De scheidsmuur tusschen Dombey en zijne vrouw werd door den tijd niet
verzwakt. Voor dat slecht gepaarde paar, ongelukkig in zich zelf en in
elkander, door geen band vereenigd dan door de kluister, die hunne
geboeide handen samenvoegde, en zoodanig knelde, dat zij, als zij
huiverend voor elkander terugweken, tot op het been toe doordrong, kon
de tijd, die trooster van droefheid en verzachter van gramschap, niets
doen. Hun trots, hoewel verschillend in soort en voorwerp, was gelijk
in trap; de steenharde botsing daarvan sloeg een vuur tusschen hen, dat
naar omstandigheden mocht smeulen of vlammen, maar alles wat in hun
wederzijdsch bereik was verteerde en hun huwelijksweg met asch
bestrooide.
Laten wij billijk voor hem zijn. In zijne gedrochtelijke zelfmisleiding
en verdwaasdheid, die met ieder uur van zijn leven grooter en erger
werd, dreef hij haar voort—hij dacht weinig waarheen; maar zijn gevoel
voor haar, zooals het dan was, bleef toch van het begin af hetzelfde.
Zij had het groote gebrek om zich op eene onverklaarbare manier tegen
de erkentenis van zijn alles te boven gaand gezag te willen verzetten,
en niet te willen zien dat zij zich daaraan volkomen behoorde te
onderwerpen, en in zooverre was het noodig haar te straffen en te
vernederen; maar anders beschouwde hij haar nog, op zijne koele manier,
als eene dame die in staat was, indien zij wilde, om zijne keus en zijn
naam eer aan te doen, en hem als haar eigenaar nog meer te verhoogen.
Zij daarentegen vestigde, met al de kracht van een hartstochtelijken en
trotschen wrok—van dien nacht in hare eigene kamer af, toen zij naar de
schaduwen op den muur zat te staren in den donkerder nacht die spoedig
zou dalen—haar dreigenden blik van dag tot dag op eene gedaante, en
deze gedaante was nog altijd die van haar man.
Was Dombey’s hoofdgebrek, dat hem zoo onverbiddelijk beheerschte, een
onnatuurlijke karaktertrek? Het zou somtijds de moeite waard zijn te
vragen wat de natuur is, en hoe de menschen haar kunnen bederven, en of
het, wanneer haar zoodanig geweld wordt aangedaan, niet natuurlijk
wordt onnatuurlijk te zijn. Sluit een zoon of dochter onzer groote
moeder in eene enge ruimte op, boei hem aan een denkbeeld vast, kweek
en voed dat denkbeeld door de slaafsche hulde van eenige vreesachtige
of arglistige menschen, die hem omgeven, en wat is natuurlijk voor den
gewilligen gevangene, die zich nooit op de vleugelen van een vrijen
geest heeft verheven—vleugelen, die spoedig geheel krachteloos en
onbruikbaar worden—om de natuur in hare uitgebreide waarheid te zien!
Helaas, zijn er zoo weinige dingen in de wereld om ons heen, die
alleronnatuurlijkst en toch als zoodanig zeer natuurlijk zijn? Hoor den
rechter de onnatuurlijke uitvaagsels der maatschappij vermanen,
onnatuurlijk in hunne dierlijke levenswijs, onnatuurlijk in hun gebrek
aan schaamte, onnatuurlijk daarin dat zij alle onderscheid van goed en
kwaad vergeten en verwarren; onnatuurlijk in onkunde, in ondeugd, in
roekeloosheid, in weerspannigheid, in gemoed, in uitzicht, in alles.
Maar volg den braven geestelijke of geneesheer, die, terwijl hij bij
elken ademtocht zijn leven in gevaar stelt, in hunne holen afdaalt,
binnen gehoor van de wielen onzer rijtuigen en van onze voetstappen op
de straatsteenen. Zie rond in eene wereld van
afschuwelijkheden—millioenen van onsterfelijke wezens hebben op aarde
geene andere wereld—op welker vermelding alleen de menschheid ijst en
de kiesche dame, die in de naaste straat woont, de ooren dichthoudt en
lispelt: “Ik geloof het niet!” Adem die besmette lucht, beladen met
elke onreinheid, die leven en gezondheid kan vernielen, en laat ieder
zintuig, aan ons geslacht tot genot en geluk gegeven, beleedigen en tot
eene poort voor ziekte en dood maken. Poog vruchteloos aan eene
onschuldige plant, of bloem, of heilzaam kruid te denken, die in dezen
rotten grond gezet, haar natuurlijken groei zou kunnen ontwikkelen, en
hare blaadjes in den zonneschijn uitspreiden, gelijk God haar bestemd
had te doen. En roep dan een akelig kind, misvormd van lichaam en met
een gezichtje vol ondeugd, en weid uit over de onnatuurlijke zondigheid
van dat kind, en jammer dat het, zoo vroeg, zoo ver van den hemel
verwijderd is—maar bedenk dan dat het in de hel ontvangen, geboren en
opgevoed werd!
Zij, die de natuurkundige wetenschappen bestudeeren en op de gezondheid
des menschen toepassen, zeggen ons dat, indien de schadelijke deeltjes,
die uit eene bedorven lucht oprijzen, voor het oog zichtbaar waren, wij
ze boven zulke verblijven als eene dichte zwarte wolk zouden zien
zweven en langzaam voortrollen om de betere gedeelten der stad te
besmetten. Maar indien de zedelijke pest, die te gelijk daarmede
oprijst, en volgens de eeuwige wetten der geschondene natuur,
onafscheidbaar daarvan is, insgelijks zichtbaar kon worden, welk een
geducht schouwspel zou dat zijn! Dan zouden wij zedebederf,
goddeloosheid, dronkenschap, diefstal, moord en een langen sleep van
namelooze zonden tegen de natuurlijke neigingen der menschheid, boven
die heillooze plekken zien zweven en voortsluipen, om de besmetting in
nog reine plekken te verspreiden. Dan zouden wij zien hoe dezelfde
vergiftige bronnen, die onze hospitalen en pesthuizen vullen, dit ook
de gevangenissen en transportschepen van veroordeelden doen, en over
zeeën heen nog uitgestrekte werelddeelen met misdaad overstroomen. Dan
zouden wij versteld staan, als wij zagen dat, waar wij ziekten telen om
onze kinderen neer te vellen en zich op nog ongeborene geslachten voort
te planten, wij ook te gelijk eene kindsheid kweeken, die geene
onschuld kent, eene jeugd zonder zedigheid of schaamte, een rijpen
leeftijd van schuld en smart, een ouderdom zoo ellendig en
afzichtelijk, dat hij een smaad is voor de gedaante, die wij dragen.
Die natuurlijke menschheid! Wanneer wij druiven van doornen en vijgen
van distelen zullen plukken, wanneer koren zal spruiten uit den afval
in de achterstraten onzer steden, en rozen zullen bloeien op de vette
kerkhoven die zij bevatten; dan zullen wij naar eene natuurlijke
menschheid mogen zoeken en haar uit zulk een zaad vinden groeien.
O, kwam er een goede geest, die de daken der huizen afnam, met
machtiger en welwillender hand dan de kreupele duivel uit het verhaal,
en een christelijk volk toonde, welk eene donkere gedaante er tusschen
hunne woningen oprijst om den stoet des verdelgenden engels, die onder
hen uitgaat, te vergrooten! Dat men slechts één nacht de bleeke
schimmen kon zien, die uit de tooneelen van ons al te lang verzuim
oprijzen, en uit de dikke lucht, waarin misdrijven en ziekten zich
vermenigvuldigen, een regen van straffen op de maatschappij doen
nederdalen! Gezegend en helder zou de morgen zijn, die op zulk een
nacht volgde; want de menschen, niet langer vertraagd door
struikelblokken van hun eigen maaksel, die slechts spatjes stof zijn op
den weg tusschen hen en de eeuwigheid, zouden dan, als wezens van
gemeenschappelijken oorsprong, op wie dezelfde plicht jegens den vader
des huisgezins rust, zich beijveren om de wereld tot eene betere
woonplaats te maken!
Niet te minder gezegend en schoon zou die dag wezen, wanneer hij
sommigen deed ontwaken, die nog nooit naar de menschheid en het leven
om hen heen hebben rondgezien, om hunne eigene betrekking daarmede op
te merken, en te begrijpen hoe onnatuurlijk hunne bekrompene begrippen
en gevoelens zijn, die evenwel, wanneer zij zich eens hebben gevestigd,
zich zoo natuurlijk ontwikkelen, als ooit de verbastering der natuur
gedaan heeft.
Geen zoodanige dag daagde ooit voor Dombey en zijne vrouw, en beide
vervolgden hun weg.
Gedurende zes maanden, die na zijn ongeluk verliepen, bleven zij in
dezelfde betrekking tot elkander. Geene marmeren rots had hem
onverzettelijker in den weg kunnen staan dan zij deed; en geene
bevrozene bron, voor elken lichtstraal verborgen in de diepte eener
sombere grot gelegen, kon donkerder en kouder zijn dan hij.
De hoop, die in haar ontwaakt was toen haar nieuw thuis haar een nieuw
leven scheen te beloven, was geheel uit Florence’s hart verdwenen. Dat
thuis was bijna twee jaren oud, en zelfs haar geduldig vertrouwen kon
de dagelijksche teleurstelling van zulk eene ondervinding niet
overleven. Indien er nog een zweem van hoop bij haar bestond, dat Edith
en haar vader eens gelukkiger met elkander zouden zijn, zij had toch nu
geene de minste hoop dat haar vader haar ooit zou liefhebben. De korte
tusschenpoos, waarin zij zich verbeeld had dat zij hem eenigszins zag
verzachten, was nu vergeten in de lange herinnering van zijne koelheid
vroeger en later, of werd alleen nog maar als een zelfbedrog herdacht.
Florence had hem nog lief, maar was er langzamerhand toe gekomen om hem
veeleer lief te hebben als een dierbaar wezen, dat eens had bestaan of
kunnen bestaan, dan als de harde werkelijkheid voor hare oogen. Iets
van de zachte treurigheid, waarmede zij de nagedachtenis van den
kleinen Paul of van hare moeder liefhad, scheen zich nu met hare
gedachten aan hem te vereenigen en deze als het ware tot eene dierbare
herinnering te maken. Of het zoo was omdat hij voor haar dood was, en
gedeeltelijk om deze reden, gedeeltelijk om zijne betrekking tot de
oude voorwerpen harer genegenheid en de teedere hoop, die zij zoolang
had gekoesterd, had zij niet kunnen zeggen; maar de vader, dien zij
liefhad, begon een onbestemd en droomerig denkbeeld voor haar te
worden, dat bijna even weinig met haar werkelijk leven in zelfstandig
verband stond als het beeld dat zij somtijds van haar broeder opriep,
alsof hij nog leefde en tot een man opgroeide, die haar zou beschermen
en liefhebben.
Deze verandering, als het verandering mag genoemd worden, had haar even
langzaam bekropen als de overgang uit de kindsheid in den vrouwelijken
leeftijd, en was daarmede gepaard gegaan. Florence was bijna zeventien
jaren, toen zij zich onder haar eenzaam gepeins van deze gedachten
bewust werd.
Zij was nu dikwijls alleen, want de vroegere omgang tusschen haar en
hare mama was zeer verminderd. Ten tijde van haar vaders ongeval, toen
hij beneden in zijne kamer lag, had Florence het eerst opgemerkt dat
Edith haar vermeed. Gegriefd en bedroefd, en toch buiten staat om dit
vermijden overeen te brengen met hare hartelijkheid als zij elkander
zagen, ging zij haar nog eens des avonds in hare kamer opzoeken.
“Mama,” zeide Florence, zachtjes naast haar komende, “heb ik u boos
gemaakt?”
Edith antwoordde: “Neen.”—“Ik moet toch iets gedaan hebben,” zeide
Florence. “Zeg mij wat het is. Gij zijt geheel voor mij veranderd,
lieve mama. Ik kan niet zeggen hoe gauw ik de minste verandering
gevoel; want ik heb u lief met geheel mijn hart.”—“Evenals ik u,” zeide
Edith. “Ach, Florence, geloof mij, nooit liever dan nu.”—“Waarom gaat
gij dan zoo dikwijls van mij af en blijft van mij weg?” zeide Florence.
“En waarom ziet ge mij somtijds zoo vreemd aan, mama? Gij doet toch
immers zoo, niet waar?”
Edith gaf met hare donkere oogen hare toestemming te kennen.
“Waarom?” hervatte Florence smeekend. “Zeg mij toch waarom, dat ik
weten mag hoe ik het u beter naar den zin zal maken; en zeg mij dat het
niet meer zoo zal wezen.”—“Mijne Florence,” zeide Edith, de hand
vattende, die om haar hals was geslagen, en in de oogen ziende die zoo
liefdevol in de hare zagen, terwijl Florence voor haar op den grond
knielde, “waarom het is kan ik u niet zeggen. Het voegt mij niet het u
te zeggen, en u niet het te hooren; maar dat het zoo is, en zoo wezen
moet, weet ik. Zou ik het doen, als ik dat niet wist?”—“Moeten wij dan
vervreemd worden, mama?” zeide Florence, haar aanstarende alsof zij
verschrikt was.
Edith’s zwijgende lippen vormden een “ja.”
Florence zag haar met toenemende vrees en verwondering aan, tot zij
haar niet meer kon zien door de tranen, die over hare wangen rolden.
“Florence! Mijn liefste leven!” zeide Edith. “Luister naar mij! Ik kan
die droefheid niet aanzien. Bedaar! Gij ziet dat ik bedaard ben, en zou
het mij onverschillig wezen?”
Zij hernam haar vasten toon toen zij deze laatste woorden uitsprak, en
vervolgde weldra:
“Niet geheel vervreemd. Gedeeltelijk, en dat maar in schijn, Florence;
want in mijn hart ben ik nog dezelfde voor u, en zal dat altijd wezen.
Maar wat ik doe, doe ik niet voor mij zelve.”—“Is het dan voor mij,
mama?” zeide Florence.—“Het is genoeg te weten dat het zoo is,”
antwoordde Edith, na eene poos zwijgens; “waarom komt er weinig op aan.
Lieve Florence, het is beter—het is noodig—het moet zoo zijn—dat onze
omgang minder druk zal worden. De vertrouwelijkheid, die tusschen ons
bestaan heeft, moet worden afgebroken.”—“Wanneer?” riep Florence uit.
“O, mama, wanneer?”—“Nu,” zeide Edith.—“Voor altijd?” zeide
Florence.—“Dat zeg ik niet,” antwoordde Edith. “Dat weet ik niet. Ik
wil ook niet zeggen, dat de gemeenschap tusschen ons, ten beste
genomen, eene onvoegzame en onheilige vereeniging is, waarvan ik wel
had kunnen weten dat geen goed kon komen. Mijn weg hier heeft langs
paden geloopen, die gij nooit zult betreden, en mijn weg voortaan ligt
misschien—God weet het—ik zie het niet.”
Hare stem stierf weg; en zij bleef Florence zitten aanzien met
denzelfden vreemden angst, dien het meisje nog eens had opgemerkt.
Daarop volgde dezelfde uitbarsting van woesten trots, die over hare
trekken vloog gelijk een toornig wanluidend accoord over de snaren
eener harp. Maar geene weemoedigheid of nederigheid volgde daarop. Zij
liet haar hoofd nu niet schreiend zinken, en zeide niet dat zij geene
hoop had dan in Florence. Zij hield het op, alsof zij eene schoone
Medusa was en hem aanstaarde om hem dood te doen neervallen. Ja, dat
zou zij gedaan hebben als zij die tooverkracht had bezeten.
“Mama,” zeide Florence angstig, “er is eene verandering bij u, in meer
dan gij mij nu zegt, die mij ongerust maakt. Laat mij nog wat bij u
blijven.”—“Neen,” antwoordde Edith, “neen, liefje. Ik ben nu best
alleen gelaten, en ik doe best mij nu vooral van u verwijderd te
houden. Vraag mij niets; maar geloof mij: als ik u wispelturig of
grillig voorkom, ben ik dat niet uit eigene beweging of voor mij zelve.
Geloof, al zijn wij vreemder voor elkander dan voorheen, dat ik
innerlijk onveranderd voor u ben. Vergeef mij dat ik uwe donkere woning
ooit verdonkerd heb—ik ben eene schaduw daarop, dat weet ik wel—en
laten wij nooit weer hierover spreken.”—“Mama,” snikte Florence, “wij
moeten toch niet scheiden?”—“Wij doen dit om niet te moeten scheiden,”
zeide Edith. “Vraag niet meer. Ga nu heen, Florence. Mijne liefde en
mijn berouw gaan met u mede.”
Zij omhelsde haar nog en zond haar weg; en toen Florence de kamer
uitging, zag Edith haar na, alsof haar Engel haar in die gedaante
begaf, en haar overliet aan de woeste hartstochten, die haar nu
opeischten en hun zegel op haar voorhoofd drukten.
Van dat uur af waren Florence en zij niet meer wat zij vroeger waren
geweest. Dagen lang zagen zij elkander zeer zelden, behalve aan tafel
en wanneer Dombey er bij was. Dan hield Edith zich stijf en stil en zag
haar niet aan. Wanneer Carker bij het gezelschap was—gelijk gedurende
Dombey’s herstel en later dikwijls gebeurde, hield Edith zich nog meer
van haar af dan anders. Evenwel ontmoetten zij en Florence elkander
nooit zonder getuigen, of zij omhelsde haar even hartelijk als ooit,
hoewel hare trotsche trekken zich daarbij niet gelijk vroeger
ontspanden; en dikwijls, wanneer zij laat was uitgebleven, sloop zij,
gelijk zij placht te doen, in het donker naar Florence’s kamer en
fluisterde: “Goeden nacht!” bij hare peluw. Wanneer Florence in haar
sluimer onbewust bleef van zulk een bezoek, ontwaakte zij somtijds als
uit een droom van deze woorden, zacht gesproken, en scheen dan de
aanraking van lippen op hare wang te voelen. Maar dit gebeurde al
minder en minder naarmate de maanden verliepen.
En nu begon de ledigheid in Florence’s hart waarlijk eene eenzaamheid
om haar heen te veroorzaken. Gelijk het beeld van den vader, dien zij
liefhad, langzamerhand eene hersenschim voor haar was geworden, zoo
volgde Edith het noodlot van allen, aan welke haar hart zich had
gehecht, en werd dagelijks meer eene in de verte verdwijnende schim.
Langzamerhand verwijderde zij zich meer van Florence; langzamerhand
scheen de kloof tusschen haar breeder en dieper te worden;
langzamerhand verdween al die teederheid, die zij getoond had, in de
trotsche, toornige verhardheid waarmede zij, ongezien door Florence, op
den rand van een diepen afgrond had gestaan, waarin zij niet durfde
nederzien.
Er was maar ééne overweging welke zij tegen het zware verlies van Edith
kon overplaatsen, en schoon deze haar geprangd hart maar weinig troost
gaf, poogde zij toch te denken dat zij verademing daarin vond. Niet
langer verdeeld tusschen hare liefde en haar gevoel van plicht jegens
de twee, kon Florence beiden liefhebben zonder een van beiden onrecht
te doen. Als hersenschimmen harer teedere verbeelding, kon zij beiden
eene gelijke plaats in haar hart geven, zonder hen door twijfelingen te
beleedigen.
Zoo poogde zij te doen. Somtijds drongen zich ook wel verwonderde
gissingen naar de oorzaak dezer verandering bij Edith aan haar op, en
beangstigden haar; maar in de kalmte harer eenzaamheid, weder aan hare
stille smart overgelaten, was zij niet nieuwsgierig. Florence kon niet
anders doen dan zich herinneren dat hare ster van hoop door de
somberheid, die het geheele huis overdekte, beneveld was, en dan
schreien en berusten.
Zoo levende, in een droom, waarin de overstroomende liefde van haar
jeugdig hart aan hersenschimmige gedaanten werd verspild, en in eene
werkelijkheid waarin zij weinig anders ondervond, dan dat hare liefde
overal werd teruggewezen, werd Florence zeventien jaren. Hoewel haar
eenzaam leven haar schuw en vreesachtig had doen worden, had het haar
zacht humeur niet bedorven en haar gemoed niet verbitterd. Een kind in
argelooze eenvoudigheid, eene vrouw in bescheiden zelfvertrouwen en in
haar innig en vurig gevoel, scheen zoowel het kind als de vrouw zich
uit te drukken in haar bevallig gezichtje en hare tengere gestalte, en
schenen beide zich daarin op het bekoorlijkst te paren;—alsof de lente
onwillig was om te vertrekken toen de zomer kwam, en de vroegste
schoonheid van den bloemknop zich met de volle ontwikkeling der bloem
poogde te vereenigen. Maar in hare trillende stem, in hare kalme oogen,
somtijds in een vreemd bovenaardsch licht, dat om haar hoofd scheen te
zweven, en altijd in iets peinzends, dat hare schoonheid vergezelde,
lag iets dat zoodanig aan het doode kind herinnerde, dat de raad in de
bediendenkamer er over fluisterde en het hoofd schudde, en des te meer
at en dronk, in een nauwer verbond van goede kameraadschap.
Dit alles opmerkende verbond had veel te zeggen over mijnheer en
mevrouw Dombey en over mijnheer Carker, die onderhandelaar tusschen
deze twee scheen te zijn en gedurig kwam en ging, alsof hij zijn best
deed om vrede te stichten, zonder dit ooit te kunnen doen. Allen
betreurden den gespannen toestand, en allen waren het eens dat mevrouw
Pipchin (wier impopulariteit onovertreffelijk was) er op eene of andere
manier de hand in had; maar over het geheel was het toch aangenaam zulk
een rijk onderwerp tot vereenigingspunt te hebben, en men onderhield er
zich uitstekend mede.
De bekenden, die aan huis kwamen en bij wie mijnheer en mevrouw Dombey
aan huis kwamen, vonden hen, in allen gevalle, wat trotschheid betrof,
zeer wel gepaard, en dachten er niet verder over. De jonge dame met den
rug kwam zich na mevrouw Skewton’s dood een tijd lang niet vertoonen,
en verklaarde hare bijzondere vriendinnen, met haar gewoon innemend
gilletje, dat zij de familie niet kon zien zonder aan grafzerken en
dergelijke akeligheden te denken; maar toen zij kwam zag zij niets dat
zij niet goedvond, behalve dat Dombey een tros gouden cachetten aan
zijn horloge droeg, hetgeen haar ergerde als iets dat ouderwetsch was.
Deze jeugdige hartenroofster vond ook eene stiefdochter op zich zelf
een bezwaar; anders had zij niets tegen Florence, behalve dat zij niet
elegant genoeg was—hetgeen misschien moest beduiden dat zij haar rug
niet genoeg liet zien. Velen, die slechts bij plechtige gelegenheden in
huis kwamen, wisten nauwelijks wie Florence was, en zeiden als zij naar
huis gingen: “Zoo, was dat jufvrouw Dombey, in dien hoek? Heel aardig,
maar een beetje teer en betrokken van uitzicht!”
Niet minder teer en betrokken, zekerlijk, door haar leven in de laatste
zes maanden, nam Florence plaats aan de tafel, op den dag voor den
tweeden verjaardag van haar vaders huwelijk met Edith (toen de eerste
verjaardag kwam had mevrouw Skewton aan eene beroerte gelegen) met eene
innerlijke onrust, die bijna tot angst klom. Zij had daarvoor geene
andere reden, dan de herinnering van den dag, de uitdrukking van haar
vaders gezicht, toen zij een haastigen blik daarop wierp, en de
tegenwoordigheid van Carker, die haar altijd onaangenaam was, maar
thans onaangenamer dan ooit te voren.
Edith was kostbaar gekleed, want zij en Dombey zouden des avonds naar
eene groote assemblée gaan en men dineerde dien dag laat. Zij verscheen
niet voordat men aan tafel zat, als wanneer Carker opstond en haar naar
haar stoel bracht. Schoon en luisterrijk als zij was, had zij echter
iets in gelaat en houding dat haar voortaan hopeloos van Florence en
ieder ander scheen af te zonderen. En toch zag Florence voor een
oogenblik een straal van welwillendheid in hare oogen, toen deze op
haar gevestigd werden, die den afstand, waarop zij zich teruggetrokken
had, tot eene grootere reden van spijt en droefheid maakte dan ooit.
Er werd onder het diner zeer weinig gesproken. Florence hoorde haar
vader somtijds tot Carker over handelszaken spreken, en dezen zacht
antwoord geven; maar zij lette weinig op hetgeen er gezegd werd en
wenschte maar, dat het diner ten einde was. Toen het dessert was
opgezet, en er geen bediende meer in de kamer was, zeide Dombey, nadat
hij eenige malen, op eene manier die niets goeds voorspelde, zijne keel
had geschraapt:
“Mevrouw Dombey, gij weet, naar ik meen, dat ik de huishoudster heb
onderricht, dat er morgen eenige gasten zullen komen dineeren.”—“Ik
dineer niet thuis,” antwoordde zij.—“Geen groot gezelschap,” vervolgde
Dombey, zich willende houden alsof hij haar niet gehoord had, hetgeen
hem echter niet best gelukte; “maar twaalf of veertien personen. Mijne
zuster, majoor Bagstock en eenige anderen die gij maar even kent.”—“Ik
dineer niet thuis,” herhaalde zij.—“Hoewel het twijfelachtig mag zijn,
mevrouw Dombey,” zeide hij, nog deftig voortgaande, alsof zij niet
gesproken had, “of ik reden heb om de gelegenheid tegenwoordig juist in
zeer genoeglijk aandenken te houden, is er in zulke dingen een schijn,
die voor de wereld moet bewaard worden. Als gij geene achting voor u
zelve hebt, mevrouw Dombey...”—“Dat heb ik niet,” zeide zij.—“Mevrouw,”
viel Dombey uit, met zijne hand op de tafel slaande, “hoor mij aan als
het u belieft. Ik zeg, als gij geene achting voor u zelve hebt...”—“En
ik zeg, dat heb ik niet,” antwoordde zij.
Hij zag haar aan; maar het gezicht dat zij hem vertoonde zou niet
veranderd zijn, al had de dood zelf haar aangezien.
“Carker,” zeide Dombey, zich met meer bedaardheid naar dezen heer
keerende, “daar gij bij vorige gelegenheden mijn middel van gemeenschap
met mevrouw Dombey zijt geweest, en ik, zoover mij persoonlijk betreft,
de welvoeglijkheid verkies in acht te nemen, zal ik u verzoeken de
goedheid te hebben om mevrouw Dombey te onderrichten, dat, indien zij
geene achting voor zich zelve heeft, ik nog achting voor mij zelven
heb, en daarom aandring op mijne schikkingen voor morgen.”—“Zeg uw
souvereinen meester, mijnheer,” zeide Edith, “dat ik verlof wilde
verzoeken om hem straks daarover te spreken, en dat ik hem alleen wilde
spreken.”—“Daar mijnheer Carker, mevrouw,” zeide haar echtgenoot,
“bewust is van de reden, die mij verplicht om u dat voorrecht te
weigeren, zal hij van het overbrengen van zulk eene boodschap ontheven
zijn.”
Hij zag terwijl hij sprak hare oogen bewegen, en volgde ze met de
zijne.
“Uwe dochter is nog hier, mijnheer,” zeide Edith.—“Mijne dochter zal
hier blijven,” antwoordde Dombey.
Florence, die was opgestaan, zette zich weder, en verborg bevende haar
gezicht met hare handen.
“Mijne dochter, mevrouw,” begon Dombey.
Maar Edith stuitte hem met eene stem, die hoewel in het minst niet
luider dan anders, zoo helder, nadrukkelijk en duidelijk was, dat men
ze in eene stormvlaag had kunnen hooren.
“Ik zeg u, dat ik u alleen wilde spreken,” zeide zij. “Als gij niet
razend zijt, geef dan acht op wat ik zeg.”—“Ik heb het recht en de
macht, mevrouw,” antwoordde haar echtgenoot, “om te spreken waar en
wanneer het mij belieft; en het belieft mij nu en hier...”
Zij stond op, als om de kamer te verlaten; maar zij zette zich weder
neder, en hem met uitwendige kalmte aanziende, zeide zij met dezelfde
stem:
“Dat zult gij dan.”—“Ik moet u eerst zeggen, mevrouw,” zeide Dombey,
“dat er iets dreigends in uw voorkomen is, dat u niet past.”
Zij lachte. De diamanten in haar kapsel trilden er van. Er zijn fabelen
van edele steenen, die bleek en dof werden, wanneer die ze droeg, in
gevaar verkeerde. Indien deze diamanten zulke steenen waren geweest,
zouden de daarin gevangene lichtstralen op dat oogenblik de vlucht
genomen, en zouden zij zoo dof als lood zijn geworden.
Carker luisterde met neergeslagene oogen.
“Wat mijne dochter aangaat mevrouw,” zeide Dombey, den draad zijner
rede weder opvattende, “is het geenszins onbestaanbaar met haar plicht
jegens mij, dat zij wete welk gedrag zij behoort te vermijden. Voor het
tegenwoordige zijt gij een zeer krachtig voorbeeld van dien aard, en ik
hoop dat zij daaruit nut zal trekken.”—“Ik zou u nu niet willen
stuiten,” antwoordde zijne vrouw, onveranderlijk in blik, stem en
houding, “ik zou niet willen opstaan en heengaan, om u het uiten van
een enkel woord te besparen, al stond de kamer in brand.”
Dombey bewoog even zijn hoofd, als ware het om spottend voor die
oplettendheid te danken, en sprak voort, maar niet met zooveel
bedaardheid als te voren; want Edith’s gevoeligheid voor hetgeen
Florence betrof, en hare onverschilligheid voor hem en zijn ongenoegen,
staken en prikkelden hem, gelijk eene onverbonden verstijvende wond.
“Mevrouw Dombey,” zeide hij, “het zal misschien voor mijne dochter niet
nutteloos zijn te vernemen, hoe beklagenswaardig en hoe strafbaar eene
stugheid van gemoedsaard is, vooral wanneer deze wordt ingevolgd—met
ondankbaarheid ingevolgd, wil ik er bijvoegen,—nadat eerzucht en
belangzucht bevredigd zijn; welke beide, geloof ik, er eenig deel aan
hadden om u te bewegen, om uwe tegenwoordige plaats aan deze tafel in
te nemen.”—“Neen,” herhaalde zij, op volmaakt denzelfden toon als te
voren; “ik zou niet willen opstaan en heengaan, om u het uiten van een
enkel woord te besparen, al stond de kamer in brand.”—“Het mag niet
onnatuurlijk wezen, mevrouw,” vervolgde hij, “dat gij slecht op uw
gemak zijt in het bijzijn van toehoorders van zulke onaangename
waarheden, schoon ik niet begrijp hoe—” hij kon hier zijn waar gevoel
niet verbergen, en zich niet weerhouden van een somberen blik naar
Florence te werpen,—“hoe iemand daaraan meer kracht en nadruk kan geven
dan ik zelf, wien zij zoo nabij betreffen. Het mag natuurlijk genoeg
wezen, dat gij er tegen hebt om in iemands bijzijn te hooren, dat er
een beginsel van weerspannigheid in u is, dat gij niet te spoedig kunt
bedwingen; dat gij moet leeren bedwingen, mevrouw Dombey; en dat ik met
leedwezen moet zeggen, dat ik reeds met twijfel en ongenoegen—vóór ons
huwelijk bij meer dan eene gelegenheid tegen uwe overledene moeder heb
zien uitblinken. Maar gij hebt het middel daartegen in uwe macht. Ik
vergat geenszins, toen ik begon, dat mijne dochter aanwezig was,
mevrouw Dombey. Ik verzoek dat gij morgen niet zult vergeten, dat er
verscheidene personen aanwezig zijn, en dat gij, met zekere achting
voor den schijn, uw gezelschap op eene behoorlijke manier zult
ontvangen.”—“Dus is het niet genoeg,” zeide Edith, “dat gij weet, wat
er tusschen u en mij is voorgevallen; het is niet genoeg, dat gij
hierheen kunt zien”—naar Carker wijzende, die nog met neergeslagen
oogen zat te luisteren—“en u herinneren, welke vernederingen gij mij
hebt gedaan; het is niet genoeg dat gij hierheen kunt zien,” naar
Florence wijzende, met eene hand, die voor de eerste en eenige maal
eenigszins beefde, “en denken aan hetgeen gij gedaan hebt, en aan het
welberekende zieleleed, dat gij mij daardoor elken dag en ieder uur
hebt doen gevoelen; het is niet genoeg dat deze dag, boven alle andere
in het jaar, voor mij gedenkwaardig is door een zielestrijd (wel
verdiend, maar voor iemand als gij niet te begrijpen) waarin ik
wenschte dat ik gestorven was. Gij voegt bij dat alles nog de laatste
alles bekronende laagheid, om haar tot getuige te maken van de diepte
waartoe ik gevallen ben; terwijl gij weet, dat gij mij aan hare rust
het eenige zachte gevoel, de eenige reine belangstelling van geheel
mijn leven hebt doen opofferen; terwijl gij weet, dat ik om harentwil
nu nog als ik kon—maar ik kan niet, mijne ziel heeft al te veel afschuw
voor u—mij geheel aan uw wil zou willen onderwerpen, en de ootmoedigste
van uwe slaven zijn.”
Dit was de manier niet om Dombey’s grootheid te huldigen. Door hetgeen
zij zeide werd het oude gevoel weder bij hem opgewekt, krachtiger en
woester dan ooit. Wederom werd, in dit pijnlijke tijdsgewricht van zijn
leven, zijn verwaarloosd kind, zelfs door deze weerspannige vrouw, voor
hem geplaatst, als machtig waar hij machteloos was, als alles waar hij
niets was!
Hij keerde zich naar Florence, alsof zij het was, die gesproken had, en
beval haar de kamer te verlaten. Florence ging, bevende en schreiende
en met de handen voor de oogen.
“Ik begrijp, mevrouw,” zeide Dombey met eene hoogere kleur van
gramschap, maar vol zegepralenden trots, “den geest van oppositie wel,
die uwe neigingen deze richting heeft doen nemen; maar men heeft dat
gezien, mevrouw, en gestuit.”—“Des te erger voor u,” antwoordde zij,
nog met onveranderde stem en houding. “Ja!” want hij keerde zich scherp
naar haar om toen zij dit zeide; “want wat voor mij des te erger is, is
twintig millioen malen des te erger voor u. Geef acht daarop, al geeft
gij op niets anders acht.”
De boog van diamanten, die hare donkere lokken overspande, flikkerde en
schitterde als eene brug van sterren. Zij hadden geen waarschuwend
vermogen, of zij zouden zoo dof zijn geworden als geschondene eer.
Carker bleef nog met neergeslagen oogen zitten luisteren.
“Mevrouw Dombey,” zeide Dombey, zooveel hij kon van zijne laatdunkende
bedaardheid hernemende, “gij zult mij door zulk een gedrag niet
bevredigen of van eenig voornemen doen afzien.”—“Het is de eenige ware,
al is het eene flauwe uitdrukking van wat er in mijn binnenste is,”
antwoordde zij. “Maar als ik dacht dat het u zou bevredigen, zou ik het
bedwingen, als het door menschelijke kracht te bedwingen was. Ik wil
niets doen dat gij vraagt.”—“Ik ben niet gewoon om te vragen, mevrouw
Dombey,” merkte hij aan. “Ik beveel.”—“Ik zal morgen, of wanneer ooit
zulk een dag als morgen terugkomt, geene plaats in uw huis bekleeden.
Ik wil aan niemand vertoond worden als de weerspannige slavin, die gij
op zulk een dag gekocht hebt. Als ik mijn trouwdag gedachtig was, zou
het zijn als een dag van schaamte en schande. Achting voor mij zelve!
schijn voor de wereld! Wat zijn zulke dingen voor mij? Gij hebt alles
gedaan wat gij kondt om ze niets voor mij te doen worden, en zij zijn
niets.”—“Carker,” zeide Dombey, na een oogenblik bedenkens, met
saamgetrokkene wenkbrauwen, “mevrouw Dombey vergeet zich zelve en mij
zoozeer, en plaatst mij in eene positie, die mijn karakter zoo weinig
voegt, dat ik aan dien staat van zaken een eind moet maken.”—“Laat mij
dan vrij,” zeide Edith, onveranderlijk van stem, uitzicht en houding,
gelijk zij aldoor geweest was, “van de keten die mij bindt. Laat mij
gaan.”—“Mevrouw?” riep Dombey uit.—“Laat mij los. Stel mij weder in
vrijheid!”—“Mevrouw?” herhaalde hij. “Mevrouw Dombey?”—“Zeg hem,” zeide
Edith, haar trotsch gelaat naar Carker omkeerende, “dat ik eene
echtscheiding verlang. Dat het beter zou zijn als die plaats had. Dat
ik hem dit aanraad. Zeg hem, dat zij op zijne eigene conditiën kan
plaats hebben—zijn geld is niets voor mij—maar dat het niet te spoedig
kan zijn.”—“Goede hemel, mevrouw Dombey!” zeide haar echtgenoot, met
statige verbazing, “verbeeldt gij u de mogelijkheid, dat ik ooit naar
zulk een voorstel zou kunnen luisteren? Weet ge wel wie ik ben,
mevrouw? Weet gij wel wat ik representeer? Hebt gij wel ooit van Dombey
en Zoon gehoord? De menschen zeggen, dat mijnheer Dombey—mijnheer
Dombey—van zijn vrouw gescheiden was! Gemeene lieden over mijnheer
Dombey en zijne huiselijke omstandigheden praten! Denkt gij in ernst,
mevrouw, dat ik zou dulden, dat mijn naam zoo in opspraak kwam? Foei,
mevrouw, foei, schaam u! Gij wordt ongerijmd.” Dombey lachte werkelijk.
Maar niet gelijk zij lachte. Zij zou beter dood zijn geweest, dan zoo
te lachen als zij nu deed, met haar strakken blik op hem gevestigd. Hij
zou beter dood zijn geweest, dan dat hij haar zoo statig zat aan te
hooren.
“Neen, mevrouw Dombey,” hervatte hij. “Neen, mevrouw. Er is geene
scheiding tusschen u en mij mogelijk, en daarom raad ik u des te meer
de oogen te openen voor het besef van uw plicht. En, Carker, gelijk ik
u wilde zeggen...”
Carker, die al dien tijd had zitten luisteren, sloeg nu zijne oogen op,
waarin een buitengewone glans flikkerde.
“Gelijk ik u wilde zeggen,” hervatte Dombey, “moet ik u verzoeken, nu
de zaak zoover gekomen is, om mevrouw Dombey te onderrichten, dat het
geen regel van mijn leven is, mij door iemand te laten dwarsboomen—of
te dulden, dat er door hen, die mij gehoorzaamheid schuldig zijn, met
iemand gepronkt wordt als eene sterkere reden tot gehoorzaamheid dan ik
zelf ben. De melding die van mijne dochter gemaakt wordt, en het
gebruik dat er van mijne dochter, in oppositie tegen mij, gemaakt
wordt, zijn iets onnatuurlijks. Of mijne dochter werkelijk in verbond
met mevrouw Dombey is, weet ik niet en kan mij niet schelen; maar na
hetgeen mevrouw Dombey vandaag gezegd heeft, en mijne dochter vandaag
gehoord heeft, verzoek ik u mevrouw Dombey te doen weten, dat ik, als
zij voortgaat met dit huis tot een tooneel van oneenigheid te maken,
mijne dochter, volgens de eigene bekentenis dier dame, eenigermate
verantwoordelijk daarvoor zal achten, en haar mijn gestreng ongenoegen
zal laten ondervinden. Mevrouw Dombey heeft gevraagd of het niet genoeg
was, dat zij dit en dat had gedaan. Gij zult zoo goed zijn haar te
antwoorden—neen, het is niet genoeg.”—“Een oogenblikje,” viel Carker er
op in. “Neem mij niet kwalijk. Zoo pijnlijk als mijne positie, ten
beste genomen, is, buitengewoon pijnlijk, daar ik moet schijnen in
gevoelen van u te verschillen,” dit was tot Dombey gericht, “moet ik u
toch vragen, zoudt ge niet beter doen met nog eens over dat punt van
eene scheiding te denken? Ik weet wel hoe onvereenigbaar zoo iets met
uwe hooge openbare positie moet schijnen, en ik weet wel hoe ernstig
gij het meent als gij mevrouw Dombey te verstaan geeft”—zijn blik viel
op haar, terwijl hij die woorden een voor een uitsprak, zoo duidelijk
van elkander afgezonderd als zoovele klokslagen—“dat niets dan de dood
u ooit kan scheiden. Niets anders. Maar als gij bedenkt dat mevrouw
Dombey, door in dit huis te blijven wonen, en het, gelijk gij zegt, tot
een tooneel van oneenigheid te maken, niet alleen voor zich zelve
handelt, maar ook dagelijks jufvrouw Dombey compromitteert (want ik
weet hoe ernstig gij zoo iets meent), wilt gij haar dan niet ontheffen
van zulk eene gedurige kwelling als het gevoel van iemand anders te
benadeelen voor haar wezen moet? Schijnt dit niet eenigszins—ik zeg
niet dat het zoo is—alsof gij mevrouw Dombey aan het behoud van uwe
uitstekende en onaantastbare positie opoffert?”
Wederom viel zijn blik op haar, terwijl zij haar man met een
zonderlingen, dreigenden glimlach aanzag.
“Carker,” antwoordde Dombey met statig misnoegen, en op een toon, die
beduiden moest dat hij daarmede aan alles een eind maakte, “gij vergist
u in uwe positie door mij op zulk een punt raad te willen geven, en gij
vergist u (tot mijne verwondering) in mij, wat den aard van uw raad
betreft. Ik heb niet meer te zeggen.”—“Misschien,” zeide Carker, met
iets hoonends in zijn toon, dat wel zonderling maar moeielijk bepaald
aan te duiden was, “hebt gij u in mijne positie vergist, door mij te
vereeren met de onderhandelingen waarin ik hier betrokken ben geweest.”
Hij wuifde met de hand naar mevrouw Dombey.—“Volstrekt niet, mijnheer,
volstrekt niet,” antwoordde de ander trotsch. “Gij werdt
gebruikt...”—“Als een ondergeschikte, om mevrouw Dombey des te meer te
vernederen. Dat vergat ik. O ja, dat was uitdrukkelijk bepaald,” zeide
Carker. “Ik verzoek u wel verschooning.”
Terwijl hij voor Dombey zijn hoofd boog, met eene onderdanigheid die
slecht met zijne woorden strookte, hoewel zijn toon ook zeer nederig
was, keerde hij het naar den kant van Edith om en hield hij zijne
waakzame oogen op haar gevestigd.
Beter dat zij afschuwelijk leelijk was geworden en dood was
neergevallen, dan dat zij opstond met zulk een glimlach op haar gelaat
en met de schoonheid en den hoonenden trots van een gevallen engel. Zij
bracht hare hand naar den diadeem van juweelen, die op haar hoofd
schitterde, en rukte hem af met een geweld, dat hare welige zwarte
lokken deed losraken en over hare schouders vallen. Toen wierp zij de
juweelen op den grond. Zij rukte van elken arm eene diamanten bracelet
los, smeet ze neer en trapte op den flikkerenden hoop. Zonder een woord
te spreken, zonder dat het vuur in hare oogen eenigszins verflauwde,
zonder dat haar geduchte glimlach eenigszins veranderde, bleef zij,
terwijl zij naar de deur ging, Dombey tot het laatste toe aanzien; en
zoo verliet zij hem.
Florence had, eer zij de kamer uitging, genoeg gehoord, om te weten,
dat Edith haar nog liefhad, dat zij om harentwil had geleden, en dat
zij hare opoffering had stilgehouden, uit vrees van hare rust te
storen. Zij wilde haar niet daarover spreken—zij kon dit niet doen,
daar zij bedacht tegen wien Edith in opstand was—maar zij wenschte haar
door eene stille, hartelijke omhelzing te verzekeren, dat zij dat alles
gevoelde en haar dankbaar was.
Haar vader ging dien avond alleen uit, en Florence, kort daarna uit
hare kamer komende, liep het huis door om Edith te zoeken, maar
vruchteloos. Zij was in hare eigene vertrekken, waarin Florence sedert
lang niet geweest was, en nu niet durfde komen, uit vrees van
aanleiding tot nog meer ongenoegen te geven. Florence hoopte haar
echter nog te ontmoeten eer zij naar bed ging, en dwaalde van kamer tot
kamer door het zoo prachtige en akelige huis, zonder zich ergens lang
op te houden.
Zij ging een kleinen gang langs, die een weinig verder op de trap
uitkwam, en alleen bij groote gelegenheden verlicht werd, toen zij aan
het einde een man de trap zag afkomen. Thans bevreesd voor haar vader,
dien zij dacht dat het was, bleef zij in het donker staan en keek uit
op de verlichte trap. Maar het was Carker, die alleen naar beneden kwam
en over de leuning naar het voorhuis keek. Er werd niet gescheld om
zijn heengaan aan te kondigen, en geen bediende liet hem uit. Hij ging
stil naar beneden, opende zelf de deur en trok die zachtjes achter zich
dicht.
Haar onoverwinnelijke afkeer van dezen man, en misschien het gevoel dat
zij iemand bespiedde, hetwelk zelfs onder zulke omstandigheden altijd
iets benauwends en beschamends heeft, deden Florence van het hoofd tot
de voeten beven. Zij huiverde. Zoodra zij kon—want in het eerst durfde
zij zich niet bewegen—ging zij snel naar hare eigene kamer en sloot de
deur; maar zelfs toen, met haar hond bij haar opgesloten, gevoelde zij
een killen angst, alsof ergens in hare nabijheid gevaar dreigde.
Dit gevoel bleef haar zelfs in hare droomen bij en hield haar den
geheelen nacht in onrust. Des morgens onverkwikt en met eene benauwende
herinnering van het huiselijk ongenoegen van den vorigen dag opstaande,
zocht zij Edith wederom in al de kamers, en dit deed zij van tijd tot
tijd den geheelen ochtend. Maar Edith bleef in hare eigene kamer, en
Florence zag haar niet. Toen zij echter vernam dat het voorgenomen
diner thuis was uitgesteld, achtte Florence het waarschijnlijk dat
Edith des avonds, volgens haar vroeger besluit, zou uitgaan, en nam zij
zich voor dan te beproeven om haar op de trap te ontmoeten.
Toen de avond gevallen was hoorde zij in de kamer, waarin zij met
voordacht was gaan zitten, een voetstap op de trap, dien zij voor
Edith’s voetstap hield. De deur uitsnellende en naar boven gaande kwam
Florence haar terstond te gemoet. Edith kwam alleen naar beneden.
Maar hoe schrikte Florence, toen Edith, zoodra zij haar zag, met haar
betraand gezichtje en hare uitgestrekte armen, terugdeinsde en gilde.
“Kom mij niet nabij!” riep zij. “Blijf weg! Laat mij voorbij!”—“Mama!”
zeide Florence.—“Noem mij niet bij dien naam! Spreek niet tegen mij!
Zie mij niet aan!—Florence!” nog verder terugdeinzende, toen Florence
een stap naar haar toekwam, “raak mij niet aan!”
Toen Florence als versteend voor haar strak gezicht en starende oogen
staan bleef, zag zij, als in een droom, dat Edith hare handen
uitgespreid daarvoor hield, aan al hare leden bevende en laag bukkende,
haar langs den muur, als ware zij een angstig dier, voorbijkroop, toen
overeindsprong en heensnelde.
Florence viel op de trap in zwijm, en werd daar, dacht zij, door
mevrouw Pipchin gevonden. Zij wist van niets meer, eer zij vond dat zij
op haar bed lag, met mevrouw Pipchin en eenige dienstboden om haar
heen.
“Waar is mama?” was hare eerste vraag.—“Naar een diner,” zeide mevrouw
Pipchin—“En papa?”—“Mijnheer Dombey is in zijne kamer, jufvrouw,”
antwoordde mevrouw Pipchin, “en het beste dat gij doen kunt is, dat gij
u uitkleedt en dadelijk naar bed gaat.” Dit was haar welbedacht
geneesmiddel voor alle kwalen, inzonderheid voor neerslachtigheid en
slapeloosheid; voor welke misdrijven menig jeugdig slachtoffer in de
dagen van hare heerschappij te Brighton ’s morgens om tien uur naar bed
was gezonden.
Zonder gehoorzaamheid te beloven, maar zeggende dat zij naar stilte
verlangde, ontsloeg Florence zich zoo spoedig mogelijk van mevrouw
Pipchin’s dienstbewijzen. Alleen gebleven, dacht zij na over het
gebeurde op de trap, eerst twijfelende aan de werkelijkheid daarvan,
toen met tranen, toen met een onbeschrijfelijken angst, naar dien
gelijkende dien zij den avond te voren had gevoeld.
Zij besloot niet naar bed te gaan eer Edith terug was, en indien zij
haar niet kon spreken, zich ten minste te verzekeren dat zij veilig
thuis was gekomen. Welke onduidelijke, schaduwachtige vrees Florence
tot dit besluit noopte, wist zij zelve niet; zij durfde er niet eens
aan denken. Zij wist alleen dat, eer Edith thuis kwam, haar gloeiend
hoofd en beklemd hart geene rust zouden hebben.
De avond ging in den nacht over; het werd middernacht; Edith kwam niet.
Florence kon niet lezen of zich een oogenblik stilhouden. Zij stapte
door hare kamer op en neer, deed de deur open, ging op den bovengang
heen en weder, keek het venster uit in de duisternis, luisterde naar
het loeien van den wind en het kletteren van den regen, ging zitten en
tuurde naar de gedrochtelijke gezichten in het vuur, stond weder op en
staarde naar de maan, die gelijk een door stormen voortgejaagd schip
door eene zee van wolken vloog.
Het geheele huis was naar bed, met uitzondering van twee dienstboden,
die beneden op de terugkomst hunner meesteres zaten te wachten.
Eén uur. De rijtuigen, die in de verte aankwamen, verwijderden zich
weder, en hielden op een afstand stil, of reden voorbij; de stilte werd
langzamerhand dieper, en werd al zeldzamer afgebroken, behalve door
eene windvlaag of eene regenbui. Twee uur. Nog kwam Edith niet.
Florence, nog angstiger, stapte in hare kamer en op den bovengang heen
en weder, keek uit in den nacht, waar de voorwerpen nog verward werden
door de regendroppelen op het glas en de tranen in hare oogen, en zag
op naar de onstuimige lucht, zoo verschillend van de rustige stilte
beneden, en toch zoo stil en rustig. Drie uur. Ieder uitgebrand
kooltje, dat door den haardrooster viel, deed haar schrikken. Nog was
Edith er niet.
Al angstiger en angstiger stapte Florence in hare kamer en op den
bovengang heen en weder, en zag op naar de maan, nu met de nieuwe
verbeelding dat zij naar eene bleeke vluchteling geleek, die heensnelde
om haar schuldig gelaat te verbergen. Het sloeg vier—vijf. Nog was
Edith er niet.
Maar thans ontstond er eene voorzichtige beweging in huis; en Florence
begreep dat mevrouw Pipchin door een van hen, die waren opgebleven, was
geroepen, en toen was opgestaan en naar haar vaders kamer gegaan. De
trap afsluipende om waar te nemen wat er gebeurde, zag zij haar vader
in zijne ochtendjas buitenkomen en schrikken toen men hem zeide dat
zijne vrouw niet thuis was gekomen. Hij zond iemand naar den stal, om
te vragen of de koetsier daar was; en terwijl die knecht uit was,
kleedde hij zich haastig aan.
De knecht kwam in groote haast terug, en bracht den koetsier mede, die
zeide dat hij al van tien uur af thuis en in bed was geweest. Hij had
zijne meesteres naar hare vroegere woning in Brook-Street gebracht,
waar mijnheer Carker haar had opgewacht.
Florence stond op dezelfde plek waar zij hem naar beneden had zien
komen. Wederom deed de schrik, die dat gezicht haar had aangejaagd,
haar huiveren, en zij had nauwelijks besef genoeg om te hooren en te
begrijpen wat er nu volgde.
Mijnheer Carker had hem gezegd, vervolgde de koetsier, dat zijne
meesteres de koets niet meer zou noodig hebben om naar huis te komen,
en hem weggezonden.
Zij zag haar vader doodsbleek worden, en hoorde hem driftig en met
bevende stem naar mevrouw Dombey’s kamenier vragen. Het geheele huis
was reeds op, want zij was daar in een oogenblik, ook zeer bleek en
zeer onthutst.
Zij zeide dat zij hare meesteres vroeg had gekleed—wel twee uren eer
zij uitging—en dat zij haar gezegd had, gelijk dikwijls gebeurde, dat
zij haar des avonds niet zou noodig hebben. Zij kwam zoo uit de kamers
harer meesteres, maar—
“Maar wat! Wat was er?” hoorde Florence haar vader vragen op een toon
alsof hij razend was.—“De kleedkamer was gesloten en de sleutel weg.”
Haar vader nam eene kaars op, die op den grond stond te branden—iemand
had ze daar neergezet en vergeten—en kwam met zulk eene woede de trap
opstuiven, dat Florence nauwelijks tijd had om voor hem te vluchten.
Zij hoorde hem tegen de deur bonzen, terwijl zij, met woest
uitgestokene handen en vliegende haren, verbijsterd van angst, naar
hare kamer liep.
Toen de deur zwichtte en hij binnenstoof, wat zag hij toen? Niemand
vernam dat ooit. Maar daar op den grond op een hoop gesmeten lagen de
sieraden, die zij gekregen had sedert zij zijne vrouw was geworden, al
de kleederen die zij gedragen had, al wat in dien tijd haar eigendom
was geworden. Dit was de kamer waarin hij, in dien spiegel, het
trotsche gelaat hem had zien versmaden. Dit was de kamer waarin hij den
zonderlingen inval had gehad, hoe dat alles er zou uitzien als hij het
wederzag!
Terwijl hij alles met woedende haast weder in de laden stopte en deze
sloot, zag hij eenige papieren op de tafel liggen. Het
huwelijkscontract en een brief. Hij las dat zij weg was. Hij las dat
hij onteerd was. Hij las dat zij, op haar schandelijken bruiloftsdag,
de vlucht had genomen met den man, dien hij had uitgekozen om haar te
vernederen, en hij vloog de kamer en het huis uit, met de dolle
gedachte om haar nog te achterhalen, en met zijne bloote hand alle
sporen van schoonheid uit haar tergend gezicht te slaan.
Zonder te weten wat zij deed, zette Florence een hoed op en sloeg een
doek om, met het verwarde droomachtige denkbeeld om door de straten te
loopen tot zij Edith vond, haar dan in hare armen te sluiten, te redden
en terug te brengen. Maar toen zij op de trap kwam, en de verschrikte
dienstboden met licht op en neer zag loopen, en met elkander
fluisteren, en voor haar vader terugdeinzen toen hij naar beneden kwam,
ontwaakte zij tot het gevoel harer machteloosheid, en zich in een der
groote zalen verbergende die daarvoor zoo prachtig waren opgesierd, was
het haar alsof haar hart van droefheid zou barsten.
Medelijden met haar vader was het eerste duidelijke gevoel, dat zich
ontworstelde aan den vloed van smart die haar overstelpte. Haar trouw
gemoed wendde zich tot hem in zijn leed, met evenveel vuur en liefde,
als had hij in zijn voorspoed dat denkbeeld verwezenlijkt, dat
langzamerhand zoo flauw en duister was geworden. Hoewel zij niet dan
door de ingevingen van een onduidelijken angst de volle mate van zijn
ongeluk kende, stond hij toch voor haar beleedigd en verlaten, en dreef
haar hare smachtende liefde om hem ter zijde te staan.
Hij bleef niet lang uit; want Florence zat nog in de groote zaal te
schreien toen zij hem hoorde terugkomen. Hij beval de dienstboden om
aan hunne gewone bezigheden te gaan, en ging zelf naar zijne kamer,
waar hij zoo zwaar op en neer stapte, dat zij hem van het eene einde
tot het andere kon volgen.
Eensklaps zwichtende voor den drang harer liefde, anders altijd zoo
schroomvallig, maar nu in zijn rampspoed stout door hare oprechtheid,
en niet afgeschrikt door vroegere terugstooting, haastte Florence zich,
zoo gekleed als zij was, naar beneden. Juist toen zij haar voet in het
voorhuis zette, kwam hij zijne kamer uit. Zij snelde met uitgestrekte
armen naar hem toe, en riep: “O lieve papa!” alsof zij hem om den hals
wilde vallen.
En dat zou zij ook gedaan hebben. Maar in zijne razernij lichtte hij
zijn arm op en gaf haar een stomp, dat zij er van waggelde; en te
gelijk zeide hij haar wat Edith was, en dat zij met haar mocht
medegaan, daar zij toch altijd hadden samengespannen.
Zij zonk niet voor zijne voeten neer; zij verborg hem niet met hare
bevende handen voor haar gezicht; zij schreide niet; zij uitte geen
woord van verwijt. Maar zij zag hem aan, en een kreet van wanhoop
ontwrong zich aan haar hart. Want toen zij hem aanzag, zag zij hem dat
teedere denkbeeld vernietigen, dat zij zijns ondanks nog altijd van hem
had gekoesterd. Zij zag zijne wreedheid, zijne verwaarloozing, zijn
haat dat denkbeeld vertrappen en verdelgen. Zij zag, dat zij op aarde
geen vader had, en als eene wees ontvluchtte zij zijn huis.
Zij ontvluchtte zijn huis. Een oogenblik en hare hand was aan de deur
geslagen, die kreet was nog op hare lippen, zijn gezicht was daar nog,
bleeker door het gele licht der kaarsen, die daar vergeten stonden te
branden en af te loopen, en door het daglicht dat boven de deur
binnenkwam. Nog een oogenblik, en de duisternis van het gesloten huis
(vergeten open te zetten, schoon het reeds lang dag was) maakte plaats
voor den onverwachten glans van den morgen, en met gebogen hoofd, om
hare tranen te verbergen, stond Florence op straat.