Onder de verschillende kleine veranderingen in Carker’s leven en
gewoonten, die in dezen tijd begonnen plaats te grijpen, was geene meer
opmerkelijk dan de buitengewone vlijt waarmede hij zich op de zaken
toelegde, en de stiptheid waarmede hij de aangelegenheden van het
kantoor, die voor hem openlagen, in alle bijzonderheden onderzocht.
Altijd vlug en knap in dit opzicht, schenen zijne oplettendheid en
waakzaamheid thans twintigmaal verdubbeld. Niet alleen besteedde hij
die aan ieder nieuw punt, dat elke dag hem weder in eene nieuwe
gedaante voorkwam, maar te midden dezer drukke bezigheden, vond hij—dat
is, maakte hij—tijd om de vroegere operatiën der firma en zijn aandeel
daarin gedurende eene lange reeks van jaren na te gaan. Dikwijls
wanneer de klerken allen naar huis, de kantoorvertrekken donker en
ledig, en alle dergelijke plaatsen gesloten waren, deed Carker, met den
geheelen inhoud van het ijzeren kamertje open voor zich, onderzoek in
de geheimen van boeken en papieren, met het taaie geduld van iemand die
geene moeite wil ontzien om zich met iets van het uiterste belang door
en door bekend te maken. Perch de kantoorlooper, die bij zulke
gelegenheden doorgaans bleef wachten, om zich bij het licht van ééne
kaars met het doorlezen van prijscouranten te onderhouden, of bij het
vuur in het groote kantoor te zitten dutten, met groot gevaar om ieder
oogenblik met zijn hoofd in den kolenemmer te duiken, kon dezen ijver
de schatting zijner bewondering niet onthouden, ofschoon zijne
huiselijke genoegens daardoor zeer benadeeld werden, en weidde meer dan
eens ten aanhoore zijner vrouw (die thans tweelingen zoogde) over de
vlijt en knapheid van hun eersten boekhouder uit.
Dezelfde ijver en steeds klimmende aandacht, die Carker aan de zaken
van het kantoor wijdde, besteedde hij ook aan zijne eigene bijzondere
zaken. Hoewel geen deelgenoot in de firma—eene eer tot nog toe
uitsluitend voor de erfgenamen van den grooten naam van Dombey
bewaard—ontving hij toch zekere percenten van de winsten; en daar hij
door het kantoor ruimschoots gelegenheid had om zijn geld voordeelig te
beleggen, werd hij door de kleine hanzen onder de groote hanzen van het
Oosten voor een rijk man gehouden. Men begon onder deze scherpzinnige
opmerkers te zeggen dat Jem Carker, van Dombey, zijne rekening opmaakte
om te zien hoeveel hij wel had, dat hij als een schrandere knaap zijn
geld juist op een goeden tijd inhaalde, en men wilde er op de
effectenbeurs zelfs op wedden, dat Jem met eene rijke weduwe ging
trouwen.
Evenwel maakten deze zorgen geene de minste inbreuk op Carker’s
oplettendheid voor zijn patroon, of op de zindelijkheid, netheid,
gladheid of eenige andere katachtige eigenschap, die hij bezat. Het was
niet zoozeer dat er in een van zijne gewoonten eene verandering plaats
had, als wel dat de geheele mensch zich scheen te vergrooten en te
verdubbelen. Alles wat men voorheen bij hem had waargenomen, was ook nu
waar te nemen, maar veel zichtbaarder en krachtiger. Hij deed alles
alsof hij nooit iets anders deed—een tamelijk zeker teeken, bij iemand
van zooveel geestkracht en bekwaamheid, dat hij iets doet dat al zijne
vermogens scherpt en opwekt.
De eenige bepaalde verandering bij hem was, dat hij, als hij te paard
door de straten reed, dikwijls in een mijmerend gepeins verzonk, gelijk
toen hij op den dag van Dombey’s ongeluk van dezen naar huis reed. Als
dit gebeurde ontweek hij werktuiglijk de belemmeringen op zijn weg, en
scheen hij niets te zien of te hooren, tot hij zijne bestemming
bereikte, of iets onverwachts hem uit zijne mijmering opwekte.
Aldus op zekeren dag stapvoets naar het kantoor rijdende, bespeurde hij
even weinig van twee paren vrouwelijke oogen, die hem waarnamen, als
van de starende oogen van Rob den Slijper, die hem, om zijne stiptheid
te toonen, reeds eene straat ver van de bepaalde plaats had opgewacht,
en nu vruchteloos tegen zijn hoed tikte om zijne aandacht te trekken,
terwijl hij te voet naast zijn meester mededraafde, gereed om zijn
stijgbeugel te houden als hij moest afstappen.
“Zie, daar is hij!” riep een van deze twee vrouwen, een oud wijf, dat
haar verschrompelden arm uitstak om hem aan hare gezellin te wijzen,
eene jonge vrouw, die naast haar stond, evenals zij zelf in eene poort
verscholen.
Op deze waarschuwing harer moeder, keek de dochter van Vrouw Brown uit,
en wraakzucht straalde haar uit de oogen.
“Ik had nooit gedacht hem weer te zien,” zeide zij met eene doffe stem;
“maar het is misschien goed zoo. Ik zie! Ik zie!”—“Niet veranderd!”
zeide de oude vrouw met een blik vol kwaadaardigheid.—“Hij veranderd?”
antwoordde hare dochter. “Waarom? Wat heeft hij geleden? Er is
verandering genoeg voor twintig bij mij. Is dat niet genoeg?”—“Zie hem
daar rijden!” mompelde de oude vrouw, hare roode oogen op hare dochter
vestigende, “zoo op zijn gemak, zoo mooi gekleed, te paard, en wij in
het slijk!”—“En uit het slijk,” zeide de dochter ongeduldig. “Wij zijn
slijk onder de hoeven van zijn paard. Wat zouden wij anders zijn?”
In de drift, waarmede zij hem weder nakeek, maakte zij een haastig
gebaar met hare hand toen de oude vrouw weder wilde spreken, alsof haar
gezicht door een enkel geluid kon worden belemmerd. Hare moeder, die op
haar, niet op hem lette, zweeg stil, tot de gloeiende blik harer
dochter doffer werd, en zij diep ademhaalde, alsof het eene verlichting
voor haar was dat zij hem niet meer zag.
“Liefje!” zeide het oude wijf toen. “Alice! Mooie meid! Ally!” zij trok
haar zacht bij de mouw, om haar te doen hooren. “Wilt gij hem zoo laten
rijden, terwijl gij hem geld kunt afknijpen? Wel, dat is waarlijk
zonde.”—“Heb ik u niet gezegd, dat ik geen geld van hem wil hebben?”
antwoordde de dochter. “En gelooft ge mij nog niet? Heb ik zijn zusters
geld aangenomen? Zou ik een stuiver aanraken, met mijn weten, die door
zijne witte handen was gegaan—of het moest wezen dat ik het stuk koper
kon vergiftigen en hem terugzenden? Houd u stil, moeder, en kom
mee!”—“En hij zoo rijk?” mompelde de oude vrouw, “en wij zoo
arm?”—“Arm, omdat wij hem het kwaad niet kunnen betalen dat wij hem
schuldig zijn,” antwoordde de dochter. “Laat hij mij die soort van
rijkdom geven, en ik zal ze aannemen en gebruiken. Kom voort. Het helpt
niet of wij naar zijn paard staan te kijken. Kom voort, moeder.”
Maar de oude vrouw, voor wie het schouwspel van Rob den Slijper, die
met het ledige paard de straat weder afkwam, iets bijzonder belangrijks
scheen te hebben, bleef met den grootsten ernst naar dien jongeling
turen, en daar de twijfelingen, die zij nu mocht koesteren, bij zijne
nadering schenen te worden opgelost, zag zij hare dochter met
verhelderde oogen aan, legde een vinger op hare lippen, trad, toen hij
voorbijkwam, de poort uit, en tikte hem op den schouder.
“Wel, waar is de vroolijke Rob al dien tijd geweest?” zeide zij, toen
hij omkeek.
De vroolijke Rob, wiens vroolijkheid door deze begroeting zeer
verminderd werd, keek zeer ontsteld, en zeide, terwijl het water hem in
de oogen kwam:
“Och, waarom kunt gij een armen jongen niet met vrede laten, Vrouw
Brown, nu hij een eerlijk bestaan heeft en zich ordelijk gedraagt? Wat
behoeft gij iemand van zijn goeden naam te berooven, door hem op straat
aan te spreken, als hij zijn meesters paard naar een eerlijken stal
brengt,—een paard dat gij voor honden en kattenkost zoudt verkoopen als
ge maar kondt. Wel, ik dacht,” zeide de Slijper, alsof dit laatste het
toppunt van zijn leed was, “dat gij al lang dood waart!”—“Dat is de
manier,” zeide het oude wijf, zich naar hare dochter omkeerende,
“waarop hij met mij spreekt, die hem weken en maanden achtereen gekend
heb, liefje, en hem zoo dikwijls heb bijgestaan, onder de duivenmelkers
en vogelvangers.”—“Zwijg van de vogels, Vrouw Brown!” antwoordde Rob,
op een toon van bitter verdriet. “Ik geloof dat iemand zich liever met
leeuwen moest ophouden, dan met die beestjes, want zij vliegen u altijd
weer in het gezicht, als gij er het minst om denkt.—Wel, hoe vaart gij,
en wat moet gij hebben?” Deze beleefde vragen werden door Rob als het
ware onder protest en met groote scherpheid uitgesproken.—“Hoor eens
hoe hij tegen eene oude vriendin spreekt, liefje!” zeide Vrouw Brown,
zich weder op hare dochter beroepende. “Maar er zijn sommige oude
vrienden van hem, die zooveel geduld niet hebben als ik. Als ik
sommigen, die hij wel kent, en met wie hij op het een en ander uit is
geweest, zeide waar zij hem konden vinden...”—“Wilt gij uw mond wel
houden, Vrouw Brown,” viel de ongelukkige Slijper er op in, snel in het
rond kijkende, alsof hij dacht zijn meesters tanden achter hem te zien
glinsteren. “Waarom hebt gij pleizier om iemand te ruïneeren? en dat op
uwe jaren, als gij aan allerlei dingen moest denken!”—“Wat een mooi
paard,” zeide de oude vrouw, het dier op den hals kloppende.—“Blijf van
hem af, Vrouw Brown!” riep Rob, hare hand wegduwende. “Wel, gij zijt in
staat om een boetvaardigen jongen razend te maken.”—“Wel, wat doe ik
hem voor kwaad, kind?” antwoordde de oude vrouw.—“Kwaad?” zeide Rob.
“Hij heeft een meester, die het merken zou, als hij met een strootje
werd aangeraakt.” En hij blies op de plek waar de hand der oude vrouw
voor een oogenblik had gerust, en streek ze zachtjes met zijn vinger
glad, alsof hij ernstig geloofde wat hij zeide.
De oude vrouw, naar hare dochter omkijkende en mommelende, bleef Rob,
die met het paard aan den teugel voortstapte, dicht achterop en
vervolgde het gesprek,
“Eene goede plaats, Rob, he?” zeide zij. “Gij hebt fortuin, mijn
jongen.”—“Och, praat niet van fortuin, Vrouw Brown,” antwoordde de
rampzalige Rob, omkijkende en stilstaande. “Als gij nooit gekomen
waart, of nu maar heen woudt gaan, dan zou iemand denken, dat hij
fortuin had. Kunt gij dan niet heengaan en mij niet naloopen, Vrouw
Brown!” zeide Rob, eensklaps huilende, en toch van wanhoop stout
wordende. “Als die jonge vrouw eene vriendin van u is, waarom brengt
zij u dan niet weg, in plaats van u zoo schandelijk te laten
aanstellen!”—“Wat,” krijschte de oude vrouw, haar gezicht met een
kwaadaardigen grijns vlak voor het zijne duwende. “Wilt gij uwe oude
vriendin niet meer kennen! Hebt ge niet vijftigmaal in mijn huis
gescholen, en gerust in een hoekje geslapen, als gij anders geen ander
bed zoudt gehad hebben dan de straatsteenen, en praat ge nu zoo tegen
mij! Heb ik niet met u gekwanseld en u met mijne negotie voortgeholpen,
toen ge nog een schooljongen waart, en later toen gij van allerlei
waart, en wilt gij mij nu zoo maar afschepen? Zou ik niet tegen
morgenochtend een troep kennissen kunnen roepen, die u zouden volgen
als uwe eigene schaduw, en wilt ge nu brutaal tegen mij zijn? Ik ga al
heen. Kom, Alice!”—“Wacht toch wat, Vrouw Brown!” riep de angstige Rob.
“Wat gaat ge doen! Maak u maar niet kwaad! Laat haar toch niet gaan! Ik
heb het niet kwaad gemeend. Ik heb immers eerst gezegd: “Hoe vaart ge?”
Deed ik dat niet? Maar gij woudt niet antwoorden: “Hoe vaart gij?”
Buitendien,” zeide Rob jammerend, “kijk eens hier, hoe kan een jongen
op straat blijven staan praten met zijn meesters paard, dat afgepoetst
moet worden, en een meester die alles weet wat er gebeurt!”
De oude vrouw veinsde eenigszins bevredigd te zijn, maar schudde toch
haar hoofd en mompelde nog.
“Kom mee naar den stal en neem een glas van wat u zal goeddoen, Vrouw
Brown,” zeide Rob, “in plaats van zoo aan te gaan, dat u niet goeddoet
en niemand anders. Kom met haar mee, als ge zoo goed wilt zijn,”
vervolgde hij. “Het zou mij waarlijk pleizier doen haar te zien, als
het niet om het paard was.”
Met deze verontschuldiging keerde Rob zich om (een jammerlijk beeld der
wanhoop) en ging met het paard eene zijstraat in. De oude vrouw, tegen
hare dochter mompelende, volgde hem dicht achterop. De dochter volgde
haar.
Op een stil pleintje gekomen, waaraan zich een kerktoren en eenige
pakhuizen verhieven, gaf Rob het paard aan den knecht uit een stal in
den hoek; en Vrouw Brown en hare dochter uitnoodigende om zich op eene
steenen bank naast de deur neer te zetten, kwam hij spoedig uit eene
naburige herberg terug, met een tinnen maatje en een glas.
“Dat is op uw meester—mijnheer Carker, kind!” zeide de oude vrouw
langzaam eer zij dronk. “Zegen hem.”—“Wel, ik heb u immers nog niet
gezegd wie het was!” zeide Rob, met starende oogen.—“Wij kennen hem van
aanzien,” zeide Vrouw Brown. “Wij zagen hem van morgen voorbijrijden,
eer hij van zijn paard stapte, toen gij bij de hand waart om het over
te nemen.”—“Zoo, zoo?” zeide Rob, en scheen wel te wenschen, dat hij
dien ochtend niet zoo bij de hand was geweest. “Wat scheelt haar? Wil
zij niet drinken?”
Deze vraag betrof Alice, die, in haar mantel gewikkeld, stil bleef
zitten en deed alsof zij het aanbod van het weder gevulde glas niet
opmerkte.
De oude vrouw schudde haar hoofd. “Laat haar maar blijven,” zeide zij,
“zij is een zonderling schepsel, Rob. Maar mijnheer Carker....”
“St!” zeide Rob, angstig naar de pakhuizen opziende, alsof zijn meester
daar wel uit het venster kon kijken. “Zachtjes!”—“Wel, hij is immers
niet hier,” zeide Vrouw Brown.—“Dat weet ik nog niet,” antwoordde Rob,
wiens oogen ook naar den kerktoren dwaalden, alsof hij wel daar omhoog
kon zitten, met een bovennatuurlijk gehoor begaafd.—“Goede meester?”
vroeg Vrouw Brown.
Rob knikte, en voegde er zacht bij: “Verduiveld bij de hand.”
“Woont buiten de stad, niet waar?” zeide de oude vrouw.—“Als hij thuis
is,” antwoordde Rob; “maar wij wonen nu niet thuis.”—“Waar dan?” zeide
de vrouw.—“Op kamers, daar dicht bij mijnheer Dombey,” antwoordde Rob.
De jonge vrouw zag hem eensklaps zoo scherp uitvorschend aan, dat Rob
er van ontstelde en haar nog eens het glas aanbood, maar even nutteloos
als te voren.
“Mijnheer Dombey,” hervatte Rob, zich weder naar Vrouw Brown keerende.
“Wij hebben wel meer van hem gesproken. Gij placht dikwijls naar hem te
vragen.”
De oude vrouw knikte.
“Wel, mijnheer Dombey heeft een val van zijn paard gedaan,” zeide Rob,
“en mijn meester moet daar nu meer wezen dan gewoonlijk, bij hem, of
bij mevrouw Dombey, of bij anderen, en zoo zijn wij naar de stad
gekomen.”—“Zijn zij goede vrienden?” vroeg de oude vrouw.—“Wie?” zeide
Rob.—“Hij en zij?”—“Wat, mijnheer en mevrouw Dombey?” zeide Rob. “Hoe
zou ik dat weten.”—“Die niet—uw meester en mevrouw Dombey, lievert,”
zeide de oude vrouw fleemend.—“Dat weet ik niet,” antwoordde Rob, weder
rondkijkende. “Ik denk wel van ja. Wat zijt ge nieuwsgierig, Vrouw
Brown! Die niet veel zegt heeft niet veel te verantwoorden.”—“Wel, daar
steekt geen kwaad in,” zeide de oude vrouw met een lach, in hare handen
klappende. “Mijn vroolijke Rob is tam geworden sedert hij het zoo goed
heeft. Daar steekt geen kwaad in.”—“Neen, daar steekt geen kwaad in,
dat weet ik wel,” zeide Rob, met denzelfden wantrouwigen blik naar de
pakhuizen en de kerk, “maar babbelen gaat niet bij mijn meester. Iemand
zou zich maar beter verdrinken. Dat zegt hij zelf. Ik zou u niet eens
gezegd hebben, hoe hij heette, als gij het niet geweten hadt. Praat
over iemand anders.”
Terwijl Rob nog eens angstig in het rond keek, gaf de oude vrouw hare
dochter een geheimen wenk. Deze wendde daarop hare oogen van den jongen
af en bleef stil zitten luisteren.
“Rob, lievert!” zeide de oude vrouw, hem wenkende om op het andere
einde van de bank te komen zitten. “Ge zijt altijd een gunsteling en
lieveling van mij geweest. Weet ge dat niet meer? Dat weet gij immers
wel?”—“Ja wel, Vrouw Brown,” antwoordde Rob zeer stroef.—“En gij kondt
mij verlaten!” zeide de oude vrouw, hare armen om zijn hals slaande,
“en zoo lang wegblijven, dat ge mij haast ontgroeid waart, zonder mij
te komen zeggen, hoeveel fortuin gij hadt, trotsche jongen. Oho,
oho!”—“Is het niet een ijselijk geval voor een jongen, die zulk een
meester heeft,” riep de ongelukkige Slijper uit, “om zoo behuild te
worden!”—“Zult ge mij niet eens komen opzoeken, Robby?” riep Vrouw
Brown. “Oho, zult ge mij niet eens komen opzoeken?”—“Ja, zeg ik u. Ja,
dat zal ik,” antwoordde Rob.—“Nu herken ik mijn Rob weer! dat is mijn
lievert weer!” zeide Vrouw Brown, de tranen van haar gerimpeld gezicht
vegende en hem een teederen druk gevende. “Aan het oude huis,
Rob?”—“Ja,” antwoordde hij.—“Gauw, Roblief?” zeide Vrouw Brown, “en
dikwijls?”—“Ja, ja, ja,” antwoordde Rob. “Dat zal ik waarlijk, bij
mijne ziel en bij mijn lichaam.”—“En dan,” zeide Vrouw Brown, hare
armen opstekende en haar in den nek geworpen hoofd schuddende, “als hij
zijn woord houdt, zal ik nooit naar hem toekomen, al weet ik waar hij
is, en zal ik nooit een woord van hem spreken. Nooit!”
Deze uitroeping scheen een droppel troost voor den ongelukkigen Slijper
te zijn, die Vrouw Brown de hand daarop gaf en met tranen in de oogen
bad, om hem nu te verlaten en zijne vooruitzichten niet te bederven.
Met nog eene teedere omhelzing bewilligde Vrouw Brown hierin; maar
juist toen zij hare dochter zou volgen, keerde zij zich weder om, en
tersluiks haar vinger opstekende, vroeg zij schor fluisterende om geld.
“Een schelling, lievert!” zeide zij, met haar begeerig gezicht, “of
maar een halve! Van oudekenniswege! Ik ben zoo arm; en mijne mooie
dochter,” over haar schouder omziende,—“zij is mijne dochter, Rob,—laat
mij half honger lijden.”
Maar toen Rob haar schoorvoetend een stuk geld gaf, kwam hare dochter
stil terug, greep hare hand en ontwrong het haar.
“Wat, moeder!” zeide zij. “Altijd geld! Geld van het eerste tot het
laatste! Onthoudt ge zoo weinig wat ik zoo even gezegd heb? Daar! Neem
aan!”
De oude vrouw slaakte een kermenden zucht toen het geld teruggegeven
werd, maar verzette zich verder niet daartegen, en strompelde naast
hare dochter het pleintje over en de straat in. Rob, die de twee
angstig nakeek, zag dat zij weldra bleven stilstaan en een ernstig
gesprek begonnen, en meer dan eens lette hij op eene dreigende beweging
van de hand der jonge vrouw (blijkbaar doelende op iemand van wien zij
sprak) en eene flauwe nabootsing daarvan door Vrouw Brown, welke hem
ernstig deden hopen, dat hij niet het onderwerp van haar gesprek mocht
wezen.
Met den voorloopigen troost, dat zij nu weg waren, en met den verderen
troost in het vooruitzicht dat Vrouw Brown niet altijd leven kon en
waarschijnlijk niet lang meer leven zou, gaf Rob, zonder meer leedwezen
over zijne wanbedrijven dan dat zij zulke onaangename toevalligheden
ten gevolge hadden, zijne ontstelde trekken eene kalmere uitdrukking,
door te denken aan de knapheid waarmede hij zich van kapitein Cuttle
had afgemaakt (eene bedenking die zelden miste hem op te vroolijken) en
ging naar het kantoor om naar de bevelen van zijn meester te vernemen.
Zijn meester, zoo scherp en wakker van oog, dat Rob voor hem sidderde
en meer dan half verwachtte dadelijk iets van Vrouw Brown te hooren,
gaf hem de gewone doos met papieren voor mijnheer Dombey en een briefje
voor mevrouw, met niets anders dan een hoofdknik daarbij, als vermaning
om wel op te passen en zich te haasten—eene geheimzinnige waarschuwing,
die voor Rob’s verbeelding de akeligste dreigementen deed oprijzen, en
meer indruk op hem maakte, dan de woorden konden doen.
Weder alleen in zijne kamer, ging Carker aan het werk en werkte den
geheelen dag. Hij kreeg veel bezoek, zag een aantal documenten na, ging
in en uit en heen en weder naar verschillende plaatsen van handel, en
gaf zich aan geene verstrooiing meer over, voordat de bezigheden van
den dag waren afgeloopen. Maar toen eindelijk de papieren op zijne
tafel volgens gewoonte waren weggeruimd, verzonk hij nog eens in een
mijmerend gepeins.
Hij stond in zijne gewone houding op zijne gewone plaats, met zijne
oogen strak op den grond gevestigd, toen zijn broeder binnenkwam om nog
eenige brieven te brengen. Hij legde ze stil op de tafel en wilde
terstond weder heengaan, toen Carker, de chef, wiens oogen bij zijn
binnenkomen op hem waren blijven rusten, alsof zij hem al dien tijd tot
het voorwerp van beschouwing hadden gehad, in plaats van den vloer,
zeide:
“Wel, John Carker, wat brengt u hier?”
Zijn broeder wees naar de brieven en wilde wederom heengaan.
“Het verwondert mij,” zeide de ander, “dat gij zoo kunt komen en gaan,
zonder te vragen hoe het met onzen meester is.”—“Wij hebben van morgen
in het kantoor de boodschap gekregen, dat het met mijnheer Dombey heel
wel ging,” zeide zijn broeder.—“Gij zijt zoo zoetsappig,” zeide de chef
met een glimlach—“maar dat zijt gij natuurlijk met de jaren
geworden—dat het u spijten zou als het slecht met hem afliep, durf ik
wel zweren.”—“Waarlijk zou mij dat spijten, James,” was het
antwoord.—“Het zou hem spijten!” zeide de chef, naar hem wijzende,
alsof er nog iemand anders in de kamer was tot wien hij sprak. “Het zou
hem waarlijk spijten. Dien broeder van mij! Dien jongsten van het
kantoor; dat verschoven meubelstuk, met zijn gezicht naar den muur
gestopt, als eene vermolmde schilderij, en zoo gelaten, de hemel weet
hoeveel jaren lang. Hij is geheel dankbaarheid, en eerbied, en trouw
ook, zou hij mij willen doen gelooven!”—“Ik wil u niets doen gelooven,
James,” zeide de ander. “Wees zoo billijk voor mij, als gij voor ieder
ander zoudt zijn die beneden u is. Gij hebt eene vraag gedaan, en ik
heb antwoord gegeven.”—“Hebt gij dan in niets over hem te klagen, gij
lafaard?” zeide de chef met buitengewone opvliegendheid. “Geene
trotsche behandeling, geene onbeschoftheid, geen pronken met zijne
grootheid! geene kwellingen van allerlei soort om hem betaald te
zetten! Wat duivel, zijt gij een man of eene muis?”—“Het zou vreemd
wezen, als menschen zooveel jaren bij elkander konden zijn,
inzonderheid als meerdere en ondergeschikte, zonder dat beiden over
iets bij elkander te klagen hadden—ten minste meenden dat te hebben,”
antwoordde John Carker. “Maar buiten mijne geschiedenis hier...”—“Zijne
geschiedenis hier!” riep de chef uit. “Ja, daar zit het. Juist de
omstandigheid die hem in het eene tot eene uitzondering maakt, maakt
hem dat in alles. Wel!”—“Buiten die omstandigheid, die mij, gelijk ge
mij doet gevoelen, eene reden tot dankbaarheid geeft, zooals ik
(gelukkig voor al de anderen) alleen maar heb, is er zeker niemand op
het kantoor die niet ten minste evenveel zou zeggen en gevoelen. Gij
denkt toch niet, dat er iemand hier is, wien het onverschillig zou
zijn, als het hoofd van het kantoor een ongeluk overkwam, of wien dat
niet waarlijk zou spijten?”—“Gij hebt goede reden om aan hem verknocht
te zijn,” zeide de chef met minachting. “Wel, gelooft gij dan niet dat
gij hier gehouden wordt als eene goedkoope waarschuwing, en als een
uitstekend voorbeeld der genadigheid van Dombey en Zoon, hetwelk dat
doorluchtige huis tot eer moet strekken?”—“Neen,” antwoordde zijn
broeder zachtmoedig, “ik heb lang geloofd, dat ik om meer welwillende
en belangelooze redenen hier word gehouden.”—“Maar gij woudt eene
Christelijke spreuk te pas brengen, heb ik opgemerkt,” zeide de chef,
thans meer met den grijns van een tijger dan van eene kat.—“Neen,
James” zeide de ander, “hoewel de broederband tusschen ons lang
gebroken is...”—“Wie heeft dien gebroken, mijn goede heer?” zeide de
chef.—“Ik, door mijn wangedrag. Ik wijt het u niet.”
De chef antwoordde door de sprakelooze beweging van zijn uitgerekten
mond: “Zoo, gij wijt dat mij niet?” en beval hem voort te gaan.
“Ik zeg, hoewel er geen band tusschen ons bestaat, bid ik u, doe mij
toch geene noodelooze vernederingen aan, en leg datgene, wat ik zeg of
zeggen wilde, niet verkeerd uit. Ik wilde u maar onder het oog brengen,
dat gij u vergissen zoudt met te denken, dat gij, die boven anderen
bevorderd en onderscheiden zijt (in het begin, dat weet ik, om uwe
bekwaamheden en uw gedrag uitgekozen) en die vrijer dan iemand anders
met mijnheer Dombey omgaat, en men mag zeggen op gelijken voet met hem
staat, en door hem begunstigd en verrijkt zijt—dat gij u vergissen
zoudt met te denken, dat gij de eenige zijt die bezorgd is voor zijn
welzijn en zijne eer. Er is niemand op het kantoor, van u zelven af tot
den laagsten, geloof ik oprecht, die niet in dat gevoel deelt.”—“Gij
liegt!” zeide de chef, plotseling rood van gramschap. “Gij zijt een
huichelaar, John Carker, en gij liegt!”—“James!” riep de ander uit, op
zijne beurt rood wordende. “Wat meent gij met zulke beleedigende
woorden? Hoe kunt gij zoo laag zijn om ze mij ongetergd toe te
voegen?”—“Ik zeg u,” antwoordde de chef, “dat ik uwe huichelarij en
zoetsappigheid—en al de huichelarij en zoetsappigheid hier—niet zooveel
tel,” daarbij knipte hij met duim en vinger, “en dat ik er mij niet
door laat blinddoeken. Er is niemand hier, tusschen mij en den laagsten
(van wien gij met reden zoo uitdrukkelijk spreekt, want hij is niet
veraf) die in zijn hart niet verheugd zou zijn, als hij zijn meester
vernederd zag, die hem niet heimelijk haat, die hem niet veeleer kwaad
dan goed wenscht, die zich niet tegen hem zou keeren, als hij maar
macht en moed genoeg had. Hoe dichter bij zijne gunst, des te dichter
bij zijne insolentie, hoe dichter bij hem, des te verder van hem af.
Zoo denkt men hier!”—“Ik weet niet,” zeide zijn broeder, wiens
opgewekte drift spoedig voor verwondering had plaats gemaakt, “wie u
zulke gedachten mag hebben ingefluisterd, of waarom gij mij gekozen
hebt om op de proef te stellen, liever dan een ander. Maar dat gij mij
op de proef stelt en mij wilt uitlokken, zie ik nu duidelijk. Uw toon
en uitzicht zijn geheel anders, dan ik ooit van u heb gezien. Ik zal u
alleen nog maar zeggen, dat gij bedrogen wordt.”—“Dat weet ik wel,”
zeide de chef. “Dat heb ik u zelf al gezegd.”—“Niet door mij,”
antwoordde zijn broeder. “Door uw berichtgever, als gij er een hebt;
zoo niet, door uwe eigene gedachten en vermoedens.”—“Ik heb geene
vermoedens,” zeide de chef. “Mijne vermoedens zijn zekerheden. Gij
laffe, kruipende honden, die allen dezelfde vertooning maakt, allen
dezelfde betuigingen uitjankt, allen hetzelfde doorzichtige geheim wilt
verbergen.”
Zijn broeder ging heen zonder iets meer te zeggen, en sloot bij de
laatste woorden de deur. Carker de chef schoof een stoel dicht bij het
vuur, en ging met den pook zachtjes op de kolen zitten tikken.
“De flauwhartige, fleemerige pluimstrijkers!” prevelde hij, zijne beide
rijen blinkende tanden toonende. “Er is er geen een onder, die zich
niet houden zou alsof hij ontsteld en geërgerd was—Bah! er is er geen
een onder, die, als hij de macht maar had, en verstand en moed om ze te
gebruiken, Dombey’s trots niet met zoo weinig verschooning zou
vernederen en vergruizen, als ik deze asch uitrakel.”
Terwijl hij ze onder den rooster strooide, keek hij met een peinzenden
glimlach naar zijn misdrijf. “En dat zonder dat zulk eene koningin hem
wenkte!” voegde hij er weldra bij. “En, daar is ook trots—niet te
vergeten—getuige onze eigene kennisgeving!” Daarmede zonk hij in nog
dieper gepeins, en bleef zoo mijmerend voor het uitgebrande vuur
zitten, tot hij opstond evenals iemand die zich in een boek had
verdiept; hij keek rond, nam zijn hoed en zijne handschoenen, ging naar
de plaats waar zijn paard hem wachtte, steeg op en reed voort door de
verlichte straten—want het was nu avond.
Hij reed naar Dombey’s huis, liet, toen hij dit naderde, zijn paard
stappen, en keek naar de vensters op. Het venster, waarvoor hij eens
Florence met haar hond had gezien, trok het eerst zijne aandacht,
hoewel het niet verlicht was; maar hij glimlachte terwijl hij zijne
oogen langs den hoogen gevel liet gaan, en scheen dat voorwerp met
minachting achter te laten.
“Er was een tijd,” zeide hij, “toen het goed was zelfs op uwe kleine
opkomende ster te letten, en te weten in welken hoek er wolken waren,
om u, zoo noodig schaduw te geven. Maar er is een planeet opgekomen, en
gij zijt in haar licht verloren.”
Hij wendde zijn paard den hoek van de zijstraat om, en zocht naar een
verlicht venster aan den achterkant van het huis. Dit deed hem denken
aan zekere statige gedaante, en aan eene gehandschoende hand; en zich
herinneren hoe de vederen uit de vlerk van een schitterenden vogel op
den grond gestrooid waren, en hoe het witte dons om zekeren hals zich
bewogen had alsof er in de verte een stormwind opkwam. Dit waren de
dingen die hij medenam, toen hij weder omkeerde en snel door de donkere
en verlatene parken reed.
De noodlottige waarheid was dat hij dacht aan eene vrouw, eene trotsche
vrouw, die hem haatte, maar die er door zijne list en haar trots met
langzame maar zekere schreden toe gebracht was om zijn gezelschap te
verduren, en hem te ontvangen als iemand, die het voorrecht had om haar
van haar uitdagenden wrok tegen haar eigen man en van hare
onverschilligheid voor hare eigene achting te spreken. Hij dacht aan
eene vrouw, die hem gloeiend haatte, en die hem kende, en die hem
wantrouwde, omdat zij hem kende, en omdat hij haar kende; maar die haar
woesten wrok voedsel gaf door hem dagelijks nader en nader te laten
komen, in spijt van den haat dien zij tegen hem koesterde. In spijt
daarvan! Juist uit hoofde van dien haat, omdat in eene diepte, waarin
zelfs haar dreigend oog nog niet kon doordringen, hoewel zij flauw
onderscheidde wat er in lag, eene gruwelijke wraak school, waarvan de
minste gedachte hare ziel reeds genoeg zou bevlekt hebben, al had zij
zich ook huiverend daarvan afgewend.
Zweefde de schim van zulk eene vrouw met hem mede op zijn rit? Geleek
die schim naar hetgeen zij werkelijk was, en was zij voor hem
zichtbaar?
Ja. Hij zag haar in zijn geest, juist gelijk zij was. Zij vergezelde
hem met haar trots, haar wrok, haar haat, even duidelijk zichtbaar voor
hem als hare schoonheid—niets was voor hem duidelijker dan dat zij hem
haatte. Hij zag haar somtijds trotsch en fier afwijzend voor hem staan,
en somtijds voor de hoeven van zijn paard gevallen en in het stof. Maar
hij zag haar altijd gelijk zij was, zonder vermomming, en sloeg haar
gade op den gevaarlijken weg dien zij ging.
En toen hij zich na zijn rit had verkleed, en met gebogen hoofd, zachte
stem en vriendelijken glimlach hare helder verlichte kamer binnentrad,
zag hij haar nog even duidelijk. Hij vermoedde zelfs het geheim der
gehandschoende hand, en hield die, om dat vermoeden, des te langer in
de zijne. Hij bleef haar nog bij op den gevaarlijken weg dien zij ging;
en geen voetstap teekende zij daarop, of hij zette daar onmiddellijk
zijn eigen voet.