FLORENCE’S VLUCHT.

Verbijsterd door smart, schaamte en schrik, snelde het wanhopige meisje

door den zonneschijn van den helderen morgen, als ware het de

duisternis van een winternacht. Hare handen wringende en bitter

weenende, gevoelloos voor alles behalve de diepe wond in hare borst,

bedwelmd door het verlies van alles wat zij liefhad, verlaten gelijk de

eenig overgeblevene schipbreukeling op eene eenzame kust, vlood zij,

zonder gedachten, zonder hoop, zonder doel, dan om maar te vluchten,

ergens heen.

Het vroolijke verschiet der lange straat, door het morgenlicht verguld,

het gezicht van den blauwen hemel en de luchtige wolkjes, de frischheid

van den dag, als het ware pralende met zijne zege op den nacht, deed in

hare zoo gewonde borst geen overeenstemmend gevoel ontwaken. Ergens,

waar dan ook, haar hoofd te bergen! Ergens, waar dan ook, schuilplaats

te zoeken! Het huis, dat zij ontvlood, nooit weder te zien! Dit was

hare eenige gedachte.

Maar er gingen menschen af en aan; er werden winkels opengezet, er

kwamen dienstboden buiten; het gewoel van den dag begon. Florence zag

verwondering en nieuwsgierigheid op de gezichten, die haar

voorbijzweefden, zag lange schaduwen terugkomen; hoorde vreemde stemmen

haar vragen waar zij heenging en wat haar scheelde; en hoewel deze haar

in het eerst nog meer beangstigden en sneller deden voorthaasten,

bewezen zij haar toch den dienst van haar eenigermate tot bezinning te

brengen, en te herinneren, dat het noodig was meer bedaardheid te

toonen.

Waarheen zou zij gaan? Ergens, waar ook heen, verder, verder! Maar toch

waarheen? Zij dacht aan dien anderen tijd, toen zij, verdwaald, in de

wildernissen van Londen alleen was geweest—schoon niet zoo alleen als

nu—en ging dien weg op. Naar het huis van Walter’s oom.

Haar snikken smorende en hare gezwollene oogen afvegende, en hare

ontroering bedwingende, om zoo geene aandacht te trekken, met voornemen

om zoolang zij kon in de stilste straten te blijven, ging Florence

bedaarder voort, toen eene bekende schaduw haar op de zonnige steenen

van het voetpad voorbijschoot, omkeerde, terugkwam, weder wegvloog, om

haar heen zwierde, en Diogenes, naar adem hijgende, hoewel hij toch de

straat door zijn vroolijk geblaf deed weergalmen, voor hare voeten

kroop.

“O, Di! O, lieve, trouwe Di, hoe zijt gij hier gekomen! Hoe kon ik u

verlaten, Di, die mij nooit verlaten zoudt!”

Florence bukte en legde zijn ruigen kop tegen hare borst, en daarna

stonden zij te zamen op en gingen gezamenlijk verder; Di meer door de

lucht dan over den grond, zijn best doende om zijne meesteres in een

sprong te kussen, dan over zijn kop tuimelende en zonder zich

eenigszins daaraan te storen weder opvliegende, op groote honden

toeschietende om hen schertsend uit te dagen, werkmeiden, die eene

stoep dweilden, verschrikkende door ze zijn neus in het gezicht te

duwen, en te midden van duizend buitensporigheden telkens ophoudende om

naar Florence om te zien en te blaffen, tot alle honden in het rond hem

antwoord gaven en buitenkwamen om hem verwonderd aan te kijken.

Met dezen laatsten vriend, haastte zich Florence, door den steeds

warmer wordenden zonneschijn, de City in. Weldra werd het straatrumoer

luider, werden de voetgangers talrijker, de winkels levendiger, tot zij

door een levenden stroom werd medegevoerd, die onverschillig voorbij

markten en paleizen, gevangenissen en kerken, rijkdom en armoede, goed

en kwaad voortvloeide, evenals de breede rivier, die hij ter zijde

bleef, troebel en donker door biezen en wilgen, tusschen de werken en

de zorgen der menschen, naar de diepe zee vloeit.

Eindelijk kreeg men de straat van den houten adelborst in het gezicht.

Nog nader gekomen, zag men den houten adelborst zelven, gelijk altijd,

op zijn post en aan zijne observatiën. Nog nader, en de deur stond

open, en noodigde haar om binnen te treden. Florence, die op het einde

van haar tocht hare schreden had versneld, stapte de straat over (dicht

op de hielen door Diogenes gevolgd, wien het gewoel eenigszins

verbijsterd had) trad haastig binnen, en zonk op den drempel van het

welbekende achterkamertje neer.

De kapitein stond, met zijn blinkenden hoed op, bij het vuur, zijne

ochtendcacao te koken, met zijn horloge voor zich op den

schoorsteenmantel, om het onder het koken gemakkelijk te kunnen

raadplegen. Toen hij een voetstap en het ritselen van een kleedje

hoorde, keerde hij zich om, met schrik aan jufvrouw MacStinger

denkende, juist op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem

uitstak, wankelde en neerzonk.

Even bleek als Florence, nam de kapitein haar op, als ware zij een

klein kind geweest, en legde haar op dezelfde sofa, waarop zij zoo lang

geleden had gesluimerd.

“Het is hartediefje!” zeide de kapitein, haar oplettend aanziende. “Het

is dat lieve kind, nu een volwassen meisje geworden!”

Kapitein Cuttle had, nu hij een volwassen meisje in haar zag, zooveel

eerbied voor haar, dat hij haar, terwijl zij bewusteloos was, voor geen

duizend pond in zijne armen had durven houden.

“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein, zich op een afstand houdende,

terwijl angst en medelijden op zijn gelaat stonden geteekend; “als ge

Ned Cuttle maar met een vinger kunt praaien, doe het dan!”

Maar Florence bewoog zich niet.

“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein. “Om Walter’s wil, die in het

zoute diep verdronken is, draai toch bij en hijsch eene vlag, als ge

kunt!”

Daar zij ook aan deze nadrukkelijke bezwering geen gehoor gaf, nam

kapitein Cuttle eene kom koud water van de tafel en sprenkelde haar

daarvan iets in het gezicht. Voor het dringende van het geval

zwichtende, ontlastte de kapitein haar daarop van haar hoed,

bevochtigde hare slapen en haar voorhoofd, streek hare haren weg,

bedekte hare voeten met zijne jas, die hij daartoe uittrok, en klopte

haar in de hand—zoo klein in de zijne, dat hij er zich over

verwonderde; en toen hij zag dat hare oogen begonnen te trillen en hare

lippen zich even bewogen, bleef hij met meer moed zijne middelen

aanwenden, waarbij hij zijne geduchte hand met verbazende zachtheid

gebruikte.

“Frisch op maar, frisch op maar!” zeide de kapitein. “Sta vast, mijn

liefje. Daar! Nu wordt het al beter. Sta vast maar! Drink een

droppeltje van dit. Daar zijt gij er al. Hoe gaat het nu, mijn hartje?”

In dit tijdperk van haar herstel nam de kapitein, met het

schemerachtige denkbeeld, dat er bij eene doctorale behandeling een

horloge noodig was, het zijne van den schoorsteenmantel, hing het aan

zijn haak, nam toen Florence’s hand in de zijne en keek gedurig van de

eene naar het andere, alsof hij verwachtte, dat de wijzers iets zouden

doen.

“Hoe gaat het nu, hartje?” zeide de kapitein. “Gij hebt haar al wat

goed gedaan,” mompelde hij met een blik van tevredenheid naar zijn

horloge. “Als gij elken ochtend maar een half uur achteruit wordt

gezet, en elken avond nog een kwartier, kan geen horloge beter zijn.

Hoe gaat het, mijn dametje?”—“Kapitein Cuttle! Zijt gij het?” riep

Florence uit, en richtte zich een weinig op.—“Ja, ja, mijn dametje,”

zeide de kapitein, door eene haastige redeneering tot het besluit

komende, dat dit de hoffelijkste toespraak was, die hij bedenken

kon.—“Is Walter’s oom hier?” vroeg Florence.—“Hier, liefje!” antwoordde

de kapitein. “Hij is in langen tijd niet hier geweest. Men heeft niets

van hem gehoord, sedert hij den armen Walter is gaan nazeilen.”—“Woont

gij nu hier?” vroeg Florence.—“Ja, mijn dametje,” antwoordde de

kapitein.—“O, kapitein Cuttle,” riep Florence nu met woestheid uit, en

vouwde smeekend hare handen. “Red mij! Laat niemand weten waar ik ben!

Ik zal u straks vertellen wat er gebeurd is, als ik kan. Ik heb niemand

in de wereld om naar toe te gaan. Zend mij toch niet weg!”—“U

wegzenden, mijn dametje!” riep de kapitein uit. “U, mijn hartediefje!

Wacht eens eventjes! Wij zullen dat luik voorzetten en den sleutel

omdraaien.”

Zoo sprekende nam de kapitein, zijne eene hand en zijn haak met groote

behendigheid gebruikende, het deurluik op, zette het in, en draaide de

deur op het nachtslot.

Toen hij weder bij Florence kwam, vatte zij zijne hand en kuste ze. Het

roerend smeekende van dit bedrijf, het vertrouwen dat het te kennen

gaf, de onuitsprekelijke droefheid in hare oogen, de zielesmart die zij

maar al te duidelijk geleden had en nog leed, zijne kennis van hare

vroegere geschiedenis, hare tegenwoordige hulpelooze verlatenheid;

alles overstelpte den goeden kapitein zoodanig, dat hij letterlijk van

medelijden en teederheid overliep.

“Mijn dametje!” zeide hij, nadat hij zijn neus met zijne mouw had

gewreven tot hij blonk als gebruineerd koper, “zeg maar geen woord aan

Edward Cuttle, voordat gij vindt dat gij gerust voor anker ligt, dat

vandaag of morgen niet wezen zal. En u over te geven, of rapport te

doen waar gij zijt, ja waarlijk en met Gods hulp, zoo wil ik niet,

gelijk in den catechismus staat.”

De kapitein zeide dit alles in één adem, maar zeer plechtig; bij het

“ja waarlijk” nam hij zijn hoed af en zette dien eerst weder op, toen

hij gedaan had.

Florence kon nog maar één ding meer doen om hem te danken en te toonen

hoezeer zij hem vertrouwde; en dit deed zij ook. Zich aan den ruwen

zeeman vastklemmende, als de laatste toevlucht van haar bloedend hart,

liet zij haar hoofd op zijn schouder zinken en sloeg hare armen om zijn

hals; zij zou ook voor hem zijn neergeknield om hem te zegenen, als hij

haar voornemen niet had geraden en haar als een braaf man opgehouden.

“Zachtjes, zachtjes!” zeide de kapitein. “Ge zijt nog te zwak om te

staan, mijn liefje, ziet ge wel, en moet nog maar wat gaan liggen.

Daar, daar!”

Te zien hoe de kapitein haar weder op de sofa tilde en met zijne jas

toedekte, zou het gezicht van honderd kroningsfeesten waard zijn

geweest.

“En nu moet gij ontbijten, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en de

hond zal ook wat krijgen. En dan moet gij naar boven gaan, naar Sam

Gills’ kamertje, en daar slapen als een engel.”

Kapitein Cuttle streelde Diogenes toen hij van hem sprak, en Diogenes

nam deze gemeenzaamheid zeer vriendelijk op. Terwijl Florence flauw lag

en de kapitein haar poogde bij te helpen, was Diogenes het blijkbaar

met zich zelven oneens geweest of hij hem zou aanvliegen of zijne

vriendschap aanbieden, en had hij dezen innerlijken tweestrijd

aangeduid door beurtelings te kwispelstaarten en brommend zijne tanden

te laten zien. Thans was al zijn twijfel opgeheven. Het was duidelijk

dat hij den kapitein voor een allerbest man hield, en een man met wien

het een hond zich tot eer moest rekenen kennis te houden.

Ten blijke van deze overtuiging liep Diogenes overal met den kapitein

mede, terwijl deze thee en geroosterd brood gereedmaakte, en toonde hij

de levendigste belangstelling in zijne manier van huishouden. Maar het

was vruchteloos, dat de goede kapitein deze hartsterking aanbood. Zij

deed wel haar best om er iets van te gebruiken, maar het was haar

onmogelijk; zij kon niets anders doen dan schreien.

“Wel, wel, mijn hartediefje,” zeide de medelijdende kapitein; “als gij

eens geslapen hebt, zult ge beter koers kunnen houden. Nu zal ik u

rantsoen geven, mijn jongen,” vervolgde hij tot Diogenes; “en gij moet

boven bij uwe meesteres de wacht houden.”

Maar hoewel Diogenes watertandende en met flikkerende oogen naar het

voor hem bestemde ontbijt had staan kijken, stak hij, in plaats van er

gulzig op aan te vallen toen het hem werd voorgezet, zijne ooren op,

vloog naar de straatdeur, en blafte daar geweldig, met zijn kop tegen

den dorpel duwende, alsof hij zich onder de deur wilde doorgraven.

“Kan daar iemand wezen?” vroeg Florence onrustig.—“Neen, mijn dametje,”

antwoordde de kapitein. “Wie zou daar blijven staan zonder zich te

laten hooren? Blijf maar bedaard, liefje. Het zijn maar

voorbijgangers.”

Diogenes bleef echter aan het blaffen en duwen; en wanneer hij even

ophield om te luisteren, scheen zijn gemoed met nieuwe overtuiging

vervuld te worden, want dan begon hij weder even hard, wel twaalfmaal

achtereen. Zelfs toen hij zich had laten overhalen, om aan zijn ontbijt

te gaan, liep hij weder met een zeer achterdochtig gezicht naar de

deur, en ging, eer hij nog een brok had geproefd, alweder aan het

blaffen.

“Als er eens iemand stond te luisteren,” fluisterde Florence. “Iemand

die mij hier heeft zien ingaan—misschien is nageloopen.”—“Het kan toch

dat meisje van u niet wezen, mijn dametje?” zeide de kapitein, zeer

ingenomen met dit denkbeeld.—“Suze?” zeide Florence, haar hoofd

schuddende. “O neen! Suze is lang van mij vandaan.”—“Niet gedeserteerd,

hoop ik?” zeide de kapitein. “Zeg toch niet, dat dat meisje is

weggeloopen, mijn liefje.”—“O neen neen!” riep Florence uit. “Zij is

het trouwste hart van de wereld.”

Dit antwoord was eene groote verademing voor den kapitein, en hij gaf

zijn genoegen te kennen door zijn blinkenden hoed af te nemen en zijn

hoofd met zijn tot een bal opgerolden zakdoek te wrijven, terwijl hij

onderscheidene malen, met buitengewone zelfvoldoening, aanmerkte, dat

hij het wel geweten had.

“Zijt ge nu gerust, broertje?” zeide de kapitein tot Diogenes. “Er was

toch niemand, ziet ge wel, mijn dametje?”

Diogenes was daarvan nog zoo zeker niet. Tusschenbeide scheen de deur

hem nog aan te trekken, en liep hij brommend en snuffelend daarnaar

toe, alsof hij de zaak niet kon vergeten. Dit voorval, met Florence’s

zichtbare afgematheid vereenigd, deed den kapitein besluiten om het

kamertje van Sam Gills terstond voor haar gereed te maken. Hij ging dus

dadelijk naar boven en maakte de beschikkingen, die zijne verbeelding

en zijne middelen hem aan de hand gaven.

Het was er reeds zeer zindelijk, en daar de kapitein van orde en

netheid hield, veranderde hij het eenvoudige bed in eene soort van

sofa, door er eene witte draperie over heen te hangen. Op eene

dergelijke manier veranderde hij het waschtafeltje in een soort van

altaar, waarop hij twee zilveren theelepeltjes, een bloempot, een

verrekijker, zijn vermaard horloge, een zakkammetje en een liederboekje

uitstalde, als eene verzameling van rariteiten om het oog aangenaam

bezig te houden. Nadat hij het venster had verdonkerd en de lapjes

tapijt op den grond te recht gelegd, overzag de kapitein deze

toebereidselen nog eens met innig welbehagen, en ging toen weder naar

het achterkamertje om Florence naar haar slaapsalet te brengen.

Niets kon den kapitein doen gelooven, dat het Florence mogelijk was

zelve naar boven te gaan; en al had hij dat denkbeeld in het hoofd

kunnen krijgen, dan zou hij het toch voor eene gruwelijke schennis der

gastvrijheid hebben gehouden, als hij haar dit had laten doen. Florence

was te zwak om zich daartegen te verzetten, en zoo droeg de kapitein

haar naar boven, legde haar daar neer en dekte haar met eene duffelsche

jas toe.

“Mijn dametje,” zeide de kapitein, “ge zijt hier zoo veilig, alsof gij

op den top van de St.-Paulskerk waart, met de ladder weggenomen. Slaap

is wat gij vóór alle dingen noodig hebt, en als gij dien balsem voor de

ziel hebt gebruikt, zult gij er weer frisch uitzien. Als gij iets

noodig hebt, mijn hartediefje, dat dit nederige huis of de stad kan

aanbieden, zeg het maar aan Edward Cuttle, die telkens hier buiten voor

de deur zal komen, en de man zal beven van blijdschap.” De kapitein

besloot door met de galanterie van een ouden dolenden ridder de hand te

kussen, die Florence hem toereikte, en ging op de teenen de kamer uit.

Wederom in het achterkamertje gekomen, besloot kapitein Cuttle, na

haastig met zich zelven te rade te zijn gegaan, de straatdeur even te

openen en zich te verzekeren, dat daar nu in allen gevalle niemand

stond te dralen. Hij deed dus de deur open, stapte op de stoep en keek

door zijn bril de geheele straat langs.

“Hoe vaart ge, kapitein Gills?” zeide eene stem naast hem. En toen hij

omkeek, zag de kapitein dat hij, terwijl hij naar den gezichteinder

tuurde, door Toots aan boord was geklampt.—“Hoe maakt gij het, mijn

jongen?” zeide de kapitein.—“Tamelijk wel, dank je, kapitein Gills,”

antwoordde Toots. “Gij weet wel dat ik nooit ben wat ik wel wenschen

zou, en dat ook nooit weer denk te worden.”

In gesprek met kapitein Cuttle kwam Toots, uit hoofde van het verdrag

tusschen hen, nooit nader bij het onderwerp dat zijne gedachten altijd

vervulde.

“Kapitein Gills,” hervatte Toots, “als ik het pleizier kon hebben om

een woordje met u te spreken—het is over iets bijzonders.”—“Wel, ziet

ge, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, vooruit naar het

achterkamertje gaande, “ik ben eigenlijk niet geheel vrij van morgen,

en als ge dus wat zeil kondt bijzetten, zou ik het voor lief

nemen.”—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots, die zelden eenig

begrip van des kapiteins meening had. “Ik wil niets liever dan zeil

bijzetten. Natuurlijk.”—“Goed zoo, mijn jongen,” zeide de kapitein.

“Doe het dan maar.”

De kapitein ging zoo gedrukt onder zijn geducht geheim—dat jufvrouw

Dombey op dat oogenblik onder zijn dak was, terwijl de onschuldige en

onnoozele Toots daar voor hem zat—dat het zweet hem op het voorhoofd

parelde, en het hem, terwijl hij dat, met den blinkenden hoed in de

hand, langzaam afveegde, onmogelijk was zijne oogen van Toots’ gezicht

af te houden. Toots, die zelf geheime redenen scheen te hebben om

zenuwachtig te zijn, werd door dit staren des kapiteins zoo geweldig

verlegen, dat hij, na hem eene poos bedeesd te hebben aangekeken, onder

een onrustig heen en weer schuiven op zijn stoel, eindelijk zeide:

“Neem mij niet kwalijk, kapitein Gills, maar gij ziet toch niets

bijzonders aan mij, doet ge?”—“Neen, mijn jongen, neen!” antwoordde de

kapitein.—“Omdat, weet ge,” zeide Toots grinnikend, “ik weet wel dat ik

verval. Gij behoeft niet bang te zijn om daarvan te spreken—ik mocht

het wel gaarne. Burgess en Comp. hebben mij opnieuw de maat moeten

nemen, zoo ben ik vermagerd. Maar dat streelt mij. Ik—ik ben er blij

om. Ik—ik zou gaarne eene tering krijgen, als ik maar kon. Ik ben maar

een redeloos dier, weet ge, grazende op het vlak des aardrijks,

kapitein Gills.”

Hoe langer Toots zoo voortsprak, des te meer gevoelde de kapitein den

druk van zijn geheim, en des te strakker staarde hij. Door deze

ongerustheid en door zijn verlangen om Toots maar spoedig kwijt te

raken, kwam de kapitein zoodanig van zijne streek, dat hij zich

bezwaarlijk meer onthutst had kunnen toonen, al was hij met een spook

in gesprek geweest.

“Maar ik wil zeggen, kapitein Gills,” hervatte Toots, “ik ben van

morgen toevallig dezen weg uitgekomen—om u de waarheid te zeggen, ik

wilde bij u komen ontbijten. Wat slapen betreft, weet ge, ik slaap

tegenwoordig nooit meer. Ik zou wel een nachtwacht kunnen wezen,

behalve dat hij betaald wordt en niets op het gemoed

heeft.”—“Zeilmaken, mijn jongen,” zeide de kapitein

vermanend.—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Gij hebt

groot gelijk. Toen ik dus van morgen toevallig dezen weg uitkwam (een

uur of zoo geleden) en de deur gesloten vond—”—“Wat! Stondt gij daar te

wachten, broertje?” zeide de kapitein.—“Geheel niet, kapitein Gills,”

antwoordde Toots. “Ik bleef geen oogenblik staan. Ik dacht dat gij uit

waart. Maar die persoon zeide—a propos, gij houdt toch geen hond, doet

ge wel, kapitein Gills?”

De kapitein schudde zijn hoofd.

“Wel zeker,” hervatte Toots. “Dat zeide ik ook. Dat wist ik wel. Er is

een hond, kapitein Gills—maar neem mij niet kwalijk, dat is verboden

grond.”

De kapitein staarde Toots aan tot hem de oogen uit het hoofd schenen te

puilen, en het zweet brak hem wederom uit, toen hij dacht dat Diogenes

het wel in zijn kop kon krijgen om naar beneden te komen.

“Die persoon zeide,” hervatte Toots, “dat hij in den winkel een hond

had hooren blaffen. Ik wist wel dat het niet wezen kon, en zeide hem

dat ook. Maar hij bleef er zoo vast bij, alsof hij den hond gezien

had.”—“Welke persoon, mijn jongen?” vroeg de kapitein.—“Wel, ziet ge,

kapitein, daar zit het juist,” antwoordde Toots, wiens zenuwachtigheid

zichtbaar erger werd. “Het voegt mij niet te zeggen wat er heeft kunnen

gebeuren of niet heeft kunnen gebeuren. Dat weet ik waarlijk niet. Ik

raak met allerlei dingen gemoeid, waar ik niets van begrijp, en ik denk

haast dat ik—kortom een beetje zwak van hoofd moet wezen.”

De kapitein knikte toestemmend.

“Maar de persoon zeide, toen wij heengingen,” vervolgde Toots, “dat gij

wel wist, wat er onder de bestaande omstandigheden kon gebeuren—hij

zeide “kon” heel sterk—en dat als men u vroeg om u daarvoor klaar te

houden, gij u ook zeker wel klaar zoudt houden.”—“Een persoon, mijn

jongen!” zeide de kapitein.—“Ik weet niet wat voor persoon, waarlijk

niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Ik heb er geheel geen

denkbeeld van. Maar toen ik aan de deur kwam, vond ik hem daar wachten;

en hij vroeg of ik terugkwam, en ik zeide ja; en hij vroeg of ik u

kende, en ik zeide ja; ik had het pleizier van kennis met u te mogen

houden—gij hadt u met een beetje moeite daartoe laten overhalen, en hij

zeide, als dat zoo was, of ik u dan wilde zeggen wat ik gezegd heb,

over bestaande omstandigheden en u klaarhouden; en zoodra ik u zag, of

ik u dan vragen wilde om eens om den hoek te gaan, al was het maar voor

een oogenblik, om eene gewichtige reden, bij mijnheer Brogley den

uitdrager. En laat ik u zeggen, kapitein Gills, wat het ook wezen mag,

ik geloof dat het heel gewichtig is, en als gij nu dadelijk wilt gaan,

zal ik hier blijven wachten tot gij terugkomt.”

De kapitein, weifelend tusschen zijne vrees om Florence misschien aan

eenig gevaar bloot te stellen als hij niet ging, en zijn angst om Toots

in huis te laten en misschien kans te geven om het geheim te ontdekken,

was zoo verlegen en onrustig, dat zelfs Toots niet blind kon zijn voor

den toestand van zijn gemoed. Deze jonge heer begreep dat zijn vriend

zich slechts klaarmaakte op het aanstaande onderhoud, en was daarover

zoo tevreden, dat hij van genoegen over de slimheid, waarmede hij de

zaak behandeld had, zat te grinniken.

Eindelijk koos de kapitein naar zijne meening het kleinste kwaad, en

besloot eens even naar Brogley den uitdrager te loopen, nadat hij eerst

de deur van de trap had gesloten en den sleutel in zijn zak gestoken.

“Als ge mij dat ten minste niet kwalijk neemt, broertje?” zeide de

kapitein tot Toots, met niet weinig aarzeling en schaamte.—“Kapitein

Gills,” antwoordde Toots, “al wat gij doet is mij volmaakt wel.”

De kapitein dankte hem hartelijk, en met belofte om binnen de vijf

minuten terug te zijn, ging hij heen om den persoon op te zoeken, die

Toots zulk eene geheimzinnige boodschap had opgedragen. De arme Toots,

aan zich zelven overgelaten, ging op de sofa liggen, weinig denkende

wie het laatst daarop gelegen had, en naar het lantaarnraam starende,

terwijl hij zich aan een gemijmer over jufvrouw Dombey overgaf, verloor

hij alle bewustheid van tijd en plaats.

Het was goed dat hij zoo deed; want hoewel de kapitein niet lang

uitbleef, duurde zijn uitblijven toch veel langer dan hij zich had

voorgesteld. Toen hij terugkwam was hij zeer bleek en zeer ontroerd;

hij zag er zelfs uit alsof hij tranen had gestort. Hij scheen zijn

spraakvermogen verloren te hebben, tot hij naar de kast was geweest en

een slokje rum uit de flesch had genomen. Toen haalde hij eens diep

adem en zette zich op een stoel met de hand voor zijn gezicht.

“Kapitein Gills,” zeide Toots vriendelijk, “ik hoop en vertrouw dat er

niets kwaads is?”—“Dankje, mijn jongen,” antwoordde de kapitein.

“Geheel niet. Integendeel.”—“Gij schijnt heel aangedaan te zijn,

kapitein Gills,” hervatte Toots.—“Wel, mijn jongen, ik ben wat over

stuur,” zeide de kapitein; “dat ben ik.”—“Is er iets dat ik doen kan,

kapitein Gills?” zeide Toots weder. “Zoo ja, beschik dan maar over

mij.”

De kapitein nam zijne hand van zijn gezicht, zag hem aan met eene zeer

bijzondere uitdrukking van teeder medelijden in zijn blik, vatte zijne

hand en schudde die heftig.

“Neen, wel bedankt,” zeide de kapitein. “Niets. Behalve dat ik het voor

eene vriendschap zal houden als gij mij nu alleen laat. Ik geloof,

broertje,” hem nog eens de hand drukkende, “dat gij, na Walter en op

eene andere manier, zulk een goede jongen zijt als er ooit op twee

beenen heeft geloopen.”—“Op mijn woord van eer, kapitein Gills,”

antwoordde Toots, den kapitein in de hand slaande, eer hij die hand nog

eens schudde, “ik ben er over opgetogen, dat ge zulk eene goede meening

van mij hebt. Wel bedankt.”—“Houd u maar goed en wees vroolijk,” zeide

de kapitein, hem op den rug kloppende. “Er zijn toch meer lieve meisjes

dan een in de wereld.”—“Voor mij niet, kapitein Gills,” antwoordde

Toots ernstig. “Voor mij niet, dat verzeker ik u. De toestand van mijn

gevoel met betrekking tot jufvrouw Dombey is van dien

onbeschrijfelijken aard, dat mijn hart een woest eiland is en zij

alleen daarop woont. Ik word er alle dag meer aan gewoon, en ik ben er

trotsch op dat ik zoo ben. Als ge mijne beenen kondt zien, als ik mijne

laarzen uittrek, zoudt gij er een denkbeeld van krijgen, wat

onbeantwoorde liefde is. Men heeft mij kina voorgeschreven, maar die

gebruik ik niet, want ik wil geen sterk gestel meer hebben—liever niet.

Maar dit is verboden grond. Goedendag, kapitein Gills.”

Kapitein Cuttle beantwoordde zijn vaarwel met evenveel hartelijkheid,

sloot de deur achter hem, met dezelfde zeer bijzondere uitdrukking van

medelijden, en ging toen zien of Florence hem noodig had.

Toen de kapitein naar boven ging had zijn gezicht eene volkomene

verandering ondergaan. Hij veegde zijne oogen af met zijn zakdoek, en

wreef zijn neus met zijne mouw, gelijk hij dien morgen reeds gedaan

had, maar zijn gezicht was toch geheel veranderd. Nu had men hem voor

zeer vergenoegd, dan voor treurig kunnen houden; maar de soort van

ernst, die zijne trekken nu kenmerkte, was geheel iets nieuws daarin,

en waarlijk eene groote verbetering.

Hij klopte een paar malen zachtjes met zijn haak aan Florence’s deur.

Geen antwoord krijgende, waagde hij het eerst binnen te kijken en toen

binnen te treden, tot het laatste misschien aangemoedigd door de

vriendelijkheid van Diogenes, die, naast haar bed op den grond

liggende, tegen den kapitein kwispelstaartte en met zijne oogen knipte,

zonder zich de moeite te geven om op te staan.

Zij sliep zwaar en kermde in haar slaap; met eerbiedig ontzag voor hare

jeugd, hare schoonheid en haar leed, beurde kapitein Cuttle haar hoofd

op, verschikte de overjas, die haar dekte en eenigszins was afgezakt,

verdonkerde het venster nog wat meer, opdat zij gerust zou doorslapen,

sloop weder heen, en betrok zijn wachtpost op de trap. Dat alles met

eene hand en een stap, even licht als die van Florence zelve.

Lang moge het in deze gemengde wereld een niet gemakkelijk te beslissen

vraagpunt blijven, wat een schooner blijk van de goedheid des

Almachtigen is—de fijne vingers, die gevormd zijn voor zachtheid en

medelijdende teerheid van aanraking, om droefheid en pijn te kunnen

lenigen, of de ruwe harde hand van een kapitein Cuttle, die, door het

hart bestuurd, in een oogenblik verzacht en op liefdediensten afgericht

kan worden.

Florence sliep, vergetende dat zij eene huislooze wees was, en kapitein

Cuttle stond op de trap de wacht te houden. Een luider snik of zucht

dan gewoonlijk deed hem somtijds naar hare deur komen; maar

langzamerhand sliep zij geruster en bleef de kapitein ongestoord op

zijne wacht.

Dombey en Zoon · 第 95 / 125 题