De Goede Vrouw Brown en hare dochter Alice zaten stil bij elkander in
hare eigene woning. Het was vroeg in den avond en laat in het najaar.
Slechts eenige dagen waren er verloopen sedert Dombey majoor Bagstock
had gesproken van het zonderlinge bericht, op eene zonderlinge manier
bekomen, dat misschien zou blijken valsch te zijn, of misschien waar;
en de wereld was nog niet voldaan.
Moeder en dochter zaten langen tijd zonder een woord te wisselen, bijna
zonder zich te bewegen. Het gezicht der oude vrouw duidde gespannen
verwachting en ongeduld aan; dat harer dochter insgelijks, maar in
minderen graad, en somtijds betrok het alsof zij zich te leur gesteld
gevoelde en ongeloovig werd. De oude vrouw bleef, zonder op deze
afwisseling van uitdrukking acht te geven, hoewel zij hare dochter
dikwijls aanzag, met zekere geruste overtuiging zitten mommelen en
luisteren.
De woning, hoewel armoedig en slecht, was niet zoo geheel ellendig als
toen de Goede Vrouw Brown er alleen gehuisvest was. Men kon zien, dat
er iets voor zindelijkheid en orde werd gedaan, hoewel op eene
haastige, ruwe manier, welke deze pogingen een enkele blik aan de
jongste der twee vrouwen moest doen toeschrijven. De avondschemering
werd al donkerder en donkerder, terwijl zij zoo bij elkander zaten, tot
de zwarte muren zich bijna in de heerschende duisternis verloren.
Nu verbrak Alice het stilzwijgen, dat zoolang geduurd had, en zeide:
“Gij kunt hem nu wel opgeven, moeder. Hij zal niet hier komen.”—“Voor
den duivel niet opgeven,” antwoordde de oude vrouw ongeduldig, “Hij zal
wel hier komen.”—“Wij zullen zien,” zeide Alice.—“Wij zullen hem zien,”
antwoordde de moeder.—“En den jongsten dag ook,” zeide de dochter.—“Gij
denkt dat ik kindsch en suf ben geworden,” krijschte de oude vrouw.
“Dat is de achting en eerbied, die ik van mijne eigene dochter krijg,
maar ik ben wijzer dan ge mij voor houdt. Hij zal wel komen. Toen ik
hem laatst op straat bij zijn rok trok, keek hij om alsof ik eene padde
was. Maar Heer, gij hadt hem eens moeten zien toen ik hunne namen
noemde, en hem vroeg of hij zou willen weten waar zij waren.”—“Keek hij
zoo kwaadaardig?” vroeg de dochter, in een oogenblik tot belangstelling
geprikkeld.—“Kwaadaardig? Vraag liever of hij moorddadig keek. Dat
lijkt er meer naar. Kwaadaardig? Ha, ha! Dat maar kwaadaardig te
noemen,” zeide de oude vrouw, naar de kast strompelende en eene kaars
aanstekende, waarbij men nu zien kon hoe akelig leelijk zij haar mond
verwrong. “Ik zou evengoed uw gezicht maar kwaadaardig kunnen noemen,
als gij van hen spreekt of aan hen denkt.”
Het was zeker iets anders dan dat, gelijk zij daar zat, zoo stil als
eene loerende tijgerin, met hare vlammende oogen.
“Luister!” zeide de oude vrouw zegevierend. “Ik hoor een stap aankomen.
Het is de stap niet van iemand, die hier woont of dikwijls dezen weg
komt. Wij stappen zoo niet. Wij zouden trotsch moeten wezen op zulke
buren. Hoort gij hem?”—“Ik geloof dat gij gelijk hebt, moeder,”
antwoordde Alice zacht. “Stil! Doe de deur open.”
Terwijl zij haar doek om zich toetrok, opende de oude vrouw de deur,
keek naar buiten, wenkte, en liet Dombey binnen, die, toen hij een voet
over den drempel had gezet, staan bleef en wantrouwig rondkeek.
“Het is een armoedig huis voor zulk een groot heer als uwe edelheid,”
zeide de oude vrouw nijgende. “Dat heb ik u ook gezegd; maar daar
steekt geen kwaad in.”—“Wie is dat?” zeide Dombey, naar hare gezellin
ziende.—“Dat is mijne mooie dochter,” zeide de oude vrouw. “Zij behoeft
uwe edelheid niet te hinderen. Zij weet er alles van.”
Zijn gezicht betrok en verried zijne gedachten zoo duidelijk, alsof hij
overluid gekermd had: “Wie weet er niet alles van?” maar hij zag haar
toch strak aan, en zij hem niet minder strak, maar zonder eenig ander
blijk dat zij zijne komst opmerkte. Zijn gezicht betrok nog donkerder,
toen hij zijne oogen van haar afwendde; en naderhand dwaalden zij
tersluiks weder naar haar toe, alsof haar stoute blik eene herinnering
bij hem opwekte, die hem geene rust liet.
“Vrouw,” zeide Dombey tot de oude heks, die dicht naast hem stond te
grijnzen en te mommelen, en die, toen hij zich naar haar omkeerde,
tersluiks naar hare dochter wees, en in hare handen wreef, en nog eens
wees. “Vrouw, ik geloof dat ik zwak ben en eenigszins mijn stand
vergeet door hier te komen, maar gij weet waarom ik kom, en wat ge mij
hebt aangeboden toen ge mij op straat staande hieldt. Wat is het nu,
dat ge mij te zeggen hebt aangaande datgene wat ik wensch te weten; en
hoe komt het dat mij vrijwillig berichten worden aangeboden in eene hut
als deze,” met een blik vol minachting om zich heen, “terwijl ik
vruchteloos mijn invloed en mijne middelen heb aangewend om die te
bekomen? Ik denk niet,” zeide hij, na een oogenblik zwijgens, terwijl
hij haar barsch had aangezien, “dat gij vermetel genoeg zijt om mij
voor den gek te willen houden, en te beproeven om mij te bedriegen.
Maar als gij dat voornemens zijt, zoudt gij beter doen u nog te
bedenken. Ik ben niet gezind om met mij te laten gekscheren, en de
vergelding zal streng zijn.”—“Och, wees maar zoo barsch niet, mijn
goede heer,” grinnikte het oude wijf, haar hoofd schuddende en hare
verschrompelde handen wrijvende. “Uwe edelheid zal met uwe eigene oogen
zien en met uwe eigene ooren hooren, niet met de onze—en als uwe
edelheid op het spoor wordt gebracht, zult gij er immers niet op zien
om er wat voor te betalen, zult ge wel, mijn lieve, goede
mijnheer?”—“Geld,” antwoordde Dombey, door deze vraag gerustgesteld,
naar het scheen, “kan zeer onwaarschijnlijke dingen teweegbrengen, dat
weet ik. Het kan zelfs voordeel doen met middelen zoo onverwacht en
weinig belovend als deze. Ja. Voor alle inlichtingen, die te vertrouwen
zijn, wil ik betalen. Maar ik moet die inlichtingen eerst hebben, en
zelf kunnen oordeelen wat zij waard zijn.”—“Kent zij iets, dat
krachtiger is dan geld?” vroeg de jongere vrouw, zonder op te staan of
van houding te veranderen.—“Hier niet, zou ik mij verbeelden,” zeide
Dombey.—“Gij moest toch iets kennen dat krachtiger is, zou ik denken,”
hervatte zij. “Weet gij niets van de kwaadheid van eene vrouw!”—“Gij
hebt eene impertinente tong, vrouwmensch,” zeide Dombey.—“Gewoonlijk
niet,” antwoordde zij, zonder eenig blijk van gemoedsbeweging. “Ik zeg
u dat nu maar, opdat gij ons beter zoudt begrijpen en ons meer
vertrouwen. De kwaadheid van eene vrouw is hier zoo tamelijk eveneens
als in uw mooi huis. Ik ben kwaad. Ik ben dat jaren lang geweest. Ik
heb evengoed reden tot kwaadheid als gij voor de uwe, en het voorwerp
daarvan is dezelfde man.”
Zijns ondanks maakte hij eene beweging als van schrik en zag haar
verwonderd aan.
“Ja,” zeide zij, met eene soort van lach. “Hoe groot de afstand
tusschen ons mag schijnen, het is toch zoo. Hoe het zoo is, komt er
niet op aan; dat is mijne geschiedenis, en die houd ik voor mij zelve.
Ik zou u en hem bij elkander willen brengen, omdat ik woedend tegen hem
ben. Mijne moeder hier is gierig en arm; en zij zou alle berichten, die
zij kon krijgen, of alles en iedereen, voor geld willen verkoopen. Het
is misschien billijk genoeg dat gij haar betaalt, als zij u kan helpen
aan wat gij weten wilt. Maar dat is het niet wat mij drijft. Ik heb u
gezegd wat het is, en dat zou mij even sterk drijven, al stondt gij met
haar op een halven schelling te dingen en te knibbelen. Ik heb gedaan.
Mijne impertinente tong zegt niets meer, al stondt gij hier tot
morgenochtend te wachten.”
De oude vrouw, die onder deze rede, welke hare verwachte winst dreigde
te verkleinen, de grootste onrust had getoond, trok Dombey zachtjes bij
zijne mouw en fluisterde hem toe, om zich maar niet aan haar te storen.
Hij zag ze beiden beurtelings aan, met een ontsteld gezicht, en zeide
met eene zwaardere stem dan hij anders had:
“Ga voort—wat weet gij?”—“Zoo gauw niet, edele heer! wij moeten nog
naar iemand wachten,” antwoordde de oude vrouw. “Het moet eerst iemand
uitgeknepen—uit de keel gehaald—afgepijnigd worden.”—“Wat meent gij?”
zeide Dombey.—“Geduld!” krijschte zij, en legde hare hand, als een
klauw, op zijn arm. “Geduld. Ik zal het er wel uitkrijgen. Ik weet dat
ik dat wel kan. Als hij het voor mij wilde achterhouden,” zeide de
Goede Vrouw Brown, hare tien vingers krommende, “zou ik het hem uit de
keel krabben.”
Dombey volgde haar met zijne oogen, terwijl zij naar de deur strompelde
en weder buiten keek; toen zocht zijn blik de dochter op; maar zij
bleef zwijgend en roerloos zitten, en scheen niet op hem te letten.
“Zegt gij mij, vrouw,” zeide hij, toen Vrouw Brown terugkwam, en haar
hoofd schudde en bij zich zelve mompelde, “dat er nog iemand hier wordt
gewacht?”—“Ja,” zeide de oude vrouw, naar hem opziende en
knikkende.—“Van wien gij de berichten moet bekomen, die mij van dienst
zullen zijn?”—“Ja,” zeide de oude vrouw, wederom knikkende.—“Een
vreemdeling?”—“St!” zeide de oude vrouw, met een schellen lach. “Wat
maakt dat uit? Maar neen. Geen vreemdeling voor uwe edelheid. Maar hij
zal u niet zien. Dan zou hij bang worden en niet willen praten. Gij
zult daar achter die deur zelf over hem oordeelen. Wij vragen u niet,
dat gij ons op goed vertrouwen zult gelooven. Wat! Uwe edelheid
twijfelt aan de kamer achter die deur? O, hoe achterdochtig zijn die
rijke lieden toch! Zie dan maar eerst.”
Hare scherpe oogen hadden eene onwillekeurige uitdrukking bij hem
ontdekt van een gevoel, dat onder zulke omstandigheden niet
onnatuurlijk was. Om hem gerust te stellen ging zij nu met de kaars
naar de deur waarvan zij sprak. Dombey keek binnen, zag dat het eene
ledige kamer was, en gaf haar een wenk om het licht weder op zijne
plaats te zetten.
“Hoelang zal het nog duren,” zeide hij, “eer die persoon komt?”—“Niet
lang,” antwoordde zij. “Wil uwe edelheid niet even gaan zitten?”
Hij gaf geen antwoord, maar begon de kamer op en neer te stappen met
een voorkomen, alsof hij niet recht wist of hij zou blijven of
heengaan, en alsof hij eenigszins op zich zelven ontevreden was, dat
hij daar was gekomen. Maar weldra werd zijn tred langzamer en zwaarder
en zijn gezicht strakker, alsof het doel, waarmede hij daar gekomen
was, hem weder voor den geest kwam.
Terwijl hij zoo met op den grond gevestigde oogen op en neer stapte,
zat Vrouw Brown op den stoel, waarvan zij was opgestaan om hem te
ontvangen, opnieuw te luisteren. Het eentonige geluid zijner schreden,
of haar ouderdom, maakte haar zoo traag van gehoor, dat hare dochter
reeds eene poos op een voetstap buiten de deur had gelet en haastig
opkeek om hare moeder te waarschuwen dat hij nader kwam, eer de oude
vrouw er iets van bespeurde. Maar toen stond zij schielijk op, en
fluisterende: “Daar is hij!” bracht zij haar bezoeker haastig naar de
andere kamer, waarna zij nog eene flesch en een glas op de tafel zette,
alles met zooveel spoed, dat zij gereed was om Rob den Slijper, zoodra
hij de deur inkwam, haar armen om den hals te slaan.
“En daar is toch eindelijk mijn allerliefste jongen!” riep zij. “Oho,
oho. Ge zijt toch waarlijk als een eigen zoon voor mij, Robby!”—“Och,
laat staan, Vrouw Brown!” pruttelde de Slijper. “Kunt ge niet van een
jongen houden, zonder hem zoo te knijpen en half te wurgen! Pas toch op
de vogelkooi, die ik draag!”—“Hij denkt om eene vogelkooi meer dan om
mij?” riep het oude wijf, alsof zij het woord tot den zolder richtte.
“Meer dan om mij, die meer dan eene moeder voor hem gevoel.”—“Ik ben u
waarlijk wel dankbaar, Vrouw Brown,” zeide de ongelukkige jonkman, zeer
knorrig; “maar ge zijt zoo jaloersch. Ik houd zelf heel veel van u, en
dat alles, natuurlijk; maar ik versmoor u toch niet, Vrouw Brown?”
Hij keek en sprak evenwel, alsof hij er lang niet tegen zou gehad
hebben om dit, bij voorkomende gelegenheid, werkelijk te doen.
“En dan van vogelkooien te spreken,” jankte de Slijper, “alsof daar
kwaad in stak! Wel, zie eens hier. Weet ge wel van wien dat is?”—“Van
uw meester, lieve jongen?” zeide de oude vrouw grijnzende.—“Ja,”
antwoordde de Slijper, terwijl hij eene groote kooi, in een doek
geknoopt, op de tafel zette, en den doek met handen en tanden begon los
te maken. “Het is onze papegaai.”—“Mijn Carker’s papegaai, Rob?”—“Wilt
gij uw mond wel houden, Vrouw Brown,” antwoordde de getergde Slijper.
“Wat behoeft gij namen te noemen? Ik mag gezegend wezen,” zeide Rob, in
zijne wreveligheid met beide handen aan zijne haren trekkende, “als zij
niet in staat is om een jongen razend te maken!”—“Wat, geeft ge mij
kwade woorden, ondankbare jongen!” riep het oude wijf, dat zich gereed
had gehouden om op te stuiven.—“Och mijn hemeltje, neen, Vrouw Brown!”
antwoordde de Slijper met tranen in de oogen. “Is er ooit iemand
zoo—Houd ik dan niet veel van u, Vrouw Brown?”—“Doet ge, lieve Rob?
Doet ge waarlijk, hartepitje?” Daarmede sloot Vrouw Brown hem nog eens
in hare teedere armen, en liet hem niet los voordat hij geweldig van
zich af begon te schoppen.—“Och Heere,” zeide de Slijper, “wat is het
toch, zoo met hartelijkheid overladen te worden! Ik wou dat ze—Hoe hebt
gij het gemaakt, Vrouw Brown?”—“Ja, niet hier geweest sedert van avond
voor acht dagen,” zeide de oude vrouw, hem met een blik van verwijt
aanziende.—“Wel, mijn hemel, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper, “ik
heb immers vandaag voor acht dagen gezegd, dat ik van avond hier zou
komen, heb ik niet? En nu ben ik hier. Wat slaat ge weer door! Ik wou
dat ge redelijk waart, Vrouw Brown. Ik ben schor van het praten,
zooveel als ik mij verdedigen moet, en mijn gezicht blinkt van het
zoenen.” Hij wreef het hard met zijne mouw, als om er dien glans af te
krijgen.—“Drink een droppeltje om u te troosten, mijn Robin,” zeide de
oude vrouw, het glas uit de flesch vol schenkende en hem
overgevende.—“Bedankt, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper. “Uwe
gezondheid. Lang moogt gij, enz.” Hetgeen, naar de uitdrukking zijner
trekken te oordeelen, geen zegenwensch bevatte. “En dat is hare
gezondheid,” zeide de Slijper met een blik naar Alice, die, naar het
hem voorkwam, met strakke oogen naar den muur achter hem zat te staren,
maar werkelijk naar Dombey, dien zij door de half opene deur kon zien,
“en dat zij nog veel en nog dikwijls—”
Met deze twee toasten had hij zijn glas geledigd, en zette hij het
weder neer.
“Wel, ik zeg, Vrouw Brown!” vervolgde hij. “Om nu wat verstandigs te
praten. Gij hebt verstand van vogels en weet ze te behandelen, gelijk
ik tot mijn koste weet.”—“Koste!” herhaalde Vrouw Brown.—“Voordeel,
meen ik,” antwoordde de Slijper. “Hoe kunt ge zoo tegen een jongen
uitvallen, Vrouw Brown. Gij hebt alles weer uit mijn hoofd
gebracht.”—“Verstand van vogels, Robby,” zeide de oude vrouw
herinnerend.—“Ja,” zeide de Slijper. “Wel, ik moet op dien papegaai
passen—want er wordt zeker huishouden opgebroken en zekere dingen
worden verkocht—en daar ik dat vooreerst niet wilde geweten hebben, wou
ik dat gij hem voor eene week of zoo bij u naamt en den kost gaaft—wilt
ge? Als ik toch hier moet komen,” zeide de Slijper met een peinzend
gezicht, “mag ik wel iets hebben waar ik om kom!”—“Iets waar hij om
komt!” gilde de oude vrouw.—“Behalve u, meen ik, Vrouw Brown,”
antwoordde de laffe Rob. “Niet dat ik iets anders noodig heb om mij te
lokken dan u, Vrouw Brown. Waarlijk niet. Begin maar niet weer, om alle
goedheid!”—“Hij geeft niet om mij!” riep Vrouw Brown, hare beenderige
handen opstekende. “Maar ik zal toch op zijn papegaai passen.”—“En pas
er goed op ook, weet ge, Vrouw Brown,” zeide Rob, zijn hoofd
schuddende. “Als gij maar eens zijne veeren den verkeerden kant mocht
opstrijken, geloof ik dat het ontdekt zou worden.”—“Is hij zoo slim,
Rob?” zeide Vrouw Brown snel.—“Slim, Vrouw Brown!” herhaalde Rob. “Maar
dat is geen ding om van te praten.”
Zich eensklaps stuitende (niet zonder een vreesachtigen blik in het
rond) schonk Rob zijn glas nog eens vol, en nadat hij het langzaam
geledigd had, schudde hij zijn hoofd en begon met zijne vingers over de
traliën der papegaaiskooi te strijken, bij wijze van afleiding van het
gevaarlijke onderwerp, dat zoo even was aangeroerd.
De oude vrouw hield hem scherp in het oog, en haar stoel wat nader bij
den zijnen schuivende, en naar den papegaai kijkende, die op haar
lokken uit zijn vergulden hoepel naar beneden kwam, zeide zij:
“Buiten dienst nu, Robby?”—“Kan u immers niet schelen, Vrouw Brown,”
antwoordde Rob kortaf.—“Op kostgeld misschien, Rob?” zeide Vrouw
Brown.—“Kopje krauwen!” zeide de Slijper.
De oude vrouw wierp hem een blik toe, die hem had kunnen waarschuwen
dat zijne ooren in gevaar verkeerden, maar het was nu zijne beurt om
naar den papegaai te kijken, en hoewel hij zich hare gramschap wel kon
verbeelden, werd die niet door zijne lichamelijke oogen waargenomen.
“Het verwondert mij, dat uw meester u niet heeft meegenomen, Rob,”
zeide de oude vrouw met eene fleemende stem, maar met toenemende
kwaadaardigheid in haar uitzicht.
Rob was zoo verdiept in de beschouwing van den papegaai en in het
vermaak om met zijn voorvinger over de traliën te ratelen, dat hij geen
antwoord gaf.
De oude vrouw had hare kromme vingers eene haarbreedte boven zijn
ruigen haarbos; maar zij bedwong zich en zeide, bijna stikkende van het
geweld om hare stem vriendelijk te houden:
“Robby, mijn kind.”—“Wel, Vrouw Brown?” zeide de Slijper.—“Ik zeg, het
verwondert mij dat uw meester u niet heeft meegenomen, lieve
jongen.”—“Dat kan u immers niet schelen, Vrouw Brown,” antwoordde de
Slijper.
Dadelijk had Vrouw Brown de rechterhand in zijne haren en de linker aan
zijne keel, en klemde zij het voorwerp harer teedere liefde met zulk
eene woede vast, dat zijn gezicht oogenblikkelijk blauw begon te
worden.
“Vrouw Brown!” schreeuwde de Slijper. “Laat los! Wat doet ge! Help mij
toch, jonge jufvrouw! Vrouw Bro—Bro—!”
Alice—de bedoelde jonge jufvrouw—hield zich echter geheel onzijdig,
totdat Rob, na al worstelende in een hoek te zijn geraakt, zich
losmaakte, en daar, achter zijne eigene ellebogen verschanst, bleef
staan hijgen, terwijl het oude wijf, insgelijks hijgende, en van woede
stampvoetende, hare krachten scheen te verzamelen voor een tweeden
aanval. In deze crisis kwam Alice tusschen beide, maar niet ter gunste
van den Slijper, en zeide:
“Wel gedaan, moeder. Scheur hem in stukken!”—“Wat,” stotterde Rob
huilende, “zijt gij ook tegen mij? Wat heb ik u gedaan? Waarom moet ik
in stukken gescheurd worden—dat zou ik wel willen weten? Waarom moet
gij een jongen willen wurgen, die u geen van beiden ooit eenig kwaad
heeft gedaan? En gij wilt nog al vrouwen heeten!” zeide de ontstelde
Slijper, zijne oogen wrijvende. “Ik sta verbaasd over u! Waar is uwe
vrouwelijke zachtheid?”—“Gij ondankbare hond!” beet Vrouw Brown hem
toe. “Gij onbeschaamde, boosaardige rekel!”—“Wat heb ik dan gedaan dat
gij kwalijk kunt nemen, Vrouw Brown?” antwoordde de behuilde Rob. “Een
oogenblik geleden hieldt ge nog zooveel van mij.”—“Mij af te snauwen
met zijne korte en norsche antwoorden!” zeide de oude vrouw. “Mij! Mij
op den schopstoel te durven zetten, omdat ik uit enkele
nieuwsgierigheid een praatje wil maken over zijn meester en de dame!
Maar ik zal niet meer met u praten, jongetje! Ga nu maar
heen!”—“Waarachtig, Vrouw Brown,” antwoordde de laaghartige Slijper,
“ik heb nooit te kennen gegeven dat ik wilde heengaan. Praat toch zoo
niet, Vrouw Brown, als het u belieft.”—“Ik wil geheel niet meer
praten,” zeide Vrouw Brown, met eene beweging harer kromme vingers, die
hem nog dichter in den hoek deed kruipen. “Geen woord met hem zal mij
meer uit den mond komen. Het is een ondankbare hond. Ik verzaak hem.
Laat hij nu maar gaan. Ik zal hem anderen nazenden, die wel te veel
zullen praten, die zich niet zullen laten afsnauwen; die hem als
bloedzuigers zullen aankleven, en als vossen nasluipen. Hij kent ze
wel. Hij kent zijne oude streken en kameraads wel. Als hij ze vergeten
is, zullen zij ze hem gauw weer te binnen brengen. Laat hij nu maar
gaan, en zien hoe hij op zijn meesters zaken zal passen, en zijn
meesters geheimen bewaren, als hij zulk gezelschap altijd bij zich
heeft. Ha, ha! Hij zal dan andere lieden vinden dan u en mij, Ally, al
houdt hij zich zoo dicht voor ons. Laat hij nu maar gaan, laat hij nu
maar gaan!”
Tot onbeschrijfelijken angst van den Slijper, bleef het kromme oude
wijf, onder een aanhoudend herhalen van deze woorden, om hem heen
draaien in een kring van omtrent vier voet middellijn, terwijl zij hare
vuist boven zijn hoofd schudde en haar mond in allerlei leelijke
bochten wrong.
“Vrouw Brown,” pleitte Rob, een weinigje uit zijn hoek komende, “gij
zoudt toch zeker een armen jongen niet willen benadeelen, als gij u
beter hebt bedacht en bedaard zijt geworden, zoudt ge wel?”—“Spreek
niet tegen mij,” zeide Vrouw Brown, nog eveneens haar kring
beschrijvende. “Laat hij nu maar gaan, laat hij nu maar gaan!”—“Vrouw
Brown,” hervatte de gemartelde Slijper, “ik had niet gemeend—O, wat is
het toch als een jongen eens zoover komt!—Ik was maar voorzichtig om te
praten, Vrouw Brown, omdat ik dat altijd ben, omdat hij alles kan te
weten komen; maar ik had wel kunnen weten dat het niet verder zou gaan.
Ik heb waarlijk zelf grooten lust,” met een allerjammerlijkst gezicht,
“om een beetje te praten, Vrouw Brown. Ga toch zoo niet te werk, als
het u belieft. Och, zoudt gij niet zoo goed willen zijn om een woordje
voor een armen jongen te spreken?” zeide de Slijper, zich wanhopig op
de dochter beroepende.—“Kom, moeder, gij hoort wat hij zegt,” viel zij
met hare stroeve stem en eene ongeduldige beweging van haar hoofd er op
in. “Probeer het nog eens met hem, en als gij weer ongenoegen met hem
krijgt, ruïneer hem dan en laat hem loopen.”
Vrouw Brown, door deze teerhartige vermaning bewogen, naar het scheen,
begon te huilen; en trapsgewijze vermurwd, sloot zij den boetvaardigen
Slijper in hare armen, die haar met een zeer benauwd gezicht nogmaals
en nogmaals verschooning verzocht, en zich eindelijk, als een weerloos
slachtoffer, weder op zijne vorige plaats zette, dicht naast zijne
eerwaardige vriendin, welke hij, met een gezicht, waarop de
tegenstrijdigste uitdrukkingen elkander afwisselden, toeliet om haar
arm door den zijnen te steken en hem zoo vast te houden.
“En hoe vaart uw meester, lieve jongen?” zeide Vrouw Brown, nadat zij,
in deze vriendschappelijke houding gezeten, elkander nog eens hadden
toegedronken.—“St! Als gij zoo goed wilt zijn om een beetje zachter te
spreken, Vrouw Brown,” smeekte Rob. “Wel, hij is tamelijk wel, dankje,
zou ik denken.”—“Gij zijt toch niet buiten dienst, Robby?” zeide Vrouw
Brown op een fleemenden toon.—“Wel, eigenlijk niet buiten dienst, en
ook niet in dienst,” stotterde Rob. “Ik—ik trek nog mijn geld, Vrouw
Brown.”—“En behoeft daarvoor niets te doen, Rob?”—“Niets bijzonders
tegenwoordig, Vrouw Brown, behalve—mijne oogen openhouden,” zeide de
Slijper en liet zijne oogen angstig rondgaan.—“Meester buitenslands,
Rob?”—“Om alle goedheid. Vrouw Brown, zoudt ge niet van wat anders een
praatje kunnen maken?” riep de Slijper met eene uitbarsting van wanhoop
uit.
Daar de ongeduldige Vrouw Brown dadelijk opstond, hield de gemartelde
Slijper haar vast, en stotterde: “Ja, ja, Vrouw Brown. Ik geloof dat
hij buitenslands is. Waar kijkt zij zoo naar?” voegde hij er bij, op de
dochter doelende, wier oogen gevestigd waren op het gezicht, dat nu
achter hem kwam uitkijken.—“Stoor u niet aan haar, jongen,” zeide de
oude vrouw, hem steviger vasthoudende, om te beletten dat hij omzag.
“Dat is hare manier zoo. Zeg mij, Rob—hebt gij ooit de dame gezien,
lieve jongen?”—“Och, Vrouw Brown, welke dame?” riep de Slijper op een
jammerlijken smeektoon.—“Welke dame?” antwoordde zij bits. “De dame.
Mevrouw Dombey.”—“Ja, ik geloof dat ik haar eens gezien heb,”
antwoordde Rob.—“Dien avond toen zij heenging, Robby, he?” beet de oude
vrouw hem in het oor, en lette op elke verandering van zijn gezicht.
“Ja, ik weet wel dat het dien avond was.”—“Wel, als gij wist dat het
dien avond was, Vrouw Brown,” antwoordde Rob, “dan behoeft gij een
jongen ook zoo niet te knijpen, om het hem nog eens te laten
zeggen.”—“Waar zijn zij dien avond naar toe gegaan, Rob? Hoe gingen
zij? Lachte ze of huilde ze? Vertel mij alles er van,” zeide de oude
heks, hem nog stijver vasthoudende, en de hand, die door haar arm
getrokken was, met hare andere hand knijpende, terwijl zij hem strak in
het gezicht keek. “Kom! Begin! Ik wil er alles van weten. Wat zegt ge,
Rob, mijn jongen? Gij en ik kunnen samen wel een geheim bewaren. Dat
hebben wij wel meer gedaan. Waar zijn zij eerst naar toe gegaan?”
De rampzalige Slijper deed hijgend zijn mond open, maar zweeg.
“Zijt gij stom geworden?” zeide het oude wijf gramstorig.—“Wel neen,
Vrouw Brown. Maar gij denkt, dat een jongen een bliksemstraal zal zijn.
Ik wou, dat ik de electriciteit zelve was,” mompelde de benauwde
Slijper. “Dan zou ik iemand een schok geven, daar zij haar bekomst aan
zou hebben.”—“Wat zegt gij?” vroeg het oude wijf grijnzende.—“Dat ik
eens op uwe gezondheid wou drinken, Vrouw Brown,” antwoordde de valsche
Rob, zijn troost in het glas zoekende. “Waar zij eerst naar toe gingen,
vraagt ge. Hij en zij, meent ge?”—“Ja,” zeide de oude vrouw gretig.
“Die twee.”—“Wel, zij gingen nergens naar toe—niet te zamen, wil ik
zeggen.”
Het oude wijf zag hem aan alsof zij veel lust had om hem nog eens bij
het haar en de keel te grijpen; maar zij liet zich weerhouden door
zekere knorrige geheimzinnigheid in zijn uitzicht.
“Dat was het slimme er van,” zeide de tegenstribbelende Slijper. “Zoo
komt het, dat niemand hen heeft zien heengaan, of heeft kunnen zeggen
hoe zij heengegaan zijn. Zij gingen ieder een anderen weg, Vrouw
Brown.”—“Ja, ja! Om op eene afgesprokene plaats bij elkander te komen,”
zeide het oude wijf grinnikend, nadat zij hem een oogenblik scherp had
aangezien.—“Wel, als zij elkander niet ergens wilden opzoeken, dunkt
mij, dat zij evengoed thuis hadden kunnen blijven, nietwaar, Vrouw
Brown?” antwoordde de onwillige Slijper.—“Wel, Rob? Wat meer?” zeide
het oude wijf, zijn arm nog verder door den haren trekkende, alsof zij
bang was dat hij haar nu zou ontglippen.—“Wat, hebben wij nog niet
genoeg gepraat, Vrouw Brown?” zeide Rob, die van angst en door den
drank zoo huilerig was geworden, dat hij bijna geen woord kon spreken,
zonder zijn opslag in zijn oog te duwen en een jankend geluid te laten
hooren. “Of zij dien avond lachte, niet waar? Hebt gij niet gevraagd of
zij lachte, Vrouw Brown?”—“Of huilde?” zeide het oude wijf toestemmend
knikkende.—“Geen van beide,” zeide de Slijper. “Zij hield zich zoo
stijf, den geheelen weg—och, ik zie wel dat gij mij wilt uitpersen,
Vrouw Brown. Maar gij moet er eerst een duren eed op doen, dat gij het
nooit iemand zult vertellen.”
Vrouw Brown deed dit zeer bereidwillig, gelijk zij gerust kon doen,
daar zij niets anders bedoelde dan den verborgen luisteraar alles zelf
te laten hooren.
“Wel dan, den geheelen weg over, toen ik met haar naar Southampton
reed, hield zij zich zoo stijf als een steenen beeld,” zeide de
Slijper. “Den anderen ochtend nog eveneens, Vrouw Brown. En toen ik
voor den dag met haar naar de pakketboot ging—ik alsof ik haar knecht
was, die haar veilig aan boord moest brengen—was zij ook nog zoo. Zijt
gij nu tevreden, Vrouw Brown?”—“Neen, Rob, nog niet,” antwoordde Vrouw
Brown kortaf.—“Hoor die vrouw nu eens aan!” riep de Slijper jammerend
uit. “Wat wilt ge dan nog meer weten, Vrouw Brown?”—“Waar is uw meester
gebleven? Waar ging hij naar toe?” vroeg zij, hem nog stevig
vasthoudende en scherp aanziende.—“Bij mijne ziel, dat weet ik niet,
Vrouw Brown,” antwoordde Rob. “Bij mijne ziel, ik weet niet wat hij
gedaan heeft, of waar hij naar toe ging, of iets van hem. Ik weet
alleen wat hij mij op het laatst nog heeft gezegd, om mij te
waarschuwen dat ik mijn mond moest houden; en ik zeg u dit, Vrouw
Brown, als een vriend: veel liever dan ooit een woord te vertellen van
wat wij nu praten, moest gij u zelve liever doodschieten, of u zelve
hier in huis opsluiten en het in brand steken, want er is niets dat hij
niet doen zou om wraak op u te nemen. Gij kent hem niet half zoo goed
als ik, Vrouw Brown. Gij zijt nooit veilig voor hem, zeg ik u.”—“Heb ik
geen eed gedaan,” zeide het oude wijf, “en zal ik dien niet
houden?”—“Nu, ik hoop waarachtig dat ge dat doen zult, Vrouw Brown,”
antwoordde Rob eenigszins twijfelachtig, en niet zonder iets dreigends
in zijn toon. “In uw eigen belang, zoowel als in het mijne.”
Hij zag haar aan terwijl hij haar deze vriendelijke waarschuwing gaf,
die hij nog met een hoofdknik aandrong; maar daar hij het onpleizierig
vond dat gele grijnzende gezicht en de scherpe loerende oogen zoo
dichtbij te zien, keek hij weder naar omlaag, en bleef onrustig op zijn
stoel zitten heen en weder schuiven, alsof hij zijn best deed om zich
op te winden tot eene stugge verklaring, dat hij nu geene vragen meer
wilde beantwoorden. De oude vrouw, die hem nog stevig vasthield nam
deze gelegenheid waar om ongemerkt haar voorvinger op te steken, als
een geheim teeken voor den verborgen luisteraar om bijzonder op te
letten op hetgeen er nu zou volgen.
“Rob,” zeide zij op haar fleemenden toon.—“Lieve hemel, Vrouw Brown,
wat is er nu weer?” zeide de radelooze Slijper.—“Rob, waar hebben de
dame en uw meester afgesproken om elkander te vinden?”
Rob schoof nog onrustiger heen en weer, keek op en weder naar omlaag,
beet op zijn duim, veegde dien op zijn vest af, en zeide eindelijk,
zijn plaaggeest schuins aanziende: “Hoe zou ik dat weten, Vrouw Brown?”
De oude vrouw stak nog eens haar vinger op en zeide: “Kom, jongen. Nu
gij zooveel gezegd hebt, moet ge mij er niet bij laten steken. Ik wil
het weten.”
Rob liet haar eene poos op antwoord wachten en barstte toen radeloos
uit: “Hoe kan ik de namen van die vreemde plaatsen uitspreken, Vrouw
Brown? Wat zijt ge toch onredelijk!”—“Maar gij hebt het toch gehoord,
Robby,” hervatte zij dringend, “en hoe klonk het? Kom aan!”—“Ik heb het
nooit gehoord, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper.—“Dan,” hervatte zij
snel, “hebt gij het geschreven gezien en kunt het spellen.”
Met een wreveligen uitroep, tusschen lachen en huilen—want hij moest de
slimheid van Vrouw Brown eenigszins bewonderen, hoe erg zij hem ook
kwelde—haalde Rob een stukje krijt uit zijn vestzakje. De oogen van het
oude wijf begonnen te schitteren toen zij het tusschen zijn duim en
vinger zag blinken, en haastig ruimte makende op de vurenhouten tafel,
om hem het woord daar te laten schrijven, gaf zij met hare bevende hand
nog eens het vorige teeken.
“Nu zeg ik u vooruit hoe het is, Vrouw Brown,” zeide Rob. “Gij behoeft
mij nu niets meer te vragen. Ik wil op niets meer antwoord geven, en
kan ook niet. Hoelang het nog duren moest eer zij elkander vonden, of
wie het bedacht dat zij ieder alleen zouden gaan, daarvan weet ik niet
meer dan gij. Ik weet er nu niets meer van. Als ik u nu nog zeg hoe ik
dat woord gevonden heb, zult gij dat wel gelooven. Zal ik u dat zeggen,
Vrouw Brown?”—“Ja, Rob.”—“Welnu dan, Vrouw Brown. Maar dan moet ge mij
niets meer vragen, weet ge?” zeide Rob, haar aanziende met oogen, die
nu dof en slaperig begonnen te worden.—“Geen woord meer,” zeide Vrouw
Brown.—“Wel, het was dan op deze manier. Toen zeker iemand de dame bij
mij liet, gaf hij haar een papiertje met een geschreven adres, in geval
zij het vergeten mocht, zeide hij. Maar zij was niet bang om het te
vergeten, want zij verscheurde het zoodra hij zijn rug had gekeerd en
toen ik de trede van het rijtuig opsloeg vond ik een van de stukjes—de
andere gooide zij uit het portier, denk ik, want ik vond er naderhand
niet meer, hoewel ik er naar zocht. Er stond maar één woord op, en dat
was dit, als gij het dan moet en zult weten. Maar onthoud, gij hebt een
eed gedaan, Vrouw Brown.”
Vrouw Brown wist dat wel, zeide zij, en Rob, die nu niets meer te
zeggen had, begon langzaam en stijf op de tafel te schrijven.
“D,” zeide de oude vrouw hardop, toen hij die letter gezet had.—“Wilt
gij uw mond wel houden, Vrouw Brown?” riep hij, de letter met zijne
hand bedekkende en zich driftig naar haar omkeerende. “Ik wil het zoo
niet gelezen hebben. Houd u stil, hoort gij?”—“Schrijf dan wat groot,
Rob,” antwoordde zij, haar geheim teeken herhalende, “want mijne oogen
zijn niet goed meer, zelfs voor de drukletters.”
Onvergenoegd mompelende, ging Rob met blijkbaren tegenzin weder aan het
werk. Terwijl hij laag met zijn hoofd bukte, kwam de man, tot wiens
inlichting hij zonder het te weten arbeidde, achter de deur vandaan tot
dicht achter hem, en keek over zijn schouder naar zijne op de tafel
voortkruipende hand. Te gelijk gaf Alice, van haar stoel aan de
overzijde, oplettend acht hoe die hand de letters vormde, en sprak zij
elke letter met hare lippen uit, maar zonder geluid te laten hooren.
Telkens sloeg zij hare oogen naar Dombey op en zag deze naar haar,
alsof zij wederkeerig door elkander bevestigd wilden worden, en zoo
spelden zij beide: D. I. J. O. N.
“Daar!” zeide de Slijper, haastig zijne handpalm nat makende, om het
woord weder uit te vegen; en nog niet met dat uitvegen tevreden, de
tafel met zijne mouw boenende, tot zelfs het wit van het krijt niet
meer op de planken te zien was. “Nu hoop ik dat ge tevreden zijt, Vrouw
Brown!”
Ten teeken dat zij dit was, liet de oude vrouw zijn arm los en klopte
hem op zijn rug; en de Slijper, door verdrietelijkheid, inspanning en
den drank overweldigd, sloeg zijne armen op de tafel over elkander,
liet zijn hoofd daarop neerzakken en viel in slaap.
Niet voordat hij eenigen tijd had geslapen en rustig snorkte, keerde de
oude vrouw zich naar de deur, waarachter Dombey zich weder verborgen
had, en wenkte zij hem om de kamer door te komen en heen te gaan. Zelfs
toen bleef zij bij Rob staan oppassen, gereed om hem hare handen voor
de oogen te houden, of zijn hoofd op de tafel neer te duwen, als hij
het mocht opheffen, terwijl die voorzichtige voetstap de kamer
doorging. Maar hoewel zij scherp op den slapende lette, zij lette niet
minder scherp op den wakende; en toen hij hare hand met de zijne
aanraakte en in weerwil van zijne voorzichtigheid een gouden klank liet
hooren, schitterden hare oogen als die van eene raaf.
De donkere blik der dochter volgde hem naar de deur, en zag wel hoe
bleek hij was, en hoe zijn haastige tred aanduidde, dat het minste
vertoef hem onuitstaanbaar was, en hoe hij brandde van ongeduld om maar
op weg te zijn. Toen hij de deur achter zich sloot, zag zij naar hare
moeder om. Het oude wijf kwam snel naar haar toe, opende hare hand om
te laten zien wat zij er in had, kneep ze in hare gierigheid terstond
weder dicht en fluisterde:
“Wat zal hij nu doen, Ally?”—“Een ongeluk,” zeide de dochter.—“Een
moord?” vroeg de oude vrouw.—“Hij is dol genoeg in zijn gekwetsten
trots, zoover wij kunnen zeggen, of hij zelf kan zeggen.”
Haar blik was nog vuriger dan die harer moeder, maar haar gezicht was
geheel kleurloos, tot hare lippen toe.
Zij spraken niet meer, maar bleven van elkander afgezonderd zitten; de
moeder telde haar geld, de dochter verdiepte zich in hare gedachten;
beider oogen flikkerden in de duisternis der flauw verlichte kamer. Rob
snorkte. De papegaai, op welken niemand lette, was de eenige die zich
bewoog. Hij plukte en rukte met zijn krommen bek aan de traliën zijner
kooi, en klauterde als eene vlieg langs het koepeldak, en met den kop
vooruit weder naar omlaag, en scheen dol van ongeduld om uit te breken,
alsof hij het gevaar van zijn meester kende, en naar hem toe wilde
vliegen om hem te waarschuwen.