Sownds de kerkeknecht en jufvrouw Miff, de plaatsbewaarster, zijn vroeg
op hun post in de fraaie kerk waar Dombey getrouwd werd. Een
geelzuchtig oud heer uit Indië zal dien morgen eene jonge vrouw
trouwen, en zes koetsen, vol heeren en dames, worden verwacht, en
jufvrouw Miff heeft gehoord dat de geelzuchtige heer den weg naar de
kerk wel met diamanten zou kunnen beleggen en ze bijna niet missen.
De huwelijkszegen zal van de beste qualiteit zijn, want ze zal door een
buitengemeen eerwaardig heer, een Deken, worden uitgesproken, en de
bruid zal, als een buitengewoon presentje, worden weggegeven door een
generaal, die daartoe opzettelijk van het ministerie van oorlog komt.
Jufvrouw Miff kan gemeene lieden dien ochtend nog minder verdragen dan
gewoonlijk, en zij is altijd zeer streng in dit opzicht. Jufvrouw Miff
heeft geene staathuishoudkunde bestudeerd (zij denkt dat die wetenschap
met de Dissenters in verband staat; Baptisten, of Wesleyanen, of zulk
volk, zegt zij), maar zij kan toch nooit begrijpen wat gemeene lieden
zich hebben te laten trouwen. “Wat drommel,” zegt jufvrouw Miff, “men
leest dezelfde formulieren voor hen, en in plaats van souvereinen,
krijgt men halve schellingen.”
Sownds, de kerkeknecht, is liberaler dan jufvrouw Miff—maar hij is ook
geen plaatsbewaarster. “Het moet toch gedaan worden, jufvrouw,” zegt
hij. “Wij moeten ze trouwen. Wij moeten onze nationale scholen hebben
om aan het hoofd van te gaan, en wij moeten onze staande legers hebben.
Wij moeten ze dus wel trouwen, jufvrouw,” zegt Sownds, “om het land aan
den gang te houden.”
Sownds zit op de stoep en jufvrouw Miff veegt de kerk aan, wanneer een
jong paartje, eenvoudig gekleed, binnenkomt. Het stemmige hoedje van
jufvrouw Miff wordt driftig naar hen toegekeerd, want dit vroege bezoek
doet haar aan een geheim huwelijk denken. Maar zij willen zich niet
laten trouwen. “Zij willen de kerk maar eens rondgaan,” zegt de heer,
en daar hij jufvrouw Miff een fatsoenlijk fooitje in de hand stopt,
wordt haar zuur gezicht wat vriendelijker, duikt het stemmige hoedje,
en kraakt hare droge houterige gestalte.
Jufvrouw Miff hervat haar stoffen, en schudt de kussens op—want men
zegt dat de geelzuchtige oude heer gevoelige knieën heeft—maar houdt
haar glazig plaatsbewaarsters oog op het paartje, dat de kerk
rondwandelt. “Ahem!” kucht jufvrouw Miff, wier kuch droger is dan het
hooi in eenig knielkussen, dat zij in bewaring heeft, “gij zult op een
ochtend wel eens bij ons komen, liefjes, als ik mij niet zeer vergis.”
Zij zien naar een steen in den muur, ter gedachtenis van een doode daar
geplaatst. Zij zijn ver van jufvrouw Miff af, maar deze kan toch met
een half oog zien, hoe zij op zijn arm leunt, en hoe zijn hoofd tot
haar neergebogen is. “Wel, wel,” zegt jufvrouw Miff, “ge zoudt wel
erger kunnen doen. Want ge zijt een knap paar.”
Jufvrouw Miff’s gezegde heeft niets persoonlijks. Zij spreekt slechts
van de materialen van haar beroep. Zij let bijna niet meer op paartjes
dan op doodkisten. Zij is zulk eene magere, stokkerige, droge oude
vrouw, dat men haast evenveel gevoel in eene geschaafde krul zou kunnen
verwachten. Sownds daarentegen, die vleezig is, heeft een ander
temperament. Hij zegt, terwijl zij op de stoep het heengaande paartje
staan na te zien, dat zij een net figuurtje heeft, niet waar, en zoo
goed hij zien kon (want zij liet haar hoofdje hangen toen zij
buitenkwam) een ongemeen lief gezichtje. “Over het geheel, jufvrouw
Miff,” zegt Sownds zeer smakelijk, “is zij wat men een rozeknopje zou
kunnen noemen.”
Jufvrouw Miff stemt dit met een droog knikje toe, maar keurt het zoo
weinig goed, dat zij heimelijk voorneemt, dat zij de vrouw van Sownds
niet zou willen worden voor zooveel geld als hij haar maar geven kon,
kerkeknecht als hij is.
En wat zegt het jonge paartje als het de kerk verlaat en het hek
uitgaat?
“Lieve Walter, ik dank u. Nu kan ik vergenoegd heengaan.”—“En als wij
terugkomen, Florence, zullen wij nog eens naar zijn graf komen zien.”
Florence slaat hare heldere, maar betraande oogen naar hem op, en legt
hare andere hand op het handje, dat zijn arm omknelt.
“Het is nog heel vroeg, Walter, en de straten zijn bijna leeg. Laten
wij nog wat wandelen.”—“Maar ge zult zoo moe worden, liefje.”—“O neen!
Ik was heel moe de eerste maal toen wij samen wandelden, maar vandaag
zal ik niet moe worden.”
En zoo—niet veel veranderd—zij even onschuldig en hartelijk—hij even
rondborstig, even vol hoop en nog trotscher op haar—wandelen Florence
en Walter, op den ochtend van hun trouwdag, te zamen langs de straten.
Zelfs niet bij die kinderlijke wandeling van zoolang geleden, waren zij
meer van de geheele wereld om hen heen afgezonderd geweest, dan op dien
ochtend. De kinderlijke voeten van zoolang geleden betraden geen zulken
toovergrond als zij nu betraden. Kinderlijke liefde en vertrouwen
kunnen menigmaal ontstaan en menigmaal gegeven worden, maar Florence’s
vrouwelijk hart kan maar eenmaal worden weggeschonken, en kan, als het
verworpen of verwaarloosd wordt, slechts verkwijnen en sterven.
Zij nemen de stilste straten en komen die, waar hare oude woning staat,
niet nabij. Het is een heldere, warme zomerochtend, en de zon beschijnt
hen, terwijl zij op den zich verdonkerenden nevel toegaan, die de City
overspreidt. Schatten worden in de winkels ontbloot; juweelen, goud en
zilver schitteren voor de zonnige vensters van den goudsmid, en groote
huizen werpen eene statige schaduw op hen als zij voorbijgaan. Maar
door het licht en door de schaduw wandelen zij verliefd te zamen voort,
zonder om andere schatten te denken dan zij nu in elkander hebben.
Langzamerhand komen zij in donkerder, smaller straten, waar men de zon,
nu geel, dan rood, niet anders ziet dan op de hoeken of op kleine opene
plekken, waar een boom of eene van de ontelbare kerken staat, of waar
een opgang met trappen is, of een wonderlijk plekje tuin, of eene
begraafplaats met bijna zwarte zerken en gedenksteenen. Vol vertrouwen
en liefde, gaat Florence door al die smalle straatjes en stegen, aan
zijn arm hangende, met hem mede, om zijne vrouw te worden.
Haar hart klopt nu sneller, want Walter zegt haar dat hunne kerk
dichtbij is. Zij gaan eenige groote pakhuizen voorbij, met wagens en
karrelieden voor de deur, die den weg verstoppen—maar Florence ziet of
hoort hen niet—en dan wordt de lucht stil en het daglicht duister, en
staat zij te beven in de kerk, die een zonderlingen reuk, gelijk een
kelder heeft.
Het smerige oude manneke, luider van de teleurgestelde klok, staat in
het portaal, en heeft zijn hoed in de doopvont gelegd—want hij, de
doodgraver, is daar geheel thuis. Hij brengt hen in eene oude,
stofferige, met bruin hout beschotene kerkekamer, die wel naar eene
hoekkast gelijkt, waaruit de planken zijn weggenomen, waar de
doorwormde registers een reuk verspreiden gelijk verschaalde snuif,
hetgeen de betraande Suze aan het niezen helpt.
Hoe jeugdig en schoon is de bruid in deze oude stofferige kamer, met
niets om haar heen dat haar verwant is, behalve haar aanstaanden
echtgenoot! Daar is een stofferige oude voorlezer, die onder eene poort
aan den overkant, achter eene geheele verschansing van paaltjes, een
soort van verschaald nieuwswinkeltje hield. Daar is eene stofferige
oude plaatsbewaarster, die voor niemand te zorgen heeft dan zich zelve,
en daarmede moeite genoeg heeft. Daar is een stofferige oude
kerkeknecht (de kerkeknecht en plaatsbewaarster, die Toots verleden
zondag zijn nageloopen) die iets te doen heeft met een gild, dat
dichtbij een huis of eene hal heeft, met een geschilderd venster er in,
dat geen sterveling nog ooit gezien heeft. Er zijn stofferige houten
lijstwerken, met in- en uitspringende hoeken, boven het altaar en om de
galerij, en boven een opschrift, hetwelk vermeldt wat de Meester en
Broeders van het gemelde gild in het jaar een duizend zeshonderd vier
en negentig gedaan hebben. Er zijn stofferige oude klankborden boven
den preekstoel en den leeslessenaar, die er uitzien als deksels om op
den predikant en den voorlezer neergelaten te worden, in geval zij
aanstoot geven. Daar zijn alle mogelijke inrichtingen en gemakken tot
het bewaren van stof, behalve op het kerkhof, dat maar zeer bekrompen
is.
De kapitein, oom Sam en Toots zijn gekomen, de geestelijke trekt in de
kerkekamer zijn overkleed aan, terwijl de voorlezer om hem rondgaat en
er het stof afblaast, en de bruid en de bruidegom staan voor het
altaar. Er is geene bruidsjuffer,—of Suze Nipper moet er een zijn—en
geen beter vader dan kapitein Cuttle. Een man met een houten been, die
op een appel kauwt en een blauwen zak draagt, komt eens binnen om te
zien wat er gebeurt; maar niets vindende om hem te vermaken, gaat hij
stampend weder heen tusschen de galmende echo’s van het portaal.
Geen vriendelijken lichtstraal ziet men Florence beschijnen, terwijl
zij met schroomvallig gebogen hoofd voor het altaar knielt. De
ochtendzon is daar uitgemetseld. Buiten staat een schrale boom, waarin
de musschen een weinigje zitten te tjilpen; en in een plekje
zonneschijn op een zoldertje hangt een lijster, die onder het formulier
schel begint te zingen, terwijl de man met het houten been heenstampt.
De amens van den stofferigen voorlezer schijnen, gelijk die van
Macbeth, in zijne keel te blijven steken; maar kapitein Cuttle helpt
hem er aan, en doet dit zoo van goeder harte, dat hij drie geheel
nieuwe amens invoegt, op plaatsen van het formulier waar men ze nog
nooit heeft gehoord.
Zij zijn getrouwd, en hebben hunne namen geteekend in een dier oude
muffe registers, en de geestelijke heeft zijn overkleed aan het stof
teruggegeven en is zelf naar huis gegaan. In een donker hoekje der
donkere kerk ligt Florence in Suze’s armen te schreien. Toots’ oogen
zijn rood. De kapitein wrijft zijn neus, oom Sam heeft zijn bril van
zijn voorhoofd naar omlaag geschoven en is de deur uitgegaan.
“God zegen u, Suze, lieve Suze! Als gij ooit getuigenis kunt geven van
de liefde, die ik voor Walter heb, en de reden die ik heb om hem lief
te hebben, doe het dan om zijnentwil. Goedendag! Vaarwel!”
Zij hebben het beter gevonden, niet naar den Adelborst terug te gaan,
maar zoo te scheiden; eene koets staat dichtbij naar hen te wachten.
Suze kan niet spreken; zij snikt maar en liefkoost hare meesteres.
Toots komt nader, poogt haar op te beuren, en wil haar geleider zijn.
Florence geeft hem hare hand—geeft hem, uit de volheid van haar hart,
hare lippen—kust oom Sam en kapitein Cuttle, en wordt door haar jongen
man heengeleid.
Maar Suze kan het niet uitstaan dat Florence met eene droevige
herinnering van haar zal vertrekken. Zij had zoo geheel anders willen
zijn, en doet zich zelve bittere verwijten. Eene laatste poging
willende doen tot herstel van haar goeden naam, rukt zij zich van Toots
los, en loopt de koets na om een afscheidsglimlach te laten zien. De
kapitein, haar oogmerk radende, zet haar na, want hij acht het ook zijn
plicht om hen, zoo mogelijk, met een hoera te laten heenrijden. Oom Sam
en Toots blijven buiten de kerk naar hen staan wachten.
De koets is weg, maar de straat, die steil afloopt, is smal en aan het
einde verstopt, en Suze kan zien dat de koets in de verte moet blijven
staan. Kapitein Cuttle volgt haar terwijl zij heenstuift, en wuift met
zijn blinkenden hoed, als een sein dat misschien de rechte koets zal
aantrekken, en misschien ook niet.
Suze loopt den kapitein vooruit en bereikt de koets. Zij kijkt het
portier in, ziet Walter en naast hem het lieve gezichtje, slaat hare
handen samen en gilt uit:
“Jufvrouw Flore, lieveling! Zie mij toch aan. Wij zijn allen zoo blij
nu. Nog eens goedendag, mijn schat, nog eens!”
Hoe Suze het doet weet zij niet, maar zij bereikt het portier, kust
haar en heeft in een oogenblik de armen om haar hals.
“Wij zijn allen zoo—zoo blij nu, lieve jufvrouw Florence!” zegt Suze,
met eene zeer verdachte hapering in haar adem. “Gij—gij zult nu niet
boos op mij zijn? Zult ge wel?”—“Boos, Suze?”—“Neen, neen, dat zult ge
zeker niet. Ik zeg, dat zult ge niet, mijn lief meesteresje!” roept
Suze. “En hier is de kapitein ook—uw vriend de kapitein, weet ge wel—om
u nog eens goedendag te zeggen.”—“Hoera, mijn hartediefje!” schreeuwt
de kapitein, met een gezicht vol krachtige ontroering. “Hoera, Walter,
mijn jongen, hoera! hoera!”
Met den jongen man aan het eene portier, en de jonge vrouw aan het
andere, met den kapitein op de eene trede, en Suze op de andere,
terwijl de koets tegen wil en dank moet voortrijden, en al de andere
koetsen en wagens oproerig worden omdat zij tegenstribbelt, was er
nooit zooveel verwarring op vier wielen. Maar Suze Nipper blijft dapper
bij haar stuk. Zij houdt tot het laatste toe een lachend gezicht, door
tranen heen lachende, naar hare meesteres gewend. Zelfs toen zij achter
wordt gelaten, blijft de kapitein nog beurtelings voor het portier
verschijnen en verdwijnen, en roept: “Hoera, mijn jongen! Hoera, mijn
hartediefje!” tot elke poging om de koets langer bij te houden,
hopeloos is. Eindelijk is de koets weg. De kapitein komt bij Suze
terug, zij bezwijmt, en wordt een bakkerswinkel ingebracht om weer bij
te komen.
Oom Sam en Toots blijven op het kerkhof geduldig zitten wachten op de
rollaag van het hek, tot kapitein Cuttle en Suze terugkomen. Daar geen
van allen wenscht te spreken of toegesproken te worden, zijn zij
uitmuntend gezelschap voor elkander en volkomen tevreden. Wanneer zij
allen weder bij den houten adelborst komen en zich aan het ontbijt
zetten, kan niemand een brok aanraken. Kapitein Cuttle wil zich houden
alsof hij razend van honger was, maar moet het opgeven. Toots zegt, na
het ontbijt, dat hij des avonds zal terugkomen, en loopt den geheelen
dag door de stad te kuieren, met een onbestemd gevoel, alsof hij in
geen veertien dagen naar bed was geweest.
Er heerscht eene vreemde aantrekkingskracht in het huis en de kamer,
waar men zoo dikwijls bij elkander is geweest, en waaruit zooveel
verdwenen is. Dit verscherpt, en verzacht tegelijk, de smart der
scheiding. Toots zegt Suze, als hij des avonds terugkomt, dat hij den
geheelen dag zoo ellendig is geweest, en dat dit gevoel hem toch wel
bevalt. Hij neemt Suze Nipper, daar hij met haar alleen is, in zijn
vertrouwen, en vertelt haar wat hij wel gevoelde toen zij hem zoo
oprecht hare meening zeide over de waarschijnlijkheid of jufvrouw
Dombey hem ooit zou liefkrijgen. In de vertrouwelijkheid, door deze
gemeenschappelijke herinneringen en hunne tranen voortgebracht, doet
Toots het voorstel, dat zij te zamen zullen uitgaan en wat voor het
avondeten koopen. Daar Suze hierin toestemt koopen zij een goed aantal
kleinigheden; en met hulp van jufvrouw Richards zetten zij, eer de
kapitein en oom Sam thuis komen, een prachtig souper gereed.
De kapitein en de oude Sam zijn aan boord van het schip geweest, en
hebben Di daar gehuisvest en de kisten en koffers bezorgd. Zij hebben
veel te vertellen, hoe bemind en geacht Walter is, en hoeveel gemakken
hij zal hebben, en hoe hij in stilte vroeg en laat heeft gewerkt, om
zijne kajuit, gelijk de kapitein zegt, tot “een schilderijtje” te
maken, en zijn vrouwtje daarmee te verrassen. “Eene admiraalskajuit,”
zegt de kapitein, “kan niet netter wezen.”
Maar het grootste genoegen van den kapitein is, te weten, dat het
groote horloge, en de suikertang en de theelepeltjes aan boord zijn; en
telkens mompelt hij bij zich zelven: “Edward Cuttle, mijn jongen, gij
hebt nooit in uw leven beter koers bezeild, dan toen gij dat
kapitaaltje hebt overgemaakt, gansch en gaar. Gij hadt wel gezien hoe
het land lag, Edward; en dat strekt u tot eer, mijn jongen.”
De oude instrumentmaker is nog verstrooider en mistiger dan hij placht
te zijn, en trekt zich het huwelijk en het afscheid erg aan. Maar het
troost hem zeer, dat hij zijn ouden bondgenoot, Ned Cuttle, bij zich
heeft, en hij zet zich met een vergenoegd en dankbaar gezicht aan het
avondmaal.
“Mijn jongen is bewaard geworden en het gaat hem goed,” zegt de oude
man, in zijne handen wrijvende. “Wat recht heb ik om anders dan
dankbaar en tevreden te zijn!”
De kapitein, die zich nog niet aan tafel heeft gezet, maar eenigen tijd
onrustig heeft rondgedrenteld, en nu aarzelend voor zijne plaats staat,
ziet zijn ouden vriend twijfelachtig aan, en zegt:
“Sam, daar is die laatste flesch ouden Madera nog beneden. Zoudt ge ze
van avond niet boven willen hebben, oude jongen, om op de gezondheid
van Walter en zijne vrouw leeg te drinken?”
De instrumentmaker ziet den kapitein peinzend aan, steekt de hand in
den borstzak van zijne koffiebruine jas, haalt zijne portefeuille te
voorschijn en neemt er een brief uit.
“Aan mijnheer Dombey,” zegt de oude man. “Van Walter. Om over drie
weken te zenden. Ik zal hem lezen:—“Mijnheer. Ik ben met uwe dochter
getrouwd. Zij is met mij op eene verre reis gegaan. Dat ik geheel aan
haar ben toegewijd, geeft mij geene aanspraak op haar of op u, maar God
weet dat ik dat ben. Waarom ik, die haar boven al de aardsche dingen
liefheb, haar toch, zonder gewetensbezwaar, heb vereenigd met al de
onzekerheden en gevaren van mijn leven, zal ik niet zeggen. Gij weet
wel waarom, en gij zijt haar vader. Doe haar geene verwijten. Zij heeft
u nooit iets verweten. Ik denk of hoop niet, dat gij mij ooit zult
vergeven. Er is niets, dat ik minder verwacht. Maar indien er een uur
mocht komen, waarin het u een troost zou zijn te gelooven, dat Florence
altijd iemand bij zich heeft, die het tot de grootste taak van zijn
leven maakt hare herinnering van vroegere smart uit te wisschen,
verzeker ik u plechtig, dat gij dan in dat geloof gerust kunt wezen.””
Samuel stak den brief weder zorgvuldig in zijne portefeuille en de
portefeuille in zijn zak.
“Wij willen de laatste flesch van dien ouden Madera nog niet drinken,
Ned,” zeide de oude man peinzend. “Nog niet.”—“Nog niet,” zeide de
kapitein toestemmend. “Neen. Nog niet.”
Suze en Toots zijn van hetzelfde gevoelen. Na eene poos van stilte
zetten zij zich allen aan den maaltijd en drinken met iets anders op de
gezondheid van het jonge paar; en de laatste flesch van dien ouden
Madera blijft nog ongestoord onder stof en spinrag liggen.
Eenige dagen zijn verloopen, en een statig schip is op zee, en spreidt
zijne witte vleugelen uit voor den gunstigen wind.
Op het dek, voor den ruwsten man aan boord een beeld van al wat schoon
en schuldeloos is—iets dat goed en aangenaam is daar te hebben, en dat
de reis voorspoedig moet maken—is Florence. Het is avond, en zij en
Walter zitten alleen, turende op de baan van licht over de zee,
tusschen hen en de maan.
Eindelijk kan zij niet duidelijk meer zien door de tranen in hare
oogen; en dan laat zij haar hoofdje aan zijne borst zinken, en slaat
hare armen om zijn hals en zegt: “O, lieve Walter, ik ben zoo
gelukkig.”
Haar echtgenoot drukt haar aan zijn hart, en zij blijven stil zitten,
en het statige schip vaart zachtjes voort.
“Als ik de zee hoor en naar haar zit te turen,” zegt Florence, “brengt
mij dat zoovele dagen voor den geest. Het doet mij zooveel
denken—”—“Aan Paul, liefste. Dat weet ik.”
Aan Paul en Walter. De stemmen in de golven fluisteren Florence, met
haar onophoudelijk gemurmel, gedurig toe van eene liefde, eeuwig en
onveranderlijk, niet door de grenzen dezer wereld, of door het einde
van den tijd beperkt, maar reikende, over de zee, over het luchtruim
heen, tot in het verre onzichtbare land!