Er waren twee van des verraders eigen bloed—de broeder en zuster, die
hij verzaakt had—op welke het gewicht zijner schuld bijna even zwaar
drukte, als op den man, dien hij zoo diep beleedigd had. Hoezeer de
wereld hem door hare nieuwsgierigheid martelde, bewees zij Dombey toch
den dienst om hem kracht te geven tot vervolging en wraak. Zij
prikkelde zijn trots, zij verwrong het eenige denkbeeld, dat zijn leven
vervulde, tot eene nieuwe gedaante, en maakte de voldoening zijner
wraakzucht tot een doel waarin geheel zijn aanzijn zich oploste. Al de
onbuigzaamheid en onverzoenlijkheid van zijn karakter, al de stroefheid
en somberheid daarvan, al zijn overdreven gevoel van eigenwaarde, al
zijne ijverzuchtige drift om het minste gebrek aan erkentenis zijner
waarde bij anderen te bestraffen, dat alles vereenigde zich gelijk
zoovele waterspranken tot ééne rivier, welke hem op hare golven
medevoerde. De hartstochtelijkste en opvliegendste mensch zou een
zachter vijand zijn geweest dan de zoodanig opgewondene Dombey. Een
wild dier had zich lichter laten stuiten of bedaren dan de deftige
heer, zonder rimpeltje in zijne gestevene das.
Maar juist de hitte zijner wraakzucht was eenigszins eene vergoeding
voor de werkeloosheid, waartoe die wraakzucht veroordeeld was. Terwijl
hij nog onkundig was van de schuilplaats des verraders, strekte die om
zijne gedachten van zijn eigen ongeluk af te wenden en met een ander
uitzicht bezig te houden. De broeder en de zuster van zijn trouweloozen
gunsteling hadden zulk eene verlichting niet; alles in hunne vroegere
geschiedenis, zoowel als in het tegenwoordige, gaf zijn misdrijf eene
meer bedroevende beteekenis voor hen.
De zuster dacht wel eens treurig dat hij, indien zij bij hem gebleven
was als zijne gezellin en vriendin, misschien de misdaad, waartoe hij
vervallen was, zou ontvloden hebben. Evenwel, wanneer zij zoo dacht,
was het toch zonder berouw over hetgeen zij gedaan had, zonder daarom
meer waarde aan hare zelfopoffering toe te schrijven. Maar wanneer deze
mogelijkheid den eens verdoolden en nu boetvaardigen broeder voor den
geest kwam, werd zijn hart door het bitterste zelfverwijt gemarteld.
Geen denkbeeld om nu vergelding tegen zijn wreeden broeder uit te
oefenen kwam bij hem op. Nieuwe zelfbeschuldigingen, geheime
jammerklachten over zijne eigene onwaardigheid en het onheil waarin hij
ook anderen had medegesleept, waren de eenige gedachten, waartoe de
ontdekking bij hem aanleiding gaf.
Het was op denzelfden dag, waarvan wij in het vorige hoofdstuk den
avond hebben beschreven, en toen Dombey’s wereld het drukst bezig was
met het wegloopen van zijne vrouw, dat het venster der kamer, waarin
broeder en zuster aan het ontbijt zaten, verdonkerd werd door de
schaduw van een man, die terstond daarop de opene deur inkwam; en deze
man was Perch, de kantoorlooper.
“Ik kom zoo vroeg van Ball’s Pond aanstappen,” zeide Perch,
vertrouwelijk de kamerdeur inkijkende, terwijl hij op de mat bleef
staan, om zijne schoenen af te vegen, waaraan geen slijk was, “om eene
boodschap te doen, die mij gisteravond belast is. Ik moest u vooral
zonder fout een briefje brengen, mijnheer Carker, eer gij nog waart
uitgegaan. Ik zou al een uur vroeger hier zijn geweest,” zeide Perch,
zoetsappig verontschuldigend, “als mijne vrouw niet zoo van de wijs was
geweest. Ik heb van nacht niet minder dan vijfmaal gedacht, dat ik haar
zou verliezen, dat kan ik u verzekeren.”—“Is uwe vrouw zoo ziek?” vroeg
Harriët.—“Wel, ziet ge,” zeide Perch, zich eerst omkeerende om de deur
zorgvuldig te sluiten, “zij trekt zich zoo erg aan wat er met onzen
patroon gebeurd is, jufvrouw. Hare zenuwen zijn zwak, en gauw in de
war. Maar zeker de sterkste zenuwen mochten door zoo iets wel geschokt
worden. Gij zelf zult het ook wel erg gevoelen, daar twijfel ik niet
aan.”
Harriët smoorde een zucht en zag naar haar broeder om.
“Ik zelf gevoel het waarlijk ook, in mijn nederigen staat,” vervolgde
Perch, even zijn hoofd schuddende, “op eene manier zooals ik niet had
kunnen gelooven, als ik het niet had moeten ondervinden. Het heeft op
mij bijna de werking van sterken drank. Ik heb elken ochtend letterlijk
eene gewaarwording alsof ik den vorigen avond meer had gebruikt dan mij
dienstig was.”
Het voorkomen van Perch strekte ter bevestiging dezer verklaring. Het
kenteekende zekere koortsigheid en afgematheid, die aan borrels scheen
te kunnen worden toegeschreven, en waarvan men waarschijnlijk de
oorzaak had kunnen vinden in het gedurig getrakteerd en uitgevraagd
worden, dat nu zijn dagelijksch lot was.
“Ik kan daarom heel goed oordeelen,” zeide Perch, wederom zijn hoofd
schuddende, “over het gevoel van iemand, die in betrekking tot deze
pijnlijke omstandigheid eenigszins in eene bijzondere positie
verkeert.”
Nu wachtte Perch op eene vertrouwelijke mededeeling, en daar hij deze
niet ontving, kuchte hij achter zijne hand. Toen dit tot niets leidde,
kuchte hij achter zijn hoed; en daar ook dit tot niets leidde, zette
hij zijn hoed op den grond en zocht in zijn borstzak naar den brief.
“Als ik mij wel herinner, was er geen antwoord noodig,” zeide Perch met
een vriendelijk lachje; “maar misschien zult ge wel zoo goed willen
zijn om hem eens door te zien, mijnheer.”
John Carker brak den brief open, waarop het cachet van Dombey stond, en
nadat hij den inhoud had gelezen, die zeer kort was, zeide hij: “Neen.
Er is geen antwoord noodig.”
“Dan zal ik u goedenmorgen wenschen, jufvrouw,” zeide Perch, een stap
naar de deur doende, “en ik hoop hartelijk dat gij u door die
ongelukkige omstandigheid niet neerslachtiger zult maken dan gij niet
laten kunt. De couranten,” zeide Perch, weder twee stappen terug doende
en broeder en zuster te gelijk aansprekende, met een gefluister, dat
hoe langer hoe geheimzinniger werd, “zijn zoo vurig op nieuws er van,
dat gij het u niet verbeelden kunt. Een van de zondagsbladen, met een
blauwen mantel en een witten hoed, die mij eerst had willen
omkoopen—behoef ik te zeggen met welk gevolg?—loerde gisteravond tien
minuten voor negenen nog om het kantoor rond. Ik heb hem zelf met zijn
oog voor het sleutelgat gevonden; maar dat is een patentslot, waar men
niet door kan kijken. Een ander,” zeide Perch, “met tressen op zijne
jas, alsof hij een militair was, zit den ganschen dag in het Koninklijk
Wapen in de zijkamer. Verleden week liet ik mij daar toevallig eene
kleine aanmerking ontglippen, en ’s anderen daags, dat zondag was, zag
ik die tot mijne verwondering gedrukt staan.”
Perch tastte in zijn borstzak, alsof hij het blad er uit wilde halen;
maar toen hij geene aanmoediging ontving, trok hij zijne kastoren
handschoenen aan, raapte zijn hoed op, en nam afscheid; en nog voor den
middag had hij in het Koninklijk Wapen en elders aan een uitgelezen
gehoor verteld, hoe jufvrouw Carker in tranen was uitgebarsten, en hem
bij beide handen had gevat, en gezegd had: “Och, lieve, lieve Perch,
dat ik u nog eens zie is de eenige troost die mij overschiet!” en hoe
mijnheer John Carker met eene geduchte stem had gezegd: “Perch, ik
verzaak hem. Laat ik hem nooit meer als mijn broeder hooren noemen!”
“Lieve John,” zeide Harriët, toen zij alleen waren gebleven, en eene
korte poos hadden gezwegen. “Gij krijgt slechte tijding in dien
brief.”—“Ja. Maar niet onverwacht,” antwoordde hij. “Ik had den
schrijver gisteren gezien.”—“Den schrijver?”—“Mijnheer Dombey. Hij kwam
tweemaal het kantoor door terwijl ik er was. Het was mij vroeger gelukt
hem te vermijden; maar dat kon ik natuurlijk niet lang hopen te doen.
Ik weet wel hoe natuurlijk het is, dat hij mijne tegenwoordigheid
onaangenaam moet vinden. Ik gevoelde dat toen zelf al.”—“Maar hij zeide
dat toch niet?”—“Neen. Hij zeide niets; maar ik zag dat zijne oogen
even op mij bleven rusten, en was toen voorbereid op wat er gebeuren
zou—op wat gebeurd is. Ik ben afgedankt!”
Zij zag zoo weinig ontsteld en zoo moedig als zij kon, maar het was
toch een droevig nieuws om vele redenen.
“Ik behoef u niet te zeggen,” zeide John Carker, den brief lezende,
“waarom uw naam, in verband met den mijnen, hoe verwijderd dat verband
ook zij, voortaan een onnatuurlijken klank zou hebben, of waarom het
dagelijksch gezicht van iemand, die zoo heet, mij ondragelijk zou zijn.
Ik moet u kennis geven dat van dezen dag af alle betrekkingen tusschen
ons ophouden, en u verzoeken dat gij nooit zult beproeven eenige
gemeenschap met mij of mijn kantoor meer aan te knoopen.” “Ingesloten
vind ik eene som, die rijkelijk tegen eene waarschuwing van langen tijd
vooraf opweegt, en dit is mijn ontslag. De hemel weet, Harriët, het is
zacht en genadig, als wij alles bedenken.”—“Als het zacht en genadig is
u voor het misdrijf van een ander te straffen, John,” zeide zij, maar
zonder drift, “dan ja.”—“Onze familie heeft hem nooit iets anders dan
onheil aangebracht,” zeide John Carker. “Hij heeft wel redenen om voor
den klank van onzen naam te huiveren, en te denken, dat er iets slechts
en vervloekts in ons bloed zit. Ik zou dat ook bijna denken, Harriët,
als gij er niet waart.”—“O broeder, spreek zoo niet. Als gij eenige
bijzondere redenen hebt, gelijk gij zegt en denkt—hoewel ik “neen”
zeg—om mij lief te hebben, bespaar mij dan het hooren van zulke woeste
woorden.”
Hij hield zijne handen voor zijn gezicht; maar toen zij nader kwam en
eene daarvan vatte, liet hij dit toe.
“Na zoovele jaren is dit afscheid droevig, dat weet ik,” zeide zijne
zuster, “en de oorzaak daarvan is schrikkelijk voor ons allebei. Ook
moeten wij leven en naar middelen daartoe rondzien. Welnu, daarvoor
behoeven wij niet bang te zijn. Het is onze trots, en niet een
verdriet, dat wij te zamen ons best doen, John.”
Een lachje speelde om hare lippen, terwijl zij hem een kus op de wang
drukte en bad om gemoedigd te zijn.
“O, lieve zuster! Door uw eigen edelmoedigen wil aan een geruïneerd man
gebonden, die zijn goeden naam verwoest heeft, die zelf geen enkel
vriend heeft, en al uwe vrienden van u heeft weggejaagd!”—“John!” zij
legde haastig hare hand op zijne lippen. “Om mijnentwil! Denk aan de
jaren, die wij te zamen hebben geleefd!” Hij zweeg. “Laat ik nu zeggen,
lieve broeder,” vervolgde zij, zich stil naast hem zettende, “ik heb,
evenals gij, dit verwacht; en toen ik er aan dacht, en vreesde dat het
gebeuren zou, en er mij zoo goed ik kon op gereedmaakte, nam ik mij
voor, als het er toe kwam, u te zeggen dat ik een geheim voor u bewaard
heb, en dat wij wel een vriend hebben.”—“Hoe heet onze vriend,
Harriët?” zeide hij met een treurigen glimlach.—“Dat weet ik niet; maar
hij heeft mij eens zeer ernstig verzekerd, dat hij altijd mijn vriend
zou zijn en maar verlangde ons te kunnen dienen; en tot op dezen dag
geloof ik hem.”—“Harriët!” riep haar verwonderde broeder uit; “waar
woont die vriend?”—“Dat weet ik ook niet,” antwoordde zij. “Maar hij
kent ons beiden, en onze geschiedenis—geheel onze kleine geschiedenis,
John. Dat is de reden waarom ik, op zijn eigen raad, zijn bezoek voor u
geheim heb gehouden, opdat het u niet bedroeven zou dat hij zooveel
wist.”—“Bezoek! Is hij dan hier geweest, Harriët?”—“Hier, in deze
kamer. Eens.”—“Wat voor een man?”—“Niet jong meer. Hij zeide zelf, dat
hij sterk begon te grijzen. Maar een braaf man, rondborstig en
edelmoedig, daarvan ben ik zeker.”—“En maar ééns gezien, Harriët?”—“In
deze kamer maar eens,” antwoordde de zuster, met een blosje, dat echter
zeer vluchtig was, op de wangen; “maar toen hij hier was, verzocht hij
mij dringend, dat ik mij eens in de week aan hem zou laten zien, als
hij voorbijkwam, ten teeken dat wij nog wel waren, en niets van hem
bleven noodig hebben. Want ik zeide hem, toen hij ons alle diensten
aanbood, die hij bewijzen kon—hetgeen het oogmerk van zijn bezoek
was—dat wij niets noodig hadden.”—“En eens in de week....”—“Sedert is
hij elke week, en altijd op denzelfden dag en op hetzelfde uur, hier
voorbijgekomen; altijd te voet, en altijd denzelfden kant opgaande—naar
Londen toe; en nooit heeft hij zich langer opgehouden, dan om voor mij
te buigen, en vroolijk met zijne hand te wuiven, gelijk een vriendelijk
bejaard bloedverwant zou doen. Hij beloofde dit, toen hij om die
zonderlinge ontmoetingen verzocht, en hij heeft zoo getrouw en aardig
zijn woord gehouden, dat, al mocht ik in het begin eene kleine
ongerustheid gevoelen—dat ik toch niet geloof, John; zijn toon was zoo
eenvoudig en oprecht—die ongerustheid toch spoedig verdween, en ik
waarlijk blij was als de dag kwam. Verleden maandag—den eersten na die
schrikkelijke gebeurtenis—is hij niet voorbijgekomen; en ik heb mij
verwonderd of zijn wegblijven ook eenigszins met het gebeurde in
verband kan staan.”—“Hoe zoo?” vroeg haar broeder.—“Ik weet niet hoe.
Ik heb maar gedacht dat het zonderling was dat het zoo uitkwam, maar
niet beproefd het te verklaren. Ik ben overtuigd dat hij wel weder zal
komen. Als hij dat doet, lieve John, laat ik hem dan zeggen dat ik
eindelijk met u gesproken heb, en laat ik u bij elkander brengen. Hij
zal ons zeker aan een nieuw bestaan helpen. Hij verlangde maar iets te
kunnen doen, zeide hij, om mij en u het leven aangenamer en
gemakkelijker te maken; en ik heb hem beloofd, dat ik om hem zou
denken, als wij ooit een vriend noodig hadden. Dan zou zijn naam geen
geheim meer blijven.”—“Harriët,” zeide haar broeder, die met de
grootste aandacht had geluisterd, “beschrijf mij dien heer toch eens.
Ik moet iemand toch wel kennen, die mij zoo goed kent.”
Zijne zuster beschreef zoo duidelijk en levendig als zij kon de
gelaatstrekken, de gestalte en de kleeding van den vreemdeling; maar
John Carker, hetzij dat hij het origineel niet kende, of omdat er aan
hare beschrijving iets haperde, of omdat zijne gedachten, terwijl hij
peinzend heen en weder stapte, te zeer verstrooid raakten, herkende het
voor hem geschilderde portret niet.
Er werd echter afgesproken, dat hij het origineel zou zien, wanneer dit
zich de volgende maal vertoonde. Dit bepaald zijnde, ging de zuster met
een minder angstig hart aan hare huiselijke bezigheden; en de
grijsharige man, gewezen jongste klerk op het kantoor van Dombey,
wijdde den eersten dag zijner ongewone vrijheid aan den arbeid in zijn
tuin.
Het was laat in den avond, en de zuster zat te naaien, terwijl de
broeder haar voorlas, toen zij door een kloppen aan de deur werden
gestoord. Bij den onbestemden angst, waarin zij thans in verband met
hun voortvluchtigen broeder verkeerden, had dit daar ongewone geluid
bijna iets schrikaanjagends. Terwijl de broeder naar de deur ging, zat
de zuster vreesachtig te luisteren. Er sprak hem iemand aan, en hij gaf
antwoord en scheen verwonderd; en na nog eenige woorden, kwamen de twee
te zamen nader.
“Harriët,” zeide haar broeder, den nog zoo laat komenden bezoeker
inlatende en met eene zachte stem sprekende, “mijnheer Morfin—de heer,
die zoolang in gelijken rang met James op het kantoor is geweest.”
Zijne zuster deinsde terug alsof zij een spook had gezien. In de deur
stond de onbekende vriend, met zijne zwarte, met grijs besprenkelde
haren, het blozende gezicht, het breede heldere voorhoofd en de
lichtbruine oogen, wiens geheim zij zoolang had bewaard.
“John!” zeide zij, half ademloos. “Dit is de heer, van wien ik u
vandaag heb gesproken.”—“Die heer, jufvrouw Harriët,” zeide de bedoelde
persoon, nu binnenkomende, want hij was een oogenblik in de deur
blijven staan, “is zeer verheugd u dit te hooren zeggen; hij heeft
onderweg al allerlei manieren bedacht om zich te verklaren, en was met
geen een daarvan tevreden. Mijnheer John, ik ben hier niet geheel
vreemd. Gij waart zoo even verbaasd, toen gij mij de deur opendeedt. Ik
zie dat gij nu nog meer verbaasd zijt. Nu, dat is in zulke
omstandigheden natuurlijk genoeg. Als wij niet zulke slaven der
gewoonte waren, zouden wij niet half zoo dikwijls reden hebben om
verbaasd te zijn.”
Hij had ondertusschen Harriët gegroet met die innemende mengeling van
hartelijkheid en eerbied, die zij zich zoo wel herinnerde, zich dicht
bij haar neergezet, zijne handschoenen uitgetrokken en deze in zijn
hoed op de tafel geworpen.
“Er is niets verbazends in,” zeide hij, “dat ik verlangen heb gekregen
om uwe zuster te zien, mijnheer John, of dat ik dat verlangen op mijne
eigene manier heb bevredigd. Wat de regelmatigheid van mijne bezoeken
sedert dien tijd betreft (waarvan zij u misschien zal gesproken
hebben), daar is niets buitengemeens in. Zij werden spoedig eene
gewoonte; en wij zijn slaven der gewoonte—slaven der gewoonte.”
Zijne handen in zijne zakken stekende en op zijn stoel
achteroverleunende, zag hij broeder en zuster aan, alsof het iets
belangwekkends voor hem was hen bij elkander te zien; en toen vervolgde
hij, met zekere peinzende wreveligheid:
“Het is die zelfde gewoonte, die sommige menschen, die tot betere
dingen in staat zouden zijn, in de trotschheid en hardnekkigheid van
Lucifer bevestigt—andere in schurkerij verhardt—die ons van dag tot
dag, naarmate van onzen aard, tot beelden doet versteenen, en ons even
onvatbaar maakt als steenen beelden voor nieuwe indrukken en
overtuigingen. Ik zal u over den invloed der gewoonte op mij laten
oordeelen, John. Jaren lang heb ik mijn gering, nauwkeurig afgepast
aandeel gehad aan het bestuur van Dombey’s kantoor, en heb ik uw
broeder (die zich een schurk heeft getoond. Uwe zuster zal mij wel
vergeven dat ik daarvan melding moet maken) zijn invloed al meer en
meer zien uitbreiden, tot hij het kantoor en zijn eigenaar tot zijn
speelbal had gemaakt; en heb ik u dagelijks aan uw lessenaar achteraf
zien zwoegen, en ben ik tevreden geweest als men mij buiten mijne vaste
taak maar zoo weinig mogelijk lastig viel, en heb ik alles om mij heen
dag aan dag maar laten voortloopen als eene groote machine—zoo was ik
het gewoon en die machine was het gewoon—en heb ik alles maar genomen
zooals het was, en alles gehouden voor gelijk het behoorde. Mijne
woensdagavonden kwamen geregeld weerom, en onze quartet-gezelschappen
werden geregeld gehouden, mijne violoncel was altijd goed gestemd, en
in mijne wereld was niets, dat niet zoo behoorde—of zoo al iets, dan
toch niet veel—of veel of weinig, het ging mij niet aan.”—“Ik kan er
voor instaan, dat al dien tijd niemand op het kantoor meer geacht en
bemind is geweest dan gij, mijnheer,” zeide John Carker.—“Och!
Goedaardig en handelbaar genoeg, durf ik zeggen,” zeide de ander, “eene
gewoonte van mij. Dat beviel het hoofd van het kantoor, het beviel den
man die hem regeerde, en het beviel mij het beste van al. Ik deed wat
mij was opgedragen, maakte bij geen van beiden mijn hof, en was blijde
dat ik een post had, waarop dit niet noodig was. Zoo had ik tot nu toe
kunnen voortgaan, als mijne kamer geen bijzonder dunnen muur had gehad.
Gij kunt uwe zuster zeggen, dat zij maar met een houten beschot van de
kamer was afgescheiden, waarin de man zat, die er nu niet meer
komt.”—“Die kamers waren naast elkander, waren voorheen misschien eene
kamer geweest, en waren zoo van elkander afgeschoten als mijnheer
Morfin daar zegt,” zeide haar broeder, en zag weder naar hem, op het
vervolg zijner verklaring wachtende.—“Ik heb daar dikwijls gefloten,
gezongen, ben de geheele sonate in B. van Beethoven doorgegaan, om hem
te waarschuwen dat ik hem kon hooren,” zeide Morfin, “maar hij lette
nooit daarop. Het gebeurde wel is waar zelden, dat mij iets ter ooren
kwam wat voor geene andere ooren bestemd was. Maar als dat gebeurde, en
ik niet op eene andere manier kon verhinderen dat ik het hoorde, ging
ik heen. Zoo ging ik eens heen, John, onder een gesprek tusschen twee
broeders, waarbij in het begin de jonge Walter Gay tegenwoordig was.
Maar ik had er toch iets van gehoord eer ik de kamer kon uitkomen. Gij
zult er u misschien genoeg van herinneren, om uwe zuster te kunnen
zeggen van welken aard het was.”—“Het liep over het verledene,
Harriët,” zeide haar broeder zacht, “en over het verschil van onze
positie op het kantoor.”—“De zaak was niet nieuw voor mij, maar werd
mij toen in een nieuw oogpunt voorgesteld. Ik werd geschokt in mijne
gewoonte—de gewoonte van negen tienden van de wereld—om te gelooven,
dat alles om mij heen zoo was als het behoorde, alleen omdat ik er aan
gewoon was,” zeide Morfin, “en als het ware gedwongen om over de twee
broeders en hunne geschiedenis na te denken. Ik geloof, dat het bijna
de eerste maal van mijn leven was dat ik mij zelven vroeg: hoe zullen
vele dingen, die ons nu gemeenzaam zijn en als het ware van zelf
spreken, er uitzien, als wij ze uit dat nieuwe en verwijderde oogpunt
beschouwen, waarop wij ons allen eens zullen moeten plaatsen? Ik was na
dien ochtend wat minder goedhartig, zooals men dat noemt, wat minder
met mij zelven en anderen tevreden.”
Hij zat eene poos met zijne vingers op de tafel te trommelen, en
hervatte toen haastig, als verlangde hij om spoedig door zijne
bekentenis heen te komen:
“Eer ik wist wat te doen, had er een tweede gesprek tusschen dezelfde
broeders plaats, waarin de zuster genoemd werd. Ik had toen geene
gemoedsbezwaren om mij zooveel van dat gesprek in de ooren te laten
klinken, als mij door het beschot bereikte. Ik beschouwde die
verdwaalde klanken als mijn rechtmatig eigendom. Daarna kwam ik hier om
de zuster zelf te zien. De eerste maal bleef ik aan het tuinhek staan,
en veinsde naar het karakter van een armen buurman te willen vernemen;
maar ik raakte van den tekst, en ik geloof dat jufvrouw Harriët mij
wantrouwde. De tweede maal vroeg ik verlof om binnen te komen, kwam
binnen en zeide wat ik wenschte te zeggen. Uwe zuster gaf mij redenen,
die ik niet durfde bestrijden, om toen geene hulp van mij te willen
aannemen; maar ik bracht een middel van gemeenschap tusschen ons tot
stand, dat ongestoord bleef tot voor eenige dagen, toen ik door de
gewichtige zaken, waarvoor ik te zorgen had, verhinderd werd om mijne
gewone wandeling te doen.”—“Hoe weinig heb ik dat vermoed,” zeide John
Carker, “terwijl ik gewoon was u elken dag te zien, mijnheer. Als
Harriët uw naam had kunnen raden...”—“Wel, om u de waarheid te zeggen,
John,” viel de ander er op in, “ik hield dien om twee redenen voor mij
zelven. Ik weet niet of de eerste op zich zelve niet al voldoende zou
zijn geweest; maar het past niet zich iets te laten voorstaan op goede
voornemens, en daarom had ik besloten om mij niet te ontdekken eer ik
in staat was om u eenen of anderen wezenlijken dienst te bewijzen.
Mijne tweede reden was, dat ik nog altijd hoopte op eene flauwe
mogelijkheid, dat uw broeder tot eene betere gezindheid voor u beiden
zou komen; en in dat geval begreep ik, dat indien een man van zijn
achterdochtig karakter ontdekte dat ik heimelijk uw vriend was geweest,
dit eene nieuwe en noodlottige reden tot verdeeldheid zou kunnen
worden. Ik besloot, wel is waar met gevaar om zijn ongenoegen tegen mij
zelven te keeren—dat mij niet had kunnen schelen—eene gelegenheid waar
te nemen om u bij het hoofd van het kantoor een dienst te doen; maar de
drukten van een sterfgeval, eene vrijage, een huwelijk en huiselijk
ongenoegen, hebben ons sedert lang geen ander hoofd gelaten dan uw
broeder. En het zou beter voor ons geweest zijn,” zeide hij, zijne stem
latende dalen, “dat wij een levenlooze romp waren geweest.”
Hij scheen zich bewust, dat deze laatste woorden hem tegen zijn wil
waren ontsnapt, en zijne eene hand aan den broeder en de andere aan de
zuster toereikende, vervolgde hij:
“Alles wat ik kon verlangen te zeggen, en nog meer, heb ik nu gezegd.
Wat ik meen, is meer dan woorden kunnen zeggen, gelijk ik hoop dat gij
begrijpt en gelooft. De tijd is gekomen, John—hoewel allerongelukkigst
gekomen—dat ik u helpen mag, zonder u te hinderen in die worsteling tot
herstel van uw naam, die zoovele jaren heeft geduurd, daar gij vandaag
buiten eigen toedoen daarvan zijt bevrijd. Het is laat; ik behoef van
avond niets meer te zeggen. Gij zult den schat, dien gij hier hebt, wel
bewaren, zonder dat ik u daartoe raad of vermaan.”
Met deze woorden stond hij op om heen te gaan.
“Maar ga gij eerst heen, John,” zeide hij half schertsend, “en neem een
licht mee, zonder eerst te zeggen wat gij zeggen wilt, wat het ook
wezen mag;” John’s hart was vol, en hij had het gaarne met spreken
willen verlichten; “en laat ik een woordje met uwe zuster spreken. Wij
hebben wel meer alleen gesproken, en dat in deze kamer ook; hoewel het
natuurlijker schijnt met u hier.”
Hem met zijne oogen naar buiten volgende, keerde hij zich vriendelijk
tot Harriët en zeide met eene zachtere stem en veel ernstiger gezicht:
“Gij wenscht mij iets te vragen omtrent den man, wiens zuster gij het
ongeluk hebt te zijn.”—“Ik vrees er naar te vragen,” zeide
Harriët.—“Gij hebt mij meer dan eens zoo ernstig aangezien,” hervatte
Morfin, “dat ik uwe vraag wel meen te kunnen raden. Heeft hij geld
medegenomen? Is het dat?”—“Ja.”—“Dat heeft hij niet.”—“Daarvoor dank ik
den Hemel,” zeide Harriët, “om John’s wil.”—“Dat hij het in hem
gestelde vertrouwen op vele manieren heeft misbruikt,” zeide Morfin;
“dat hij meer voor zijn eigen voordeel heeft gehandeld en gespeculeerd
dan voor dat van het kantoor, dat hij representeerde; dat hij het hoofd
van het kantoor heeft verlokt tot groote waagstukken, die dikwijls op
geduchte verliezen uitliepen; dat hij de ijdelheid en eerzucht van zijn
patroon altijd heeft geprikkeld, terwijl het zijn plicht zou geweest
zijn ze tegen te gaan en hem te toonen, gelijk hij had kunnen doen,
welke gevolgen zij hier en daar hadden—dat alles zal u misschien nu
niet verwonderen. Er zijn ondernemingen gedaan om den roem der
uitgebreide middelen van het kantoor nog meer te verhoogen, en het in
een trotsch contrast met andere kantoren te doen uitkomen, waarvan men
zich de mogelijke gevolgen bijna niet durft voorstellen—eenige weinige
nadeelige omstandigheden zouden die gevolgen waarschijnlijk
verderfelijk doen worden. Onder al de veelvuldige operatiën van het
kantoor, in de meeste gedeelten der wereld—een groot doolhof, waarvan
hij alleen den draad had—heeft hij gelegenheid gehad, en schijnt hij
die gebruikt te hebben, om de resultaten van al die zaken, als er naar
vernomen werd, in het onzekere te houden, en in plaats van bepaalde
opgaven, algemeene schattingen en begrootingen te geven. Maar sedert
onlangs—gij volgt mij wel, jufvrouw Harriët?”—“Ja, ja!” antwoordde zij,
hem angstig aanziende. “Ik bid u, zeg mij in eens het ergste.”—“Sedert
eenigen tijd schijnt hij zich de grootste moeite te hebben gegeven om
deze resultaten zoo duidelijk te maken, dat men ze, bij het nazien der
boeken, zoo talrijk en verschillend als zij zijn, bijna van zelf moet
vinden. Het is alsof hij zijn patroon in eens wilde doen zien, waardoor
hij door den hartstocht, die hem beheerscht, gekomen is. Dat het zijn
gedurige toeleg is geweest, dien hartstocht verraderlijk te vleien en
te prikkelen, is ontwijfelbaar. Daarin bestaat voornamelijk zijne
schuld met betrekking tot de zaken van het kantoor.”—“Nog een woord eer
gij heengaat, mijnheer,” zeide Harriët. “Er is toch geen gevaar bij dat
alles?”—“Hoe zoo, gevaar?” zeide hij eenigszins aarzelend.—“Voor het
crediet van het kantoor?”—“Ik kan niet nalaten u duidelijk te
antwoorden en u geheel te vertrouwen,” zeide Morfin, nadat hij haar een
oogenblik had aangezien.—“Dat moogt gij, dat moogt gij
waarlijk.”—“Daarvan ben ik overtuigd. Gevaar voor het crediet van het
kantoor. Neen, dat niet. Er kunnen bezwaren komen, grooter of geringer,
maar geen gevaar, of—het moest gebeuren dat het hoofd van het kantoor
er niet toe wilde overgaan om zijne ondernemingen te beperken, niet
wilde gelooven dat zijne firma zich in eene andere positie bevindt of
bevinden kan, dan hij zich altijd verbeeld heeft, en dus te veel van
zijne middelen vergde. Dan zou het kantoor wankelen.”—“Maar daarvoor is
geen vrees?” zeide Harriët.—“Er moet geen halfvertrouwen tusschen ons
bestaan,” antwoordde hij, haar de hand drukkende. “Mijnheer Dombey is
voor iedereen ongenaakbaar, en in zijn tegenwoordigen gemoedstoestand
is hij nog trotscher, roekeloozer, onredelijker en onhandelbaarder dan
ooit. Maar hij is nu buitengemeen gespannen en opgewonden, en dit kan
dus voorbijgaan. Gij weet nu alles, het ergste en het beste. Niets meer
van avond, en goeden nacht!”
Daarmede kuste hij haar de hand en ging de kamer uit naar de deur,
waarbij de broeder hem stond te wachten, duwde hem schertsend ter
zijde, toen hij wilde spreken; zeide hem dat zij elkander spoedig en
dikwijls zouden zien, dat hij een andermaal kon spreken als hij wilde,
maar dat er nu geen tijd voor was; en ging met snelle schreden heen,
opdat geen woord van dankbaarheid hem zou kunnen volgen.
Broeder en zuster bleven bij den haard zitten praten tot het bijna dag
werd, slapeloos door den blik in de nieuwe wereld, die zich voor hen
opende, en met een gevoel naar dat gelijkende van twee menschen, die
voor langen tijd op eene eenzame kust schipbreuk hadden geleden, en tot
welke eindelijk een schip gekomen was, nadat zij in berusting oud waren
geworden, en alle gedachten aan eene andere woonplaats hadden verloren.
Maar ook nog eene andere soort van onrust hield hen wakker. De
duisternis, waaruit dit licht hen had bestraald, pakte zich weder
opeen, en de schaduw van hun misdadigen broeder viel op het huis, dat
zijn voet nooit betreden had.
Die schaduw kon niet verdreven worden en verdween ook niet voor de zon.
Den volgenden morgen was zij daar nog—des middags en des avonds, het
donkerst en duidelijkst des avonds, gelijk nu moet verhaald worden.
John Carker had een briefje van zijn vriend ontvangen en was dezen gaan
opzoeken, en Harriët was alleen thuis gebleven. Zij had eenige uren
alleen gezeten. Eene sombere avondschemering was niet gunstig om hare
neerslachtigheid te doen verdwijnen. Het denkbeeld van dien broeder,
lang ongezien en ongekend, zweefde in allerlei akelige gedaanten om
haar heen. Hij was dood, stervende, riep om haar, zag haar dreigend
aan. De schilderijen harer verbeelding waren zoo duidelijk, dat zij,
toen het donker werd, bijna vreesde om haar hoofd op te heffen en naar
de duistere hoeken der kamer te zien, waar zijn geest, het gewrocht
harer overprikkelde hersenen, haar misschien stond te wachten om haar
te verschrikken. Eens verbeeldde zij zich zoo sterk, dat hij in de
andere kamer was en zich daar verschool—schoon zij wel wist dat het
eene ziekelijke inbeelding was en zij er niet aan geloofde—dat zij zich
dwong om daar binnen te gaan, tot hare eigene overtuiging.
Maar vruchteloos. De kamer hernam hare spookachtige ijselijkheden
zoodra zij ze weder verlaten had; en het was haar even onmogelijk zich
van die onbestemde schrikbeelden te ontslaan, als waren het steenen
reuzen geweest, onwrikbaar in den vasten grond geworteld.
Het was bijna donker en zij zat bij het venster met het hoofd in de
hand naar omlaag ziende, toen zij, opmerkende dat de duisternis in de
kamer plotseling toenam, hare oogen opsloeg en onwillekeurig een
schreeuw gaf. Dicht voor het glas vertoonde zich een bleek, ontsteld
gezicht, dat voor een oogenblik onzeker naar binnen keek, alsof het
naar iets zocht; toen vielen de oogen op haar, en kregen glans en
uitdrukking.
“Laat mij in. Laat mij in. Ik moet u spreken.” en de hand ratelde tegen
het glas.
Zij herkende dadelijk de vrouw met het lange zwarte haar, welke zij op
een regenachtigen avond warmte, voedsel en schuilplaats had gegeven.
Natuurlijk bevreesd voor haar, daar zij zich hare latere woestheid
herinnerde, ging Harriët een paar schreden van het venster terug en
bleef besluiteloos staan.
“Laat mij in! Laat ik met u spreken! Ik ben dankbaar—stil—nederig—alles
wat gij wilt. Maar laat ik u spreken.”
Het heftig dringende van dit verzoek, de ernstige uitdrukking van het
gezicht, het beven der twee handen, die smeekend werden opgeheven, en
zekere angstigheid en gejaagdheid in de stem, welke haar aan haar eigen
toestand op dat oogenblik herinnerde, bewogen Harriët om haar te wille
te zijn. Zij haastte zich naar de deur en deed open.
“Mag ik binnenkomen, of zal ik hier spreken?” zeide de vrouw, hare hand
vattende.—“Wat moet gij hebben? Wat hebt gij te zeggen?”—“Niet veel,
maar laat mij het nu zeggen, of ik zal het nooit zeggen. Ik ben nu nog
in verzoeking om weer heen te gaan. Het is alsof ik met handen van de
deur word getrokken. Laat mij binnenkomen, als gij mij voor dien eenen
keer nog kunt vertrouwen.”
Wederom had haar dringende toon de overhand, en zij ging naar het vuur
in de keuken, waarvoor zij eens had gezeten en hare kleeren gedroogd.
“Ga daar zitten,” zeide Alice, bij Harriët neerknielende, “en zie mij
aan. Gij kent mij?”—“Ja.”—“Gij weet wel wat ik u zeide, dat ik geweest
was, en waar ik vandaan kwam, in havelooze vodden en kreupel geloopen,
blootgesteld aan wind en weer?”—“Ja.”—“Gij weet wel hoe ik dien avond
terugkwam, en uw geld in den modder smeet, en uw geslacht vervloekte.
Zie mij nu hier op mijne knieën. Meen ik het nu minder ernstig dan
toen?”—“Als het vergiffenis is wat gij vraagt,” begon Harriët met
vriendelijke zachtheid.—“Maar dat is het niet,” zeide Alice met een
trotschen en woesten blik. “Wat ik vraag is, geloofd te worden. Nu zult
gij oordeelen of ik geloofwaardig ben, zoowel gelijk ik toen was als
gelijk ik nu ben.”
Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd, dat hare
vervallene schoonheid en hare wilde zwarte haren bescheen, waarvan zij
eene lange lok over haar schouder trok en om hare hand wond, om er
onder het spreken somtijds peinzend op te bijten en aan te rukken,
vervolgde zij:
“Toen ik jong en mooi was, en dit,” zeide zij, verachtelijk rukkende
aan de lok die zij vasthield, “niet anders dan zacht werd behandeld en
niet genoeg bewonderd kon worden, ontdekte mijne moeder, die niet veel
op mij gelet had toen ik een kind was, mijne verdiensten, en was zij
goed voor mij en trotsch op mij. Zij was hebzuchtig en arm, en meende
een soort van rentegevend pand van mij te maken. Geene groote dame
heeft zeker nog ooit zoo over eene dochter gedacht, of zoo gedaan—dat
gebeurt nooit, weten wij wel—en dit bewijst, dat de eenige voorbeelden
van moeders, die hare dochters verkeerd opbrengen, en van het kwaad dat
daarvan komt, onder zulke ellendigen als wij gevonden worden.”
Naar het vuur ziende, alsof zij een oogenblik vergat dat zij eene
toehoorster had, vervolgde zij op een droomerigen toon, terwijl zij de
lange haarlok stijf om hare hand wond:
“Wat daarvan kwam behoef ik u niet te zeggen. Rampzalige huwelijken
komen van zulke dingen niet in onzen stand; alleen maar ellende en
verderf. Ellende en verderf kwamen over mij—kwamen over mij.”
Snel hare oogen, die somber in het vuur staarden, naar Harriët
opslaande, zeide zij:
“Ik verspil den tijd, en er is geen tijd over, maar als ik niet aan dat
alles gedacht had zou ik niet hier wezen. Ellende en verderf kwamen
over mij, zeg ik. Ik werd voor een korten tijd een speeltuig, en werd
nog onbarmhartiger en onverschilliger weggeworpen dan men zulke dingen
doet. Door wiens hand denkt gij?”—“Waarom vraagt ge mij dat?” zeide
Harriët.—“Waarom beeft gij?” antwoordde Alice met een vurigen blik.
“Zijne behandeling heeft eene duivelin van mij gemaakt. Ik verzonk in
ellende en verderf al dieper en dieper. Ik had deel aan een
diefstal—deel aan alles behalve de winst—en werd ontdekt en moest te
recht staan, zonder een enkel vriend en zonder een stuiver geld. Schoon
ik maar een meisje was had ik liever ter dood willen gaan, dan hem om
een woord te vragen, als een woord van hem mij had kunnen redden. Dat
zou ik. Liever elke soort van dood, die men had kunnen uitvinden. Maar
mijne moeder, altijd hebzuchtig, zond hem eene boodschap in mijn naam,
verhaalde hem de waarheid van mijn geval, en bad nederig om de laatste
geringe gift—om niet zooveel ponden als ik vingers aan deze hand heb.
Wie was het, denkt gij, die met zijne vingers naar mij knipte, in mijne
ellende, toen ik, naar hij dacht, aan zijne voeten lag, en mij zelfs
dat armoedige teeken van herinnering niet wilde geven; weltevreden dat
ik buitenslands zou worden gezonden, waar ik hem niet verder kon lastig
vallen, en daar zou sterven en verrotten. Wie was dat denkt
gij?”—“Waarom beeft gij?” zeide Alice, de hand op haar arm leggende en
haar in het gezicht ziende. “Waarom anders, dan omdat gij het antwoord
op de lippen hebt? Het was uw broeder James.”
Harriët beefde nog sterker, maar wendde hare oogen niet af van den
strakken blik die daarop rustte.
“Toen ik hoorde dat gij zijne zuster waart—dat op dien avond was—kwam
ik terug, vermoeid en kreupel als ik was, om u uwe gift voor de voeten
te werpen. Het was mij dien nacht, alsof ik, zoo vermoeid en kreupel,
wel de geheele wereld had kunnen doorreizen, om hem een mes in het hart
te steken, als ik hem maar ergens alleen had kunnen vinden. Gelooft gij
dat mij dat alles ernst was?”—“Ja! goede hemel, waarom zijt gij
teruggekomen?”—“Sedert,” zeide Alice, nog haar arm vasthoudende en haar
strak aanziende, “heb ik hem gezien. Heb ik hem met mijne oogen gevolgd
op klaar lichten dag. Als er nog maar een vonkje haat in mijne borst
had gesmeuld, had het in vlam moeten schieten toen mijne oogen hem
zagen. Gij weet dat hij een trotsch man heeft beleedigd en tot zijn
doodvijand gemaakt. Als ik nu dien man eens bericht van hem had
gegeven?”—“Bericht!” herhaalde Harriët.—“Als ik eens iemand had
gevonden, die uw broeders geheim wist, die wist hoe hij gevlucht is, en
waar hij met zijne gezellin naar toe is? Als ik hem eens al wat hij
wist, woord voor woord, had laten zeggen, voor dien vijand, verscholen
om het te hooren? Als ik er toen eens bij had gezeten, en dien vijand
in het gelaat had gezien en er zulk eene verandering op had gezien, dat
het bijna geen menschengezicht meer was? Als ik hem eens als dol had
zien heenvliegen om hem te vervolgen? Als ik eens wist dat hij nu op
weg was, meer duivel dan mensch, en hem in zoovele uren moest
inhalen?”—“Neem uwe hand weg!” zeide Harriët, terugdeinzende. “Ga heen!
Ik gruw er van dat ge mij aanraakt.”—“Ik heb dat gedaan,” vervolgde
Alice even eens, zonder op deze woorden te letten. “Kunt gij niet aan
mij hooren en zien, dat ik het gedaan heb? Gelooft gij wat ik zeg?”—“Ik
vrees dat ik moet. Laat mijn arm los!”—“Nog niet. Nog een oogenblik.
Gij kunt denken wat mijne wraakzucht moet geweest zijn, om zoolang te
duren en mij daartoe te drijven?”—“Schrikkelijk!” zeide Harriët.—“Als
gij mij dan nu hier wederziet,” zeide Alice met eene schorre stem,
“stil op den grond geknield, met mijne hand op uw arm, met mijne oogen
op uw gezicht, moogt gij wel gelooven, dat het ernst is met wat ik zeg,
en dat ik een zwaren strijd heb gestreden. Ik schaam mij om de woorden
uit te spreken, maar ik heb berouw. Ik veracht mij zelve; ik heb den
ganschen dag en geheel den verleden nacht met mij zelve gekampt; maar
ik gevoel mij zonder reden voor hem verzacht, en ik wensch te herdoen
wat ik gedaan heb, als het nog mogelijk is. Ik wilde niet dat zij bij
elkander kwamen terwijl zijn vervolger zoo blind en woest is. Als gij
hem gisteravond hadt gezien, toen hij heenging, zoudt gij het gevaar
beter kennen.”—“Hoe kan dat verhoed worden! Wat kan ik doen!” riep
Harriët uit.—“Den geheelen nacht,” vervolgde de ander haastig, “heb ik
van hem gedroomd—en toch sliep ik niet—in zijn bloed. Den geheelen dag
heb ik hem bij mij gehad.”—“Wat kan ik doen?” zeide Harriët, huiverende
bij deze woorden.—“Als er iemand is, die hem wil schrijven, of eene
boodschap zenden, of naar hem toe gaan, laat hij dan geen tijd
verzuimen. Hij is te Dijon. Kent gij dien naam, en weet gij waar het
is?”—“Ja!”—“Waarschuw hem, dat de man, dien hij tot zijn vijand heeft
gemaakt, razend is, en dat hij hem niet kent als hij zijne komst gering
acht. Zeg hem, dat hij onderweg is—ik weet dat—en haast maakt. Dring
hem om zich uit den weg te maken terwijl het nog tijd is—als het nog
tijd is—en hem nog niet onder de oogen te komen. Eene maand of zoo zal
jaren van verschil maken. Laten zij elkander niet door mij ontmoeten.
Daar maar niet! Nu maar niet! Laat zijn vijand hem vervolgen en hem van
zelf vinden, maar niet door mij. Ik heb buitendien genoeg op mijn
hoofd!”
Het schijnsel van het vuur speelde niet langer over hare zwarte haren
en opgeheven gezicht; hare hand lag niet meer op Harriët’s arm, en de
plaats, waar zij geknield had, was ledig.