DE NACHTWAKEN.

Florence, sedert lang uit haar droom ontwaakt, sloeg treurig de

vervreemding tusschen haar vader en Edith gade, zag die al grooter en

grooter worden, en wist dat er met elken dag meer bitterheid tusschen

hen kwam. Elke dag van meerdere kennis verdonkerde de schaduw over hare

liefde en hoop, wekte de oude smart weder op, die eene poos had

gesluimerd, en maakte die zelfs nog zwaarder om te dragen dan te voren.

Het was hard geweest—moge niemand anders dan Florence ooit weten hoe

hard—dat de natuurlijke genegenheid van een vurig en oprecht gemoed in

de zielsangst moest verkeerd worden, en minachting of barsche

terugstooting voor teedere bescherming en zorg in de plaats moest

treden. Het was hard geweest eenzaam te moeten gevoelen wat zij gevoeld

had; maar nog veel harder was het of aan haar vader of aan Edith te

moeten twijfelen, die haar beide zoo dierbaar waren, en aan hare liefde

voor beiden te gelijk beurtelings met vrees, wantrouwen en verwondering

te moeten denken.

Evenwel begon Florence dit nu te doen; en dit was eene taak welke haar

door hare reinheid van ziel werd opgelegd, als iets waaraan zij zich

niet kon onttrekken. Zij zag haar vader koel en stroef voor Edith,

evenals voor haar; onverzettelijk en onbuigzaam. Kon het zijn, vroeg

zij zich met opwellende tranen, dat hare eigene lieve moeder door zulk

eene behandeling ongelukkig was geworden, en daarom weggekwijnd en

gestorven was? Dan bedacht zij weder hoe trotsch en statelijk Edith

voor iedereen was, behalve voor haar, met welk eene minachting zij hem

behandelde, hoe ver zij zich van hem verwijderd hield, en wat zij zeide

op den avond toen zij thuis kwam; en dan kwam het Florence plotseling

bijna als eene misdaad voor, dat zij iemand lief had, die zich vijandig

tegenover haar vader plaatste, en dat haar vader dit wist, en in zijne

eenzame kamer aan haar denken moest als het onnatuurlijke kind, dat dit

misdrijf nog voegde bij hare oude zoozeer beschreide schuld, dat zij

van hare geboorte af nooit zijne vaderlijke genegenheid had gewonnen.

Het eerste vriendelijke woord, de eerste vriendelijke blik van Edith

deed deze gedachten wederom wankelen en naar zwarte ondankbaarheid

gelijken; want wie dan zij had het verslagen hart van Florence

opgebeurd, toen het zoo eenzaam en diep gekwetst was, en wie was hare

beste troosteres geweest? Zoo had Florence, terwijl haar teeder hart

naar beiden smachtte, beider ellende beklaagde, en twijfelde of zij

jegens beiden wel haar plicht vervulde, meer te lijden dan toen zij

haar onverdeeld geheim in het akelige stille huis bewaarde, en hare

nieuwe schoone mama haar nog nooit voor de oogen was gekomen.

Voor een uitstekend ongeluk, dat dit alles nog ver zou hebben

overtroffen, bleef Florence bewaard. Zij had nooit het geringste

vermoeden dat Edith, door hare teederheid voor haar, haar vader nog

meer van zich verwijderde en hem nieuwe reden tot ongenoegen gaf.

Indien Florence het mogelijk had geacht dat zulk eene oorzaak zulk eene

werking zou voortbrengen, hoe groot zou dan hare smart zijn geweest,

welke opofferingen zou het liefdevolle meisje niet gepoogd hebben te

brengen, hoe snel en zeker zou misschien daaronder haar overgang zijn

geweest tot dien hooger Vader, die de liefde zijner kinderen niet

verwerpt, en hun zwaar beproefd en gebroken hart niet veracht! Maar het

was anders, en dit was een geluk.

Geen woord werd thans ooit tusschen Florence en Edith over deze

onderwerpen gewisseld. Edith had gezegd dat er in dat opzicht eene

stilte als die van het graf tusschen haar behoorde te zijn, en Florence

gevoelde dat zij gelijk had.

In dezen staat van zaken werd haar vader, lijdend en hulpbehoevend,

thuis gebracht, en bleef hij in sombere afzondering in zijne kamers,

waar hij door dienstboden werd opgepast, zonder dat Edith hem

nabijkwam, en met geen ander vriend of gezelschap dan Carker, die tegen

middernacht heenging.

“En een mooi gezelschap is hij, jufvrouw Flore,” zeide Suze Nipper. “O,

hij is een lievertje! Als hij ooit getuigen noodig heeft, laat hij dan

maar bij mij komen, dat is al wat ik zeg.”—“Stil toch, lieve Suze!”

zeide Florence dringend.—“O, men kan heel goed “stil toch” zeggen,

jufvrouw Flore,” antwoordde Suze, zeer verstoord, “maar wezenlijk, neem

mij niet kwalijk, het loopt zóó erg dat al het bloed in iemands lijf in

spelden en naalden verandert, met de punten naar alle kanten. Versta

mij niet verkeerd, jufvrouw Flore, ik meen niets tegen uwe stiefmama,

die mij altijd behandeld heeft gelijk eene dame behoort, schoon ze wel

een beetje uit de hoogte is, moet ik zeggen. Niet dat ik recht heb om

daarop iets aan te merken, maar als wij aan zulke mevrouwen Pipchin

komen, en dat die boven ons gezet worden, en de wacht houden bij uw

papa’s deur als krokodillen (wij mogen maar dankbaar zijn dat zij geen

eieren leggen), dan is het om razend te worden!”

“Papa heeft goede gedachten van mevrouw Pipchin,” zeide Florence, “en

het staat hem immers vrij eene huishoudster te kiezen. Houd u dus maar

stil.”—“Wel, jufvrouw Flore,” antwoordde Suze, “ik wil dan alleen maar

zeggen dat die mevrouw Pipchin mij smaakt als onrijpe aalbessen zouden

doen, anders niet.”

Suze was op dien avond, den avond waarop Dombey thuis werd gebracht,

zoo buitengemeen misnoegd, omdat zij, door Florence naar beneden

gezonden om naar hem te vragen, hare boodschap aan hare doodvijandin,

mevrouw Pipchin, had moeten doen; die, zonder daarmede naar Dombey te

gaan, zich onderstaan had om op hare eigene verantwoording een snibbig

antwoord te geven. Dit verkoos Suze voor eene groote aanmatiging en

eene onvergeeflijke beleediging van hare jonge jufvrouw te houden, en

in zooverre had hare gemoedsstemming van dien avond iets bijzonders.

Doch zij was reeds sedert het huwelijk veel wantrouwiger en

achterdochtiger geworden; want gelijk de meeste menschen van haar

karakter, die eene sterke en oprechte gehechtheid opvatten voor iemand

van den verschillenden stand, dien Florence bekleedde, was Suze zeer

jaloersch, en keerde hare jaloezie zich natuurlijk tegen Edith, die

tusschen haar en hare meesteres kwam. Hoe trotsch en verheugd Suze

Nipper ook werkelijk was, dat die jeugdige meesteres tot de haar

voegende plaats werd bevorderd, in het huis waar zij zoolang

verwaarloosd was geworden, en de mooie vrouw van haar vader tot

gezellin en beschermster kreeg, kon zij toch geen gedeelte harer oude

heerschappij afstaan, zonder eene wreveligheid te gevoelen, waarvoor

zij niet miste eene rechtvaardiging te vinden in haar vlug begrip van

het trotsche en hartstochtelijke dier dame. Van den achtergrond,

waarheen zij sedert het huwelijk noodwendig eenigszins was gedrongen,

nam Suze den loop der huiselijke zaken waar, met eene vaste overtuiging

dat er van mevrouw Dombey weinig goeds zou komen, maar toch zeer

zorgvuldig, om bij alle mogelijke gelegenheden te betuigen, dat zij

niets op haar te zeggen had.

“Suze,” zeide Florence, die peinzend bij de tafel zat, “het is al heel

laat. Ik zal van avond niets meer noodig hebben.”—“Och, jufvrouw

Flore,” antwoordde Suze, “hoe wenschte ik dat het nog de oude tijd was

toen ik uren later dan het nu is bij u opzat, en van vermoeidheid in

slaap viel, terwijl gij nog klaar wakker waart; maar gij hebt nu eene

stiefmama om bij u te komen zitten, jufvrouw Flore, en daar ben ik

waarlijk dankbaar voor. Ik heb daar geen woord op te zeggen.”—“Ik zal

nooit vergeten, wie mijn gezelschap was, toen ik geen ander had, Suze,”

zeide Florence vriendelijk, “nooit!” En opziende, sloeg zij haar arm om

den hals harer nederige vriendin, gaf haar een kus en wenschte haar

goedennacht, hetgeen Suze’s hart zoo week maakte, dat zij aan het

snikken ging.—“Lieve jufvrouw Flore,” zeide Suze, “laat ik nu nog eens

naar beneden gaan en zien hoe het met uw papa is. Ik weet dat gij

angstig over hem zijt; laat ik maar eens naar beneden gaan en zelf aan

zijne deur kloppen.”—“Neen,” zeide Florence, “ga maar naar bed. Wij

zullen morgen wel meer hooren. Ik zal morgenochtend zelve gaan vragen.

Mama zal zeker wel beneden zijn geweest;” Florence bloosde, want zij

durfde dit niet hopen; “of is daar nu misschien. Goedennacht.”

Suze was te weekhartig geworden, om hare bijzondere meening te kennen

te geven over de waarschijnlijkheid dat mevrouw Dombey zich bij haar

echtgenoot zou bevinden, en ging stil heen. Florence, alleen gelaten,

verborg haar gezichtje in hare handen, gelijk zij in andere dagen zoo

dikwijls had gedaan, en liet de tranen vrij over hare wangen rollen.

Het jammerlijke van dit huiselijk ongenoegen; de geringe hoop, die zij

nu koesterde, als het nog hoop genoemd kon worden, om ooit aan haar

vaders hart te worden gesloten; haar twijfel en hare vrees tusschen die

twee; het smachten van haar onschuldig hart naar beiden; de bittere

teleurstelling van zulk een afloop, bij datgene vergeleken, dat haar

zooveel goeds had schijnen te beloven—dat alles overkropte haar gemoed

en deed hare tranen stroomen. Hare moeder en haar broeder dood, haar

vader haar altijd even vreemd, Edith vijandig tegenover hem, maar vol

liefde voor haar en door haar bemind, zoo scheen het alsof hare

genegenheid, waar zij die ook vestigde, nooit zegen kon hebben. Dit

dwaze denkbeeld werd spoedig gesmoord; maar de gedachten, waaruit het

ontstaan was, waren al te gegrond om te gelijk verwijderd te worden en

deden haar een droevigen nacht slijten.

Onder dat gepeins rees, gelijk het den geheelen dag had gedaan, het

beeld van haar vader voor haar op, gewond en in pijn, alleen in zijne

kamer, zonder oppassing van diegenen, die hem het naast hadden moeten

zijn, en de slepende uren in eenzaam lijden slijtende. Eene

schrikbarende gedachte, die haar de handen deed samenslaan—hoewel zij

niet nieuw voor haar was—dat hij sterven kon, zonder haar te zien of

haar naam uit te spreken, deed haar sidderen. In hare gemoedsbeweging

dacht zij er aan, en beefde bij die gedachte, om nog eens naar beneden

te sluipen en zich bij zijne deur te wagen.

Zij luisterde aan hare kamerdeur. Het was stil in huis, en alle lichten

schenen uit. Het was lang, lang geleden, dacht zij, sedert zij

nachtelijke bedevaarten naar zijne deur placht te doen! Het was lang

geleden, poogde zij te denken, sedert zij te middernacht in zijne kamer

was gekomen, en hij haar naar de trap had teruggebracht!

Met hetzelfde kinderlijke hart in de borst, zelfs met dezelfde lieve

bedeesde oogen en krullende lokken van een kind, sloop Florence, haar

vader even vreemd in haar maagdelijken bloei, als toen zij nog de

kinderkamer bewoonde, de trap af naar zijne kamer. Zij luisterde

onderweg, maar niemand bewoog zich in huis. De deur stond half open, om

lucht in te laten; en in de kamer was het zoo stil, dat zij het branden

van het vuur kon hooren, en het tikken der pendule tellen, die op den

schoorsteenmantel stond.

Zij keek binnen. In de eerste kamer zat de huishoudster, in eene deken

gewikkeld, op een leuningstoel voor het vuur te slapen. De deuren

tusschen deze kamer en de volgende, waren half toe en er stond een

scherm voor; maar daarachter was licht, en dit bescheen den hemel van

zijn ledikant. Alles was zoo stil, dat zij aan zijne ademhaling kon

hooren dat hij sliep. Dit gaf haar moed om om het scherm heen te gaan

en in zijne kamer te kijken.

Toen zij zijn slapend gezicht zag, schrikte zij zoodanig, alsof zij

niet verwacht had het te zien. Florence bleef als vastgeworteld staan,

en als hij toen was wakker geworden, had zij zoo moeten blijven staan.

Er was een zwachtel over zijn voorhoofd, en men had zijne haren

natgemaakt, die verward over zijn kussen lagen. Een van zijne armen,

die buiten het bed lag, was verbonden, en hij zag zeer bleek. Maar dit

was het niet, dat, na den eersten snellen blik, die haar verzekerde dat

hij gerust lag te slapen, Florence aan de plek hield vastgeworteld. Het

was iets geheel anders, dat hem in hare oogen zulk een plechtig

voorkomen gaf.

Zij had nog nooit in haar leven zijn gelaat gezien, of het had—of zij

verbeeldde het zich—zekere onrustige bewustheid van haar getoond. Zij

had nooit in haar leven zijn gelaat gezien, of de hoop was in haar hart

bezweken, en haar beschroomde blik was voor zijne stugge,

terugstootende koelheid neergeslagen. Toen zij het nu aanschouwde, zag

zij het voor de eerste maal vrij van de wolk, die hare kindsheid had

verdonkerd. In plaats daarvan heerschte er een kalme, vreedzame nacht.

Zij zag niet anders, of hij kon wel haar zegenende in slaap zijn

gevallen.

Ontwaak, onnatuurlijke vader! Ontwaak nu, hardvochtige man! De tijd

vliegt voorbij; het uur nadert met toornigen tred. Ontwaak!

Er kwam geene verandering op zijn gelaat, en terwijl zij het met angst

beschouwde, herinnerde haar de roerlooze rust daarvan aan de gezichten,

die zij niet meer kon wederzien. Zoo zagen zij er uit, zoo zou hij ook

doen; zoo zou ook zij, zijn schreiend kind, wie kon zeggen wanneer!—zoo

zou de geheele wereld van liefde, haat en onverschilligheid om hen

heen! Wanneer die tijd zou komen, zou die niet zwaarder voor hem

worden, door hetgeen zij wilde doen; en voor haar zou hij misschien

eenigszins lichter zijn.

Zij sloop dicht bij het bed, hield haar adem in, bukte, drukte hem

zacht een kus op de wang, legde haar hoofd voor een kort oogenblik

naast het zijne, en sloeg den arm, waarmede zij hem niet durfde

aanraken, om hem heen over het kussen.

Ontwaak, rampzalige man, terwijl zij nabij u is! De tijd vliegt

voorbij; het uur nadert met toornigen tred; het heeft zijn voet reeds

in huis. Ontwaak!

In haar gemoed bad zij God om haar vader te zegenen, en hem voor haar

te verzachten, als het zoo zijn mocht; en zoo niet, om hem te vergeven,

als hij niet wel deed, en haar haar gebed te vergeven, dat bijna eene

goddeloosheid scheen te zijn. En zoodoende, en met schemerende oogen

naar hem omziende, en angstig heensluipende, ging zij die kamer uit en

de andere door, en was weg.

Nu mag hij slapen—slapen, terwijl hij nog slapen kan. Maar als hij

ontwaakt, laat hij dan zoeken naar die tengere gedaante, en haar nabij

hem vinden wanneer het uur komt!

Droevig was Florence’s hart terwijl zij langzaam weder naar boven ging.

Het stille huis was, sedert zij naar beneden kwam, veel akeliger

geworden. De slaap, die zij in het holle van den nacht had aanschouwd,

had voor haar het plechtige van dood en leven te gelijk. Het heimelijke

en stille van haar bedrijf maakte den nacht geheimzinnig, stil en

drukkend. Zij was ongezind, bijna buiten staat om weder naar hare

eigene kamer te gaan, en de receptiezalen ingaande, waar de bewolkte

maan tusschen de gordijnen doorscheen, zag zij naar buiten in de ledige

straten.

De wind huilde akelig. De gasvlammen schenen bleek en beefden alsof zij

koud waren. Er was in de verte eene schemering van iets, dat bijna geen

licht mocht heeten, in de lucht; de nacht, vol voorgevoel, was

rusteloos, huiverig, gelijk stervenden die een rustig einde hebben.

Florence herinnerde zich hoe zij wel meer, als waakster bij een

ziekbed, op dien naargeestigen tijd had gelet, en den invloed daarvan

gevoeld, alsof zij er eene verborgene natuurlijke antipathie tegen had;

en nu was het zeer, zeer somber.

Hare mama was dien avond niet bij haar in de kamer gekomen, hetgeen een

van de redenen was waarom zij zoolang was opgebleven. In hare

onbestemde ongerustheid, niet minder dan uit verlangen om iemand te

hebben met wien zij kon spreken, om zoo die tooverkracht van duisternis

en stilte te verbreken, richtte Florence hare schreden naar de kamer

waar zij sliep.

De deur was van binnen niet gesloten, en week gemakkelijk voor de

schroomvallige hand. Zij was verwonderd nog licht te vinden branden;

nog meer verwonderd toen zij zag, dat hare mama, slechts gedeeltelijk

ontkleed, bij de asch van een uitgebrand vuur zat. Hare oogen staarden

strak in de lucht, en in hun glans, in hare trekken en in de kracht

waarmede zij de armleuningen van haar stoel greep, alsof zij zoo wilde

opspringen, zag Florence zulk eene woeste gemoedsbeweging dat zij er

van schrikte.

“Mama!” riep zij. “Wat scheelt u?”

Edith zag ontsteld naar haar om, en zag haar aan met zulk een vreemden

angst op het gelaat, dat Florence nog meer schrikte dan te voren.

“Mama!” zeide zij, haastig naderkomende. “Lieve mama, wat scheelt er

aan?”—“Ik ben niet wel geweest,” zeide Edith, huiverende en haar nog

even vreemd aanziende. “Ik heb slechte droomen gehad, liefje.”—“En toch

nog niet naar bed geweest, mama?”—“Neen,” was het antwoord. “Half

wakende droomen.”

Hare trekken ontspanden zich langzamerhand, en zij liet Florence toe om

haar in hare armen te sluiten. “Maar wat doet mijn liefje hier!” zeide

zij eindelijk.—“Ik ben ongerust geweest, mama, omdat ik u van avond

niet zag, en niet wist hoe het met papa was; en ik...”

Hier bleef Florence steken en sprak niet verder.

“Is het laat?” zeide Edith, teeder de krullen wegstrijkende, die zich

met hare eigene zwarte lokken vermengden.—“Al heel laat. Haast weer

dag.”—“Haast dag!” herhaalde zij verwonderd.—“Lieve mama, wat hebt gij

met uwe hand gedaan?” zeide Florence.

Edith trok die eensklaps weg, en zag haar voor een oogenblik aan met

denzelfden vreemden angst, alsof zij op het punt was om de vlucht voor

haar te nemen; maar weldra zeide zij: “Niets, niets. Gestooten.” En

toen zeide zij: “Mijne Florence!” en begon hare borst te zwoegen en

schreide zij heftig.

“Mama!” zeide Florence. “O mama, wat kan ik doen, wat moet ik doen om

te maken dat wij gelukkiger worden. Is er iets?”—“Niets,” antwoordde

zij.—“Weet gij dat zeker? Kan het nooit wezen? Als ik nu spreek van wat

ik in mijne gedachten heb, hoewel wij anders hebben afgesproken, zult

gij het mij toch niet kwalijk nemen, niet waar?” zeide Florence.—“Het

is nutteloos,” antwoordde zij, “nutteloos. Ik heb u gezegd, liefje, dat

ik slechte droomen heb gehad. Niets kan ze veranderen, of verhinderen

dat zij terugkomen.”—“Ik begrijp u niet,” zeide Florence, haar ontroerd

gezicht aanziende, dat hoe langer hoe donkerder scheen te worden.—“Ik

heb gedroomd,” zeide Edith met eene doffe stem, “van een trots, die tot

alle goed machteloos, tot alle kwaad machtig is; van een trots, die

door vele jaren van schande heen gekwetst en gestoken is geworden, en

zelf nooit iemand heeft gedeerd behalve zich zelven; van een trots die

zijne eigenares heeft vernederd door de bewustheid van diepe

beschaming, en haar nooit heeft geholpen om zich stoutmoedig daartegen

te verzetten of ze te vermijden, of om te zeggen: “Dat zal zoo niet

zijn!” een trots die, behoorlijk bestuurd, misschien tot betere dingen

had kunnen leiden, maar die, zoo slecht bestuurd en misbruikt, gelijk

al het andere wat zijne bezitster toekwam, slechts tot zelfverachting,

verharding en verderf heeft gevoerd.”

Zij zag Florence nu niet meer aan en sprak ook niet tot haar, maar

vervolgde alsof zij alleen was.

“Ik heb gedroomd,” zeide zij, “van zulk eene onverschilligheid en

verhardheid, uit deze zelfverachting geboren—uit dien ellendigen,

machteloozen, rampzaligen trots—dat hij zelfs met roekelooze schreden

naar het altaar is gegaan, gehoorzaam aan den ouden, bekenden,

wenkenden vinger—o moeder, moeder—hoewel hij dien wenk verachtte, omdat

hij liever zich zelven voor eens en altijd hatelijk wilde worden, dan

dagelijks door iets nieuws gekwetst worden. Laag, ellendig wezen!”

En nu had haar gelaat dezelfde hartstochtelijke uitdrukking als toen

Florence binnenkwam.

“Ik heb gedroomd,” zeide zij, “dat die trots, kort geleden, bij eene

poging om een doel te bereiken, door een verachtelijken voet vertrapt

is, maar tegen dien voet opstaat. Ik heb gedroomd dat hij door honden

gejaagd en vervolgd wordt, maar dat hij stand houdt en niet zwichten

wil—neen, dat hij niet kan al wilde hij—maar genoodzaakt is, om hem te

haten, zich tegen hem om te keeren en hem te tarten!”

Hare handen klemden zich om den bevenden arm, dien zij gevat had, en

toen zij op het verschrikte en verwonderde gezichtje neerzag, werd het

hare kalmer. “O Florence,” zeide zij, “ik geloof dat ik van avond bijna

razend ben geweest!” en toen liet zij het trotsche hoofd aan haar hals

zinken en schreide wederom.

“Verlaat mij niet! Blijf bij mij! Ik heb geen hoop dan in u!” Deze

woorden herhaalde zij wel twintigmaal.

Weldra werd zij kalmer, en kreeg medelijden met Florence’s tranen, en

beklaagde haar dat zij op zulk een ontijdig uur nog op was. En daar de

dag nu aanbrak, sloot Edith haar in hare armen, en legde haar op haar

bed, en bleef, zonder zelve te gaan liggen, bij haar zitten, en drong

haar dat zij zou beproeven om wat te slapen.

“Want ge zijt moe, liefje, bedroefd en ongelukkig, en moet rust

hebben.”—“Zeker ben ik bedroefd van nacht, lieve mama, en ongelukkig,”

zeide Florence, “maar gij zijt ook moe en ongelukkig.”—“Niet als gij

zoo dicht bij mij ligt te slapen, lieve.”

Zij kusten elkander, en Florence, afgemat, viel langzamerhand in eene

zachte sluimering; maar toen zij hare oogen sloot voor het gezicht

naast haar, was het zoo treurig aan het gezicht beneden te denken, dat

zij hare hand dichter naar Edith schoof als om troost te zoeken; maar

zoodoende, aarzelde zij weder, uit vrees dat zij hem daardoor zou

verlaten. Zoo poogde zij in haar slaap die twee te verzoenen en te

toonen dat zij hen beiden liefhad; maar dit kon zij niet doen, en hare

wakende smart was een deel van hare droomen.

Edith, die bij haar zat, zag naar de donkere wimpers, die vochtig op de

gloeiende wangen lagen, en bleef met teeder medelijden turen, want zij

wist de waarheid. Maar geen slaap bezwaarde hare eigene oogen. Toen de

dag aankwam, zat zij nog te waken met dat zachte handje in de hare, en

somtijds fluisterde zij, dat stille gezichtje aanziende: “Blijf bij

mij, Florence. Ik heb geen hoop dan in u!”

Dombey en Zoon · 第 85 / 125 题