MIJNHEER DOMBEY EN DE WERELD.

Wat doet die trotsche man, terwijl de dagen voorbijsnellen? Denkt hij

ooit aan zijne dochter en verwondert hij zich waar zij gebleven is? Of

verbeeldt hij zich, dat zij thuis is gekomen en in die akelige woning

wederom het oude leven leidt? Niemand kan die vraag beantwoorden. Hij

heeft sedert haar naam niet weder genoemd. Zijne huisgenooten zijn te

bevreesd voor hem om een onderwerp aan te roeren, waarover hij

hardnekkig stom blijft; en de eenige, die hem durft vragen, legt hij

dadelijk het zwijgen op.

“Mijn beste Paul,” prevelt zijne zuster, die op den dag van Florence’s

vlucht zijne kamer komt binnenschuiven. “Uwe vrouw, die gij van niet

tot iets hebt gebracht! Is het mogelijk, dat het waar is, wat ik

verward heb gehoord, en dat dit haar dank is voor uwe voorbeeldelooze

goedheid voor haar, die immers zoover ging om uwe eigene

familiebetrekkingen aan hare grillen en hare trotschheid op te offeren!

Mijn arme broeder!”

Onder deze aanspraak, waarin de gevoelige herinnering doorblinkt, dat

zij op den dag der eerste partij niet op het diner is gevraagd, maakt

mevrouw Chick ruimschoots gebruik van haar zakdoek, en bij het einde

valt zij Dombey om den hals. Maar Dombey tilt haar ijskoud op en brengt

haar naar een stoel.

“Ik dank u, Louise,” zegt hij, “voor dit bewijs van genegenheid; maar

verlang, dat ons gesprek tot andere onderwerpen moge beperkt blijven.

Wanneer ik mijn lot beklaag, Louise, of te kennen geef, dat ik behoefte

aan troost heb, kunt gij mij dien aanbieden, als ge dan zoo goed wilt

zijn.”—“Mijn beste Paul,” antwoordt zijne zuster, met haar zakdoek voor

haar gezicht en haar hoofd schuddende, “ik ken uw grooten geest en wil

niets meer zeggen over een zoo smartelijk en stuitend onderwerp;” op de

hoofden dier twee bijvoeglijke woorden stort mevrouw Chick eene kokend

heete verontwaardiging uit; “maar laat ik u mogen vragen—schoon ik

vrees iets te hooren, dat mij zal ontzetten en bedroeven—dat

ongelukkige kind, Florence—”—“Louise,” zegt haar broeder barsch,

“zwijg! Geen woord daarvan!”

Mevrouw Chick kan niets anders doen dan haar hoofd schudden en haar

zakdoek te baat nemen en kermen over de verbasterde Dombey’s, die geene

Dombey’s meer zijn. Maar of Florence medeplichtig is aan de vlucht van

Edith, of dat zij deze is gevolgd, of dat zij te veel heeft gedaan of

te weinig, of iets of niets, daarvan heeft zij geen het minste

denkbeeld.

Hij blijft zijne gedachten en aandoeningen in zijne borst bewaren en

deelt ze niemand mede. Hij laat niet naar zijne dochter zoeken. Hij mag

denken, dat zij bij zijne zuster is, of onder zijn eigen dak. Hij mag

bestendig aan haar denken, of in het geheel niet. Uit geen teeken is

dit op te maken.

Maar dat is zeker: hij denkt niet, dat hij haar verloren heeft. Hij

heeft geen vermoeden van de waarheid. Hij heeft al te lang in het

kasteel zijner ontoegankelijke meerderheid opgesloten gezeten en haar

in het pad daar beneden gezien, om daarvoor eenige vrees te hebben.

Geschokt als hij is door zijne schande, is hij nog niet tot den vlakken

grond vernederd. De wortels van zijn trots zijn breed en diep en hebben

zich in den loop van jaren uitgebreid en uit alles in het rond voedsel

getrokken. De boom is getroffen, maar niet geveld.

Hoewel hij de wereld in zijn binnenste voor de wereld daarbuiten

verbergt—die hij gelooft, dat op het oogenblik maar een enkel doel

heeft, namelijk om hem overal te bespieden—kan hij die weerspannige

teekenen daarvan niet verbergen, die hem door zijne holle oogen en

wangen, zijn betrokken voorhoofd en zijn somber peinzend voorkomen

verraden. Even ondoordringbaar als te voren, is hij toch veranderd;

even trotsch als ooit, is hij toch vernederd, of men zou die teekenen

niet zien.

De wereld. Wat de wereld van hem denkt, hoe zij hem beschouwt, wat zij

in hem ziet, en wat zij zegt—deze gedachte is zijn kwelduivel, die hem

overal vervolgt, overal is waar hij is, en nog erger, overal is waar

hij niet is. Die kwelduivel komt met hem onder zijne bedienden, en toch

laat hij hem fluisterend achter; hij ziet zich op straat door hem

nawijzen; hij staat naar hem te wachten in zijn kantoor; hij gluurt

over den schouder van rijke heeren onder de kooplieden; hij loopt onder

de menigte wenken en babbelen; hij is hem overal en altijd voor, en

heeft het altijd het drukst, dat weet hij, als hij weg is. Als hij des

avonds in zijne kamer zit opgesloten, is hij in huis, en toch

daarbuiten, hoorbaar in de voetstappen op straat, zichtbaar in de

papieren op zijne tafel, stoomt heen en weder op de spoorwegen en

stoombooten, is overal rusteloos bezig met niets anders dan hem.

Dit is geene begoocheling zijner verbeelding. Het werkt evenzeer bij

anderen als bij hem. Getuige daarvan neef Feenix, die opzettelijk van

Baden-Baden komt, om met hem te spreken. Getuige majoor Bagstock, die

neef Feenix bij die vriendelijke terugkomst vergezelt.

Dombey ontvangt hen met zijne gewone deftigheid en staat met zijne

gewone stijfheid voor het vuur. Hij gevoelt, dat de wereld hem uit

hunne oogen aanziet. Dat zij hem uit de oogen aanstaart. Dat het

borstbeeld van Pitt op de boekenkast haar vertegenwoordigt. Dat er

oogen zijn in de landkaart, die aan den muur hangt.

“Een buitengewoon koud voorjaar,” zegt Dombey—om de wereld te

misleiden.—“Verd...d, mijnheer,” zegt de majoor met de warmte der

vriendschap, “Jozef Bagstock heeft er geen slag van om te veinzen. Als

gij uwe vrienden van u af wilt houden, Dombey, is J. B. de man niet, om

zich dat te laten doen. Joe is ruw en taai, mijnheer; plomp, mijnheer,

plomp is hij. Zijne koninklijke hoogheid wijlen de hertog van York

heeft mij de eer bewezen om te zeggen, verdiend of onverdiend—dat doet

er niet toe—“Als er één man in den dienst is, op wien ik rekenen kan

dat hij recht door zee gaat, is die man Joe Bagstock.””

Dombey geeft te kennen, dat hij dit toestemt.

“Nu, Dombey,” zegt de majoor, “ik ben een man van de wereld. Onze

vriend Feenix—als ik zoo vrij mag wezen—”—“Veel eer voor mij,” zegt

neef Feenix.—“Is,” zegt de majoor, schalkachtig zijn hoofd schuddende,

“ook een man van de wereld. Nu, als drie mannen van de wereld—Dombey,

gij zijt een man van de wereld—bij elkander komen en vrienden

zijn—zooals ik geloof,” zich weder naar Feenix keerende.—“Wel

zeker—heel vriendelijk,” zegt neef Feenix.—“En vrienden zijn,” hervat

de majoor, “dan is oude Joe van gevoelen (misschien heeft J. het ook

wel mis) dat het gevoelen van de wereld over eene of andere zaak zeer

gemakkelijk te vernemen is.”—“Zonder twijfel,” zegt neef Feenix.

“Eigenlijk is het iets, dat bijna van zelf spreekt. Ik ben er zeer op

uit, majoor, dat mijn vriend Dombey mij hoort zeggen hoe buitengemeen

het mij verwondert en spijt, dat mijne bekoorlijke en talentrijke

nicht, die alle vereischten bezat om een man gelukkig te maken, zoover

heeft kunnen vergeten, wat zij—wat zij, om kort te gaan, de wereld

verschuldigd was—om zich op zulk eene buitengewone manier ten toon te

stellen. Ik ben sedert geweldig neerslachtig geweest; en gisteravond

zeide ik nog tegen den langen Saxby—een man van zes voet tien duim,

dien mijn vriend Dombey waarschijnlijk wel zal kennen—dat het mij

verduiveld zenuwachtig en galachtig heeft gemaakt. Het doet iemand

bedenken, zulk een noodlottige catastrophe,” zegt neef Feenix, “dat de

Voorzienigheid toch alles ten beste bestuurt; want als mijne tante nu

nog geleefd had, denk ik dat de schok voor zulk eene drommels levendige

vrouw zoo erg zou geweest zijn, dat zij er—kortom het slachtoffer van

zou zijn geworden.”—“Nu, Dombey,” zegt de majoor, met grooten nadruk

zijne rede hervattende.—“Neem mij niet kwalijk,” valt neef Feenix er op

in. “Laat ik nog een woordje mogen zeggen. Mijn vriend Dombey zal mij

wel vergunnen er nog bij te voegen, dat, als iets bij zulk eene

gelegenheid mijn verdriet had kunnen vergrooten, het de natuurlijke

verbazing der wereld moest wezen, dat mijne bekoorlijke en talentrijke

nicht (gelijk ik verzoeken moet haar nog te mogen noemen) vermeend

wordt zich zoover te hebben ingelaten met een persoon—die man met zijne

witte tanden, kortom—ver beneden den stand van haar wettigen

echtgenoot. Maar terwijl ik mijn vriend Dombey, zelfs eenigszins

dringend, moet verzoeken om mijne bekoorlijke en talentrijke nicht niet

te veroordeelen voordat hare schuld ten volle gebleken is, verzoek ik

mijn vriend Dombey te mogen verzekeren, dat de familie, die ik

representeer en die nu bijna uitgestorven is (eene drommels

zwaarmoedige gedachte voor iemand), hem geene belemmeringen in den weg

zal leggen, en gaarne zal toestemmen in alle gepaste maatregelen voor

de toekomst, die hij mocht willen nemen. Ik vertrouw, dat mijn vriend

Dombey zich wel overtuigd zal willen houden van de welwillende

gezindheden, waardoor ik in deze allertreurigste zaak gedreven word, en

dat—om kort te gaan, ik weet niet, dat ik mijn vriend Dombey met eenige

verdere opmerkingen behoef lastig te vallen.”

Dombey buigt, zonder zijne oogen op te slaan, en zwijgt.

“Nu, Dombey,” zegt de majoor, “daar onze vriend Feenix nu, met eene

welsprekendheid, die oude Joe B. nooit heeft hooren overtreffen—neen,

waarachtig nooit, mijnheer—” zegt de majoor, zeer rood wordende en zijn

stok in het midden vattende “de zaak van den kant der dame heeft

voorgedragen, zal ik mij op onze vriendschap laten voorstaan, Dombey,

om een woordje daarover te zeggen uit een ander oogpunt beschouwd.

Mijnheer,” zegt de majoor, met zijne paardenkuch, “de wereld heeft in

zulke zaken gevoelens, die ontzien moeten worden.”—“Dat weet ik;” zegt

Dombey.—“Natuurlijk, weet gij dat,” zegt de majoor. “Verd...d,

mijnheer, ik weet, dat gij dat weet. Een man van uw kaliber zal daarvan

niet waarschijnlijk onkundig zijn.”—“Ik hoop van neen,” antwoordt

Dombey.—“Dombey,” zegt de majoor, “gij zult het overige wel raden. Ik

spreek ronduit—misschien wat te vroeg—omdat de Bagstock’s altijd

ronduit hebben gesproken. Weinig hebben zij ooit daarmee gewonnen; maar

het zit in het bloed, mijnheer. Er moeten kogels met dien man gewisseld

worden. Gij hebt J. B. bij u. Hij maakt aanspraak op den naam van uw

vriend. God zegen u.”—“Majoor,” zegt Dombey, “ik ben u verplicht. Ik

zal mij in uwe handen stellen als het daartoe tijd wordt. Daar de tijd

nog niet gekomen was, heb ik nagelaten er u over te spreken.”—“Waar is

de kerel, Dombey?” zegt de majoor, na hem een oogenblik hijgende te

hebben aangestaard.—“Dat weet ik niet.”—“Ook bericht van

hem?”—“Ja.”—“Dombey, het verheugt mij dat te hooren,” zegt de majoor.

“Ik feliciteer u.”—“Gij zult mij wel verschoonen—zelfs gij, majoor,”

hervat Dombey, “om voor alsnog in verdere bijzonderheden te treden. Het

bericht is van een zonderlingen aard en op eene zonderlinge manier

bekomen. Het zal misschien blijken valsch te zijn; maar het kan ook

waar zijn. Dat kan ik voor alsnog niet zeggen. Mijne opheldering moet

zich vooreerst hiertoe bepalen.”

Hoewel dit een tamelijk droog antwoord is op des majoors purperen

geestdrift, neemt de majoor het zeer vriendelijk op en verheugt zich,

dat de wereld zoo goede kans heeft om te krijgen wat haar verschuldigd

is. Daarop ontvangt neef Feenix een gepast compliment van den

echtgenoot zijner bekoorlijke en talentrijke nicht, en neef Feenix en

majoor Bagstock vertrekken en laten dien echtgenoot alleen om te

peinzen over hetgeen zij hem van de gevoelens der wereld ten opzichte

van zijne aangelegenheden, en van hare billijke en redelijke

verwachtingen hebben gezegd.

Maar wie zit er in de huishoudsterskamer schreiende en met opgehevene

handen zachtjes met mevrouw Pipchin te praten? Het is eene dame, wier

gezicht in een zeer diepen, zwarten hoed verscholen zit, die haar niet

schijnt toe te komen. Het is jufvrouw Tox, die deze vermomming van hare

meid heeft geleend; en zoo van Princess’s Place is gekomen, om hare

oude kennis met mevrouw Pipchin te vernieuwen en aldus zekere berichten

van den toestand van Dombey te bekomen.

“En hoe houdt hij er zich onder, lieve vrouw?” vraagt jufvrouw

Tox.—“Och,” antwoordt mevrouw Pipchin op hare snibbige manier, “hij is

zoo wat als gewoonlijk.”—“Uitwendig,” zegt jufvrouw Tox. “Maar wat hij

van binnen gevoelt!”

Mevrouw Pipchin’s grijze oogen duiden zekeren twijfel aan, terwijl zij

met drie afzonderlijke stooten uitbrengt: “Ja!—Misschien—wel te

denken.”—“Om u mijn gevoelen te zeggen, Lucretia,” zegt mevrouw

Pipchin: zij blijft jufvrouw Tox nog Lucretia noemen, dewijl deze hare

eerste ondervinding van de opvoedingstalenten dier dame heeft opgedaan,

toen zij een ongelukkig mager kind van nog teedere jaren was; “om u

mijn gevoelen te zeggen, Lucretia; ik ben blij dat wij haar kwijt zijn.

Ik voor mij heb zulk een onbeschaamd gezicht hier niet noodig.”—“Wel

moogt gij onbeschaamd zeggen, mevrouw Pipchin,” antwoordt jufvrouw Tox.

“Hem te verlaten. Een man van zulk een edel uitzicht!” En hier

noodzaakt hare aandoening haar om te zwijgen.—“Van edel uitzicht weet

ik niet af,” merkt mevrouw Pipchin aan, vinnig haar neus wrijvende.

“Maar dit weet ik—als iemand rampen krijgt, moet hij ze dragen. Och

kom! Ik zelf heb in mijn tijd genoeg te dragen gehad! Wat eene beweging

daarover. Zij is weg, en goed dat wij haar kwijt zijn. Niemand verlangt

haar weerom, zou ik denken.”

Deze toespeling op de mijnen van Peru doet jufvrouw Tox opstaan om heen

te gaan; en mevrouw Pipchin schelt Towlinson om haar uit te laten. Daar

Towlinson jufvrouw Tox in geen honderd jaar gezien heeft, grijnst hij

en hoopt dat zij nog wel vaart; aanmerkende, dat hij haar eerst niet

kende met dien hoed.

“Tamelijk wel, Towlinson; wel bedankt,” zegt jufvrouw Tox. “Ik hoop,

als ge mij somtijds hier ziet, dat ge zoo goed zult zijn om er niet van

te spreken. Ik kom alleen om mevrouw Pipchin te bezoeken.”—“Heel goed,

jufvrouw,” zegt Towlinson.—“IJselijke omstandigheden, Towlinson,” zegt

jufvrouw Tox.—“Ja, jufvrouw, wel ijselijk,” antwoordt Towlinson.—“Ik

hoop, Towlinson,” zegt jufvrouw Tox, die zich door haar onderwijzenden

omgang met de familie Toodle een vermanenden toon heeft eigen gemaakt,

en van voorvallende gelegenheden heeft leeren gebruik maken om nuttige

lessen te geven, “dat, wat hier gebeurd is, eene waarschuwing voor u

zal zijn, Towlinson.”—“Wel bedankt, jufvrouw, waarlijk,” zegt

Towlinson.

Hij schijnt er over te willen gaan peinzen op welke manier het geval

voor hem in het bijzonder eene waarschuwing moet zijn, toen de vinnige

mevrouw Pipchin hem stoort met een: “Staat gij te suffen? Waarom laat

ge de jufvrouw niet uit?” Hij doet zulks nu; en als jufvrouw Tox de

kamer van Dombey voorbijgaat, kruipt zij weg in de diepste diepte van

haar zwarten hoed, en stapt zij zelfs op hare teenen; en in de geheele

wereld, die hem zoo kwelt, is geen ander stofdeeltje dat zooveel smart

en kommer voor hem gevoelt, als jufvrouw Tox onder den zwarten hoed

medeneemt.

Maar jufvrouw Tox behoort niet tot Dombey’s wereld. Zij komt elken

avond tegen de schemering terug, voegt, als het regent, nog

overschoenen en eene paraplu bij den zwarten hoed, en verdraagt het

gegrijns van Towlinson en het snauwen en grauwen van mevrouw Pipchin,

alleen om te vragen hoe hij vaart en hoe hij zich onder zijn ongeluk

houdt; maar zij heeft toch niets met Dombey’s wereld te maken. Deze

loopt, even onverdraagzaam en plaagziek als ooit, zonder haar voort; en

zij, geenszins voor iemand eene heldere ster, beweegt zich in hare

bekrompene baan in een hoekje van een ander stelsel, en weet dit zeer

wel, en komt, en schreit, en gaat weder heen, en is tevreden. Waarlijk,

jufvrouw Tox is gemakkelijker te voldoen dan de wereld, die het Dombey

zoo lastig maakt.

Aan het kantoor beschouwen de klerken de groote gebeurtenis in allerlei

lichten en schaduwen, maar verwonderen zich vooral wie Carker’s plaats

zal krijgen. Algemeen zijn zij van gevoelen, dat de emolumenten daarvan

besnoeid zullen worden, en nieuw bedachte voorzorgen en bepalingen ze

onaangenaam genoeg zullen maken; en zij, die volstrekt geene hoop

hebben om ze te bekomen, zijn overtuigd dat zij ze liever niet wilden

hebben, en hem, voor wien ze zal blijken bewaard te zijn, lang niet

benijden. Geene dergelijke beweging heeft op het kantoor geheerscht

sedert Dombey’s zoontje stierf; maar alle bewegingen daar nemen eene

gezellige, om niet te zeggen joviale richting, en zijn dienstbaar ter

bevordering van goede kameraadschap. Bij deze gelegenheid heeft er eene

verzoening plaats tusschen den erkenden grappenmaker van het kantoor en

een eerzuchtig mededinger, met wien hij maanden lang geslagen vijanden

was geweest, en wordt er, om het gelukkige herstel der vriendschap te

vieren, in eene naburige herberg een dinertje gehouden, waarbij de

grappenmaker president en de mededinger vice-president is. De

aanspraken, nadat de tafel is afgenomen, worden door den president

geopend. Hij kan het, zegt hij, niet verbloemen, mijne heeren, dat het

geen tijd voor onderlinge geschillen is. Gebeurtenissen, waarvan hij

niet duidelijker behoeft te spreken, maar die in de zondagbladen niet

geheel onopgemerkt zijn gebleven, zoowel als in een dagblad, waarvan

hij den naam niet behoeft te noemen (hier mompelen alle aanwezigen

hoorbaar dien naam), hebben hem tot nadenken gebracht; en hij gevoelt

dat, indien hij en Robinson thans nog persoonlijke verschillen wilden

hebben, zij voor altijd dat esprit de corps zouden verloochenen,

hetwelk hij reden heeft te denken en te hopen dat de heeren van het

kantoor van Dombey altijd heeft onderscheiden. Robinson beantwoordt dit

op een mannelijken en broederlijken toon; en een heer, die drie jaren

op het kantoor is geweest, in gedurig gevaar om voor rekenfouten te

worden weggezonden, vertoont zich eensklaps in een geheel nieuw licht,

door als het ware uit te barsten met eene treffende redevoering, waarin

hij zegt: “Moge hun geëerbiedigde chef nooit weder de verwoesting

kennen, die zijn huiselijken haard getroffen heeft;” en laat daar nog

een aantal zulke dingen op volgen, allen beginnende met “moge hij

nooit,” die met eene daverende toejuiching worden beantwoord. Kortom,

men slijt een allergenoegelijksten avond, alleen gestoord door een

geschil tusschen twee van de jongste klerken, die ruzie krijgen over

het waarschijnlijke bedrag van Carker’s jaarlijksch inkomen, elkander

met de karaffen uitdagen, en zeer opgewonden naar buiten worden

gebracht. Sodawater wordt des anderen daags op het kantoor algemeen

gedronken, en de meesten van het gezelschap houden de rekening voor

afzetterij.

Wat Perch, den kantoorlooper, betreft, hij is op weg om voor al zijn

leven geruïneerd te worden. Hij staat weder gedurig in herbergen voor

de toonbank, laat zich trakteeren, en liegt vreeselijk. Het blijkt dat

hij ieder die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en

tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe

ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft

gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen. De

bewustheid van deze gruwelijke logens, of de nawerking van het

gedronken vocht, doet hem doorgaans in eene buitengemeene

neerslachtigheid verzinken tegen dat uur van den avond, wanneer hij

gewoonlijk in het gezelschap van jufvrouw Perch zijn troost gaat

zoeken; en jufvrouw Perch maakt zich zeer verdrietig, daar zij vreest

dat zijn vertrouwen op vrouwelijke deugd nu geschokt is, en hij half en

half verwacht, als hij eens des avonds thuis komt, te zullen vinden dat

zij met een lord is voortgegaan.

Dombey’s dienstboden worden te gelijker tijd zeer losbandig en

ongeschikt voor een anderen dienst. Zij hebben elken avond een warm

soupertje, en “bepraten het” dan met dampende glazen op de tafel.

Towlinson is na half tien altijd slijmerig, en verzoekt dikwijls, te

mogen weten of hij niet gezegd heeft, dat er geen goed zou komen van

het wonen in een hoekhuis. Zij fluisteren over jufvrouw Florence, en

verwonderen zich waar zij is; maar zijn het te zamen eens dat, als

mijnheer Dombey het niet weet, mevrouw Dombey het wel zal weten. Dit

brengt hen op de laatste, van welke de keukenmeid zegt: “Zij had wel

deftige manieren, niet waar? Maar zij was toch al te trotsch!” Allen

stemmen toe dat zij al te trotsch was; en Towlinson’s oude liefste, de

werkmeid (die zeer deugdzaam is), verzoekt dat men haar nooit weer zal

spreken van menschen, die het hoofd zoo hoog opsteken, alsof de grond

niet goed genoeg voor hen was.

Alles wat over de zaak gezegd en gedaan wordt, behalve door Dombey,

wordt op eene gezellige manier gedaan. Dombey en de wereld zijn te

zamen alleen.

Dombey en Zoon · 第 101 / 125 题