
dat zijn zoon Josh een te oud soldaat was om zich nog eens te laten
beetnemen, mijnheer. Dat hij een achterdochtige, knorrige, versletene,
ongeloovige ijzervreter was, mijnheer; en dat, als het met het fatsoen
van een ruwen en taaien majoor van de oude school strookte, die de eer
had gehad persoonlijk bekend te zijn en geprezen te worden met en door
Hunne Koninklijke Hoogheden de Hertogen van York en Kent, om in eene
ton te kruipen en daarin te blijven wonen, hij waarachtig, mijnheer,
morgen eene ton in Pall Mall zou laten zetten, om zijne verachting voor
het menschdom te toonen.
Dit alles, en nog vele variatiën van hetzelfde deuntje, ontboezemde de
majoor met zulke beroerteachtige verschijnselen, zulk een rollen van
zijn hoofd, en zulk een gebrom van verontwaardiging en kwaadheid, dat
de jongste leden der club zich verbeeldden, dat hij geld in het kantoor
van zijn vriend Dombey gezet en dit verloren had; maar de oudere en
slimmere leden, die Joe beter kenden, wilden daarvan niet hooren. De
ongelukkige inboorling, die geen gevoelen daaromtrent uitte, had
schrikkelijk veel te lijden, niet alleen in zijn zedelijk gevoel, dat
op ieder uur van den dag door den majoor gemarteld werd, maar ook in
zijne lichamelijke gevoeligheid voor stompen en builen, waarvoor hij
gedurig blootstond. Zes geheele weken lang na het bankroet leefde de
ongelukkige buitenlander in een regentijd van laarzentrekkers en
borstels.
Mevrouw Chick had ten aanzien van dit schrikkelijk onheil drie
denkbeelden. Het eerste was, dat zij het niet begrijpen kon. Het
tweede, dat haar broeder zich niet ingespannen had. Het derde, dat het
nooit gebeurd zou zijn, als zij op den dag dier eerste partij op het
diner was gevraagd, en dat zij dit toen gezegd had.
Niemands gevoelen weerde het ongeluk af, verlichtte of verzwaarde het.
Men vernam dat de zaken van het kantoor zoo goed het gaan wilde
geliquideerd zouden worden; dat mijnheer Dombey vrijwillig al wat hij
bezat had afgestaan en van niemand eenige gunst wilde hebben. Dat er
aan geen weder opvatten van de zaken te denken was, daar hij van geene
schikking tot dat einde wilde hooren; dat hij alle posten van eer en
vertrouwen, die hij, als een man van aanzien onder de kooplieden,
bekleedde, had neergelegd; dat hij doodziek was, volgens sommigen; dat
hij tot eene zwaarmoedige waanzinnigheid was vervallen, volgens
anderen; dat hij geheel geruïneerd was, volgens allen.
De klerken verstrooiden zich, nadat zij onder elkander een
condoleantie-dineetje hadden gegeven, waarbij comische liedjes werden
gezongen, en waarbij men zich uitmuntend vermaakte. Sommige kregen eene
andere betrekking buitensland, sommige op een ander kantoor thuis;
sommige gingen familiebetrekkingen opzoeken, voor welke zij zich
eensklaps herinnerden eene bijzondere genegenheid te hebben; en sommige
adverteerden in de couranten om eene plaats. Perch bleef van het
geheele personeel alleen over, en zat op zijn bankje naar de vreemde
indringers te kijken, of sloofde zich uit om den voornaamsten daarvan,
die hem aan een postje bij de assurantiemaatschappij zou helpen, te
believen. Spoedig begon het kantoor er smerig en verwaarloosd uit te
zien. De koopman in pantoffels en halsbanden, op den hoek, zou
getwijfeld hebben of het hem wel voegde om nu nog naar den rand van
zijn hoed te wijzen, als Dombey zich daar weder had vertoond; de
kruier, met zijne handen onder zijn wit sloofje, hield zedekundige
bespiegelingen over den hoogmoed, waarvan het spreekwoord, naar zijne
gedachten, niet te vergeefs zeide dat hij voor den val komt.
Morfin, de oude vrijer met grijzende haren en bakkebaarden, was
misschien de eenige van het kantoor—het hoofd daarvan natuurlijk
uitgezonderd—die waarlijk diep getroffen was door de ramp, welke het
overkomen was. Hij had Dombey vele jaren lang met genoegzamen eerbied
behandeld, maar nooit zijn natuurlijk karakter ontveinsd, of tot eigen
voordeel laaggeestig zijn heerschenden hartstocht gevleid. Hij had
derhalve geene zelfverachting te wreken, geene lang knellende banden
los te rukken. Hij werkte vroeg en laat om alles te verduidelijken wat
in de boeken duister en ingewikkeld was; hield zich altijd gereed om op
te helderen wat opheldering noodig had; zat dikwijls des avonds laat
nog in zijne oude kamer op moeielijkheden te studeeren, door welker
oplossing hij Dombey de onaangenaamheid kon besparen van persoonlijk
ondervraagd te worden; en ging dan naar zijne woning te Islington om,
eer hij naar bed ging, zijn gemoed tot kalmte te brengen door de
treurigste en weemoedigste klanken uit zijne violoncel te halen.
Hij zat zich eens op een avond, toen het verloop van den dag hem
bijzonder ontmoedigd had, met het welluidend gebrom der zwaarste tonen
te troosten, toen zijne huiswaardin (die gelukkig doof was, en geene
andere bewustheid had van zijne muziek dan door het gevoel van een
dreunen door haar gebeente) hem kwam zeggen, dat er eene dame was om
hem te spreken.
“In den rouw,” zeide zij.
De violoncel zweeg onmiddellijk, en nadat de speler dit instrument zeer
behoedzaam op de sofa had gelegd, gaf hij een teeken, dat de dame mocht
binnenkomen. Hij ging zelf terstond naar buiten en ontmoette Harriët
Carker op het portaal.
“Alleen!” zeide hij. “En John van morgen nog hier? Is er iets gebeurd,
lieve? Maar neen,” voegde hij er bij, “uw gezichtje zegt heel wat
anders.”—“Ik vrees dan dat het iets zeer eigenlievends verraadt,”
antwoordde zij.—“Het staat heel vergenoegd,” zeide hij, “en als het
eigenliefde verraadt, is dat, als wat nieuws, wel de moeite waard om
bij u te zien. Maar ik geloof dat niet.”
Hij had nu een stoel voor haar gezet, en plaatste zich tegenover haar,
terwijl de violoncel op de sofa tusschen hen in lag.
“Het zal u niet verwonderen dat ik alleen kom, of dat John u niet
gezegd heeft dat ik zou komen,” zeide Harriët, “en zult gij dat wel
gelooven, als ik u zeg waarom ik kom. Mag ik dat nu doen?”—“Gij kunt
niet beter.”—“Waart ge niet bezig?”
Hij wees naar de violoncel en zeide: “Dat ben ik den geheelen dag
geweest. Hier is mijn getuige. Ik heb hem al mijne zorgen toevertrouwd.
Ik wenschte dat ik er geen had dan voor mij zelven.”—“Is het geheel ten
einde met het kantoor?”—“Geheel ten einde.”—“Zal het nooit weer worden
hervat?”—“Nooit.”
De heldere uitdrukking van haar gezichtje werd niet verduisterd, toen
hare lippen dit woord herhaalden. Hij scheen dit met eenige
verwondering onwillekeurig op te merken en zeide nog eens:
“Nooit. Gij herinnert u wel wat ik gezegd heb. Het is sedert lang
onmogelijk geweest hem van iets te overtuigen, onmogelijk met hem te
redeneeren; somtijds onmogelijk hem te naderen. Het ergste is gebeurd.
Het huis is gevallen om nooit weer opgebouwd te worden.”—“En is
mijnheer Dombey zelf geruïneerd?”—“Geruïneerd.”—“Heeft hij geen
bijzonder vermogen over? Niets?”
Zekere drift in haar toon en iets dat bijna blijdschap was in haar
blik, scheen hem meer en meer te verwonderen, en hem tevens te leur te
stellen en wanluidend met zijn eigen gevoel te strijden. Hij trommelde
met zijne vingers op de tafel, zag haar oplettend aan, schudde zijn
hoofd en zeide, na eene poos:
“De middelen van mijnheer Dombey zijn mij niet nauwkeurig bekend; maar
hoewel zij ontwijfelbaar zeer groot zijn, zijn daarentegen zijne
verplichtingen ontzettend. Hij is een man van eer en strenge
rechtschapenheid. Een ander in zijne positie had zich kunnen redden, en
menigeen zou dat gedaan hebben, door een accoord te maken, dat het
verlies van hen, die zaken met hem hadden gedaan, maar zeer weinig,
bijna onmerkbaar, zou vergroot hebben, en waardoor hij iets zou hebben
overgehouden om van te leven. Maar hij heeft besloten den laatsten
penning te betalen, die zijne middelen kunnen opbrengen. Zijne eigene
woorden zijn, dat hij alle schulden van het kantoor geheel of bijna
geheel zal afdoen, en dat niemand veel kan verliezen. O, jufvrouw
Harriët, het zou ons geen kwaad doen, als wij meer bedachten, dan wij
dit wel doen, dat ondeugden somtijds maar tot een uiterste gedrevene
deugden zijn! Nu vertoont zijn trots zich van den goeden kant.”
Zij hoorde hem aan met geen of weinig verandering in hare trekken, en
met eene verdeelde aandacht, die bewees, dat zij aan iets anders dacht.
Toen hij zweeg, vroeg zij hem haastig:
“Hebt gij hem binnen kort gezien?”—“Niemand ziet hem. Als deze crisis
van zijne zaken hem noodzaakt om zijn huis te verlaten, gaat hij om die
reden uit, en dan weder naar huis, en sluit zich op, en wil niemand
zien. Hij heeft mij een brief geschreven, waarin hij van onze vroegere
betrekking spreekt, met meer eer voor mij dan ik verdiende, en afscheid
van mij neemt. Ik ben huiverig, om mij nu aan hem op te dringen, daar
ik in betere tijden nooit veel omgang met hem gehad heb; maar ik heb
toch beproefd dat te doen. Ik heb geschreven, ben daar naar toe gegaan,
heb gebeden. Geheel vruchteloos.”
Hij sloeg haar gade, als hoopte hij dat zij meer meewarigheid aan den
dag zou leggen, dan zij nog gedaan had, en sprak met ernst en gevoel,
als om meer indruk op haar te maken; maar hare trekken veranderden
niet.
“Wel, jufvrouw Harriët,” zeide hij met een gezicht vol teleurstelling,
“dat doet er niet toe. Gij zijt hier gekomen om dit te hooren. Gij hebt
iets anders en aangenamers in uwe gedachten. Laat het ook in de mijne
komen, dan zullen wij meer op gelijken voet met elkander praten. Kom
aan.”—“Neen, wij hebben hetzelfde in onze gedachten,” antwoordde
Harriët met onbewimpelde verrassing. “Is dat niet waarschijnlijk? Is
het niet natuurlijk, dat John en ik veel denken en spreken over die
groote veranderingen? Mijnheer Dombey, dien hij zoovele jaren gediend
heeft—gij weet op welken voet—zoo arm geworden als gij zegt, en wij
rijk!”
Welk een goed en oprecht gezichtje zij ook had, beviel het den ouden
vrijer met grijzend haar thans, nu deze straal van blijdschap het
verhelderde, toch minder dan het hem ooit had bevallen.
“Ik behoef u niet te herinneren,” vervolgde Harriët, hare oogen
neerslaande naar haar zwart kleed, “waardoor onze omstandigheden zoo
veranderd zijn. Gij hebt niet vergeten, dat onze broeder James, op dien
schrikkelijken dag, geen testament naliet en geene bloedverwanten
behalve ons?”
Het gezichtje was hem nu aangenamer, schoon het bleek en treurig werd,
dan een oogenblik geleden. Hij scheen vrijer adem te halen.
“Gij kent onze geschiedenis,” zeide zij, “de geschiedenis van mijne
beide broeders, in betrekking tot dien ongelukkigen man, van wien gij
zoo naar waarheid hebt gesproken. Gij weet, hoe weinig behoeften wij
hebben—John en ik—en hoe weinig het geld ons kan baten, na het leven,
dat wij zoovele jaren te zamen hebben geleid; vooral nu hij, door uwe
goedheid, een inkomen heeft, dat ruim genoeg voor ons is. Gij zijt dus
niet onvoorbereid om te hooren, welke gunst ik van u kom vragen?”—“Dat
weet ik haast niet. Een oogenblik geleden was ik het wel. Nu geloof ik
van neen.”—“Van mijn dooden broeder zeg ik niets. Als de dooden weten
wat wij doen—maar gij verstaat mij. Van mijn levenden broeder zou ik
veel kunnen zeggen, maar wat behoef ik meer te zeggen, dan dat die
plichtvervulling, waartoe ik uwe onmisbare hulp kom vragen, geheel
zijne gedachte is, en hij niet kan rusten voordat hij ze volbracht
heeft.”
Zij sloeg hare oogen neder, en de blijdschap, die haar gezicht
verhelderde, begon nu voor de oplettende oogen, die haar gadesloegen,
iets schoons te krijgen.
“Het moet zeer stil en geheim gedaan worden,” vervolgde zij. “Uwe kunde
en ondervinding zullen u wel een weg aanwijzen om het te doen. Mijnheer
Dombey zal misschien in de meening kunnen gebracht worden, dat er
onverwacht nog iets uit de schipbreuk van zijn vermogen is gered; of
dat het eene vrijwillige hulde aan zijn eervol karakter is van
sommigen, met wie hij groote zaken heeft gedaan; of dat het de betaling
van eene lang uitgeschrapte schuld is. Er moeten vele manieren zijn om
het te doen. Gij zult de beste wel weten te kiezen. De gunst, die ik
van u kom vragen, is dat gij dit voor ons op uwe eigene vriendelijke,
edele, bedachtzame manier wilt doen. Dat gij er nooit van tegen John
wilt spreken, wiens grootste genoegen in deze daad van vergoeding is,
ze onbekend en ongeprezen te verrichten; dat maar een zeer klein
gedeelte der erfenis voor ons bewaard zal worden, totdat mijnheer
Dombey zijn leven lang de interest van het overige zal genoten hebben;
dat gij ons geheim getrouw zult bewaren—maar daarvan ben ik zeker; en
dat er van dezen tijd af tusschen u en mij maar zelden van gefluisterd
mag worden, maar het alleen in mijne gedachten mag leven, als eene
nieuwe reden tot dankbaarheid aan den hemel, en tot blijde trotschheid
op mijn broeder.”
Zulk eene blijdschap kon van het gelaat van een engel stralen, wanneer
één boetvaardig zondaar den hemel binnentreedt, onder negen en negentig
rechtvaardigen. Zij werd niet beneveld door de tranen, die hare oogen
vulden, maar blonk daardoor nog te helderder uit.
“Mijne lieve Harriët,” zeide Morfin, na eene poos van stilte, “daarop
was ik geheel niet verdacht. Moet ik verstaan, dat gij uw eigen aandeel
in de erfenis aan uw goed oogmerk dienstbaar wilt maken, evenals dat
van John?”—“O ja,” antwoordde zij. “Nu wij zoolang alles te zamen
hebben gedeeld, en geene zorg of hoop of doel van elkander afgescheiden
hebben gehad, zou ik het nu kunnen dragen, dat ik van mijn deel hierin
werd uitgesloten? Mag ik niet vorderen, tot het laatste toe mijn
broeders deel- en lotgenoote te zijn?”—“De hemel verhoede, dat ik dat
zou betwisten,” antwoordde hij.—“Wij mogen ons dus op uwe
vriendschappelijke hulp verlaten?” zeide zij, “Dat wist ik ook
wel.”—“Ik zou een slechter mensch wezen—dan ik hoop te zijn, of mij
zelve gaarne voor zou houden, als ik u dat niet met hart en ziel kon
verzekeren. Dat moogt gij, zonder bedenken. Op mijne eer, ik zal uw
geheim bewaren. En als het blijken mocht, dat mijnheer Dombey zoo arm
is, als ik vrees dat blijken zal, wanneer hij bij een voornemen blijft,
waarvan niemand hem schijnt te kunnen afbrengen, zal ik u helpen om het
plan uit te voeren, waartoe gij en John gemeenschappelijk besloten
hebt.”
Zij gaf hem hare hand en dankte hem met hartelijke blijdschap.
“Harriët,” zeide hij, hare hand vasthoudende, “u een woord te zeggen
van de waarde van eenige opoffering, die gij nu doen kunt—vooral van
eene opoffering van enkel geld—zou nutteloos en aanmatigend zijn. U te
vermanen om u nog eens op uw voornemen te bedenken, of het binnen
engere grenzen te beperken, zou, dat gevoel ik, dit evenzeer wezen. Het
voegt mij niet, het groote slot eener groote geschiedenis te bederven
door iemand mijn eigen zwak begrip te willen opdringen. Het voegt mij
alleen, mijn hoofd te buigen voor wat gij mij toevertrouwt, overtuigd,
dat het u door iets hoogers wordt ingegeven, dan mijne ellendige
wereldkennis. Ik wil dit alleen zeggen; ik ben uw getrouwe rentmeester;
en ik wil dat, en uw uitverkoren vriend, liever zijn, dan ik iets
anders in de wereld zou kunnen wezen, of ik moest u zelve kunnen zijn.”
Zij dankte hem nog eens hartelijk en wenschte hem goedennacht.
“Gaat gij naar huis?” zeide hij. “Laat mij met u meegaan.”—“Van avond
niet. Ik ga nu niet naar huis. Ik moet nog alleen een bezoek brengen.
Zult gij morgen komen?”—“Goed, goed,” zeide hij. “Ik zal morgen komen.
Ondertusschen zal ik eens daarover denken. Misschien zult gij er ook
over denken, lieve Harriët—en—en een weinigje aan mij denken in verband
daarmede.”
Hij hielp haar in eene koets, die haar voor de deur stond te wachten;
en als zijne huiswaardin niet doof was geweest, had zij hem, terwijl
hij weder naar boven ging, hooren mompelen, dat wij slaven der gewoonte
zijn, en dat het eene treurige gewoonte is een oud vrijer te zijn.
Daar de violoncel nog tusschen de twee stoelen op de sofa lag, nam hij
dat instrument op, zonder den ledigen stoel weg te zetten, en zat, zijn
hoofd schuddende tegen den ledigen stoel, nog lang, zeer lang te zagen.
De uitdrukking, die hij in het eerst aan zijn instrument mededeelde,
schoon weemoedig en aandoenlijk, was nog niets bij de uitdrukking, die
hij aan zijn eigen gezicht gaf, en die zoo sterk was, dat hij meer dan
eens kapitein Cuttle’s hulpmiddel moest te baat nemen en zijn gezicht
met zijne mouw afvegen. Langzamerhand evenwel ging de violoncel, in
overeenstemming met zijn eigen gemoed, tot de vroolijke tonen van den
Zangerigen Hoefsmid over, welke melodie hij nogmaals en nogmaals
overspeelde, tot zijn eigen verhelderd gezicht blonk gelijk het metaal
op het aanbeeld van een echten hoefsmid. Kortom, de violoncel en de
ledige stoel hielden den ouden vrijer gezelschap tot dicht bij
middernacht; en toen hij zijn avondmaal gebruikte, scheen de violoncel,
in den hoek der sofa overeindgezet, uit zijne kromme oogholten tegen
den ledigen stoel te lonken, alsof beide meer wisten dan zij konden
zeggen.
Toen Harriët het huis verliet, reed de voerman der huurkoets, een weg
inslaande die hem blijkbaar niet nieuw was, verscheidene straten in die
voorstad door, tot hij aan eene opene plek kwam, waar, tusschen tuinen,
eenige nederige oude huisjes stonden. Aan het tuinhek van een dier
huisjes hield hij op en stapte Harriët af.
Toen zij zacht aanschelde, werd haar opengedaan door eene vrouw met een
beklaaglijk, bijna kleurloos gezicht, opgetrokkene wenkbrauwen en het
hoofd op zijde hangende, die diep voor haar neeg en haar door den tuin
naar het huis bracht.
“Hoe is het met de zieke van avond?” zeide Harriët.—“Heel min, vrees
ik, jufvrouw. O, hoe dikwijls doet zij mij aan mijn ooms Betsey Jane
denken!” antwoordde de vrouw met zekere treurige verrukking.—“In welk
opzicht?” vroeg Harriët.—“In alle opzichten, jufvrouw,” was het
antwoord, “behalve dat zij volwassen is, en Betsey Jane, toen zij op
den oever van den dood lag, nog maar een kind was.”—“Maar gij hebt mij
verteld dat zij beter werd,” merkte Harriët aan, “en dus is er des te
meer reden om te hopen, jufvrouw Wickam.”—“Och, jufvrouw, hoop is iets
heel goeds voor menschen, die ze verdragen kunnen,” zeide jufvrouw
Wickam, haar hoofd schuddende. “Ik ben er niet toe in staat, maar ik
mag het toch wel lijden. Ik benijd zelfs de menschen, die zoo gelukkig
zijn.”—“Gij moest wat vroolijker wezen,” merkte Harriët aan.—“Wel
bedankt, jufvrouw, inderdaad,” antwoordde jufvrouw Wickam zeer stroef.
“Al wilde ik dat, dan zou de eenzaamheid van mijn post hier—gij zult
mij niet kwalijk nemen, dat ik zoo vrij spreek—mij dat toch binnen vier
en twintig uren onmogelijk maken. Maar dat is nog niet alles. Ik wilde
liever niet. Van het weinigje moed, dat ik er ooit toe had, ben ik
eenige jaren geleden te Brighton beroofd, en ik geloof dat het zoo
beter voor mij is.”
Het was dezelfde jufvrouw Wickam, die jufvrouw Richards als verzorgster
van den kleinen Paul had vervangen, en die nu meende, dat zij door het
bedoelde verlies, onder het dak der beminnelijke mevrouw Pipchin,
inderdaad gewonnen had. De uitmuntende, door lange gewoonte geheiligde,
methode, volgens welke doorgaans de akeligste en onaangenaamste
menschen, die men met mogelijkheid vinden kan, tot ziekenoppassters en
dergelijke betrekkingen worden verkozen, had jufvrouw Wickam eene zeer
goede klandizie in dat vak bezorgd, en deed hare ernstige denkwijs als
eene aanbeveling te meer beschouwen.
Jufvrouw Wickam, ging, met opgetrokkene wenkbrauwen, het hoofd op zijde
en het licht in de hand, vooruit naar boven naar eene nette, zindelijke
kamer, waaraan eene andere flauw verlichte kamer grensde, waarin een
bed stond. In de eerste kamer zat eene oude vrouw voor het opene
venster werktuiglijk in de duisternis te staren. In de tweede lag, op
het bed uitgestrekt, de schim van eene gedaante, die eens op een
winteravond den stormwind en den regen tartte, nu nauwelijks te
herkennen, behalve aan het lange zwarte haar, dat zoo bijzonder zwart
scheen bij het bleeke gezicht en al het witte in het rond.
O, die sterke oogen en dat zwakke lichaam! Die oogen, die zich snel en
helder naar de deur keerden toen Harriët binnenkwam, en dat zwakke
hoofd, dat zich niet kon opbeuren en zich zoo langzaam op het kussen
omdraaide!
“Alice!” zeide Harriët vriendelijk. “Kom ik niet laat van avond?”—“Het
schijnt altijd laat, maar gij komt toch altijd vroeg.”
Harriët had zich nu bij het bed neergezet, en legde hare hand op de
uitgeteerde hand, die op het dek lag.
“Ge zijt wat beter?”
Jufvrouw Wickam, die als een naargeestig spook aan het einde van het
bed stond, schudde zeer krachtig haar hoofd om dit vermoeden tegen te
spreken.
“Het komt er weinig op aan,” zeide Alice met een flauwen glimlach.
“Beter of erger vandaag, maakt maar een dag verschil—misschien zooveel
niet eens.”
De ernstig denkende jufvrouw Wickam gaf door een zwaren zucht hare
goedkeuring te kennen; en nadat zij het dek aan het voeteneinde had
betast, als dacht zij de koude voeten van de lijderes daardoor heen te
voelen, ging zij wat met de medicijnfleschjes op de tafel rinkelen, als
wilde zij zeggen: “zoolang er leven is, moet men toch innemen.”
“Neen,” fluisterde Alice, “slecht gedrag en wroeging, vermoeienis,
gebrek, weer en wind, storm van buiten en storm van binnen, hebben mijn
leven versleten. Het zal niet lang meer duren.”
Zij trok, zoo sprekende, de hand hooger op en legde haar gezicht
daartegen.
“Ik lig hier somtijds te denken, dat ik gaarne zou willen leven tot ik
tijd had gehad, om u te toonen hoe dankbaar ik zou kunnen zijn. Maar
dat is eene zwakheid en gaat gauw voorbij. Het is beter zóó voor u.
Beter voor mij.”
Hoe geheel anders vatte zij de hand, dan zij eens bij dien haard op
dien barren winteravond had gedaan. Haat, woede, roekeloosheid,
halsstarrigheid—zie hier wat er van komt. Dit is het einde.
Nadat jufvrouw Wickam genoeg met de fleschjes had gerinkeld, kwam zij
nu met het drankje aan. Zij keek de lijderes scherp aan terwijl zij
dronk, kneep haar mond daarbij dicht en schudde haar hoofd, om aan te
duiden, dat geene martelingen haar konden doen zeggen, dat het een
hopeloos geval was. Daarna ging zij heen om zich beneden met wat gebak
te versterken.
“Hoelang is het geleden,” zeide Alice, “dat ik bij u kwam en u zeide
wat ik gedaan had, en gij onderricht werdt, dat het te laat was om
iemand na te zenden?”—“Over het jaar,” antwoordde Harriët.—“Over het
jaar,” zeide Alice, haar peinzend aanziende. “Maanden aan maanden
sedert gij mij hier gebracht hebt!”
Harriët antwoordde: “Ja!”
“Mij hier gebracht hebt met geweld van goedheid en zachtheid! Mij!”
zeide Alice, haar gezicht achter de hand verbergende. “En mij tot een
mensch hebt gemaakt door de oogen en woorden van eene vrouw en de daden
van een engel!”
Harriët, over haar heengebogen, poogde haar te bedaren en te troosten.
Weldra vroeg Alice, nog zoo liggende, met die hand tegen haar gezicht,
om hare moeder te roepen.
Harriët riep haar meer dan eens, maar de oude vrouw was zoo verdiept in
haar turen in de duisternis, dat zij niet hoorde. Eerst toen Harriët
naar haar toe ging en haar aanraakte, stond zij op en kwam.
“Moeder!” zeide Alice, die hand weder vattende, en hare glansrijke
oogen liefdevol op hare weldoenster vestigende; “zeg haar wat gij
weet.”—“Van avond, liefje?”—“Ja, moeder,” antwoordde Alice, zacht en
plechtig. “Vanavond.”
De oude vrouw, wier verstand door angst of wroeging gekrenkt scheen te
zijn, kwam naar het bed gekropen, aan den kant tegenover dien, waar
Harriët zat; en daar neerknielende, zoodat zij haar gerimpeld gezicht
op gelijke hoogte met het dek bracht, en hare hand uitstekende, zoodat
zij Alice’s arm aanraakte, begon zij:
“Mijne mooie dochter—”
Hemel, welk een kreet was dat, waarmede zij zich stuitte, toen zij de
gedaante in dat bed aanzag!
“Al lang geleden veranderd, moeder,” zeide Alice zonder haar aan te
zien. “Maak u daarom nu niet meer bedroefd.”—“Mijne dochter,” zeide de
oude vrouw haperend, “die gauw weer beter zal worden, en ze dan allen
beschaamd zal maken met haar mooi.”
Alice zag Harriët met een treurigen glimlach aan, en streelde die hand,
maar zeide niets.
“Die gauw weer beter zal worden, zeg ik,” herhaalde de oude vrouw,
dreigende hare dorre vuist schuddende, “en ze dan allemaal beschaamd
maken met haar mooi—dat zal zij. Ik zeg dat zij zal—dat moet zij,” als
sprak zij met hartstochtelijke drift tegen een onzichtbaar persoon bij
het bed, die haar tegensprak. “Mijne dochter is verzaakt en verbannen,
maar zij kon op hare bloedverwantschap op groote lieden roemen, als zij
wilde. Ja, op groote trotsche lieden! Er bestaat ook bloedverwantschap
zonder uwe geestelijken en trouwringen—zij maken ze, maar zij kunnen ze
niet breken—en mijne dochter is van goede familie. Wijs mij mevrouw
Dombey, en gij wijst mij Alice’s volle nicht.”
Harriët zag van de oude vrouw naar de glanzige oogen, die haar
aanstaarden, en las daarin eene bevestiging.
“Wat!” riep de oude vrouw, met akelige ijdelheid haar hoofd
oprichtende. “Al ben ik nu oud en leelijk—maar toch veel ouder door
mijne manier van leven dan door mijne jaren—ik ben eens zoo jong
geweest als iemand. Ja, en zoo mooi ook als velen! Ik was een frisch
boerenmeisje in mijn tijd, liefje,” haar arm over het bed naar Harriët
uitstrekkende, “en zag er goed uit. Waar ik woonde waren mevrouw
Dombey’s vader en zijn broeder de vroolijkste heeren, die daar van
Londen kwamen logeeren—maar zij zijn al lang dood! och Heere! al heel
lang. De broeder, die mijn Ally’s vader was, al het langst van de
twee.”
Zij lichtte haar hoofd op en zag hare dochter turend aan, als bracht de
herinnering harer eigene jeugd haar op die van haar kind. Toen viel zij
eensklaps met haar gezicht op het bed, en klemde haar hoofd tusschen
hare handen.
“Zij geleken zoo sterk op elkander,” zeide de oude vrouw, zonder op te
zien, “als twee broeders maar konden doen, zoo gelijk van jaren—zij
scheelden niet veel meer dan een jaar, herinner ik mij—en als gij mijne
dochter hadt kunnen zien, zooals ik haar eens gezien heb, vlak naast de
dochter van dien anderen, zoudt gij, met al het verschil van kleeding
en manieren, gezien hebben, dat zij op elkander geleken. O, de
gelijkenis is weg—en het is mijne dochter—mijne dochter alleen—die zoo
moest veranderen!”—“Wij zullen allen veranderen, moeder, op onze
beurt,” zeide Alice.—“Beurt!” riep de oude vrouw. “Maar waarom niet
hare beurt even gauw als mijn dochters beurt! De moeder moet veranderd
zijn—zij zag er even oud en gerimpeld uit als ik, door haar blanketsel
heen—maar zij was mooi gebleven. Wat heb ik gedaan, wat heb ik erger
gedaan dan die andere, dat mijne dochter alleen daar moet liggen
verkwijnen!”
Met een woesten gil liep zij naar de kamer, waaruit zij gekomen was;
maar terstond weder in eene andere stemming komende, keerde zij weerom,
kroop naar Harriët toe en zeide:
“Dat is het wat Alice wilde, dat ik zou zeggen, liefje. Dat is alles.
Ik ontdekte het eens op een zomer in Warwickshire, toen ik haar zag en
vroeg wie zij was. Zulke bloedverwanten konden mij toen niet baten. Zij
zouden mij niet erkend hebben en hadden mij niets te geven. Ik zou ze
misschien naderhand toch om een beetje geld hebben gevraagd, als het
niet om Alice was geweest; zij zou mij vermoord hebben, geloof ik, als
ik het gedaan had. Zij was zoo trotsch als die andere op hare manier,”
zeide de oude vrouw, vreesachtig het gezicht harer dochter aanrakende
en daarop hare hand terugtrekkende, “al houdt zij zich nu zoo bedaard;
maar zij zal ze toch nog beschaamd maken met haar mooi. Ha, ha! zij zal
ze beschaamd maken—mijne mooie dochter!”
De lach, waarmede zij heenging, was akeliger dan haar gillen; akeliger
dan het kinderachtig gejammer, dat daarop volgde; akeliger dan de
sufheid, waarmede zij zich weder op haar stoel zette en in de
duisternis staarde.
De oogen van Alice waren al dien tijd op Harriët gevestigd gebleven,
welker hand zij niet had losgelaten. Nu zeide zij:
“Terwijl ik hier lag, dacht ik dikwijls dat ik u dit gaarne wilde doen
weten. Het kon, dacht ik, iets verklaren, dat er toe bijdroeg om mij te
verharden. Ik had, onder mijn kwaad doen, zooveel van mijne
verwaarloosde plichten gehoord, dat ik begon te gelooven dat anderen
integendeel hun plicht jegens mij hadden verzuimd, en dat er van het
zaad, dat zij gezaaid hadden, geen andere oogst kon groeien. Ik meende
te zien dat, wanneer dames eene slechte moeder en een onaangenaam leven
hadden, zij op hare manier ook den slechten weg opgingen, maar dat hare
manier niet zoo schandelijk was als de mijne, en dat zij daarvoor God
mochten danken. Dat is alles voorbij. Het is nu als een droom, dien ik
mij niet goed meer kan herinneren. Het heeft meer en meer naar een
droom gaan gelijken, sedert den dag toen gij begonnen zijt hier bij mij
te zitten en voor mij te lezen. Ik zeg het u maar, zooveel ik mij
herinner. Wilt ge nog wat voor mij lezen?”
Harriët trok hare hand terug om het boek open te slaan, toen Alice die
nog even vasthield.
“Gij zult mijne moeder niet vergeten? Ik vergeef haar, als ik reden
daartoe heb. Ik weet dat zij mij vergeeft, en dat zij in haar hart
bedroefd is. Gij zult haar niet vergeten?”—“Nooit, Alice!”—“Een
oogenblik nog. Leg mijn hoofd zoo, lieve, dat ik, als gij leest, de
woorden op uw vriendelijk gezicht kan zien.”
Harriët voldeed aan dit verlangen en las—las uit het eeuwige boek voor
alle vermoeiden en zwaar beladenen, voor al de rampzaligen, gevallenen
en verwaarloosden dezer aarde—las de gezegende geschiedenis, waarin de
blinde, de lamme, de kreupele bedelaar, de misdadiger, de vrouw met
schande bevlekt, zij, die door hen, welke zich beter achten, worden
vermeden, allen hun deel hebben, dat door geene menschelijke
trotschheid of onverschilligheid, door al de eeuwen, die deze wereld
duren zal, heen, kan worden weggenomen of niet het duizendste deel van
een grein verminderd—las de woorden en daden van Hem, die medelijden
had met alle smarten en angsten van het menschelijk leven.
“Ik zal morgenochtend heel vroeg terugkomen,” zeide Harriët toen zij
het boek sloot.
De glanzige oogen, nog op haar gelaat gevestigd, sloten zich voor een
oogenblik en openden zich weder, en Alice kuste en zegende haar.
Dezelfde oogen volgden haar naar de deur, en toen deze gesloten werd,
kwam er een glimlach op het kalme bleeke gelaat.
Die oogen wendden zich niet weder af. Zij legde hare hand op hare
borst, prevelde den heiligen naam, die voor haar gelezen was, en het
leven verdween uit hare trekken, gelijk een licht dat men wegneemt.
Niets lag daar meer dan de ruïne van het sterfelijke huis, dat de storm
had geteisterd, en het zwarte haar, dat in den winterwind had
gefladderd.