DE VLUCHTELINGEN.

De tijd, een uur voor middernacht; de plaats, een Fransch apartement,

bestaande uit een half dozijn vertrekken;—eene donkere koude

antichambre of corridor, eene eetzaal, een salon, eene slaapkamer, en

een kabinet of boudoir, kleiner en meer afgelegen dan de andere kamers.

Dat alles afgesloten met eene dubbele deur, die op de groote trap

uitkomt, maar elke kamer voorzien van twee of drie eigene deuren, die

verscheidene middelen van gemeenschap aanbieden met het overige van het

apartement, en zekere smalle gangen tusschen de muren, die, gelijk in

zulke huizen niet ongewoon is, naar eene achtertrap voeren, welke

onderaan een uitgang in eene achterstraat heeft. Alles gelegen op de

verdieping van een hotel, zoo groot, dat dit apartement nog niet eens

eene geheele rij vensters beslaat aan den eenen kant van het

binnenplein, waarop de vier zijden van het gebouw uitzien.

Eene pracht, genoeg verbleekt om iets zwaarmoedigs te hebben, en nog

schitterend genoeg, om door zekeren zweem van staatsie het gewone

gebruik te belemmeren, heerschte in deze vertrekken. De wanden en

zolderingen waren beschilderd en verguld; de vloeren waren ingelegd en

geboend; roode draperieën hingen om vensters, deuren en spiegels;

branches, gewrongen en door elkander gevlochten gelijk takken van

boomen of hoornen van dieren, staken uit de wandpaneelen. Maar overdag,

wanneer de luiken, nu dicht gesloten, open waren, en het licht

binnenscheen, waren onder al dien opschik de sporen zichtbaar van

slijting en stof, van zonneschijn, vochtigheid en rook, en lange

tusschenpoozen van gebrek aan gebruik en bewoning, wanneer zulke

staatsiekamers schijnen te verkwijnen evenals menschen doen, die in

eene gevangenis zijn opgesloten. Zelfs de avond en de groepen van

brandende kaarsen konden deze sporen niet geheel uitwisschen, schoon

het algemeene geflikker ze minder deed opmerken.

Het geflikker van helder brandende bougies en de weerkaatsing daarvan

in spiegels, van verguldsel en schitterende kleuren, was dezen avond

tot maar eene kamer beperkt—dat kleine vertrekje, achter de andere zoo

pas opgenoemde. Uit de voorzaal gezien, waar eene flauwe lamp brandde,

door het donkere verschiet van opene deuren, scheen het glansrijk en

kostbaar als een juweel. In het hart van dien glans zat eene schoone

vrouw—Edith.

Zij was alleen. Haar gelaat had nog dezelfde uitdrukking van

uitdagenden trots. Hare wangen waren eenigszins vermagerd, hare oogen

schenen eenigszins grooter, maar hadden nog meer glans, en hare fiere

houding was juist dezelfde. Geene schaamte op haar voorhoofd; geen laat

berouw boog haar trotschen hals. Nog even statig en gebiedend, en toch

onverschillig voor zich zelve en alle andere dingen, zat zij daar, met

hare donkere oogen neergeslagen, naar iemand te wachten.

Geen boek, geen werk, geene bezigheid hoegenaamd behalve hare eigene

gedachten, kortte den slependen tijd. Een voornemen, krachtig genoeg om

haar voor niets anders aandacht te laten, vervulde haar. Met dicht

geknepene lippen, die beefden als zij ze voor een oogenblik van dat

bedwang ontsloeg; met opgespannen neusgaten, met samengeknepene handen,

en met haar voornemen in hare zwoegende borst, zat zij daar te wachten.

Toen zij een sleutel in de buitendeur hoorde steken, en daarop een

voetstap in de voorzaal volgde, sprong zij op en riep: “Wie is daar?”

Het antwoord was in het Fransch, en twee mannen kwamen met rammelende

borden, om de tafel te dekken voor het souper.

Wie had hen dat belast? vroeg zij.

Monsieur had het besteld, toen het hem beliefde dat apartement te

nemen. Monsieur had gezegd, toen hij hier en route een uur was gebleven

en een brief voor madame had gelaten—madame had dien brief toch wel

ontvangen?

“Ja.”

Duizendmaal pardon! De plotselinge vrees, dat hij vergeten kon zijn,

had hem, een man met een kaal hoofd en een grooten baard, van een

naburigen restaurant, tot wanhoop gebracht! Monsieur had gezegd, dat

het souper op dat uur gereed moest wezen; en had in zijn brief madame

ook gewaarschuwd wat hij besteld had. Monsieur had het Gouden Hoofd de

eer bewezen om te verzoeken, dat het souper uitgelezen en keurig zou

zijn. Monsieur zou bevinden, dat zijn vertrouwen in het Gouden Hoofd

niet verkeerd geplaatst was geweest.

Edith zeide niets meer, maar zag peinzend toe, terwijl zij de tafel

voor twee personen dekten en wijn daarop zetten. Eer zij gedaan hadden

stond zij op, en eene lamp nemende, ging zij in de slaapkamer en het

salon, waar zij haastig maar nauwkeurig al de deuren onderzocht, vooral

eene deur in de laatste kamer, die in een smallen gang uitkwam. Zij nam

den sleutel daaruit en stak dien aan den buitenkant. Daarna kwam zij

terug.

De mannen—waarvan de tweede er zeer donker en galachtig uitzag, met een

buisje, glad geschoren en met zwarte, zeer kort geknipte haren—hadden

de tafel gedekt en stonden nu hun werk aan te zien. Hij, die eerst

gesproken had, vroeg of madame dacht, dat het nog lang zou duren eer

monsieur kwam.

Zij kon dat niet zeggen. Het kwam er niet op aan.

Pardon! Daar was het souper. Het moest nu dadelijk gebruikt worden.

Monsieur (die Fransch sprak als een engel—of als een Franschman—dat was

hetzelfde) had met zeer veel nadruk van zijne preciesheid gesproken.

Maar de Engelsche natie had zulk een groot genie voor preciesheid. Ha,

welk gerucht! Groote Hemel, daar was monsieur. “Le voilà!”

Inderdaad, monsieur, door den ander van de twee ingelaten, kwam, met

zijne blinkende tanden, door de donkere kamers aan, alsof hij geheel en

al mond was; maar in dat heiligdom van licht en kleur gekomen, bleek

hij een man ten voeten uit te zijn, omhelsde madame en sprak haar in de

Fransche taal aan als zijne bekoorlijke vrouw.

“Mijn God! madame zal flauw vallen. Madame is overstelpt van

blijdschap.” De man met het kale hoofd en den baard merkte dit op en

riep dit uit.

Madame was maar bevend teruggedeinsd. Eer de woorden nog geheel waren

uitgesproken, stond zij met hare hand op een fluweelen rug van een

leuningstoel, tot hare volle lengte opgericht, en met een onbeweeglijk

strak gezicht.

“François is naar het Gouden Hoofd gevlogen om het souper. Hij vliegt

bij zulke gelegenheden als een engel of een vogel. De bagage van

monsieur is in zijne kamer. Alles is gearrangeerd. Het souper zal in

een oogenblik hier zijn.” Deze feiten werden door den kalen man met

buigingen en glimlachjes aangekondigd, en weldra kwam het souper.

De warme schotels stonden op een komfoor; de koude waren reeds, met het

noodige tafelgereedschap, op een buffet gezet. Monsieur was met deze

schikking tevreden. Dat de tafel zoo klein was beviel hem zeer wel. Zij

moesten het komfoor maar op den grond zetten en heengaan. Hij zou zelf

de schotels wel verplaatsen.

“Pardon!” zeide de kale man zeer beleefd. Dat was onmogelijk.

Monsieur was van een ander gevoelen. Hij had dien avond geene verdere

bediening noodig.

“Maar madame,” gaf de kale man in bedenking.

Madame, antwoordde monsieur, had hare eigene kamenier. Dat was genoeg.

Een millioen maal pardon! Neen! Madame had geene kamenier.

“Ik ben alleen hier gekomen,” zeide Edith. “Dat was mijne verkiezing

zoo. Ik ben wel aan het reizen gewoon; ik heb geene bediening noodig.

Zij behoeven mij niemand te zenden.”

Monsieur liet, bij zijne eerste onmogelijkheid blijvende, de twee

bedienden de buitendeur uit en sloot die achter hen. Toen de kale man

zich omkeerde om te buigen, merkte hij op dat madame nog met hare hand

op den fluweelen rug van den leuningstoel stond, en dat zij hem geheel

niet scheen te zien, hoewel zij recht voor zich uitkeek.

Toen het gerucht, dat Carker maakte bij het sluiten der deur, door de

reeks der kamers klonk en dof gesmoord die laatste scheen te bereiken,

klonk Edith te gelijk eene kerkklok in de ooren, die twaalf sloeg. Zij

hoorde hem stilstaan, alsof hij die klok insgelijks hoorde en

luisterde, en toen naar haar terugkomen, met eene lange reeks van

voetstappen door de stilte, en naarmate hij verder kwam elke deur

achter zich sluitende. Hare hand verliet een oogenblik den fluweelen

rug van den stoel, om een mes op de tafel binnen haar bereik te

brengen; toen stond zij weder gelijk zij te voren had gestaan.

“Hoe vreemd dat gij alleen hier komt, lieve,” zeide hij toen hij de

kamer inkwam.—“Wat!” zeide zij.

Haar toon was zoo ruw; de snelle wending van haar hoofd zoo woest; hare

houding zoo terugstootend, en haar gezicht zoo donker en dreigend, dat

hij haar met de lamp in de hand bleef staan aanzien, alsof zij hem had

doen versteenen.

“Ik zeg,” herhaalde hij eindelijk met zijn allerbeleefdsten glimlach,

“hoe vreemd, geheel alleen hier te komen! Dat was waarlijk wel eene

noodelooze voorzichtigheid, die zich zelve had kunnen verijdelen. Gij

hadt te Havre of Rouaan eene dienstbode moeten nemen, en hebt daartoe

overvloedig tijd gehad, hoewel gij de grilligste en ongemakkelijkste

van alle vrouwen zijt, gelijk gij ook de schoonste zijt, mijn lief.”

Hare oogen zagen hem aan met een vreemden glans, maar zij bleef met

hare hand op den stoel staan leunen, en sprak geen woord.

“Ik heb u nooit zoo schoon gezien als van avond,” hervatte Carker.

“Zelfs het portret, dat ik gedurende dezen harden proeftijd in mijn

gemoed heb omgedragen, en dat ik nacht en dag heb beschouwd, wordt door

de werkelijkheid overtroffen,”

Geen woord. Geen blik. Hare oogen geheel verborgen door de hangende

wimpers, maar haar hoofd recht opgericht.

“Harde en strenge bedingen waren het!” zeide Carker met een glimlach;

“maar zij zijn allen vervuld en voorbij, en maken het tegenwoordige des

te verrukkelijker en te veiliger. Sicilië zal onze wijkplaats zijn. In

het traagste en verkwikkelijkste gedeelte der wereld, mijn liefje,

zullen wij beide vergoeding zoeken voor de oude slavernij.”

Hij kwam vroolijk naar haar toe, toen zij eensklaps het mes van de

tafel greep, en hij een stap terugdeinsde.

“Blijf staan,” zeide zij, “of ik zal u vermoorden.”

De plotselinge verandering in haar, de woede en afschuw, die in hare

oogen flikkerden deden hem stilstaan alsof een brand hem had gestuit.

“Blijf staan,” zeide zij. “Kom niet nader, op uw leven.”

“Kom, kom! Wij zijn alleen, en niemand hoort of ziet ons. Denkt gij mij

bang te maken met die kuurtjes van deugdzame dames?”—“Denkt gij mij

bang te maken,” antwoordde zij woest, “met mij te herinneren dat ik

hier alleen ben en er geene hulp nabij is? Denkt gij mij daardoor van

eenig plan of voornemen af te schrikken? Mij, die met opzet hier alleen

ben? Als ik bang voor u was geweest, zou ik dan hier zijn, in het

holste van den nacht, om u in uw gezicht te zeggen wat ik u zeggen

zal?”—“En wat is dat,” zeide hij, “gij schoone haneveer? Schooner zóó

dan eene andere vrouw in haar best humeur?”—“Ik zeg u niets voordat gij

naar dien stoel teruggaat,” antwoordde zij,—“behalve dit nog eens—kom

niet nader. Geen stap nader. Ik zeg u, als gij dat doet, zoo waar als

de hemel ons ziet, zal ik u vermoorden.”—“Ziet gij mij bij vergissing

voor uw man aan?” vroeg hij grijnzend.

Zonder zich te verwaardigen om antwoord te geven, strekte zij haar arm

uit, en wees naar den stoel. Hij beet op zijne lippen, rimpelde zijn

voorhoofd, lachte, en zette er zich op neer, met eene teleurstelling en

verlegenheid, die hij onmogelijk kon ontveinzen; zenuwachtig op zijne

nagels bijtende, keek hij haar zijdelings met bittere wreveligheid aan,

hoewel hij wilde veinzen dat hij zich met hare grilligheid vermaakte.

Zij legde het mes op de tafel neer, en naar hare borst wijzende, zeide

zij:

“Ik heb hier iets zitten dat geen minnepand is, en liever dan nog eens

te verdragen dat ge mij aanraakt zou ik het tegen u gebruiken—en dat

weet gij, terwijl ik spreek—met minder bezwaar dan tegen eenig kruipend

gedierte dat er leeft.”

Hij veinsde schertsend te lachen en verzocht haar om haar spelletje

spoedig uit te spelen, want dat het souper koud werd. Maar de geheime

blik, waarmede hij haar aanzag, werd norscher en dreigender, en meer

dan eens stampte hij met een gemompelden vloek op den grond.

“Hoe dikwijls,” zeide Edith, hem met haar donkersten blik aanziende,

“heeft uwe vermetele snoodheid mij met schimp en beleedigingen

vervolgd? Hoe dikwijls ben ik, door uwe beleefde manieren, uwe

spottende woorden en blikken met mijne vrijage en mijn huwelijk

geplaagd? Hoe dikwijls hebt gij mijne wond van liefde voor dat lieve,

mishandelde meisje, blootgelegd en opgereten? Hoe dikwijls hebt gij het

vuur aangeblazen, dat mij twee jaren lang gemarteld heeft, en mij in

verzoeking willen brengen om mij dolzinnig over mijne marteling te

wreken?”—“Ik twijfel er niet aan, mevrouw,” antwoordde hij, “of gij

hebt er goede rekening van gehouden, en zult het dus wel juist weten.

Kom, kom, Edith. Tegen uw man, dien ellendigen bloed, mocht dit

aangaan....”—“Wat,” zeide zij, hem aanziende met eene trotsche

minachting, waaronder hij wegkromp, hoewel hij zich goed wilde houden,

“als al mijne andere redenen om hem te verachten als veertjes hadden

weggeblazen kunnen worden, zou het bijna reeds genoeg zijn geweest dat

hij u tot raadsman en gunsteling had.”—“Is dat de reden waarom ge met

mij zijt weggeloopen?” vroeg hij tergend.—“Ja, en waarom wij elkander

nu voor de laatste maal zien. Ellendeling! Wij komen dezen nacht

bijeen, en scheiden dezen nacht. Geen oogenblik nadat ik gedaan heb met

spreken, zal ik meer hier blijven.”

Hij keerde zich naar haar om met zijn afschuwelijksten blik, en greep

de tafel met zijne hand aan; maar stond niet op, en deed of zeide niets

anders om haar te dreigen.

“Ik ben eene vrouw,” zeide zij, hem strak aanziende, “die van hare

kindsheid af beschaamd gemaakt en verstaald is. Ik ben aangeboden,

afgekeurd, opgeveild en uitgeloofd, tot mijne ziel er van walgde. Ik

had geen talent, dat mij van nut had kunnen wezen, of het is

opgevijzeld en uitgestald, om mijne waarde te verhoogen, alsof de

omroeper het door de straten had uitgeschreeuwd. Mijne arme, trotsche

betrekkingen zagen dat aan en keurden het goed, en elke band tusschen

ons is losgemaakt. Er is niemand van hen om wien ik zooveel geef, als

ik om een schoothondje zou geven. Ik sta alleen, alleen in de wereld,

en weet wel welk eene valsche wereld het voor mij geweest is, en welk

eene valsche rol ik er in gespeeld heb. Gij weet dat, en gij weet dat

mijn goede naam voor de wereld geene waarde voor mij heeft.”—“Ja, dat

heb ik mij wel verbeeld,” antwoordde hij.—“En er op gerekend,” hernam

zij, “en mij daarom vervolgd. Al te onverschillig geworden voor eenigen

anderen tegenstand dan onverschilligheid tegen den dagelijkschen arbeid

der handen, die mij daartoe gevormd hadden, en wetende dat mijn

huwelijk ten minste zou beletten dat ik langer werd rondgevent, liet ik

mij verkoopen, zoo schandelijk als ooit eene vrouw met een touw om den

hals op eene markt is verkocht. Dat weet gij.”—“Ja,” zeide hij, al

zijne tanden toonende. “Dat weet ik.”—“Nu, daarop hebt gij gerekend en

mij daarom vervolgd,” zeide zij nog eens. “Van mijn trouwdag af vond ik

mij blootgesteld aan zulk eene nieuwe schande—aan zulke aanzoeken en

vervolgingen (zoo duidelijk uitgedrukt alsof zij met de grofste woorden

geschreven en mij telkens in de hand gestopt waren) van een en

denzelfden gemeenen schurk, dat het mij was alsof ik tot dien tijd toe

nog nooit vernedering had gevoeld. Die schande deed mijn echtgenoot mij

aan; hij zelf overstelpte mij daarmede; met zijne eigene handen

dompelde hij mij daarin, en dat herhaalde hij geheel eigenwillig

honderden malen. En zoo—door die twee van ieder rustpunt verdrongen,

dat ik nog had—door die twee gedwongen om het laatste overblijfsel van

liefde en zachtheid in mijn binnenste te verzaken, of het onschuldige

voorwerp daarvan tot een nieuw onheil te wezen—van den een naar den

ander gedreven, en door den een belaagd als ik den ander

ontsnapte—steeg mijne gramschap tegen beiden bijna tot razernij. Ik

weet niet wien ik meer haatte—den meester of den knecht.”

Hij lette scherp op haar, terwijl zij daar voor hem stond in de

zegepraal harer vergramde schoonheid. Zij was vastberaden, dat zag hij;

onverschrokken; niet meer bevreesd voor hem dan voor een worm.

“Wat zou ik tegen u van eer of kuischheid zeggen!” vervolgde zij.

“Welke beteekenis zouden die woorden voor u hebben; welke beteekenis

zouden zij voor mij hebben! Maar als ik u zeg, dat de minste aanraking

van uwe hand mijn bloed van tegenzin doet stollen; dat gij van het uur

af toen ik u voor het eerst zag en haatte tot nu toe, nu mijn

onwillekeurige afschuw van u is vergroot door al de kennis, die ik van

u heb opgedaan, gij een walgelijk schepsel voor mij zijt geweest, dat

op aarde geen gelijke meer heeft; hoe dan?”

Hij antwoordde met een flauwen lach: “Ja, hoe dan, mijne koningin?”

“Op dien avond toen gij, aangemoedigd door het tooneel, dat gij hadt

bijgewoond, het hart hadt om in mijne kamer te komen en mij aan te

spreken,” zeide zij, “wat is er toen voorgevallen?”

Hij haalde zijne schouders op en lachte wederom.

“Wat is er toen voorgevallen?” zeide zij.—“Uw geheugen is zoo goed,”

antwoordde hij, “dat gij het u zonder twijfel wel herinneren

kunt.”—“Dat kan ik,” zeide zij. “Hoor dan! Mij toen deze vlucht

voorstellende—niet deze vlucht, maar de vlucht, waar gij aan dacht—hebt

gij mij gezegd dat ik, nu ik u die bijeenkomst had gegeven, zoodat gij

u daar bij mij kondt laten ontdekken, als gij dat goedvondt, en ik u

dikwijls te voren met mij alleen had laten zijn—en gelegenheid daartoe

gemaakt had, was uw gezegde—en ik u openlijk bekend had, dat ik voor

mijn man geen ander gevoel dan afkeer koesterde en om mij zelve niet

gaf—reeds verloren was; dat ik u macht had gegeven om mijn naam door

het slijk te slepen—dat mijne eer van een enkel woord van u

afhing.”—“In de liefde zijn alle krijgslisten...” viel hij er met een

glimlach op in. “Het oude spreekwoord...”—“Op dien avond en toen,”

zeide Edith, “kwam er een einde aan mijn langdurigen strijd met iets,

dat geene achting voor mijn goeden naam was—ik weet niet wat het

was—misschien gehechtheid aan dat laatste overschot van liefde. Op dien

avond en toen keerde ik alles den rug behalve mijn haat en mijne wraak.

Ik deed een slag, die uw trotschen meester in het stof neervelde, en u

daar voor mij zette, gelijk gij mij nu aanziet en weet wat ik meen.”

Hij sprong met een zwaren vloek van zijn stoel op. Zij stak hare hand

in hare borst, en geen vinger beefde, geen haar op haar hoofd trilde.

Hij bleef stil staan, zij insgelijks, met de tafel en den stoel

tusschen hen in.

“Als ik vergeet dat die man zijne lippen aan de mijne bracht en mij in

zijne armen sloot, gelijk hij van avond nog eens gedaan heeft,” zeide

Edith, naar hem wijzende; “als ik de smet van zijn kus op mijne wang

vergeet—de wang, waartegen Florence haar schuldeloos gezichtje wilde

leggen—als ik mijne ontmoeting met haar vergeet, terwijl die smet mij

zoo heet aankleefde, en hoe de bewustheid mij overstelpte dat ik,

terwijl ik haar van de kwellingen bevrijdde, die ik haar door mijne

liefde had veroorzaakt, te gelijk haar naam door den mijnen tot schande

bracht, en haar, als zij aan mij dacht, ook altijd zou doen denken aan

de eerste maal, dat zij een schuldig schepsel ontweek—dan, echtgenoot,

van wien ik voortaan gescheiden ben, zal ik de laatste twee jaren

vergeten, en herdoen, wat ik gedaan heb, en u uw waan benemen.”

Hare flikkerende oogen, even opgeslagen, vestigden zich nu weder op

Carker, en zij reikte hem met hare linkerhand eenige brieven toe.

“Zie deze!” zeide zij verachtelijk. “Die hebt gij mij gezonden in den

valschen naam, waaronder gij reist, een hier, andere onderweg. Zij zijn

niet geopend. Neem ze terug!”

Zij kneep ze in hare hand ineen en wierp ze hem voor de voeten.

“Wij vinden elkander van nacht en scheiden van nacht,” zeide zij. “Gij

hebt wat te vroeg op Siciliaansche dagen van weelderig genot gerekend.

Gij hadt nog wat langer kunnen kruipen en vleien en uwe verradersrol

spelen, en nog rijker worden. Gij koopt uwe wellustige rust wat te

duur.”—“Edith,” antwoordde hij, haar met zijne hand dreigende. “Ga

zitten! Houd op daarmee! Welke duivel regeert u?”—“Hun naam is

Legioen,” antwoordde zij, zich trotsch oprichtende; “gij en uw meester

hebt ze in een vruchtbaar huis opgekweekt, en zij zullen u beiden

verscheuren. Gij valschaard, valsch voor hem, valsch voor zijn

onschuldig kind, valsch voor iedereen en aan alle kanten, ga heen en

poch op mij, en knarsetand, omdat gij weet dat gij liegt!”

Hij stond voor haar, mompelend en dreigend, en keek rond alsof hij naar

iets zocht, dat hem helpen kon om haar te overmeesteren; maar zij bleef

even onverschrokken staan.

“In elke logen, waarmede gij snoeft,” zeide zij, “triomfeer ik. Ik kies

u uit als den gemeensten kerel dien ik ken, den pluimstrijker en het

werktuig van den trotschen tiran, opdat zijne wond dieper zou gaan en

pijnlijker steken. Snoef, en wreek mij zoo op hem! Gij weet hoe gij van

nacht hier zijt gekomen, en gij weet hoe armzalig gij daar staat; gij

ziet u zelven met kleuren even verachtelijk, zoo niet even hatelijk,

als waarmede ik u zie. Snoef dan, en wreek mij op u zelven.”

Het schuim stond op zijne lippen, het zweet op zijn voorhoofd. Als zij

maar voor een half oogenblik had gewankeld, zou hij haar hebben

aangepakt en vastgebonden; maar zij stond zoo vast als eene rots, en

hare doordringende oogen werden niet van hem afgewend.

“Wij scheiden zoo niet,” zeide hij. “Denkt gij dat ik suf ben, om u in

zulk eene dolle bui te laten gaan?”—“Denkt gij,” antwoordde zij, “dat

ik tegen te houden ben.”—“Dat zal ik beproeven, mijn liefje,” zeide

hij, met eene driftige beweging van zijne hand.—“God zij u genadig, als

gij beproeft dichter bij mij te komen,” antwoordde zij.—“En als ik nu

eens niet zoo snoeven wilde?” zeide hij. “Als ik mij ook eens omkeerde?

Kom aan!” Hij liet zijne tanden wederom eenigszins blinken. “Wij moeten

accoord daarvan maken, of ik zou iets onverwachts kunnen doen. Ga

zitten, ga zitten!”—“Te laat!” riep zij uit, met oogen, waaruit vonken

schenen te schieten. “Ik heb eer en goeden naam in den wind gestrooid.

Ik heb besloten de schande te dragen, die aan mij kleven zal—maar ik

wil dat ik die ten onrechte draag—en dat gij dat ook weet—en dat hij

het nooit kan en zal weten. Ik zal sterven zonder woord of teeken.

Daarom ben ik hier met u alleen in het holste van den nacht. Daarom heb

ik u hier onder een valschen naam als uwe vrouw afgewacht. Daarom heb

ik mij door deze lieden hier laten zien. Niets kan u nu meer redden.”

Hij had zijne ziel wel willen verkoopen om haar met hare schoonheid aan

den grond te doen vastwortelen, hare armen te doen verlammen, en haar

in zijn geweld te hebben. Maar hij kon haar niet aanzien zonder

bevreesd voor haar te zijn. Hij zag eene kracht in haar, die

onweerstaanbaar was. Hij zag dat zij wanhopig was en dat haar

onuitdoofbare haat tegen hem voor niets zou terugdeinzen. Zijne oogen

volgden de hand, die met zulk een doodelijk opzet in hare borst werd

gestoken, en hij dacht dat die hand, als zij naar hem stiet en miste,

even snel naar hare eigene borst zou stooten.

Hij waagde het dus niet haar te naderen, maar de deur, waardoor hij was

binnengekomen, was achter hem, en hij ging achteruit om die te sluiten.

“Voor het laatst, laat u waarschuwen! Zorg voor u zelven!” zeide zij en

glimlachte nog eens. “Gij zijt verraden, gelijk alle verraders worden.

Het is bekend geworden, dat gij hier zijt of hier zoudt komen. Zoo waar

als ik leef, heb ik van avond mijn man hier in een rijtuig

gezien.”—“Hoer, dat is gelogen!” schreeuwde Carker.

Op het oogenblik werd er hard aan de schel in de voorzaal getrokken.

Hij verbleekte, terwijl zij hare hand ophief, als ware zij eene

tooveres, op wier wil dat geluid zich liet hooren.

“Luister! Hoort ge dat?”

Hij zette zijn rug tegen de deur; want hij zag eene verandering in haar

en verbeeldde zich, dat zij vooruitkwam om hem voorbij te gaan. Maar in

een oogenblik was zij verdwenen door de andere deur, die in de

slaapkamer uitkwam, en was deze achter haar gesloten.

Toen zij zich eens had omgekeerd, eens haar strakken blik van hem had

afgeweerd, gevoelde hij, dat hij met haar kon kampen. Hij meende dat de

schrik van dit onverwachte nachtgerucht haar overmeesterd had, des te

gemakkelijker door den overspannen toestand waarin zij verkeerde. Hij

duwde de dubbele deur open en volgde haar, bijna oogenblikkelijk.

Maar de kamer was donker, en daar zij op zijn roepen geen antwoord gaf,

moest hij teruggaan om de lamp. Hij hield die omhoog en keek overal

rond, verwachtende haar ergens in een hoek te zien weggekropen; maar de

kamer was ledig. Zoo ging hij achtereenvolgens naar het salon en de

eetzaal, met den onzekeren tred van iemand die ergens vreemd is, zag

vreesachtig rond en keek achter sofa’s en kamerschutten, maar zij was

er niet. Neen, ook niet in de voorzaal, die zoo ledig was, dat hij dit

met eene enkelen blik kon zien.

Al dien tijd werd er bij herhaling aan de schel getrokken, en bonsden

zij, die buiten stonden, op de deur. Hij zette zijne lamp op een

afstand neer, ging dichtbij en luisterde. Verscheidene stemmen waren te

gelijk aan het spreken, twee ten minste daarvan in het Engelsch; en

schoon de deur dik en de verwarring groot was, kende hij eene daarvan

te wel om te twijfelen wiens stem het was.

Hij nam zijne lamp weder op en ging snel terug door al de kamers heen,

bij elk vertrek, dat hij verliet, stilstaande en naar haar rondziende,

met het licht boven zijn hoofd. Zoo stond hij in de slaapkamer, toen de

deur, die in den geheimen gang uitkwam, hem in het oog viel. Hij ging

er naar toe, en vond ze aan den anderen kant gesloten; maar zij had bij

het uitgaan eene voile laten vallen en tusschen de deur ingesloten.

Al dien tijd stond men op de trap te schellen en met handen en voeten

op de deur te rammelen.

Hij was geen lafaard; maar deze geluiden, het voorafgaande, het vreemde

der plaats, dat hem verbijsterde, de verijdeling zijner plannen (want,

vreemd genoeg, hij zou veel stouter zijn geweest als zij hem gelukt

waren), het nachtelijk uur, de herinnering dat hij niemand nabij zich

had op wien hij zich voor een vriendendienst kon beroepen, vooral het

plotselinge gevoel, dat zelfs zijn hart als lood bezwaarde, dat de man,

wiens vertrouwen hij had misbruikt en dien hij zoo verraderlijk had

bedrogen, daar was om hem zijn masker af te rukken en uit te dagen,—dat

alles vervulde hem met een blinden schrik. Hij poogde de deur te

openen, waartusschen de voile was ingesloten, maar zij wederstond zijn

geweld. Hij schoof een der vensters open en keek door het zonneblind

naar beneden op de plaats; maar het was een hooge sprong, en de steenen

waren genadeloos.

Het schellen en bonzen bleef nog aanhouden—zijn angst nam toe—hij ging

weder naar de deur in de slaapkamer, en met nieuwe pogingen, telkens

sterker dan te voren zijne krachten inspannende, wrong hij ze open.

Daar hij niet veraf eene smalle trap zag en de nachtlucht naar boven

voelde komen, ging hij zachtjes terug om hoed en jas te halen, sloot de

deur achter zich zoo goed hij kon, sloop met het licht in de hand naar

beneden, deed het uit toen hij de straatdeur zag, zette de lamp in een

hoek neer, en ging naar buiten, waar de sterren schitterden.

Dombey en Zoon · 第 107 / 125 题