Edith ging dien dag alleen uit en kwam vroeg weder thuis. Het was maar
weinige minuten over tienen, toen hare koets de straat, waar zij
woonde, inreed.
Haar gelaat vertoonde dezelfde gedwongene kalmte als toen zij zich liet
kleeden; en de krans op hare lokken omgaf hetzelfde strakke voorhoofd.
Maar het zou beter geweest zijn dat de bloemen en bladeren door hare
hartstochtelijke hand in stukken waren gescheurd, of platgedrukt door
het woelen van het hoofd, dat voor het verbijsterde brein eene
rustplaats zocht, dan dat zij zulk eene kalmte versierden. Zoo
ongenaakbaar, zoo onverbiddelijk, zoo onbuigzaam scheen die vrouw,
alsof niets haar gemoed kon verzachten en alles in haar leven had
bijgedragen om het te verharden.
Zij wilde juist voor hare deur afstappen, toen iemand, die stil het
voorhuis uitkwam, blootshoofds bij het portier bleef staan, en haar
zijn arm bood. Daar de knecht was weggeduwd, kon zij niet anders dan
dien arm aanraken, en zij wist wiens arm het was.
“Hoe is uw patiënt, mijnheer?” zeide zij met opkrullende lip.—“Hij is
beter,” antwoordde Carker. “Het gaat heel goed met hem. Ik heb hem voor
van nacht verlaten.”
Zij boog haar hoofd en ging hem voorbij de trap op, toen hij haar
volgde en onder aan de trap zeide:
“Mevrouw, mag ik u een oogenblik gehoor verzoeken?”
Zij bleef staan en zag om. “Het is een ongelegen tijd, mijnheer, en ik
ben vermoeid. Is de zaak dringend?”
“Zeer dringend,” antwoordde Carker. “Daar ik u zoo gelukkig heb
ontmoet, hoop ik dus zoo vrij te mogen zijn om er op aan te houden.”
Zij zag omlaag naar zijn glinsterenden mond; en hij zag naar haar op,
die boven hem stond, in hare statige kleeding, en dacht wederom, hoe
schoon zij toch was.
“Waar is jufvrouw Dombey?” vroeg zij den knecht hardop.—“In de
ontbijtkamer, mevrouw.”—“Doe die dan open!” Wederom naar den
oplettenden heer onder aan de trap omziende, en hem door eene kleine
beweging van haar hoofd aanduidende dat het hem vrijstond haar te
volgen, ging zij verder.—“Neem mij niet kwalijk! Mevrouw! Mevrouw
Dombey!” zeide de zachtbespraakte en vlugge Carker, in een oogenblik
naast haar. “Mag ik zoo vrij zijn te verzoeken dat jufvrouw Dombey er
niet bij is?”
Zij zag hem nog eens aan met een snellen blik, maar met dezelfde
strakke bedaardheid.
“Ik wilde jufvrouw Dombey de kennis besparen,” zeide Carker zeer zacht,
“van hetgeen ik te zeggen heb. Ten minste, mevrouw, wilde ik het aan u
overlaten om te beslissen of zij er van weten moet of niet. Dat ben ik
u verplicht. Na ons vroeger onderhoud zou het onverschoonlijk van mij
zijn als ik anders handelde.”
Zij wendde langzaam hare oogen van hem af, en zich naar den knecht
keerende, zeide zij: “Eene andere kamer.”
Hij ging vooruit naar een der salons, waar hij spoedig licht aanstak,
en liet hen daar. Zoolang hij er was, werd er geen woord gesproken.
Edith plaatste zich op eene sofa bij den haard als op een troon; Carker
bleef, met den hoed in de hand en zijne oogen op het tapijt gevestigd,
op eenigen afstand van haar staan.
“Eer ik u hoor, mijnheer,” zeide Edith, toen de deur gesloten was,
“wensch ik dat gij mij hoort.”—“Door mevrouw Dombey te worden
aangesproken,” antwoordde hij, “zelfs met woorden van onverdiend
verwijt, is eene eer die ik zoo hoog schat, dat ik, al was ik niet in
alle dingen haar dienaar, mij toch gereedelijk aan zulk een wensch zou
onderschikken.”—“Als gij door den man, dien gij zoo even verlaten hebt,
met eene boodschap aan mij zijt belast,” Carker sloeg zijne oogen op
alsof hij verwondering wilde veinzen, maar haar blik sloot hem den
mond, “doe dan maar geene moeite om ze over te brengen, want ik wil ze
niet aannemen. Ik behoef u haast niet te vragen of gij met zulk eene
boodschap komt. Ik heb u al eenigen tijd verwacht.”—“Het is mijn
ongeluk,” antwoordde hij, “geheel tegen mijn wil met zulk een oogmerk
hier te komen. Vergun mij te mogen zeggen dat ik met twee oogmerken
hier kom. Dat is het eene.”—“Dat eene, mijnheer, is afgedaan,” zeide
zij. “Of als gij er op terugkomt....”—“Kan mevrouw Dombey gelooven,”
zeide Carker, haar naderende, “dat ik er tegen haar verbod op zou
terugkomen? Is het mogelijk, dat mevrouw Dombey, zonder op mijne
ongelukkige positie te letten, mij volstrekt het groote onrecht wil
aandoen om mij als onafscheidbaar van mijn lastgever te
beschouwen?”—“Mijnheer,” antwoordde Edith, haar donkeren blik strak op
hem vestigende, en met eene hartstochtelijkheid sprekende, die het
witte dons in beweging bracht, hetwelk de schouders bedekte, die met de
sneeuwkleur daarvan konden wedijveren. “Waarom komt gij voor mij,
gelijk gij gedaan hebt, en spreekt mij van liefde en plicht voor mijn
man, en veinst gij te denken dat ik hem hoogacht? Hoe durft gij mij zoo
beleedigen, terwijl gij weet—ik weet dat gij beter weet, mijnheer; ik
heb dat in elken blik van u gezien, en in ieder woord van u gehoord—dat
er in plaats van genegenheid, afkeer en minachting tusschen ons is, en
dat ik hem nauwelijks minder veracht dan ik mij zelve veracht omdat ik
de zijne ben. Onrecht! Als ik recht had gedaan aan de pijn, die gij mij
hebt doen voelen, en aan mijn gevoel van de beleediging die gij mij
hebt aangedaan, had ik u kunnen vermoorden!”
Zij vroeg hem waarom hij dat gedaan had. Als zij niet door haar trots
en gramschap, zoowel als door het gevoel van zelfvernedering, verblind
was geweest, zou zij het antwoord op zijn gezicht hebben gelezen. Juist
om haar tot deze verklaring te brengen.
Zij zag dit niet en bekommerde er zich ook niet om hoe het was. Zij zag
alleen de vernederingen, die zij ondergaan had en nog onderging, en
kromp daaronder van pijn. Haar strakke blik was veeleer daarop dan op
hem gevestigd, terwijl zij de vederen uit de wiek van een prachtigen
vogel, die aan een gouden koordje aan haar arm hing, om haar tot waaier
te dienen, uitplukte en op den grond liet regenen.
Hij deinsde niet terug voor haar blik, maar bleef staan tot de teekenen
van ongenoegen, die zij zich had laten ontsnappen, verdwenen waren, als
een man die een voldoenend antwoord gereed had, en dit weldra zou
uitspreken. En toen sprak hij, terwijl hij haar recht in de
schitterende oogen zag.
“Mevrouw,” zeide hij, “ik weet, en wist reeds vroeger, dat ik geene
gunst bij u gevonden had, en ik wist ook wel waarom niet. Ja, ik wist
wel waarom niet. Gij hebt zoo openlijk tot mij gesproken; en ik gevoel
mij zoo verlicht door het bezit van uw vertrouwen....”—“Vertrouwen!”
herhaalde zij met smaad.
Hij lette niet daarop.
“...dat ik niet veinzen wil iets te verbloemen. Ik heb van den eersten
af gezien, dat er aan uwe zijde geene genegenheid voor mijnheer Dombey
bestond—hoe kon zoo iets ook tusschen twee zoo geheel verschillende
wezens bestaan!—en ik heb sedert gezien, dat er een krachtiger gevoel
dan onverschilligheid in uwe borst is ontstaan—hoe kon dat ook met
mogelijkheid anders wezen, in de omstandigheden waarin gij verkeert!
Maar voegde het mij, mij te vermeten om u die wetenschap met zoovele
woorden te bekennen?”—“Voegde het u, mijnheer,” antwoordde zij, “die
andere meening te veinzen, en mij die dag aan dag vermetel op te
dringen?”—“Dat deed het, mevrouw,” antwoordde hij snel. “Als ik minder
had gedaan, als ik iets anders had gedaan, zou ik niet zoo tot u
spreken; en ik voorzag—wie kon dat beter voorzien, want wie kende
mijnheer Dombey beter dan ik?—dat indien uw karakter niet even gedwee
bleek te zijn als dat zijner eerste onderdanige vrouw, hetgeen ik niet
geloofde—”
Een trotsche glimlach deed hem opmerken dat hij dit wel mocht herhalen.
“Ik zeg, hetgeen ik niet geloofde—er waarschijnlijk een tijd zou komen,
waarin zulk eene verstandhouding als waarin wij nu geraakt zijn nuttig
zou wezen.”—“Voor wien nuttig, mijnheer?” vroeg zij met
minachting.—“Voor u. Ik wil er niet bijvoegen voor mij zelven, als eene
waarschuwing om mij te onthouden zelfs van dien beperkten lof van
mijnheer Dombey, dien ik hem oprecht zou kunnen geven, om het ongeluk
niet te hebben van iets te zeggen, onaangenaam voor iemand wier afkeer
en minachting,” met grooten nadruk, “zoo geducht zijn.”—“Is het oprecht
van u, mijnheer,” zeide Edith, “zelfs van hem op dien toon van
geringschatting te spreken, terwijl gij zijn voornaamste raadgever en
vleier zijt!”—“Raadgever—ja,” zeide Carker; “vleier—neen. Eene kleine
geveinsdheid vrees ik te moeten belijden. Maar belang en gemak
noodzaken de meeste menschen tot betuigingen van dingen die men niet
kan gevoelen. Men heeft compagnieschappen van belang en gemak,
vriendschappen van belang en gemak, huwelijken van belang en gemak,
alle dagen.”
Zij beet op hare lippen, maar bleef hem toch even scherp en strak
waarnemen.
“Mevrouw,” zeide Carker, zich bij haar op een stoel zettende, maar met
eene vertooning van den schroomvalligsten eerbied, “waarom zou ik
schromen, daar ik geheel aan uw dienst ben gewijd, om duidelijk te
spreken! Het was natuurlijk, dat eene dame zoo rijk begaafd als gij,
het mogelijk zou achten om het karakter van haar man in sommige
opzichten te veranderen en er iets beters van te maken.”—“Dat was voor
mij niet natuurlijk, mijnheer,” antwoordde zij. “Ik had nooit eenige
hoop of eenig voornemen van dien aard.”
Het trotsche gelaat toonde hem dat het geen masker, dat hij aanbood,
wilde dragen, maar zich zelf roekeloos ten toon stellen, onverschillig
hoe het zich aan iemand als hij mocht voordoen.
“Ten minste was het natuurlijk,” hervatte hij, “dat gij het mogelijk
zoudt achten met mijnheer Dombey als zijne vrouw te leven, te gelijk
zonder u aan hem te onderwerpen en zonder in zulk eene geweldige
botsing met hem te komen. Maar, mevrouw, gij kendet mijnheer Dombey
niet (gelijk gij sedert hebt ondervonden) toen gij dat dacht. Gij wist
niet hoe aanmatigend en trotsch hij is—hoe hij als het ware de slaaf
van zijne eigene grootheid is, en als een lastdier voor zijn eigen
triomfwagen is gespannen, zonder om iets op de wereld te denken dan dat
hij dien triomfwagen achter zich heeft, en dat hij dien over en door
alles heen moet voorttrekken.”
Zijne tanden glinsterden van boosaardig vermaak in die geestige
vergelijking, terwijl hij voortsprak:
“Mijnheer Dombey is even weinig in staat om u te ontzien, mevrouw, als
om mij te ontzien. De vergelijking is stout—dat wilde ik ook—maar
volkomen juist. Mijnheer Dombey vroeg mij, in de volheid zijner
macht—ik hoorde het gisterochtend uit zijn eigen mond—om zijn
boodschapper bij u te zijn, vooreerst omdat hij weet dat ik u niet
aangenaam ben, en wil dat dit eene straf voor uwe wederspannigheid zal
zijn; en bovendien omdat hij werkelijk denkt dat ik, zijn betaalde
dienaar, een afgezant ben niet beneden de waardigheid—niet van de dame,
tot wie ik het geluk heb van te spreken; zij heeft in zijne gedachten
geen bestaan—maar van zijne vrouw, een deel van hem zelven. Gij kunt u
verbeelden hoe blind hij is voor de mogelijkheid, dat ik eenig
persoonlijk gevoel of meening zou hebben, als hij mij openlijk zegt dat
hij mij daartoe gebruikt. Gij weet hoe volmaakt onverschillig voor uw
gevoel hij is, als hij u met zulk een bode dreigt—gelijk gij natuurlijk
niet hebt vergeten dat hij gedaan heeft.”
Zij nam hem nog oplettend waar; maar hij nam haar ook waar, en hij zag
dat zijne wetenschap van iets, dat tusschen haar en haar man was
voorgevallen, haar als een vergiftige pijl in de trotsche borst bleef
zitten.
“Ik herinner u dit alles niet om de verwijdering tusschen u en mijnheer
Dombey te vergrooten, mevrouw—de hemel verhoede dat!—Wat voordeel zou
het mij zijn?—maar als een voorbeeld hoe hopeloos het is mijnheer
Dombey te willen leeren om iemand te ontzien, als het om hem en zijn
wil te doen is. Wij, die hem omgeven, hebben, moet ik zeggen, in onze
verschillende positiën het onze gedaan om hem in die denkwijs te
versterken; maar als wij het niet hadden gedaan, zouden anderen het
gedaan hebben—of zij zouden niet in zijne omgeving zijn gebleven; en
zoo is hij geheel van die gezindheid doordrongen. Mijnheer Dombey
heeft, kortom, alleen met onderdanige afhangelingen te maken, die de
knie en den hals voor hem buigen. Hij heeft nooit geweten wat het is
fierheid en gramschap in volle kracht tegen zich over te hebben.”—“Maar
dat zal hij nu leeren!” scheen zij te zeggen, schoon hare lippen zich
niet bewogen en haar blik even trotsch bleef. Hij zag het zachte dons
wederom trillen, en hij zag haar de pluimen van den prachtigen vogel
voor een oogenblik tegen hare borst drukken; en hij ontrolde nog een
ring van de kronkels, waarin hij zich had samengewonden.—“Mijnheer
Dombey, hoewel een man van eer,” zeide hij, “is zoo genegen, wanneer
men hem eenigszins tegenstreeft, zelfs daadzaken naar zijne inzichten
en zijne bijzondere denkwijs te verdraaien, dat hij, b.v.—en ik kan er
geen beter voorbeeld van geven—oprecht gelooft (gij zult de zotheid van
hetgeen ik zeggen wil wel verontschuldigen, daar ze niet van mij komt)
dat de strenge uitdrukking van zijn gevoelen, bij zekere gelegenheid,
die gij u misschien herinneren zult, voor den betreurden dood van
mevrouw Skewton, een verpletterenden indruk op zijne vrouw heeft
gemaakt, en haar voor dat oogenblik geheel deed zwichten.”
Edith lachte. Hoe wanluidend behoeft niet gezegd te worden. Maar hem
streelde het haar zoo te hooren lachen.
“Mevrouw,” hervatte hij, “ik heb hiermede gedaan. Uwe eigene gevoelens
zijn zoo krachtig en, ik ben overtuigd, zoo onveranderlijk,” hij sprak
deze woorden zeer langzaam en met grooten nadruk uit, “dat ik bijna
vrees mij opnieuw uw ongenoegen te berokkenen, als ik zeg dat ik, in
spijt van deze gebreken en mijne volledige kennis daarvan, aan mijnheer
Dombey gewend ben geworden en hem achting toedraag. Maar als ik dit zeg
is het niet, geloof mij, om enkel met een gevoel te pralen dat zoozeer
van het uwe verschilt, en waarmede gij niet kunt sympatheeren,”—o, hoe
duidelijk en nadrukkelijk was dit alles!—“maar om u eene verzekering te
geven van den ijver, waarmede ik in deze ongelukkige zaak de uwe ben,
en de verontwaardiging waarmede de rol, die men mij beveelt te spelen,
mij vervult.”
Zij zat alsof zij bevreesd was om hare oogen van zijn gezicht af te
wenden.
En om nu nog den laatsten ring zijner kronkels te ontwikkelen!
“Het wordt laat,” zeide Carker, na eene poos van stilte, “en gij zijt
vermoeid, gelijk gij zegt, mevrouw. Maar het tweede oogmerk van dit
onderhoud moet ik toch niet vergeten. Ik moet u aanbevelen, ik moet u
zoo ernstig mogelijk smeeken, om voldoende redenen, die ik daarvoor
heb, om voorzichtig te zijn met uwe blijken van welwillendheid voor
jufvrouw Dombey.”—“Voorzichtig! Wat meent gij?”—“Om op te passen dat
gij niet al te veel genegenheid voor die jonge dame laat blijken.”—“Al
te veel genegenheid, mijnheer!” zeide Edith, haar voorhoofd fronsende
en opstaande. “Wie beoordeelt mijne genegenheid of neemt de maat
daarvan? Gij?”—“Ik ben het niet die dat doet.” Hij werd verlegen of
veinsde dit.—“Wie dan?”—“Kunt gij niet raden, wie dan?”—“Ik verkies
niet te raden,” antwoordde zij.—“Mevrouw,” zeide hij, na eene poos
aarzelens, waaronder zij elkander nog evenals te voren bleven aanzien,
“ik ben hier in eene moeielijkheid. Gij hebt mij gezegd dat gij geene
boodschap wilt aannemen, en gij hebt mij verboden op die zaak terug te
komen; maar die twee onderwerpen zijn zoo nauw vereenigd, dat ik, als
gij deze onbepaalde waarschuwing niet wilt aannemen van iemand, die nu
de eer heeft van uw vertrouwen te bezitten, het gebod, dat gij mij
gegeven hebt, moet overtreden.”—“Gij weet dat het u vrijstaat dat te
doen, mijnheer,” zeide Edith. “Doe het.”
Zoo bleek, zoo bevende, zoo hartstochtelijk! Hij had zich dus niet in
den indruk misrekend.
“Zijn last was,” zeide hij zacht, “dat ik u zou onderrichten dat uw
gedrag ten aanzien van jufvrouw Dombey hem niet aangenaam is. Dat het
vergelijkingen met hem zelven uitlokt, die hem niet gunstig zijn. Dat
hij verlangt dat het geheel en al veranderd worde; en dat, als gij het
ernstig daarmede meent, hij vertrouwt dat dit gebeuren zal; want dat
uwe voortdurende vertooning van genegenheid het voorwerp daarvan niet
voordeelig zal zijn.”—“Dat is een dreigement,” zeide zij.—“Dat is een
dreigement,” antwoordde hij met zijne stemmelooze manier van
toestemmen; en overluid voegde hij er bij: “maar niet tegen u gericht.”
Trotsch en statig gelijk zij daar tegen hem over stond en hem door en
door zag met hare vlammende oogen, en met den glimlach vol hoon en
bitterheid, zonk zij ineen alsof de grond onder haar bezweek, en zou
zij op den vloer zijn gevallen, als hij haar niet in zijne armen had
gevangen. Even oogenblikkelijk stiet zij hem van zich af, zoodra hij
haar aanraakte, en terugtredende bleef zij weder, met uitgestrekte
hand, tegenover hem staan.
“Wees zoo goed om mij te verlaten. Zeg niets meer van avond.”—“Ik
gevoel het dringende hiervan,” zeide Carker, “omdat het onmogelijk is
te zeggen welke onvoorziene gevolgen er uit kunnen ontstaan, of hoe
spoedig, dat gij met zijne gemoedsstemming onbekend zijt. Ik hoor dat
jufvrouw Dombey nu juist bedroefd is over het wegzenden eener oude
dienstbode, hetgeen waarschijnlijk op zich zelf een der geringere
gevolgen is. Gij laakt mij niet omdat ik verzocht heb dat jufvrouw
Dombey er niet bij zou zijn. Mag ik dat hopen?”—“Ik laak u niet. Wees
zoo goed om mij alleen te laten.”—“Ik wist dat uwe genegenheid voor de
jonge dame, die ik wel weet dat oprecht en groot is, het voor een groot
verdriet voor u zou maken, te moeten denken dat gij hare positie hadt
benadeeld en hare hoop voor de toekomst verwoest,” zeide Carker,
haastig maar nadrukkelijk.—“Niet meer van avond. Verlaat mij, als ’t u
belieft.”—“Ik zal, om hem op te passen en over zaken te spreken,
gedurig hier komen. Gij zult mij wel vergunnen u weder te zien, u te
raadplegen over hetgeen er gedaan moet worden en naar uwe wenschen te
vernemen?”
Zij wees hem naar de deur.
“Ik kan zelfs niet besluiten of ik hem zal zeggen dat ik u al gesproken
heb; of hem laten denken, dat ik dit uit gebrek aan gelegenheid of om
eene andere reden heb uitgesteld. Het zal noodig zijn dat gij mij
gelegenheid geeft u binnen kort daarover te raadplegen.”—“Wanneer gij
maar wilt, behalve nu.”—“Gij zult wel begrijpen, als ik u wensch te
spreken, dat jufvrouw Dombey er niet bij moet wezen; en dat ik dan een
onderhoud zoek als iemand die het geluk heeft van uw vertrouwen te
bezitten, en die u alle hulp in zijn vermogen komt bewijzen, en
misschien bij vele gelegenheden kwaad van haar afwenden.”
Hem nog aanziende met denzelfden schijn van vrees om hem voor een
oogenblik van den invloed van haar strakken blik te bevrijden,
antwoordde zij: “Ja!” en beval hem nog eens om heen te gaan.
Hij boog als om te gehoorzamen, maar terugkeerende toen hij bijna de
deur bereikt had, zeide hij:
“Ik ben vergeven, en heb mijn misdrijf opgehelderd. Mag ik—ter wille
van jufvrouw Dombey en mij zelven—uwe hand vatten eer ik heenga?”
Zij gaf hem de gehandschoende hand, die zij den vorigen avond had
gekwetst. Hij nam ze, kuste ze en ging. En toen hij de deur had
gesloten, wuifde hij de hand waarmede hij de hare had gevat, en stak ze
in zijne borst.