WALTER EN TOOTS.

Er was in het huis, dat den houten adelborst herbergde, een ledig

kamertje, dat in vroeger tijd Walter’s slaapkamer was geweest. Walter,

die den kapitein des morgens vroeg kwam oproepen, stelde voor, dat zij

de beste meubelen uit het achterkamertje daarheen zouden brengen,

zoodat Florence, zoodra zij opstond, dit vertrekje in bezit kon nemen.

Daar niets kapitein Cuttle aangenamer kon zijn, dan zich voor zoo iets

buiten adem te werken, ging hij (gelijk hij zelf zeide) met lust aan

den gang, en in een paar uren was dit hokje in eene soort van

landkajuit herschapen, versierd met de beste meubelen uit de

achterkamer, daaronder zelfs het fregat de Tartaar begrepen, hetwelk de

kapitein boven den schoorsteenmantel hing en zoozeer bewonderde, dat

hij een half uur lang niets anders doen kon dan het al

achteruitstappende te bekijken.

Door geene overreding van Walter liet de kapitein zich bewegen om het

groote horloge op te winden of het blikken busje terug te nemen, of de

suikertang of de theelepeltjes aan te raken. “Neen, neen, mijn jongen,”

was zijn onveranderlijk antwoord op zulk een aanzoek; “ik heb u dat

kapitaaltje overgemaakt, gansch en gaar.” Deze woorden sprak hij met

groote deftigheid uit, blijkbaar geloovende, dat zij de kracht eener

parlementsakte hadden, en dat, als hij zich maar niet compromitteerde

door eene nieuwe bekentenis van eigenaarschap, zulk een vorm van

overdracht onherroepelijk was.

Het was een voordeel der nieuwe schikking, dat behalve dat Florence

meer vrijheid en stilte kreeg, de houten adelborst nu weder op zijn

gewonen observatiepost kon geplaatst en de luiken van den winkel

afgenomen konden worden; want op den vorigen dag had het gesloten

blijven zulk eene bevreemding in de buurt veroorzaakt, dat het huis des

instrumentmakers door het publiek met eene buitengemeene mate van

aandacht was verwaardigd, en den geheelen dag lang troepen van

nieuwsgierige kijkers aan den overkant der straat waren blijven staan.

Vooral hadden de straatjongens belang gesteld in het lot des kapiteins,

en hadden zij gedurig in den modder liggen kruipen om door de

keldertraliën onder het winkelvenster te kijken, hunne verbeelding

streelende met den waan, dat zij een stukje van zijne jas konden zien,

gelijk hij zich in een hoek had opgehangen; hoewel deze soort van

uiteinde door eene andere partij ten sterkste werd tegengesproken, die

van gevoelen was, dat hij vermoord (met een hamer doodgeslagen) op de

trap lag. Het was dus niet zonder eenig ongenoegen, dat men hem, die

het onderwerp dezer geruchten was, des morgens vroeg weder aan zijne

deur zag staan, even gezond en frisch alsof er niets gebeurd was; en de

Beadle van de wijk, een man van een eerzuchtig karakter, die gedacht

had de onderscheiding te zullen hebben om bij het openbreken van de

deur te assisteeren, en in volle uniform getuigenis voor den coroner te

geven, ging zelfs zoo ver, dat hij tot een overbuurman zeide, dat die

kerel met zijn blinkenden hoed het maar niet moest probeeren—zonder

nader aan te duiden wat—en verder dat hij, de Beadle, hem in het oog

zou houden.

“Kapitein Cuttle,” zeide Walter peinzende, toen zij aan de winkeldeur

van hun arbeid stonden uit te rusten, en hij de nog welbekende straat

opkeek, “geheel niets van oom Sam in al dien tijd?”—“Niets, mijn

jongen,” antwoordde de kapitein, zijn hoofd schuddende.—“Mij te gaan

opzoeken, die lieve, goede, oude man,” zeide Walter, “en u toch nooit

te schrijven! Maar waarom niet? Hij zegt wel in den brief, dien gij mij

gegeven hebt,” het pakje uit zijne borst halende, dat in

tegenwoordigheid van den helderdenkenden Bunsby was geopend, “dat als

gij niet van hem hoort, eer gij dien opent, gij hem voor dood kunt

houden. Dat verhoede God! Maar gij zoudt toch van hem gehoord hebben,

al was hij dood. De een of ander zou u toch op zijn verlangen

geschreven hebben, als hij dat niet kon doen; en gezegd hebben: “dan en

dan overleed ten mijnen huize, of onder mijne zorg, mijnheer Samuel

Gills, van Londen, die dit laatste verzoek voor u heeft nagelaten.””

De kapitein, die nog nooit op zulk eene heldere hoogte van

waarschijnlijkheid was geklommen, was verwonderd over het ruime

uitzicht, dat zich daar opende, en antwoordde, nadenkend zijn hoofd

schuddende: “Wel gezegd, mijn jongen. Heel wel gezegd.”

“Ik heb daarover gedacht, of ten minste,” zeide Walter blozende, “ik

heb over allerlei dingen gedacht, terwijl ik van nacht niet slapen kon,

en ik kan niet anders denken, kapitein Cuttle, of mijn oom Sam (God

zegen hem!) is nog in leven en zal wel terugkomen. Het verwondert mij

niet zoozeer, dat hij is heengegaan, omdat, zonder nog te spreken van

die zucht voor het avontuurlijke, waarvan hij altijd iets in zijn

karakter had, en van zijne gehechtheid aan mij, waarvoor alle andere

dingen bij hem achterstonden, gelijk niemand zoo goed weet als ik, die

den besten van alle vaders aan hem had—” Walter’s stem werd hier schor,

en hij keek naar den anderen kant de straat op—“zonder daarvan te

spreken, zeg ik, heb ik dikwijls gehoord en gelezen van menschen, die,

als een dierbaar bloedverwant van hen voor op zee verongelukt werd

gehouden, ergens aan de kust gingen wonen, waar men tijding van het

vermiste schip kon verwachten, al was het maar een paar uren vroeger

dan ergens anders, of er zelfs naar gingen zoeken, op de plaats

waarheen het bestemd was, alsof hunne reis iets kon toebrengen om

bericht te verschaffen. Ik denk dat ik zelf wel in staat zou zijn om

zoo iets te doen. Maar waarom mijn oom u niet schreef, daar hij dit

toch zoo duidelijk voornemens was, of dat hij buitenslands zou kunnen

sterven, zonder dat gij het door iemand anders te weten zoudt komen,

dat is iets dat ik niet begrijp.”

Kapitein Cuttle merkte aan, dat Jack Bunsby zelf het niet begrepen had,

en dat hij toch een man was, die degelijk zijn gevoelen wist te zeggen.

“Als mijn oom een loszinnig jongmensch was geweest, die licht door

vroolijk gezelschap naar een of ander huis kon gelokt worden, waar men

hem om het geld, dat hij bij zich had, van kant wilde helpen,” zeide

Walter, “of een woeste matroos, die met twee of drie maanden gage in

zijn zak aan land ging, kon ik het begrijpen, dat hij verdween zonder

spoor na te laten. Maar van zoo iemand als hij was—en is, hoop ik—kan

ik dat niet gelooven.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, hem

bekommerd aanziende, “wat denkt gij er dan van?”—“Kapitein Cuttle,”

antwoordde Walter, “ik weet niet wat ik er van denken moet,—als het zoo

is, dat hij nooit heeft geschreven. Daar is immers geen twijfel

aan?”—“Als Sam Gills heeft geschreven, mijn jongen,” zeide de kapitein

redeneerend, “waar is dan de brief?”—“Hij kan wel aan iemand zijn

medegegeven,” zeide Walter, “en vergeten, of achteloos weggegooid, of

verloren zijn. Zelfs dat komt mij waarschijnlijker voor dan de andere

mogelijkheid. Kortom, ik kan en wil niet aan die andere mogelijkheid

denken, kapitein Cuttle.”—“Hoop, ziet ge wel, Walter,” merkte de

kapitein diepzinnig aan. “Hoop. Dat is het wat u doet leven. Hoop is

een anker, dat kunt gij in het groote liederboek nazien, mijn jongen.

Maar wat baat het mij of ik een anker heb, als ik geen grond kan vinden

om het in te laten zakken.”

Kapitein Cuttle zeide dit veeleer in zijn karakter van gezeten burger

en voorzichtig winkelier, verplicht om een onervaren jonkman een

kruimpje uit zijn schat van wijsheid mede te deelen, dan in zijn eigen

persoon. Uit zijne oogen straalde te gelijk de nieuwe hoop, die hij van

Walter had opgevangen; en hij besloot zeer gepast met hem op den rug te

kloppen en in vervoering uit te roepen: “Hoera, mijn jongen. Ik ben het

met u eens.”

Walter beantwoordde dit compliment met een vroolijken lach, en zeide:

“Nu nog maar één woord over mijn oom vooreerst, kapitein Cuttle. Het

zal wel voor onmogelijk moeten gehouden worden, dat hij op de gewone

manier kan geschreven hebben—met postpakket of schip, verstaat

ge—”—“Ja, ja, mijn jongen,” zeide de kapitein goedkeurend.—“En dat die

brief niet bij u te recht gekomen is?”—“Wel, Walter,” zeide de

kapitein, hem aanziende met eene flauwe poging om barsch te kijken;

“ben ik niet dag en nacht op den uitkijk geweest naar dien man van

wetenschap, Sam Gills, uw oom, zoolang als ik hem verloren heb? Is mijn

hart niet altijd zwaar geweest over hem en u? Ben ik niet slapend en

wakend op mijn post gebleven, en zou ik mij niet geschaamd hebben om er

van af te loopen zoolang deze adelborst boven water bleef?”—“Ja,

kapitein Cuttle,” antwoordde Walter, hem bij de hand vattende, “dat

weet ik wel, en ik weet wel hoe trouw en ernstig alles is, dat gij zegt

en doet. Daar ben ik zeker van. Gij twijfelt niet, of ik ben daar zoo

zeker van, als dat ik mijn voet weder op dezen drempel heb, of dat ik

deze trouwe hand weder vasthoud. Daar twijfelt gij immers niet

aan?”—“Neen, neen, Walter,” zeide de kapitein met een geheel

opgehelderd gezicht.—“Ik zal geene gissingen meer wagen,” hervatte

Walter, de harde hand des kapiteins schuddende. “Al wat ik er nog wil

bijvoegen is, de hemel verhoede, dat ik het eigendom van mijn oom zou

aanraken, kapitein Cuttle. Al wat hij hier gelaten heeft, zal hier

blijven in bewaring van den trouwsten rentmeester en den braafsten

man—en als zijn naam niet Cuttle is, heeft hij geen naam. En nu, beste

vriend, over—jufvrouw Dombey.”

Er was eene verandering in Walter’s uitzicht en toon, toen hij aan deze

twee woorden kwam; en toen hij ze had uitgesproken, schenen alle

zelfvertrouwen en blijmoedigheid hem verlaten te hebben.

“Ik dacht eerst,” zeide Walter, “dat wij maar één harden plicht konden

hebben, namelijk, haar te overreden, om hare betrekkingen kennis te

geven waar zij was, en weder naar huis te gaan.”

De kapitein mompelde een flauw “sta vast!” of “hou vast!” of iets dat

evenzeer te pas kwam; maar door de verslagenheid, waarmede dit bericht

hem vervulde, klonk het zoo flauw, dat men er naar moest raden wat hij

zeide.

“Maar,” zeide Walter, “dat is afgedaan. Ik denk nu zoo niet meer. Ik

zou liever weder op dat stuk hout gezet worden, waarop ik na mijne

redding zoo dikwijls in mijne droomen heb gedreven, en daarmee blijven

rondzwalken tot ik stierf.”—“Hoera! mijn jongen,” riep de kapitein, met

eene uitbarsting van onbedwingbare blijdschap. “Hoera! Hoera!

Hoera!”—“Te denken dat zij, zoo jong, zoo goed, zoo schoon,” zeide

Walter, “zoo teeder opgebracht en tot zulk een geheel ander lot

geboren, met de ruwe wereld zou moeten worstelen! Maar wij hebben den

afgrond gezien, die haar van alles afsnijdt wat achter haar is, schoon

niemand dan zij zelve alleen kan weten hoe diep die is; en zij kan niet

terug.”

Kapitein Cuttle, zonder dit geheel te begrijpen, keurde het toch ten

hoogste goed, en merkte met nadruk aan, dat de wind vlak van achteren

was.

“Maar zij behoort hier niet alleen te blijven; moet zij wel, kapitein

Cuttle?” zeide Walter bekommerd.—“Wel, mijn jongen,” antwoordde de

kapitein, na zich eens te hebben bedacht, “dat weet ik niet. Daar gij

hier zijt om haar gezelschap te houden, en gij te zamen—”—“Beste

kapitein Cuttle,” bracht Walter hiertegen in, “juist omdat ik hier ben.

Jufvrouw Dombey houdt mij in haar onschuldig hart voor haar aangenomen

broeder; maar hoe listig en slecht zou mijn hart wezen, als ik veinsde

te gelooven eenig recht te hebben om onder dien naam gemeenzaam met

haar om te gaan—als ik veinsde te vergeten, dat ik als man van eer

verplicht ben dat niet te doen.”—“Walter, mijn jongen,” begon de

kapitein, eenigszins van zijne verslagenheid bekomende, “is er dan geen

andere naam, waar—”—“O!” viel Walter er op in, “zoudt gij mij hare

achting willen doen verbeuren en mij voor altijd uit hare oogen

verbannen, door eene poging om er voordeel uit te trekken, dat zij hier

zoo vertrouwelijk eene schuilplaats heeft gezocht, eene poging om

misbruik van hare omstandigheden te maken, en van een broeder een

minnaar te worden! Wat zeg ik? Er is niemand in de wereld, die mij dit

eerder zou willen beletten dan gij, als ik tot zoo iets in staat

was.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, wederom in zijne

neerslachtigheid verzinkende, “als er wettige redenen van verhindering

zijn waarom twee personen niet zouden worden samengevoegd in de banden

van den echtelijken staat, zooals gij dat kunt nalezen en aanteekenen,

dan hoop ik, dat ik er rond voor uit zou komen, zooals in de geboden

wordt beloofd en gezworen. Dus is er geen andere naam, mijn jongen?”

Walter wuifde ontkennend met zijne hand.

“Wel, mijn jongen,” bromde de kapitein zeer langzaam, “ik wil niet

ontkennen of dat valt mij geweldig tegen, en ik weet er niets meer op.

Maar wat ons dametje betreft, Walter, moet gij wel weten, zooveel

achting en eerbied als iemand haar verplicht is, reken ik mij ook aan

haar verplicht, en daarom zal ik denzelfden koers houden als gij, en

twijfel ik niet of gij doet er wel aan. En er is dus geen andere naam?”

zeide de kapitein, met een zeer betrokken gezicht over de ruïne van

zijn ingestort luchtkasteel mijmerend.—“Neen, kapitein Cuttle,” zeide

Walter; met een vroolijker gezicht tot een ander onderwerp overgaande,

om den kapitein op te beuren, hetgeen hem echter toch niet gelukte,

“mij dunkt, wij moesten moeite doen om iemand te vinden, die jufvrouw

Dombey gezelschap kan houden en bedienen zoolang zij hier blijft, en

die wij kunnen vertrouwen. Dat kunnen wij niemand van hare familie. Het

is duidelijk dat jufvrouw Dombey gelooft, dat zij allen haar vader naar

de oogen zien. Waar is Suze gebleven?”—“Dat meisje?” antwoordde de

kapitein. “Ik geloof dat zij zeer tegen den zin van hartediefje is

weggestuurd. Ik heb eens naar haar gevischt toen ons dametje pas hier

kwam, en zij prees haar tot aan de wolken en zeide dat zij al langen

tijd van haar af was.”—“Vraag jufvrouw Dombey dan waar zij naar toe

is,” zeide Walter, “en wij zullen ons best doen om haar te vinden. Het

wordt al wat laat, en jufvrouw Dombey zal welhaast opstaan. Gij zijt

haar beste vriend. Wacht boven naar haar, en laat mij voor alles

beneden zorgen.”

De kapitein herhaalde den zucht, waarmede Walter dit zeide, en

gehoorzaamde. Florence was verheugd over hare nieuwe kamer, verlangend

om Walter te zien, en opgetogen over het vooruitzicht om hare oude

vriendin Suze weder bij zich te krijgen. Maar zij kon niet zeggen waar

Suze naar toe was gegaan, behalve dat het ergens in Essex moest wezen,

en dat niemand het zeggen kon, of het moest, bedacht zij zich, mijnheer

Toots wezen.

Met dit bericht kwam de zwaarmoedige kapitein naar Walter terug, en

onderrichtte hem, dat Toots de jonkman was, dien hij op de stoep had

ontmoet, en dat hij een vriend van hem was, en een jong heer van

vermogen was, en dat hij jufvrouw Dombey hopeloos aanbad. De kapitein

verhaalde ook, hoe de tijding van Walter’s vermeend lot hem het eerst

met Toots in kennis had gebracht, en hoe er een plechtig verbond en

verdrag tusschen hen was gesloten, dat Toots op het onderwerp zijner

liefde stom zou blijven.

Nu was de vraag, of Florence mijnheer Toots kon vertrouwen; en toen

Florence met een glimlach antwoordde: “O ja, met al mijn hart!” werd

het van gewicht te ontdekken waar Toots woonde. Florence wist dit niet,

en de kapitein had het vergeten, en vertelde Walter in het

achterkamertje juist dat Toots wel gauw eens zou aankomen, toen deze

heer werkelijk kwam.

“Kapitein Gills,” zeide Toots, zonder eenige omstandigheden

binnenstuivende, “ik ben op het punt om razend te worden!”

Toots had deze woorden als uit een mortier geschoten, eer hij Walter

opmerkte, dien hij nu herkende met een geluid, dat een gegrinnik van

rampzaligheid zou mogen genoemd worden.

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Toots, zijn voorhoofd

vasthoudende, “maar ik ben tegenwoordig in een toestand dat mijn

verstand mij begeeft, als het al niet weg is, en complimenten van

iemand in zulk een toestand zouden holle klanken zijn. Kapitein Gills,

ik verzoek u om de gunst van een afzonderlijk gesprek.”—“Wel, broeder,”

antwoordde de kapitein, hem bij de hand vattende, “gij zijt juist de

man, naar wien wij op den uitkijk waren.”—“O kapitein Gills,” zeide

Toots, “wat een uitkijk moet dat zijn, waarvan ik het onderwerp ben! Ik

heb mij niet durven scheren zoo disperaat ben ik. Ik heb mijne kleeren

niet laten borstelen. Mijn haar zit in elkander geward. Ik heb den

Kemphaan gezegd, dat ik mij aan hem zou vergrijpen, als hij mijne

laarzen wilde gaan poetsen.”

Al deze blijken van geestverbijstering werden door zijn voorkomen

bevestigd, dat inderdaad zeer wild en woest was.

“Zie hier, broeder,” zeide de kapitein. “Dit is Walter, de neef van den

ouden Sam Gills—hij, wien men voor op zee verongelukt hield.”

Toots nam zijne hand van zijn voorhoofd en staarde Walter aan.

“Goede hemel!” stamelde Toots. “Welk eene opeenstapeling van ellende!

Hoe vaart ge? Ik—ik—ik vrees dat ge heel nat moet zijn geworden.

Kapitein Gills, mag ik in den winkel een woordje met u spreken?”

Hij pakte den kapitein bij zijne jas, en met hem naar buiten gaande,

fluisterde hij:

“Dat is dus de persoon van wien gij gesproken hebt, kapitein Gills,

toen ge zoo goed waart mij te zeggen dat hij en jufvrouw Dombey voor

elkander geschapen waren?”—“Wel—ja, mijn jongen,” antwoordde de

neerslachtige kapitein. “Eens dacht ik er zoo over.”

En nu riep Toots uit, met zijne hand weder voor zijn voorhoofd: “Moest

hij dat zijn!—een gehate medeminnaar! Maar ten minste is hij geen

gehate medeminnaar,” zeide Toots, zich bedenkende en zijne hand weder

wegnemende. “Waarom zou ik hem haten? Neen. Als mijne liefde waarlijk

belangeloos is geweest, kapitein Gills, laat ik dat dan nu bewijzen!”

Eensklaps vloog Toots weder naar het achterkamertje, en Walter bij de

hand grijpende, zeide hij:

“Hoe vaart ge? Ik hoop dat ge geen kou hebt gevat. Ik—ik zal heel blij

zijn als ge mij het pleizier doet om kennis met u te mogen houden. Ik

wensch u nog vele jaren na dezen. Op mijn woord van eer,” zeide Toots,

warmer wordende, toen hij beter op Walter’s uitzicht en houding lette,

“ik ben heel blij, dat ik u zie.”—“Ik dank u hartelijk,” antwoordde

Walter. “Ik zou geen vriendelijker welkomst kunnen verlangen.”—“Zoudt

ge waarlijk niet?” zeide Toots, hem nogmaals de hand schuddende. “Dat

is wel goed van u. Ik ben u zeer verplicht. Hoe vaart ge? Ik hoop, dat

gij alles wel hebt gelaten daar aan—dat is daarop—ik meen waar ge

laatst vandaan zijt gekomen, weet ge.”

Op al deze goede wenschen en nog betere meening gaf Walter hartelijk

antwoord.

“Kapitein Gills,” zeide Toots, “ik wil stiptelijk mijn woord houden;

maar ik geloof, dat ik nu wel iets zou mogen zeggen van zeker

onderwerp—”—“Ja, ja, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Spreek maar

ronduit.”—“Dan, kapitein Gills en luitenant Walters,” zeide Toots,

“weet gij wel, dat bij mijnheer Dombey aan huis de schrikkelijkste

omstandigheden zijn voorgevallen, en dat jufvrouw Dombey zelve haar

vader verlaten heeft, die naar mijne gedachten,” zeide Toots met groote

opgewondenheid, “zulk een beest is, dat het nog vleierij zou zijn hem

een houten blok of een roofvogel te noemen, en dat zij nergens te

vinden is, en niemand weet, waar zij naar toe is?”—“Mag ik vragen, hoe

gij dat gehoord hebt?” zeide Walter.—“Luitenant Walters,” zeide Toots,

die er op eene geheel eigenaardige manier toe kwam, om hem deze

benaming toe te leggen; waarschijnlijk door zijn doopnaam met de zee in

verband te brengen, en eene betrekking tusschen hem en den kapitein te

vooronderstellen, die zich dus ook natuurlijk tot hunne titels moest

uitstrekken; “luitenant Walters, ik kan geen bezwaar hebben om u een

rondborstig antwoord te geven. De zaak is, dat ik een buitengemeen

belang stel in alles, wat jufvrouw Dombey maar eenigszins aangaat—niet

met zelfzuchtige oogmerken, luitenant Walters, want ik weet maar al te

wel dat ik ten genoege van alle belanghebbenden niet beter kan doen dan

een eind aan mijn leven te maken, dat voor niets anders dan een

overlast kan gehouden worden; maar ik wilde zeggen, omdat ik zooveel

belang stel in alles wat jufvrouw Dombey aangaat, ben ik gewoon om nu

en dan eene kleine vereering te geven aan een knecht, een heel

fatsoenlijk jonkman, die Towlinson heet, en eenigen tijd daar in huis

gewoond heeft; en Towlinson heeft mij gisteren gezegd, dat het zoo met

de zaken gesteld was. En van dat oogenblik af, kapitein Gills en

luitenant Walters, ben ik zoo goed als razend geweest; en ik heb den

geheelen nacht op de sofa gelegen in den rampzaligen staat waarin gij

mij nu ziet.”—“Mijnheer Toots,” zeide Walter, “het doet mij genoegen u

eenigszins te kunnen geruststellen. Ik bid u, word bedaard. Jufvrouw

Dombey is gezond en wel.”—“Mijnheer,” riep Toots uit, van zijn stoel

opspringende om hem opnieuw de hand te geven, “die uitkomst is zoo

groot, zoo onuitsprekelijk, dat al zoudt ge mij nu zeggen, dat jufvrouw

Dombey getrouwd was, ik er om zou kunnen lachen. Ja, kapitein Gills,”

zeide Toots, zich naar dezen omkeerende, “bij mijne ziel en mijn

lichaam, ik denk waarlijk, wat ik mij zelven ook naderhand misschien

zou doen, dat ik er nu om zou kunnen lachen, zoo gevoel ik mij

verplicht.”—“Het zal zeker nog grooter verplichting en blijdschap voor

zulk een edelmoedig hart als het uwe zijn,” antwoordde Walter, “als gij

verneemt, dat gij jufvrouw Dombey een dienst kunt bewijzen. Kapitein

Cuttle, wilt gij zoo goed zijn om mijnheer Toots naar boven te

brengen?”

De kapitein wenkte Toots, die hem met een verwonderd gezicht volgde, en

bracht hem, zonder een enkel woord van voorbereiding, naar Florence’s

nieuw verblijf.

Toots’ verbazing en blijdschap bij haar gezicht waren zoo groot, dat

zij zich niet anders dan in buitensporigheden lucht konden geven. Hij

vloog naar haar toe, vatte hare hand, kuste die, liet ze weder los,

vatte ze opnieuw, viel op eene knie, schreide, grinnikte, en bleef

geheel onbewust van het gevaar, om door Diogenes te worden beetgepakt,

die, in de meening, dat deze bewegingen van vijandigen aard waren, om

hem heen draaide, alsof hij nog maar niet wist waar hem te bijten, maar

vast voornemens was, om hem geducht zijne tanden te laten voelen.

“O Di, stoute hond, hoe kunt ge zoo vergeten! Beste mijnheer Toots, ik

ben zoo blij dat ik u zie.”—“Wel bedankt,” zeide Toots. “Ik ben

tamelijk wel; zeer verplicht, jufvrouw Dombey. Ik hoop dat de geheele

familie ook nog wel is.”

Toots zeide dit zonder zelf te weten wat hij zeide, en zette zich op

een stoel, waar hij Florence bleef zitten aanstaren met zulk een

levendigen strijd van blijdschap en wanhoop op zijn gezicht, als een

gezicht maar kon vertoonen.

“Kapitein Gills en luitenant Walters hebben mij gezegd, jufvrouw

Dombey,” bracht hij hijgend uit, “dat ik u een dienst kan bewijzen. Als

ik daardoor de herinnering kon uitwisschen van dien dag te Brighton,

toen ik mij gedroeg alsof—veelmeer alsof ik een vadermoorder was, dan

een fatsoenlijk jongmensch,” zeide Toots met strenge zelfveroordeeling,

“zou ik met een glans van blijdschap in het stille graf zinken.”—“O,

mijnheer Toots,” zeide Florence, “wensch niet dat ik ooit iets zal

vergeten van al wat er tusschen ons is omgegaan. Dat kan ik nooit,

geloof mij. Gij zijt altijd veel te goed en vriendelijk voor mij

geweest.”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “uwe verschoonende

toegeeflijkheid voor mijn gevoel is een trek van uw engelachtig

karakter. Ik dank u duizendmaal. Het is van geheel geen beduiden.”—“Wat

wij van u dachten te vragen,” zeide Florence, “is, of gij u nog

herinnert waar Suze, die gij zoo goed waart naar de diligence te

brengen, toen zij mij verlaten moest, nu te vinden zou zijn.”—“Ik kan

mij niet precies meer herinneren, jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots,

na zich eene poos te hebben bedacht, “welke naam er op de diligence

stond, en ik herinner mij ook, dat zij mij zeide, dat zij daar niet

bleef, maar nog verder moest. Maar als het uw oogmerk is haar te vinden

en hier te hebben, jufvrouw Dombey, zullen ik en de Kemphaan haar

opzoeken en hier brengen, met zooveel spoed als met den grootsten ijver

van mijn kant en de buitengemeene schranderheid van den Kemphaan maar

mogelijk is.”

Toots werd zoo zichtbaar opgebeurd door het vooruitzicht van zich

nuttig te kunnen maken, en de belangelooze oprechtheid van zijn ijver

was zoo ontwijfelbaar, dat het eene wreedheid zou zijn geweest hem af

te wijzen. Uit kieschheid maakte Florence zelfs geen melding van het

minste bezwaar, hoewel zij niet naliet hem met dankbetuigingen te

overstelpen en Toots nam de taak met trotschheid op zich.

“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, hare aangebodene hand aanrakende,

terwijl hem zichtbaar een pijnlijke steek van hopelooze liefde door het

hart ging. “Vaarwel! Laat ik de vrijheid mogen nemen om te zeggen, dat

uwe rampen mij diep ellendig maken, en dat gij mij kunt vertrouwen,

naast kapitein Gills zelf. Ik ben wel bekend, jufvrouw Dombey, met

alles wat mij ontbreekt—het is van geen beduiden, wel bedankt—maar ik

ben volkomen te vertrouwen, dat verzeker ik u, jufvrouw Dombey.”

Daarmede ging Toots de kamer uit, vergezeld door den kapitein, die met

den hoed onder den arm op eenigen afstand was blijven staan, geen

onverschillig getuige van hetgeen er omging. Toen de deur achter hen

was dicht gedaan, was het licht van Toots’ leven weder

verdonkerd.—“Kapiteins Gills,” zeide hij, zich onder aan de trap

omkeerende, “om u de waarheid te zeggen, ik ben in het oogenblik niet

in eene gemoedsstemming om luitenant Walters te zien met dat geheel

vriendschappelijke gevoel, dat ik in mijne borst voor hem zou willen

koesteren. Men kan zijn gevoel niet altijd beheerschen, kapitein Gills,

en ik zou het voor eene bijzondere gunst houden als ge mij de zijdeur

woudt uitlaten.”—“Broeder,” antwoordde de kapitein, “gij kunt zelf uw

koers bepalen; want de koers, dien gij neemt, zal altijd recht door zee

wezen, daarvan ben ik zeker.”—“Gij zijt wel vriendelijk, kapitein

Gills,” zeide Toots; “en uwe goede meening is een troost voor mij. Er

is nog iets,” zeide hij, in den gang blijvende staan, achter de half

geopende deur, “dat ik hoop dat gij onthouden zult, kapitein Gills, en

dat ik ook wensch dat luitenant Walters gezegd zal worden. Ik ben nu

geheel in het bezit van mijn vermogen gekomen, en ik weet niet wat er

mee te doen. Als ik in een financieel opzicht eenigszins van dienst kon

zijn, zou ik met rust en genoegen in het stille graf neerdalen.”

Toots zeide niets meer, glipte stil de deur uit en trok die achter zich

toe, om den kapitein alle antwoord te beletten.

Nog lang na dat de goede jongen was heengegaan, zat Florence met eene

mengeling van smart en genoegen aan hem te denken. Hij was zoo

welwillend en goedhartig, dat het een troost en eene blijdschap voor

haar was, hem weder te zien en van zijne trouwe genegenheid verzekerd

te worden; maar juist om die reden was het haar zoo aandoenlijk te

denken, dat zij hem een oogenblik verdriet veroorzaakte, of den

schuldeloos effen loop van zijn leven stoorde, dat hare oogen zich met

tranen vulden en haar hart van medelijden overvloeide. Kapitein Cuttle

dacht op zijne manier ook veel aan Toots, en Walter insgelijks; en toen

het avond werd, en zij alle drie in Florence’s nieuwe kamer bij

elkander zaten, prees Walter hem met opgetogenheid, en vertelde

Florence, wat hij bij het heengaan had gezegd.

Toots kwam in verscheidene dagen niet terug; en ondertusschen bleef

Florence zonder eenige nieuwe onrust, gelijk een mak vogeltje in een

kooitje, in het huis van den instrumentmaker wonen. Maar toen de dagen

verliepen, begon zij te kwijnen en al meer en meer haar hoofdje te

laten hangen; en de uitdrukking, die men op het gezichtje van het doode

kind had gezien, werd nu dikwijls uit haar venster naar den hemel

gewend, alsof zij daar naar zijn engel zocht.

Florence was sedert lang zwak en teer geweest, en de ontroering, die

zij had doorgestaan, bleef niet zonder invloed op hare gezondheid. Het

was echter geene lichamelijke ziekte, die haar nu ondermijnde. Haar

gemoed was onrustig; en de oorzaak van die onrust was Walter.

Terwijl hij belang in haar stelde, bezorgd voor haar was, trotsch en

verheugd was als hij haar van dienst kon zijn, en dit alles met al het

vuur van zijn karakter liet blijken, zag Florence toch, dat hij haar

vermeed. Den geheelen dag lang naderde hij zelden hare kamer. Als zij

naar hem vroeg kwam hij, voor het oogenblik even rondborstig en

opgeruimd als zij hem gezien had toen zij als kind op straat

verdwaalde; maar spoedig werd hij onrustig, stijf en verlegen—hare

genegenheid was te waakzaam om dit niet te zien—en weldra ging hij

weder heen. Ongevraagd kwam hij over dag nooit. Als de avond viel was

hij er altijd, en dat was haar gelukkigste tijd, want dan geloofde zij

bijna dat de oude Walter harer kindsheid niet veranderd was. Maar zelfs

dan bewees haar nu en dan een gering woord, blik of omstandigheid, dat

er eene scheidslinie tusschen hen bestond, die niet over te komen was.

Zij kon ook niet nalaten te zien, dat deze blijken eener groote

verandering bij Walter zich vertoonden in weerwil van zijne uiterste

pogingen om ze te verbergen. Zij zag zeer wel dat hij, uit verlangen om

haar alle leed te besparen, ontelbare kleine kunstgrepen te baat nam,

en uitvluchten verzon; maar des te meer gevoelde Florence die

verandering bij hem, en des te meermalen schreide zij over de

vervreemding van haar broeder.

De goede kapitein—haar altijd even onvermoeide en teedere vriend—zag

dit ook wel, dacht Florence, en het deed hem verdriet. Hij was niet zoo

opgeruimd en vol hoop als in het eerst, en somtijds, als zij des avonds

bij elkander zaten, zag hij haar en Walter tersluiks aan met een

gezicht, dat waarlijk treurig stond.

Florence besloot eindelijk Walter aan te spreken. Zij meende nu te

weten wat de oorzaak dier vervreemding was, en dacht dat het eene

verlichting voor haar overkropt hart zou zijn, en ook hem meer op zijn

gemak zou brengen, als zij hem zeide, dat zij die ontdekt had, en er

zich geheel aan onderwierp en hem niets verweet.

Het was op zekeren zondagnamiddag dat Florence dit besluit nam. De

trouwe kapitein zat, met verbazende boordjes om en een bril op, bij

haar te lezen, en zij vroeg hem waar Walter was.

“Ik denk dat hij beneden is, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.—“Ik

zou hem gaarne spreken,” zeide Florence, haastig opstaande, alsof zij

naar beneden wilde gaan,—“Ik zal hem in een oogenblik hier halen,

liefje,” zeide de kapitein.

Daarop nam de kapitein zijn boek onder den arm—want hij maakte er een

regel van des zondags niet anders dan in een heel groot boek te lezen,

dewijl dit ernstiger stond, en had jaren geleden een deel van

verbazende dikte aan een stalletje gekocht, waarvan vijf regels hem

altijd zoodanig versuften, dat hij tot nog toe niet had kunnen

ontdekken over welk onderwerp het handelde—en ging heen. Walter

verscheen weldra.

“Kapitein Cuttle zegt mij, jufvrouw Dombey,” begon hij driftig, maar

bleef steken toen hij haar gezichtje zag. “Gij zijt niet wel vandaag.

Gij ziet zoo bedroefd. Gij hebt geschreid.”

Hij sprak zoo vriendelijk en met zulk eene beving in zijne stem, dat de

tranen haar weder in de oogen kwamen.

“Walter,” zeide zij zacht, “ik ben niet heel wel, en ik heb ook

geschreid. Ik wilde u eens spreken.”

Hij zette zich tegenover haar en zag haar in het onschuldig gezichtje.

Zijn eigen gezicht verbleekte en zijne lippen beefden.

“Op den avond toen ik hoorde dat gij gered waart—en o lieve Walter, wat

gevoelde ik dien avond en wat hoopte ik—hebt gij gezegd—”

Hij legde zijne bevende hand op de tafel tusschen hen in, en bleef haar

aanzien.

“Op dien avond hebt gij gezegd, dat ik veranderd was. Ik was verwonderd

u dat te hooren zeggen, maar nu begrijp ik wel dat ik het ben. Wees

niet boos op mij, Walter. Ik was toen al te verblijd om er aan te

denken.”

Zij kwam hem weder als een kind voor. Het was het openhartige,

vertrouwelijke, liefdevolle kind, dat hij hoorde—niet het dierbare

meisje, aan welks voeten hij de schatten der aarde had willen leggen.

“Gij herinnert u de laatste maal wel dat ik u zag, Walter, voor uw

vertrek?”

Hij stak zijne hand in zijne borst en haalde een beursje uit.

“Ik heb het altijd om mijn hals gedragen! Als ik verdronken was, zou

het met mij naar den bodem der zee zijn gezonken.”—“En gij zult het nog

blijven dragen, Walter, om wat ik vroeger voor u was?”—“Tot ik sterf.”

Zij legde hare hand op de zijne, zoo eenvoudig en onbeschroomd, alsof

er geen dag verloopen was sedert zij hem die kleine gedachtenis had

gegeven.

“Daar ben ik blij om. Daar zal ik altijd met blijdschap aan denken,

Walter. Herinnert gij u nog wel, dat er op dien zelfden avond bij ons

beiden te gelijk eene gedachte aan die verandering scheen op te komen,

toen wij met elkander spraken?”—“Neen,” antwoordde hij op een toon van

verwondering.—“Ja toch, Walter. Ik was toen al reeds het middel geweest

om uwe hoop en uwe vooruitzichten te bederven. Ik was toen bang om er

aan te denken, maar nu weet ik het wel. Als gij toen, door uwe

edelmoedigheid, in staat waart om het mij te verbergen, dat gij ook zoo

dacht, kunt gij dat nu toch niet doen, al beproeft gij dat met evenveel

edelmoedigheid als voorheen. Dat doet gij waarlijk. Ik dank u daarvoor,

Walter, en hartelijk; maar het kan u niet gelukken. Gij hebt door uwe

eigene rampen en die van uw dierbaarsten bloedverwant te veel geleden,

om de onschuldige oorzaak van al de gevaren en onheilen, die u

overkomen zijn, geheel voorbij te zien. Gij kunt niet geheel vergeten,

dat ik dat ben, en wij kunnen niet langer broeder en zuster zijn. Maar,

lieve Walter, denk niet dat ik mij daarom over u beklaag. Ik had het

wel kunnen weten—ik had het moeten weten—maar in mijne blijdschap had

ik het vergeten. Al wat ik hoop is, dat gij met minder tegenzin aan mij

zult denken, als gij dat gevoel niet meer behoeft geheim te houden; en

al wat ik vraag, Walter, in den naam van het arme kind, dat eens uwe

zuster was, is dat gij, nu ik toch alles weet, niet met u zelven wilt

kampen en u, om mijnentwil, nog meer verdriet geven.”

Walter had haar, terwijl zij sprak, aangezien, met een gezicht zoo vol

verbazing, dat het niets anders kon uitdrukken. Nu vatte hij de hand,

die zoo smeekend op de zijne was gelegd, en hield ze vast.

“O, jufvrouw Dombey,” zeide hij, “is het mogelijk dat ik, terwijl ik

zelf zooveel geleden heb door te kampen met het gevoel van wat ik u

verschuldigd ben, en u bewezen moet worden, u heb doen lijden wat gij

daar zegt? Nooit, nooit, bij den hemel, heb ik u mij anders voorgesteld

dan als die schoone, reine, gezegende herinnering uit mijne kinderjaren

en mijne jeugd. Nooit heb ik uw aandeel aan mijn leven anders

beschouwd, nooit zal ik het anders beschouwen, dan als iets heiligs en

onvergetelijks. Nog eens zulk een blik van u te zien, u nog eens zoo te

hooren spreken, als op den avond toen wij scheidden, is een geluk voor

mij dat geene woorden kunnen uitdrukken, en als een broeder door u

bemind en vertrouwd te worden, is daarna de grootste gaaf, die ik kan

ontvangen en waardeeren.”

“Walter,” zeide Florence, hem ernstig aanziende, maar met eene

verandering in haar gezichtje, “wat is het dat mij verschuldigd is en

mij bewezen moet worden, met opoffering van dat alles?”—“Ontzag en

eerbied,” antwoordde Walter zacht.

Er kwam een blosje op hare wangen, en zij trok zacht hare hand terug,

maar bleef hem toch even ernstig aanzien.

“Ik heb geen recht als broeder,” zeide Walter. “Het staat mij niet vrij

als een broeder met u om te gaan. Ik heb een kind hier gelaten. Nu vind

ik een volwassen meisje.”

Haar blos werd hooger. Zij maakte eene beweging als wilde zij hem

bidden om niets meer te zeggen, en liet haar hoofd in hare handen

zinken.

Beide zwegen eene poos; zij schreide.

“Aan een hart zoo vertrouwelijk, zoo rein en zoo goed,” zeide Walter,

“ben ik verschuldigd er mij van af te rukken, al verscheur ik daardoor

mijn eigen hart. Hoe durf ik het voor het hart van eene zuster houden?”

Zij bleef nog schreien.

“Als gij gelukkig waart geweest, omringd, gelijk gij hadt moeten zijn,

door betrekkingen die u bewonderden en liefhadden, en door alles, wat

den stand, waarin gij geboren zijt, benijdenswaardig maakt,” zeide

Walter, “en als gij mij dan, uit vriendelijke herinnering van het

verledene, broeder hadt genoemd, had ik van mijne ver verwijderde

plaats dien naam kunnen beantwoorden, zonder te denken dat ik daardoor

misbruik maakte van uw vertrouwen. Maar hier—en nu!”—“O, ik dank u, ik

dank u, Walter! Vergeef mij dat ik u zoo verongelijkt heb. Ik had

niemand om mij raad te geven. Ik ben geheel alleen.”—“Florence!” zeide

Walter hartstochtelijk. “Ik laat mij nu vervoeren om te zeggen, wat ik

kort geleden dacht dat niets mij ooit had kunnen afpersen. Als ik

voorspoed had gehad; als ik middel of zelfs maar hoop had om u eens in

een stand te plaatsen, die eenigszins met uw eigen stand overeenkwam,

dan zou ik u gezegd hebben, dat er een naam was, dien gij mij kondt

schenken—een recht, boven alle ander recht, om u lief te hebben en te

beschermen—dat ik uwer door niets anders waardig was dan door de liefde

en vereering, die ik voor u koesterde, en daardoor, dat geheel mijn

hart u toebehoorde. Ik zou dan gezegd hebben, dat dit de eenige

aanspraak was om u te verdedigen en te beschermen, die gij mij kondt

geven en die ik durfde aannemen en handhaven; maar dat ik ook, als ik

dat recht had, het voor zoo iets kostbaars en heiligs zou houden, dat

de onverdeelde toewijding van geheel mijn leven nog maar eene geringe

erkentenis zou zijn van de waarde, die het voor mij had.”

Het hoofdje bleef nog gebogen, de tranen vloeiden nog, de borst zwoegde

van het snikken.

“Lieve Florence! Dierbaarste Florence, die ik in mijne gedachten zoo

heb genoemd, eer ik kon begrijpen hoe vermetel dat was. Laat ik u nog

eene laatste maal bij uw eigen dierbaren naam noemen, en die lieve hand

aanraken als een bewijs van uwe zusterlijke vergetelheid van hetgeen ik

daar gezegd heb.”

Zij hief haar hoofd op en sprak hem aan, met zulk eene plechtige

teederheid in haar blik; met zulk een kalmen, helderen, vreedzamen

glimlach, door hare tranen heen; met zulk eene zachte beving in hare

stem, dat de fijnste snaren van zijn hart er van trilden, en zijne

oogen begonnen te schemeren terwijl hij luisterde.

“Neen, Walter, ik kan het niet vergeten. Ik zou het niet willen

vergeten—voor de geheele wereld niet. Zijt ge—heel arm?”—“Ik ben maar

een zwerveling,” zeide Walter. “Om te kunnen leven moet ik over zee

heen en weer reizen. Dat is nu mijn beroep.”—“Moet ge spoedig weder

heen, Walter?”—“Zeer spoedig.”

Zij zat hem een oogenblik aan te zien; toen stak zij schroomvallig hare

bevende hand in de zijne.

“Als ge mij tot vrouw wilt nemen, Walter, zal ik u innig liefhebben.

Als ge mij met u wilt laten medegaan, Walter, zal ik medegaan tot aan

het eind van de wereld, zonder vreezen. Ik kan niets voor u

opofferen—ik heb niets en niemand te verzaken; maar al mijne liefde en

geheel mijn leven zullen u toegewijd zijn, en met mijn laatsten adem

zal ik uw naam tot God fluisteren, als ik dan nog bewustheid en

geheugen heb.”

Hij drukte haar aan zijn hart en legde hare wang tegen de zijne, en nu

niet meer teruggestooten, niet meer verlaten, schreide zij vrij uit aan

de borst van haar dierbaren minnaar.

Gezegende zondagklokken, wier gelui zoo zacht in hunne verrukte ooren

galmt! Gezegende zondagrust en stilte, die met de kalmte hunner zielen

overeenstemt en de lucht om hen heen schijnt te heiligen. Gezegende

schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij

als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht

heeft gevonden!

O last van liefde en trouw, die daar lichtjes ligt! Ja, zie vrij neer

op die geslotene oogen, Walter, met een blik vol trots en teederheid;

want in de geheele wijde wereld zoeken zij nu alleen naar u.

De kapitein bleef in het achterkamertje tot het geheel donker was

geworden. Hij nam den stoel, waarop Walter had gezeten, en keek naar

het lantaarnvenster op, tot de dag langzamerhand verdween en de sterren

door de ruiten kwamen heenkijken. Hij stak eene kaars, en daarna eene

pijp aan, en rookte die uit, en verwonderde zich wat in de wereld er

toch boven omging, en waarom men hem niet riep voor de thee.

Toen hij ten toppunt van verwondering was, kwam Florence naast hem.

“Zoo, mijn dametje!” zeide de kapitein. “Wel, gij en Walter hebt lang

met elkaar te praten gehad, liefje!”

Florence klemde haar handje om een der groote knoopen van zijne jas, en

zeide, bukkende om hem in het gezicht te zien:

“Lieve kapitein, ik wilde u iets zeggen, als het u belieft.”

De kapitein hief tamelijk driftig zijn hoofd op, om te hooren wat het

was. Toen hij Florence daardoor duidelijker zag, schoof hij zijn stoel

en zich zelven zoover mogelijk achteruit.

“Wat! hartediefje!” riep de kapitein met plotselinge opgewondenheid.

“Is het dat?”—“Ja,” antwoordde Florence snel.—“Walter! Uw man! Dat?”

riep de kapitein, zijn hoed tot aan de ruiten opgooiende.—“Ja,” zeide

Florence lachend en schreiend te gelijk.

De kapitein sloot haar oogenblikkelijk in zijne armen; en nadat hij

toen zijn hoed opgeraapt en opgezet had, nam hij haar onder den arm en

bracht haar weder naar boven, waar hij nu de grootste grap van zijn

leven wilde hebben.

“Wat, Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, de deur inkijkende. “Dus

is er geen andere naam, niet waar?”

Hij liep wel eenig gevaar om zich aan deze grap te doen stikken, welke

hij onder de thee ten minste vijftigmaal herhaalde; terwijl hij in de

tusschenpoozen zijn blinkend gezicht met zijne mouw of zijn hoofd met

zijn zakdoek wreef. Het ontbrak hem evenwel ook niet aan ernstiger

bronnen van genot, wanneer hij daarnaar verlangde, want verscheidene

malen hoorde men hem, terwijl hij Walter en Florence met

onuitsprekelijk genoegen aanzag, bij zich zelven mompelen:

“Edward Cuttle, mijn jongen, gij hebt nooit in uw leven beter koers

gezeild, dan toen gij er aan dacht om dat kapitaaltje over te maken.”

Dombey en Zoon · 第 99 / 125 题