DE ADELBORST DOET EENE ONTDEKKING.

Het duurde lang eer Florence ontwaakte. Het werd middag en de avond

naderde, en nog bleef zij, afgemat naar ziel en lichaam, voortslapen,

zonder iets te weten van het vreemde bed, van het gewoel en gerucht op

straat en van het licht dat door de gordijnen voor het venster van haar

werd afgeweerd. Geheele onbewustheid van hetgeen er was voorgevallen in

het huis, dat geen thuis meer voor haar was, kon zelfs de zware slaap

der afgematheid niet voortbrengen. Eene onbestemde, droevige

herinnering daarvan, onrustig sluimerend maar nooit geheel inslapend,

bleef haar bij. Eene doffe zielesmart, gelijk een half verstompt gevoel

van pijn, verliet haar geen oogenblik; en hare bleeke wang werd

meermalen met tranen bevochtigd, dan de goede kapitein, die nu en dan

zijn hoofd door de half opene deur stak, wel had willen zien.

De zon daalde in het westen, en drong, in een rooden nevel gehuld, met

hare stralen door het opene loofwerk der torenspitsen, alsof zij er

gouden pijlen doorheen schoot—en ver weg over de rivier en hare vlakke

oevers liet zij het schitteren als een pad van vuur—en op zee

verlichtte zij de zeilen van schepen—en van stille kerkhoven op de

heuveltoppen van het binnenland gezien, dompelde zij het verschiet in

een purperen damp, waarin hemel en aarde zich gloeiend schenen te

vermengen—toen Florence, hare bezwaarde oogen openende, eerst eenigen

tijd zonder belangstelling of bewustheid naar de onbekende muren lag te

staren, en even onverschillig naar het straatrumoer te luisteren. Maar

weldra kwam zij met schrik overeind, zag met verbaasde oogen rond, en

herinnerde zich alles.

“Mijn liefje,” zeide de kapitein, aan de deur kloppende, “hoe gaat

het?”—“Mijn beste vriend,” riep Florence, naar hem toesnellende. “Zijt

gij daar!”

De kapitein gevoelde zich zoo trotsch op dien naam, en zoo gestreeld

door den glans van blijdschap, die zich op haar gezichtje vertoonde

toen zij hem zag, dat hij, sprakeloos van vergenoegde aandoening, bij

wijze van antwoord zijn haak kuste.

“Hoe gaat het, mijn diamantje?” zeide de kapitein.—“Ik heb zeker heel

lang geslapen,” antwoordde Florence. “Wanneer ben ik hier gekomen?

Gisteren?”—“Dezen zelfden gezegenden dag, mijn dametje,” zeide de

kapitein.—“Is het dan geen nacht geweest? Is het nog dag?” vroeg

Florence.—“Het begint nu avond te worden, mijn liefje,” zeide de

kapitein, het gordijn openschuivende. “Zie maar.”

Florence, met haar handje op des kapiteins arm, zoo treurig en

vreesachtig, en de kapitein met zijn ruw gezicht en zijne forsche

gestalte, zoo manhaftig beschermend, stonden in het roodachtige licht

van den helderen avondhemel, zonder een woord te spreken. Hoe vreemd de

spraakwending ook mocht geweest zijn, als hij zijn gevoel had

uitgedrukt, gevoelde de kapitein toch zoo diep als de welsprekendste

man had kunnen doen, dat die stille avondstond en de zachte schoonheid

daarvan iets hadden, dat het gewonde hart van Florence moest doen

overstroomen, en dat het best was dat zulke tranen hun vrijen loop

hadden. Kapitein Cuttle sprak dus geen woord. Maar toen hij zijn arm

vaster voelde omklemmen, en dat het eenzame hoofd nader daarbij kwam,

en zich tegen zijne ruige blauwe mouw vleide, legde hij zacht zijne

harde hand daarop, en begreep en werd begrepen.

“Beter nu, mijn liefje?” zeide de kapitein. “Opgebeurd maar, opgebeurd.

Ik zal naar beneden gaan en wat eten klaarmaken. Wilt gij naderhand

alleen naar beneden komen, mijn hartje, of zal Edward Cuttle u komen

halen?”

Daar Florence hem verzekerde, dat zij zeer wel in staat was om de trap

af te gaan, liet de kapitein haar vrijheid om dit te doen, hoewel hij

er blijkbaar aan twijfelde of de gastvrijheid dit wel veroorloofde, en

ging voor het vuur in het achterkamertje een hoentje braden. Om dit te

beter te kunnen doen, trok hij zijne jas uit, sloeg zijne mouwboorden

op en zette zijn blinkenden hoed op, zonder welk hoofddeksel hij nooit

iets moeielijks ondernam.

Na haar kloppend hoofd en gloeiend gezicht verkoeld te hebben met het

frissche water, dat de zorg des kapiteins, terwijl zij sliep, voor haar

gereed gezet had, ging Florence naar het spiegeltje, om hare in wanorde

geraakte haren op te binden. Toen zag zij—een oogenblik, want zij

bedekte het terstond weder—dat hare borst het donkere spoor eener

toornige hand droeg.

Dit gezicht deed hare tranen opnieuw uitbarsten: het vervulde haar met

angst en schaamte, maar bewoog haar niet tot gramschap tegen hem.

Zonder huis en zonder vader, vergaf zij hem alles; zij wist nauwelijks,

dat zij hem iets te vergeven had, of dat zij dit deed; maar zij

ontvlood het denkbeeld van hem gelijk zij hem zelven ontvlucht was, en

hij was geheel voor haar verloren en verdwenen. Er was geen zoodanig

wezen in de wereld.

Wat zij zou doen of waar zij zou blijven, kon Florence—arm, onervaren

meisje—niet overwegen. Zij had onduidelijke droomen om ver weg eenige

kleine zusters te vinden om te onderwijzen, die haar vriendelijk zouden

behandelen, en aan welke zij zich onder een aangenomen naam, kon

hechten, en die in haar gelukkig huis zouden opgroeien en trouwen, en

goed zouden zijn voor hare oude gouvernante, en haar misschien door den

tijd de opvoeding harer eigene dochters toevertrouwen; en zij dacht hoe

vreemd en treurig het zou zijn, zoo eene oude vrouw met grijze haren te

worden, en haar geheim in het graf mede te nemen, wanneer Florence

Dombey vergeten was. Maar dit alles was nevelachtig en bewolkt voor

haar. Zij wist alleen, dat zij op aarde geen vader meer had, en dit

zeide zij dikwijls, met het smeekende hoofdje verborgen voor iedereen

behalve voor haar vader in den hemel.

Haar kleine voorraad van geld bedroeg slechts eenige guinjes. Met een

gedeelte daarvan zou het noodig zijn eenige kleederen te koopen, want

zij had geene andere, dan die zij aanhad. Zij was te bedroefd om er aan

te denken, hoe spoedig haar geld op zou zijn—te zeer een kind in

wereldsche zaken om zich daarover zeer te verontrusten, al hadden

andere dingen haar minder ontrust. Zij beproefde hare gedachten tot

kalmte te brengen en hare tranen te stuiten, de verwarring in haar

kloppend hoofd tot rust te brengen, en het zich duidelijk te maken, dat

het gebeurde nog maar weinige uren geleden was, in plaats van weken of

maanden, gelijk het haar voorkwam; en ging naar beneden naar haar

vriendelijken beschermer.

De kapitein had met groote zorg de tafel gedekt, en was nu bezig met

eiersaus gereed te maken, terwijl hij tusschenbeide het hoentje

bedroop, dat aan een touwtje voor het vuur hing te draaien. Nadat hij

Florence tusschen kussens op de sofa had geplaatst, die reeds in een

warm hoekje voor haar geschoven was, zette de kapitein met

buitengemeene handigheid zijn keukenwerk voort, plaatste behalve zijn

pannetje met eiersaus nog een met jus op het vuur, benevens een handvol

aardappelen in een potje, en deed elke minuut de ronde met bedruipen en

roeren, met een lepel, die tot alles te gelijk diende. Bovendien moest

hij nog op eene kleine koekenpan letten, waarin eenige saucijsjes

welluidend lagen te sissen en te spatten; en nooit verrichtte kok of

keukenmeid hun gewichtig werk met meer ijver en genoegen, dan de

kapitein het zijne; het was onmogelijk te zeggen wat meer blonk, zijn

gezicht of zijn glimmende hoed.

Toen de maaltijd eindelijk geheel gereed was, zette de kapitein dien

op, met niet minder handigheid dan hij alles had gekookt en gebraden.

Daarna kleedde hij zich voor het diner door zijne jas aan te trekken en

zijn hoed af te zetten. Dit gedaan zijnde, schoof hij de tafel dicht

bij Florence, die op de sofa moest blijven zitten, deed het gebed,

schroefde zijn haak af en zijne vork daarvoor in de plaats, en nam de

honneurs van de tafel waar.

“Beur u wat op, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en probeer om wat te

eten. Zie eens hier, liefje. Dat is een boutje—en dat is saus—en dat is

een saucijsje—en dat is een aardappel!” De kapitein plaatste dit alles

symmetrisch op een bord, goot een lepel jus er over heen, en zette het

zijne geëerde gast voor.

“De geheele rij luiken is voor opgezet, mijn dametje,” merkte de

kapitein bemoedigend aan, “en alles is bezorgd. Probeer dus eens een

beetje te peuzelen, mijn liefje. Als Walter hier was—”—“Ach, als ik hem

nu voor mijn broeder had!” riep Florence uit.—“Maak u zoo aangedaan

niet, mijn liefje,” zeide de kapitein. “Houd u goed, om mij pleizier te

doen. Hij was immers uw natuurlijk geboren vriend, niet waar, liefje?”

Florence kon geene woorden vinden. Zij zeide slechts: “O lieve, lieve

Paul! O Walter!”—“De plank waarover zij ging,” zeide de kapitein, naar

haar hangend hoofdje ziende, “was Walter zoo dierbaar als de waterbeken

voor een hart, dat zich nooit verheugt! Ik zie hem nog voor mij, op

dien dag toen hij op de monsterrol van het kantoor werd gezet, en hij

van haar sprak met zijn gezicht blinkende van den dauw—ten minste van

zijne bescheidenheid en teerhartigheid—als eene pas ontloken roos,

onder den eten. Wel, wel! Als onze arme Walter hier was, mijn

dametje—of als hij er zijn kon—want hij is verdronken, niet waar?”

Florence schudde haar hoofd.

“Ja, ja, verdronken,” zeide de kapitein als het ware troostend. “Zooals

ik zeide, als hij hier kon zijn en u bidden en smeeken, mijn schatje,

om een beetje te peuzelen, uit zorg voor uwe kostbare gezondheid. Pas

op u zelve, mijn dametje, alsof het om Walter’s wil was, en houd maar

recht voor den wind.”

Om den kapitein genoegen te geven, beproefde Florence iets te eten.

Ondertusschen legde de kapitein, die zijn eigen eten geheel scheen te

vergeten, mes en vork neer en schoof zijn stoel dichter bij de sofa.

“Walter was een knappe jongen, niet waar, mijn hartje?” zeide de

kapitein, nadat hij, haar strak aanziende, eene poos zijne kin had

zitten wrijven; “en een brave jongen, en een goede jongen.”

Florence stemde dit met tranen toe.

“En hij is verdronken, juweeltje, niet waar?” zeide de kapitein, op een

toon van medelijden.

Florence kon niet anders dan dit wederom toestemmen.

“Hij was ouder dan gij, mijn dametje,” vervolgde de kapitein; “maar gij

waart toch als twee kinderen samen, in het eerst, waart ge niet?”

Florence antwoordde: “Ja!”

“En Walter is verdronken,” zeide de kapitein. “Niet waar?”

Het herhalen van deze vraag was wel eene zonderlinge bron van troost,

maar scheen dit toch werkelijk voor den kapitein te zijn, want hij kwam

er telkens op terug. Florence schoof eindelijk haar bijna ongeproefden

maaltijd van zich af, liet zich op de sofa neerzinken, en reikte hem

haar handje toe, met spijt gevoelende, dat zij hem had te leur gesteld,

hoewel zij hem gaarne voor al zijne moeite eenig genoegen had willen

geven; hij hield echter dat handje vast, zonder, naar het scheen, om

den maaltijd of haar gebrek aan eetlust te denken, en bleef maar bij

tusschenpoozen, op een peinzend medelijdenden toon, brommen: “Arme

Walter. Ja, ja, verdronken. Niet waar?” En telkens wachtte hij op haar

antwoord, waarom het hem bij deze zonderlinge bespiegelingen vooral

scheen te doen te zijn.

Het hoentje en de saucijzen waren koud geworden, en de saus was

gestold, eer de kapitein zich herinnerde, dat alles nog op tafel stond;

maar toen viel hij er ook met behulp van Diogenes op aan, en hunne

vereenigde pogingen deden den voorraad spoedig verdwijnen. Des

kapiteins verwondering en genoegen over Florence’s stille handigheid,

toen zij hem hielp om de tafel af te nemen, het kamertje op te ruimen,

en den haard aan te vegen—alleen geëvenredigd door het ijverige van

zijn protest toen zij hem begon te helpen—werden eindelijk zoo groot,

dat hij zelf niets meer kon doen, maar naar haar bleef staan kijken,

alsof zij eene Fee was, die met bovennatuurlijke vlugheid deze diensten

voor hem verrichtte; de roode streep op zijn voorhoofd gloeide van

opgetogenheid.

Maar toen Florence zijne pijp van den schoorsteenmantel nam en hem

toereikte, met dringend verzoek om te gaan rooken, werd de goede

kapitein zoo verlegen met hare beleefdheid, dat hij met zijne pijp

bleef staan, alsof hij nog nooit in zijn leven eene pijp in de hand had

gehad. Toen Florence in de kast ging zoeken, de flesch er uitnam,

ongevraagd een onverbeterlijk glas grog voor hem gereedmaakte en dit

voor hem zette, werd zijn roode neus bleek, zoo gestreeld en vereerd

gevoelde hij zich. Toen hij in eene genoeglijke mijmering zijne pijp

had gestopt, stak Florence die voor hem aan—daar de kapitein haar dit

niet kon of wilde beletten—en toen hare plaats op de oude sofa

hernemende, bleef zij hem zitten aanzien met een lachje zoo dankbaar en

liefdevol, een lachje, dat zoo duidelijk toonde hoe haar eenzaam hart

zich aan hem hechtte, dat de kapitein den rook van zijne pijp in de

keel en in de oogen kreeg, zoodat hij moest hoesten en de tranen hem

over de wangen rolden.

De manier, waarop de kapitein het wilde doen voorkomen alsof de oorzaak

dier verschijnselen in de pijp zelve verborgen lag, en in den kop

daarnaar keek, en toen hij ze daar niet vond, ze uit den steel wilde

blazen, was alleraardigst. Daar de pijp spoedig in beteren staat kwam,

nam de kapitein weldra weder de rustige kalmte aan die den goeden

rooker past; maar hij bleef toch strak naar Florence zitten staren, en

blies nu en dan, met eene innige vergenoegdheid, waarvan geene woorden

een denkbeeld kunnen geven, eene rookwolk uit, alsof het een uit zijn

mond komend lint was, waarop de woorden te lezen waren: “Arme Walter.

Ja, ja. Verdronken. Niet waar?”

Hoeveel zij ook naar het uitwendige van elkander verschilden—en er kon

bijna geen grooter contrast bestaan, dan tusschen Florence, in hare

teedere jeugd en schoonheid, en kapitein Cuttle, met zijn knobbelig

gezicht, zijne forsche gestalte en zijne grove stem—in eenvoudigheid,

onschuld en onkunde van de wereld met hare behoeften en gevaren,

stonden zij bijna met elkander gelijk. Geen kind had kapitein Cuttle

kunnen overtreffen in onervarenheid in alles behalve wind en weder, in

eenvoudigheid, lichtgeloovigheid en edelmoedig vertrouwen. Geloof, hoop

en liefde vervulden geheel zijn gemoed. Eene zonderlinge neiging tot

het romaneske, waarbij hij zijne verbeelding geheel vrij spel liet, en

aan geene werkelijkheid of mogelijkheid dacht, was het eenig nog

bijkomend inmengsel van zijn karakter. Terwijl hij daar zat te rooken

en Florence aan te staren, mag de hemel weten welke onmogelijke

tafereelen, waarin zij de hoofdpersoon was, hem voor den geest kwamen.

Even nevelachtig en onbestemd, hoewel niet zoo vol hoop, waren hare

eigene gedachten van het leven, dat voor haar lag; en evenals hare

tranen prismatische kleuren veroorzaakten in het licht waarnaar zij

tuurde, zoo zag zij door haar nieuw en drukkend leed reeds een flauwen

regenboog veraf in de lucht pralen. Eene verdwaalde prinses en een

goedaardig monster in een sprookje hadden eveneens bij den haard kunnen

zitten, en evenzoo denken en spreken als kapitein Cuttle en de arme

Florence deden.

De kapitein werd niet ontrust door het flauwste denkbeeld van eenig

bezwaar om Florence bij zich te houden, of van eenige

verantwoordelijkheid, die hij daardoor op zich laadde. Toen hij de

luiken voorgezet en de deur gesloten had, was hij in dit opzicht

volkomen gerust. Al was zij eene pupil van de Kanselarij geweest, dit

zou voor kapitein Cuttle geheel geen verschil gemaakt hebben. Hij was

de allerlaatste mensch op de wereld om zich door zulke bezwaren te

laten kwellen.

Zoo bleef de kapitein gerust zijne pijp zitten rooken, en mijmerden

Florence en hij op hunne eigene manier voort. Toen de pijp uit was,

werd er thee gedronken, en daarna verzocht Florence hem om haar naar

een winkel in de buurt te brengen, waar zij eenige dingen kon koopen,

die zij terstond noodig had. Daar het geheel donker was, bewilligde de

kapitein hierin; maar hij keek toch eerst voorzichtig uit, gelijk hij

gewoon was te doen in den tijd toen hij zich voor jufvrouw MacStinger

schuilhield, en wapende zich met zijn dikken stok, voor het geval, dat

onverwachte omstandigheden een beroep op de wapenen noodzakelijk

maakten.

De hoogmoed dien kapitein Cuttle gevoelde, toen hij Florence zijn arm

gaf en haar twee- of driehonderd voetstappen ver geleidde, waarbij hij

door zijne groote waakzaamheid en voorzichtigheid de aandacht van alle

voorbijgangers trok, was buitengemeen. Aan den winkel gekomen, begreep

de kapitein, dat de kieschheid hem gebood zich te verwijderen, terwijl

het benoodigde gekocht werd, dewijl dit uit voorwerpen van kleeding

bestond; maar vooraf zette hij zijn blikken busje op de toonbank, en

het winkeljuffertje onderricht hebbende, dat het veertien pond en twee

schellingen bevatte, verzocht hij haar om, in geval die som niet

toereikend genoeg was om de uitrusting van zijn nichtje te

bestrijden—bij het woord “nichtje” wierp hij Florence een

veelbeteekenenden blik toe, vergezeld met eene pantomime, die

schranderheid en stilzwijgendheid moest uitdrukken,—dan maar zoo goed

te zijn om hem te praaien, en hij zou het tekort uit zijn zak er bij

leggen. Terloops zijn reusachtig horloge raadplegende, als een middel

om groote gedachten van zijn vermogen te doen opvatten, groette de

kapitein zijn nichtje door zijn haak te kussen, en ging buiten de deur,

waar het aardig was zijn breed gezicht nu en dan door het venster

tusschen de uitgestalde zijden en linten te zien binnenkijken,

blijkbaar angstig, dat Florence door eene achterdeur was ontvoerd.

“Lieve kapitein Cuttle,” zeide Florence, toen zij naar buiten kwam met

een pakje, waarvan de grootte den kapitein zeer te leur stelde, daar

hij verwacht had haar door een kruier met eene geheele baal goederen te

zien volgen, “ik heb dit geld waarlijk niet noodig. Ik heb er niets van

uitgegeven. Ik heb zelf geld.”

“Mijn dametje,” antwoordde de teleurgestelde kapitein, recht voor zich

de straat opkijkende. “Bewaar het dan voor mij, als ge zoo goed wilt

zijn, tot ik er u naar vraag.”—“Mag ik het weer op zijne gewone plaats

bergen,” zeide Florence, “en het daar bewaren?”

De kapitein was lang niet blijde met dit voorstel, maar hij antwoordde

toch: “Ja, ja, plaats het waar gij wilt, mijn dametje, als gij maar

weet waar gij het kunt vinden. Voor mij is het van geen nut,” zeide de

kapitein. “Ik ben verwonderd, dat ik het al niet lang heb weggegooid.”

De kapitein was voor een oogenblik geheel verslagen, maar de eerste

aanraking van Florence’s arm deed hem weder herleven, en zij keerden

terug met dezelfde voorzorgen waarmede zij gekomen waren. Op de stoep

gekomen, deed de kapitein de deur open en schoot er toen binnen, met

eene vaart en behendigheid, die alleen groote oefening hem kon geleerd

hebben. Terwijl Florence des morgens lag te sluimeren, had hij de

dochter van eene oude vrouw, die gewoonlijk op de Leadenhall-Markt

onder eene blauwe paraplu met gevogelte te koop zat, aangenomen om hare

kamer te komen in orde brengen en haar de noodige kleine diensten te

bewijzen; en daar dit meisje nu verscheen, vond Florence alles om haar

heen even goed in orde en geriefelijk, schoon niet zoo prachtig, als in

het akelige spookkasteel, waar zij eens thuis heette te zijn.

Toen zij weder alleen waren, drong de kapitein haar om een sneedje

brood te eten en een glaasje kruidenwijn te drinken (dien hij heerlijk

wist gereed te maken); en haar vervolgens bemoedigende met alle

vriendelijke woorden en wonderlijke aanhalingen, die hij maar bedenken

kon, bracht hij haar naar boven. Maar hij had toen nog iets op het

gemoed en was blijkbaar niet rustig.

“Goeden nacht, lief hartje,” zeide kapitein Cuttle aan hare kamerdeur.

Florence hief haar hoofdje op en gaf hem een kus.

Op een anderen tijd zou de kapitein door zulk een blijk van hare

genegenheid en dankbaarheid geheel over staag zijn gesmeten; maar nu,

hoewel hij zeer gevoelig er voor was, zag hij haar aan met zelfs nog

meer onrust dan hij te voren had laten blijken, en scheen ongezind om

haar te verlaten.

“Arme Walter!” zeide de kapitein.—“Arme, arme Walter!” zuchtte

Florence.—“Verdronken, niet waar?” zeide de kapitein.

Florence schudde haar hoofd en zuchtte.

“Goeden nacht, mijn dametje,” zeide de kapitein, zijne hand

toestekende.—“God zegen u, goede, lieve vriend!”

Maar de kapitein bleef nog dralen.

“Scheelt er iets aan, beste kapitein Cuttle?” zeide Florence, die zich

licht ongerust maakte. “Hebt gij mij iets te zeggen?”—“U iets te

zeggen, mijn dametje!” antwoordde de kapitein, haar zeer verlegen in de

oogen ziende. “Neen, wat zou ik u te zeggen hebben, liefje? Gij denkt

toch niet, dat ik iets goeds te zeggen heb, niet waar?”—“Neen,” zeide

Florence en schudde haar hoofd.—“Arme Walter!” zeide de kapitein. “Mijn

Walter, zooals ik hem placht te noemen! Oude Sam zijn neef! welkom voor

ieder, die u kende, gelijk de bloemen in Mei! Waar zijt ge nu, brave

jongen? Verdronken, niet waar?”

Zijne alleenspraak met deze plotselinge vraag aan Florence besluitende,

wenschte de kapitein haar goedennacht en ging de trap af, terwijl zij

met de kaars bovenaan bleef staan om hem te lichten. Hij verdween in de

duisternis, en naar het geluid zijner voetstappen te rekenen zou hij

juist het achterkamertje binnengaan, toen zijn hoofd en schouders

eensklaps weder zichtbaar werden, alsof zij uit de diepte opdoken, maar

het scheen met geen ander doel dan om nog eens te herhalen:

“Verdronken, niet waar, liefje?” Want toen hij dit op een toon van

teeder medelijden gezegd had, verdween hij voor goed.

Het speet Florence zeer, dat zij onwillekeurig, hoewel natuurlijk, deze

herinnering bij haar beschermer had doen ontwaken; en zich bij het

tafeltje zettende, waarop de kapitein den verrekijker, het liederboekje

en die andere rariteiten had neergelegd, bleef zij aan Walter en alles

wat er met hem in verband stond denken, tot zij bijna had kunnen

wenschen zich maar te bed te leggen om te kunnen sterven. Maar onder

haar eenzaam smachten naar de dooden, die zij had liefgehad, kwam geene

gedachte aan haar vaderlijk huis—geene mogelijkheid om daarheen terug

te keeren—geen denkbeeld, dat het nog bestond en dat daar haar vader

woonde—in haar gemoed op. Zij had hem zien vermoorden. In de laatste

natuurlijke gedaante, waarmede zij hem door zooveel heen was blijven

liefhebben, was hij uit haar hart gerukt en vermoord. De gedachte was

haar zoo ontzettend, dat zij hare oogen bedekte en bevend terugdeinsde

bij de minste herinnering aan de daad of aan de hand, die ze bedreven

had. Als haar teeder hart daarna nog zijn beeld had kunnen bewaren, had

het moeten breken; maar dat kon het niet doen, en de ledige plaats was

aangevuld door een woesten angst voor een enkelen blik op de verminkte

brokken van dat beeld—een angst, die alleen uit de diepte van zulk eene

liefde, zoo mishandeld, kon oprijzen.

Zij durfde niet in den spiegel zien; want het gezicht der wankleurige

plek op hare borst deed haar voor zich zelve schamen, alsof zij een

teeken van goddeloosheid met zich omdroeg. Zij bedekte het met eene

haastige, bevende hand, in het donker, en legde haar vermoeid hoofd

neder en schreide.

De kapitein ging nog in langen tijd niet naar bed. Hij bleef nog een

vol uur in den winkel en het achterkamertje op en neer wandelen, en

toen hij door die lichaamsbeweging tot bedaren scheen te zijn gekomen,

ging hij met een ernstig peinzend gezicht zitten en las in het

gebedenboek de gebeden, bestemd ten gebruike op zee. Dit ging niet

gemakkelijk, want de kapitein was een langzaam en stroef lezer, en

hield bij een moeielijk woord dikwijls op om zich zelven aan te

moedigen met een: “Komaan, jongen, frisch aangepakt!” of “Sta vast,

Edward Cuttle, sta vast!” hetgeen veel scheen te baten om hem over een

bezwaar heen te helpen. Bovendien hinderde zijn bril hem zeer in het

zien. Maar, in spijt van deze belemmeringen, las de kapitein, daar hij

het ernstig meende, de formulieren tot den laatsten regel toe, en dat

met waar gevoel. Toen zeer voldaan over het gelezene, begaf hij zich

onder de toonbank te rust (maar niet voordat hij nog eens naar boven

was gegaan en aan Florence’s deur had geluisterd) en viel met een

verruimd hart en een genoeglijk gezicht in slaap.

In den loop van den nacht stond de kapitein verscheidene malen op om

zich te verzekeren of Florence gerust sliep; en eens, toen de dag

aanbrak, bevond hij, dat zij wakker was, want toen zij zijn voetstap

hoorde, riep zij om te weten of hij het was.

“Ja, mijn dametje,” antwoordde de kapitein met een brommend gefluister.

“Zijt gij geheel en al wel, mijn dametje?”

Florence bedankte hem en antwoordde van ja.

Nu kon de kapitein de gunstige gelegenheid niet verzuimen om zijn mond

voor het sleutelgat te houden en daardoor heen, alsof er een schorre

wind door woei, te roepen: “Arme Walter! Verdronken, niet waar?” Waarna

hij weder naar bed ging en tot zeven uur bleef slapen.

Ook den geheelen dag was hij niet vrij van die zonderlinge gejaagdheid

en verlegenheid; hoewel Florence, die in het achterkamertje zat te

naaien, kalmer en rustiger was dan den vorigen dag. Bijna telkens

wanneer zij hare oogen van haar werk opsloeg, bemerkte zij, dat de

kapitein haar aanzag en peinzend zijne kin wreef; en zoo dikwijls

schoof hij met zijn leuningstoel naar haar toe, alsof hij iets zeer

vertrouwelijks wilde zeggen, en schoof hij dan ook weder achteruit, als

wist hij niet daaraan te beginnen, dat hij in den loop van den dag het

geheele kamertje aldus doorkruiste, en meer dan eens tegen het beschot

of de kastdeur op het strand raakte.

Het was niet voor schemeravond, dat kapitein Cuttle voor goed zijn

anker liet vallen, en eindelijk, dicht naast Florence gezeten, geregeld

begon te praten. Maar op dien tijd, toen het vuur de muren en de

zoldering verlichtte en haar kalm gezichtje bescheen, dat naar de vlam

was gekeerd, en in de tranen flikkerde, die hare oogen vulden, verbrak

de kapitein aldus zijn langdurig stilzwijgen:

“Gij zijt wel nooit op zee geweest, mijn hartje?”—“Neen,” antwoordde

Florence.—“Ja,” hernam de kapitein met eerbied, “het is een almachtig

element. Er zijn wonderen in de diepte, mijn liefje. Denk eens aan, als

de winden loeien en de golven bulderen. Denk eens aan, als het in

stormige nachten zoo pikdonker is,” zeide de kapitein, plechtig zijn

haak ophoudende, “dat men geen hand voor oogen zien kan, behalve als

een bliksemstraal ze zichtbaar maakt; en als gij daar door storm en

duisternis voortdrijft, alsof gij zoo zoudt blijven voortdrijven van

eeuwigheid tot eeuwigheid, amen, en als gij dat vindt, zet er dan een

streepje bij. Dat is een tijd, mijn dametje, dat iemand tegen zijn

kameraad mag zeggen: “Een stijve noordwester, Bill; luister, hoort ge

hem niet loeien! Och, Heere, hoe beklaag ik alle ongelukkigen, die nu

aan land zitten!”” Welke aanhaling, als bijzonder toepasselijk op de

verschrikkingen der zee, de kapitein met een nadrukkelijk “Sta vast!”

besloot.—“Zijt gij ooit in zulk een vreeselijken storm geweest?” vroeg

Florence.—“Wel ja, mijn dametje, ik heb ook mijn deel van slecht weer

gehad,” antwoordde de kapitein, met eene bevende hand zijn hoofd

afvegende, “ik ben ook genoeg rondgeslingerd. Maar—maar het is niet van

mij zelven, dat ik wenschte te spreken. Onze beste jongen,” dichter bij

haar schuivende, “Walter, liefje, die verdronken is.”

De kapitein sprak met zulk eene bevende stem, en zag Florence met zulk

een bleek en ontroerd gezicht aan, dat zij verschrikt zijne hand vatte.

“Uw gezicht is in een oogenblik zoo veranderd,” riep zij uit. “Wat is

er? Lieve kapitein Cuttle, ik word er koud van, dat ik u zoo

zie!”—“Word maar niet bang, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.

“Neen, neen. Alles is wel, alles is wel, mijn liefje. Zooals ik

zeide—Walter—hij is—hij is verdronken. Is hij niet?”

Florence zag hem strak aan, werd beurtelings rood en bleek en legde

hare hand op hare borst.

“Er zijn gevaren op de diepte, mijn hartje,” zeide de kapitein, “en

over menig goed schip en menig moedig hart hebben de golven zich

gesloten, en er nooit een woord van gezegd. Maar er zijn ook uitkomsten

op de diepte, en somtijds wordt één man van de twintig—ja, misschien

één van de honderd, mijn liefje—door Gods genade gered, en komt hij nog

thuis, als men hem al lang voor dood heeft gehouden en verteld dat

allen verdronken waren. Ik—ik weet eene historie, hartediefje,”

stotterde de kapitein, “eene historie van die soort, die mij eens

verteld is; en nu ik daaraan denk, en zoo alleen met u bij het vuur

zit, zoudt ge ze misschien wel eens willen hooren. Zoudt ge, liefje?”

Florence, bevende van eene ontroering, die zij niet begreep of kon

bedwingen, volgde onwillekeurig zijne oogen, die achter haar om naar

den winkel dwaalden, waar eene lamp brandde. Zoodra zij haar hoofd

omdraaide, sprong de kapitein van zijn stoel op en hield zijne hand

voor haar.

“Daar is niets, mijn juweeltje,” zeide de kapitein. “Kijk daar

niet!”—“Waarom niet?” vroeg Florence.

De kapitein mompelde iets dat het daar somber en het vuur vroolijk was.

Hij stiet de deur, die tot nog toe had opengestaan, half toe, en zette

zich weder. Florence volgde hem met hare oogen en zag hem strak aan.

“De historie was van een schip, mijn dametje,” begon de kapitein, “dat

met goeden wind en mooi weer de haven van Londen was uitgezeild,

bestemd—ontstel maar niet, mijn dametje—het was maar naar ik weet niet

waar bestemd.”

De uitdrukking van Florence’s gezichtje ontrustte den kapitein, die

zelf zeer rood en heet was, en weinig minder ontroering liet blijken

dan zij.

“Zal ik voortgaan, liefje?” zeide de kapitein.—“Ja, ja, bid ik u!” riep

Florence uit.

De kapitein scheen iets, dat hem in de keel stak, met geweld door te

zwelgen, en vervolgde zeer zenuwachtig:

“Dat ongelukkige schip kreeg op zee zulk een slecht weer, mijn liefje,

als men in twintig jaar niet beleeft. Er woei aan land een orkaan, die

bosschen uitroeide en steden verwoestte, en op zee had men op die

breedte een storm, waarin het sterkste schip het niet kon uithouden.

Dag aan dag hield dat ongelukkige schip zich evenwel goed, heeft men

mij verteld, maar op eens werd bijna de geheele verschansing

weggeslagen, en gingen de masten overboord en brak het roer af, en

werden de beste matrozen overboord gespoeld, en zoo was het aan de

genade van den storm overgelaten, die geene genade had, maar al harder

en harder opstak, en telkens als de golven er op kwamen neerdonderen,

kraakten zij het goede schip als een notedop. Ieder zwart plekje in

elken waterberg, die wegrolde, was een stuk van het schip of een levend

mensch, en zoo ging het geheel aan stukken, liefje, en geen gras zal er

ooit groeien op de graven van hen die het bevoeren.”—“Zij verongelukten

toch niet allen!” riep Florence. “Sommigen werden toch gered! Werd er

iemand gered?”—“Aan boord van dat ongelukkige schip,” zeide de

kapitein, van zijn stoel opstaande en zijne vuist met verbazende kracht

dichtklemmende, “was een knaap, een moedige knaap—zooals ik heb hooren

vertellen—die, toen hij nog een kleine jongen was, altijd gaarne van

moedige daden bij schipbreuken had gelezen en gepraat—ik heb hem

gehoord, zelf gehoord!—en hij dacht weder daarom in het uur van nood;

want toen de stoutste harten en oudste handen slap werden, bleef hij

standvastig en onverschrokken. Het was niet uit gebrek aan menschen om

lief te hebben aan land, dat hij zooveel moed had, het was zijn

natuurlijk karakter zoo. Ik heb het in zijn gezicht gezien, toen hij

nog niet meer dan een kind was—ja, dikwijls!—en toen ik dacht dat het

niets anders was dan zijn gezond uitzicht, zegen hem!”—“En werd hij

gered?” riep Florence uit. “Werd hij gered?”—“Die brave jongen,” zeide

de kapitein. “Zie mij aan, liefje. Kijk niet om—”

Florence had nauwelijks de kracht om nog eens te vragen: “Waarom

niet?”—“Omdat daar niets te zien is, hartje,” zeide de kapitein, “Maak

u niet angstig, liefje! Doe dat niet—om Walter’s wil, van wien wij

allen zooveel hielden! Die knaap,” vervolgde de kapitein, “nadat hij

met de besten had gewerkt, en de flauwhartigen had bijgestaan, en geen

teeken van vrees gegeven, en bij al de anderen een ijver had wakker

gehouden, die hem zooveel eer aandeed alsof hij een admiraal was

geweest—die knaap en de tweede stuurman en een matroos waren de eenigen

die overbleven van al de kloppende harten, die op dat schip geweest

waren. Zij hadden zich op een stuk van het wrak vastgebonden en dreven

zoo op de stormige zee”—“Werden zij gered!” riep Florence.—“Dagen en

nachten dreven zij op het eindelooze water,” zeide de kapitein, “tot

eindelijk—neen, kijk niet naar dien kant, liefje!—een zeil op hen

aankwam, en zij door Gods genade aan boord werden genomen—twee levend,

en een dood.”—“Wie van hen was dood?” riep Florence.—“Niet de knaap,

waarvan ik spreek,” zeide de kapitein.—“Goddank! O, Goddank!”—“Amen!”

zeide de kapitein haastig. “Maak u niet benauwd. Nog eene minuut, mijn

dametje—moed gehouden! Aan boord van dat schip deden zij eene lange

reis dwars over de kaart (want zij deden geene haven aan) en op die

reis stierf de matroos, die met hem was opgenomen. Maar hij bleef

bewaard, en—”

Zonder te weten wat hij deed, had de kapitein eene snee brood gesneden

en aan zijn haak gestoken (zijne gewone vork om brood aan te

roosteren), die hij nu, terwijl hij met een gezicht vol ontroering

achter Florence omkeek, zoo dicht voor het vuur hield, dat het brood

tot kool brandde.

“Bleef bewaard,” herhaalde Florence, “en?”—“En kwam met dat schip

thuis,” zeide de kapitein, nog in dezelfde richting kijkende,

“en—schrik niet, liefje!—aan land; en op een ochtend kwam hij

voorzichtig voor zijne eigene deur om observatie te doen, wel wetende

dat zijne vrienden hem voor verdronken zouden houden, toen hij zich

verwonderde over het onverwachte—”—“Over het onverwachte blaffen van

een hond?” riep Florence haastig.—“Ja!” barstte de kapitein uit. “Sta

vast liefje! Moed gehouden! Kijk nog niet om. Zie daar—op den muur!”

Op den muur dicht bij haar viel de schaduw van een man. Zij sprong op,

keerde zich om en gaf een schellen gil toen zij Walter Gay achter haar

zag staan.

Zij dacht niet anders aan hem dan als een broeder, een broeder uit het

graf gered, een broeder in eene schipbreuk bewaard gebleven, voor dood

gehouden en weder bij haar gekomen, en vloog in zijne armen. In de

geheele wereld scheen hij hare hoop, haar troost, hare toevlucht, haar

natuurlijke beschermer te zijn. “Draag zorg voor Walter. Ik heb veel

van Walter gehouden!” De dierbare herinnering der klagende stem, die

dit gezegd had, streelde hare ziel gelijk muziek in den nacht. “O,

welkom thuis, lieve Walter! Welkom aan deze gewonde borst!” Zij

gevoelde deze woorden, hoewel zij ze niet kon uiten, en hield hem in

hare reine omhelzing gesloten.

Kapitein Cuttle beproefde in eene vlaag van ijlhoofdigheid zijn hoofd

af te vegen met het zwart gebrande brood aan zijn haak, en toen hij het

daarvoor ondienstig vond, stopte hij het in zijn blinkenden hoed, zette

toen dien hoed met eenige moeite op, beproefde het begin van Mooie

Peggy te zingen, bleef bij het eerste woord steken, en nam de wijk naar

den winkel, waaruit hij weldra haastig terugkwam, met een zeer rood en

begroezeld gezicht, en al de stijfsel uit zijne boordjes weggeweekt, om

de woorden te zeggen:

“Walter, mijn jongen, hier is een klein kapitaaltje, dat ik u zou

wenschen over te maken, gansch en gaar.”

Snel haalde hij het groote horloge, de theelepeltjes, de suikertang en

het blikken busje voor den dag, legde alles bij elkander op de tafel en

streek het met zijne groote hand in Walter’s hoed; maar toen hij deze

zonderlinge cassette aan Walter wilde toereiken, werd hij wederom

zoodanig door zijne ontroering overmeesterd, dat hij nogmaals naar den

winkel moest vluchten en ditmaal langer wegbleef dan de vorige maal.

Maar Walter ging hem opzoeken en bracht hem terug, en toen was des

kapiteins grootste vrees, dat Florence nadeel zou hebben van dezen

nieuwen schok. Hij was zoo ernstig beducht daarvoor, dat hij op eens

bedaard en verstandig werd, en alle verdere toespeling op Walter’s

avonturen voor eenige dagen verbood. Hij ontlastte zich nu ook van het

stuk gebraden brood in zijn hoed, en zette zich op zijn gemak aan de

tafel; maar toen Walter aan den eenen kant zijne hand op zijn schouder

legde, en Florence hem aan den anderen hare weemoedige betuigingen van

blijdschap in het oor fluisterde, nam de goede kapitein plotseling

nogmaals de wijk, en bleef toen eene goede tien minuten weg.

Maar nooit in geheel zijn leven had des kapiteins gezicht zulk een

glans gehad, als toen hij eindelijk voor vast aan de theetafel zat, en

van Walter naar Florence en van Florence naar Walter keek; en deze

glans was geenszins voortgebracht door het geweldig wrijven met zijne

mouw, dat zijn gezicht in het laatste half uur had moeten verduren,

maar geheel en al een gevolg van zijne innerlijke gemoedsbewegingen. In

zijn binnenste heerschten eene opgetogenheid en blijdschap, die zich

over geheel zijn gezicht verspreidden en daar als het ware eene

illuminatie aanstaken.

De trotschheid, waarmede de kapitein de gebruinde wangen en moedige

oogen van zijn wedergevonden Walter beschouwde, waarmede hij het edele

vuur zijner jeugd en al zijne innemende en veelbelovende eigenschappen

weder zag schitteren in zijne rondborstige manieren en op zijn

mannelijk gezicht, moest op zijn eigen gezicht iets van dat licht

ontsteken. De bewondering en teederheid, waarmede hij zijne oogen op

Florence vestigde, wier schoonheid, bevalligheid en onschuld geen

trouwer en ijveriger kampvechter hadden kunnen verwerven dan hem,

moesten denzelfden invloed op hem uitoefenen. Maar de volheid van den

gloed, dien hij om zich heen verspreidde, kon alleen worden

voortgebracht door zijne beschouwing van die twee bij elkander, en door

al de gedachten welke die vereeniging moest opwekken, en die hem als

een huppelende dans van vroolijke beelden door het hoofd vlogen.

Hoe zij over oom Sam praatten, en zij uitweidden over al de

omstandigheden van zijn verdwijnen; hoe hunne vreugde door de

afwezigheid des ouden mans en de rampen van Florence werd getemperd;

hoe zij Diogenes verlosten, dien de kapitein eenigen tijd vooraf naar

boven had gelokt, opdat hij niet weder zou blaffen, begreep de kapitein

zeer wel, ofschoon hij op den duur nog eenigszins ontroerd bleef, en

meermalen nog eens voor eene korte poos naar den winkel ging. Maar hij

droomde evenmin dat Walter Florence thans op eene geheele andere plaats

dan voorheen en ver van zich verwijderd zag, en dat, terwijl zijne

oogen dikwijls haar bekoorlijk gezichtje zochten, zij toch zelden haar

openhartigen blik van zusterlijke genegenheid beantwoordden, maar zich

dan van de hare afwendden, als hij geloofde dat het Walter’s geest was,

die daar naast hem zat. Hij zag hen daar bij elkander in hunne jeugd en

schoonheid, en hij kende de geschiedenis hunner kindsche dagen, en hij

had onder zijn groot blauw vest geen duim breedte plaats voor iets

anders dan bewondering voor zulk een paar en dankbaarheid dat het weder

vereenigd was.

Zoo zaten zij tot het laat werd. De kapitein had wel eene week lang zoo

willen blijven zitten. Maar Walter stond eindelijk op om afscheid te

nemen.

“Gaat gij heen, Walter?” zeide Florence. “Waar naar toe?”—“Hij heeft

vooreerst een logies om den hoek bij Brogley, mijn dametje,” zeide de

kapitein. “Hij is binnen beroep, mijn hartediefje.”—“Ik ben de oorzaak,

dat gij heengaat, Walter,” zeide Florence. “Er is eene zuster, die geen

ander thuis heeft, in uwe plaats gekomen.”—“Lieve jufvrouw Dombey,”

antwoordde Walter haperend—“als het niet te vermetel is u zoo te

noemen—”—“Walter!” riep zij verwonderd uit.—“Als iets voor mij het

geluk kon vergrooten van u te mogen zien en spreken, zou het dan niet

de ontdekking zijn, dat ik eenig middel had, om u een oogenblik dienst

te bewijzen? Waar zou ik niet naar toe gaan, wat zou ik niet doen, om

uwentwil?”

Zij glimlachte en noemde hem broeder.

“Gij zijt zoo veranderd,” zeide Walter.—“Ik veranderd!” viel zij er op

in.—“Voor mij,” zeide Walter zacht, alsof hij overluid dacht, “voor mij

veranderd. Ik heb u zulk een kind gelaten, en vind u—o, iets geheel

anders.”—“Maar toch uwe zuster. Gij hebt immers niet vergeten, wat wij

elkander beloofden, toen wij scheidden?”—“Vergeten?” Maar hij zeide

niets meer.—“En al hadt gij dat gedaan—al hadden leed en gevaren het u

uit de gedachten verdreven—dat zoo niet is—dan zoudt gij het u nu wel

herinneren, Walter, nu gij mij arm en verlaten vindt, zonder ergens een

thuis te hebben behalve hier, en zonder vrienden behalve de twee, die

mij nu hooren spreken.”—“Dat zou ik! De hemel weet, dat zou ik!” zeide

Walter.—“O Walter, lieve broeder,” riep Florence door hare snikken en

tranen uit. “Wijs mij toch een weg om door de wereld te komen—een

nederig pad, waar ik alleen kan wandelen en werkzaam zijn, en somtijds

aan u denken als aan iemand, die mij als eene zuster beschermen en

liefhebben zal. O, help mij toch, Walter, want ik heb zooveel hulp

noodig!”—“Jufvrouw Dombey! Florence! Ik zou willen sterven om u te

helpen. Maar uwe betrekkingen zijn grootsch en rijk. Uw vader—”—“Neen,

neen, Walter!” gilde zij en stak hare handen op met een schrik, die hem

deed verstommen. “Zeg dat woord niet!”

Nooit vergat hij de stem en den blik, waarmede zij hem bij dat woord

stuitte. Hij gevoelde, dat hij ze nooit zou kunnen vergeten, al werd

hij honderd jaren oud.

Ergens heen—waar dan ook—maar nooit weder naar huis! Alles voorbij,

alles weg, alles verloren, alles verwoest! De geheele geschiedenis van

het leed en de verwaarloozing, die zij altijd had verzwegen, lag in

dien kreet en dien blik; hij gevoelde, dat hij ze nooit kon vergeten,

en deed dit ook nooit.

Zij liet haar lief gezichtje op des kapiteins schouder zinken, en

verhaalde hoe en waarom zij gevlucht was. Als elke traan, dien zij

onder dat verhaal schreide, een vloek geweest was op het hoofd van hem,

dien zij nooit noemde of laakte, zou het beter voor hem zijn geweest,

dacht Walter met ontzetting, dan uit zulk eene kracht en macht van

liefde verstooten te worden.

“Daar nu, mijn juweeltje!” zeide de kapitein, toen zij ophield; en met

diepe aandacht had hij naar haar geluisterd, met zijn hoed geheel op

zijde en zijn mond wijd open. “Sta vast, sta vast, mijne oogen! Walter,

beste jongen, pak u nu voor van avond weg, en laat het liefje maar aan

mij over.”

Walter vatte hare hand en bracht ze aan zijne lippen. Hij wist nu, dat

zij waarlijk eene zwervende vluchtelinge was; maar voor hem rijker zóó,

dan in den glans en de weelde van haar rechtmatigen staat, scheen zij

nog verder van hem af te zijn, dan zelfs op de hoogte, die hem in zijne

jeugdige droomen had doen duizelen.

Kapitein Cuttle, door geene zoodanige bedenkingen verontrust, bracht

Florence naar hare kamer, en kwam van tijd tot tijd de wacht houden op

den betooverden grond voor hare deur—want voor hem was die grond

waarlijk betooverd—tot hij zich gerust genoeg over haar gevoelde, om

onder de toonbank te gaan slapen. Toen hij daartoe zijn post verliet,

kon hij niet nalaten nog eens—maar nu met verrukking—door het

sleutelgat te roepen; “Verdronken! Niet waar, liefje?” en onder aan de

trap nog eens het lied van Mooie Peggy te beproeven. Dit bleef hem, hoe

dan ook, weder in de keel steken. Hij ging dus naar bed en droomde dat

de oude Sam Gills met jufvrouw MacStinger was getrouwd, en door die

dame in eene geheime kamer op kort rantsoen gevangen werd gehouden.

Dombey en Zoon · 第 97 / 125 题