Niet meer met de zwarte afleggertjes en den flaphoed van kapitein
Cuttle uitgedost, maar met eene nieuwe bruine livrei gekleed, die,
terwijl zij zeer stemmig moest schijnen te zijn, inderdaad zoo
opzichtig deftig was, als een kleermaker er een kon maken, was Rob de
Slijper, naar den uitwendigen mensch aldus herschapen, en naar den
inwendigen geheel onverschillig voor den kapitein en den adelborst,
behalve wanneer hij, met eene toejuichende fanfare van dat koperen
instrument, zijn geweten, zich verlustigde in de gedachte, hoe hij deze
twee (in zijne verbeelding onafscheidbaar) den zak had gegeven, thans
bij zijn beschermer Carker in dienst. Medebewoner van Carker’s huis en
als zijn lijfknecht werkzaam, hield Rob met vreezen en beven zijne
oogen op de witte tanden gevestigd, en gevoelde dat hij ze waarlijk wel
wijder dan ooit mocht openzetten.
Hij kon niet sterker door geheel zijn wezen voor die tanden gebeefd
hebben, al was hij in den dienst van een machtig toovenaar gekomen, en
al waren die tanden zijne krachtigste toovermiddelen geweest. De jongen
had een gevoel van de macht en het gezag van zijn patroon, dat al zijne
aandacht gespannen hield en hem tot blinde onderwerping en
gehoorzaamheid noopte. Hij durfde zelfs, als hij niet bij hem was,
nauwelijks over hem denken, eenigszins vreezende dat hij dan weder
dadelijk bij de keel zou gepakt worden, gelijk op den ochtend hunner
eerste kennismaking, en dat elke tand de geheimen van zijn gemoed zou
doorgronden. Onder de oogen van zijn meester, twijfelde hij evenmin dat
Carker zijne geheimste gedachten las, of lezen kon indien hij wilde,
als hij er aan twijfelde of deze hem zag als hij hem aankeek. Zoo groot
was die invloed, dat de knaap bijna geheel niet durfde denken, maar met
eene nevelachtige voorstelling van zijn meesters onweerstaanbare macht
over hem, en zijn vermogen om alles met hem te doen wat hij wilde, naar
zijne wenken stond te wachten en zijne bevelen poogde te voorkomen,
geheel suf en stomp voor alle andere dingen.
Rob had het met zich zelven niet uitgemaakt—in zijn gemoedstoestand zou
het reeds eene groote vermetelheid zijn geweest er naar te vragen,—of
hij zich zoo volkomen aan dien invloed overgaf, dewijl hij vermoedde
dat zijn beschermer een meester was in zekere verraderlijke kunsten,
waarin hij zelf op de Slijpersschool een beginnend leerling was
geweest. Zeker is het dat Rob hem bewonderde zoowel als vreesde. Carker
was misschien beter bekend met de bronnen zijner macht en verzuimde
niets om die te bevestigen.
Op denzelfden avond toen Rob den dienst des kapiteins verliet, was hij,
na zijne duiven verkocht en in zijne haast zelfs eene slechte negotie
gedaan te hebben, recht naar Carker’s huis gegaan, en was hij met een
gloeiend gezicht, dat eene lofspraak scheen te verwachten, voor zijn
nieuwen meester verschenen.
“Zoo, deugniet!” zeide Carker, naar zijn pakje ziende. “Zijt gij uit uw
dienst geloopen, en komt ge nu naar mij toe?”—“O, als je blieft,
mijnheer,” stotterde Rob, “gij hebt immers gezegd, toen ik laatst hier
was...”—“Ik gezegd?” hervatte Carker. “Wat heb ik gezegd?”—“Als je
blieft, mijnheer, gij hebt niemendal gezegd, mijnheer,” antwoordde Rob,
door den toon der vraag gewaarschuwd, en zeer onthutst.
Zijn patroon keek hem aan, liet zijn tandvleesch zien, schudde zijn
voorvinger en zeide:
“Gij zult aan een slecht eind komen, mijn losbandige vriend, dat
voorzie ik. Gij zult in uw ongeluk loopen.”—“Och neen, mijnheer, als je
blieft!” barstte Rob uit, terwijl zijne beenen onder hem beefden.
“Waarachtig, mijnheer, ik wil niets anders dan voor u werken, en u
bedienen, en trouw doen wat mij belast wordt, mijnheer.”—“Het is u ook
maar geraden om trouw te doen wat u belast wordt, als gij met mij te
maken hebt,” antwoordde zijn patroon.—“Ja, dat weet ik wel, mijnheer,”
zeide de onderdanige Rob hierop. “Daar ben ik wel zeker van, mijnheer.
Als ge maar zoo goed wilt zijn om mij te probeeren, mijnheer. En als
gij er mij ooit op betrapt, mijnheer, dat ik iets tegen uw zeggen doe,
moogt ge mij vrij doodslaan.”—“Gij rekel!” zeide Carker, in zijn stoel
achteroverleunende en hem vergenoegd glimlachend aanziende: “dat is nog
niets bij wat ik u doen zou, als gij het hart hadt om mij te willen
bedriegen.”—“Ja, mijnheer,” antwoordde de benauwde Slijper, “ik weet
wel dat ge mij iets vreeselijks zoudt doen, mijnheer. Ik zou het ook
niet probeeren, mijnheer, al wilde men mij met goud omkoopen.”
Geheel te leur gesteld in zijne verwachting van eene lofspraak, bleef
de onthutste Slijper zijn beschermer staan aanzien, en poogde
vruchteloos hem niet aan te zien, met dezelfde ongerustheid welke een
hond dikwijls in dergelijke omstandigheden aan den dag legt.
“Dus hebt gij uw ouden dienst verlaten, en komt hier vragen of ik u in
mijn dienst wil nemen, he?” zeide Carker.—“Ja, als je blieft,
mijnheer,” antwoordde Rob, die wat hij gedaan had op eigen last van
zijn patroon had gedaan, maar zich niet durfde rechtvaardigen door de
geringste aanduiding daarvan.—“Wel!” zeide Carker. “Gij kent mij,
jongen?”—“Ja, mijnheer, als je blieft,” antwoordde Rob, zijn hoed in
het rond draaiende, en nog door Carker’s oogen geboeid, waarvan hij
zich vruchteloos poogde los te rukken.
Carker knikte. “Pas op, dan.”
Rob gaf door een aantal snelle buigingen zijn levendig begrip van deze
waarschuwing te kennen, en wilde zoo buigende naar de deur gaan, zeer
verlicht door het vooruitzicht om maar daarbuiten te komen, toen zijn
patroon hem stuitte.
“Holla!” zoo riep hij met eene grove stem terug. “Gij zijt—doe die deur
toe!”
Rob gehoorzaamde alsof zijn leven van zijne vlugheid afhing.
“Gij zijt aan het spionneeren en luisteren gewoon, niet waar?”—“Hier
zou ik zoo iets nooit doen, mijnheer,” antwoordde Rob, “op mijn woord
van eer, dat zou ik niet. Ik zou het voor de geheele wereld niet
durven, of het moest mij belast worden, mijnheer.”—“Dat zou u ook niet
geraden zijn. Gij zijt ook aan babbelen en overpraten gewoon,” zeide
zijn patroon, met de grootste koelbloedigheid. “Pas hier daarop, of ge
zijt een verloren schobbejak,” en wederom glimlachte hij en waarschuwde
hij met zijn voorvinger.
De Slijper voelde zijne ademhaling beklemd. Hij wilde zijne welmeenende
gezindheid betuigen, maar kon den glimlachenden heer slechts aanstaren
met eene botte onderdanigheid, waarmede de glimlachende heer tamelijk
weltevreden scheen; want na den knaap nog eene poos stilzwijgend te
hebben aangezien, beval hij hem om naar beneden te gaan, en zeide dat
hij hem in zijn dienst zou houden.
Dit was de manier waarop Rob de Slijper door Carker tot lijfknecht werd
aangenomen; en met elke minuut van zijn dienst werd zijn ontzag voor
dezen heer, zoo mogelijk, nog grooter.
Die dienst had eenige maanden geduurd, toen Rob op zekeren morgen het
tuinhek voor Dombey opendeed, die volgens afspraak bij zijn meester
kwam ontbijten. Op hetzelfde oogenblik kwam zijn meester zelf naar
buiten snellen om zijn geëerden gast te ontvangen en met al zijne
tanden te verwelkomen.
“Ik had waarlijk nooit gedacht u eens hier te zien,” zeide Carker,
terwijl hij Dombey van het paard hielp stappen. “Dit is een uitstekende
dag in mijn almanak. Geen bezoek heeft veel bijzonders voor een man als
gij, die alles kan doen wat hij wil, maar voor een man als ik is het
geheel anders.”—“Gij hebt hier een met smaak aangelegd buitentje,
Carker,” zeide Dombey, zich verwaardigende om voor het grasperk te
blijven stilstaan en rond te zien.—“Dat belieft u zoo te zeggen,”
antwoordde Carker. “Wel verplicht.”—“Waarlijk,” zeide Dombey met zijne
deftige minzaamheid, “dat zou iedereen moeten zeggen. Zoover het gaat
schijnt het zeer gemakkelijk en goed ingericht—wezenlijk
elegant.”—“Zoover het gaat inderdaad,” antwoordde Carker, met
nederigheid. “Dat moet er bij gezegd worden. Nu, wij hebben er genoeg
van gezegd; en schoon het eene goedheid van u is dat gij het prijst,
ben ik u niet minder dankbaar. Wilt gij binnengaan?”
Toen Dombey het huis binnenging, lette hij, gelijk hij wel doen mocht,
op de keurige inrichting der kamers, en de talrijke kleine zorgen voor
gemak en sieraad. Carker nam, met zijne pralende nederigheid, deze
complimenten met een benepen glimlach aan, en zeide dat hij de
kieschheid daarvan begreep en waardeerde, maar dat het buitentje voor
hem goed genoeg was—beter, misschien, hoe gering het ook was, dan
iemand als hij moest bewonen.
“Maar misschien vertoont het zich voor u, die zoover daarboven zijt,
beter dan het werkelijk is,” zeide hij, met zijn valschen mond zoo
breed mogelijk uitgerekt. “Evenals een vorst zich iets bekoorlijks in
het leven van een bedelaar voorstelt.”
Dit zeggende vestigde hij een scherpen blik op Dombey, en een nog
scherper, met een scherpen glimlach gepaard, toen Dombey, zich voor het
vuur plantende, in de houding, die door zijn eersten dienaar zoo
dikwijls werd nagebootst, naar de schilderijen aan den wand rondkeek.
Terwijl zijne koude oogen vluchtig daarover heengleden, ging Carker’s
scherpe blik mede, en lette hij nauwkeurig op, waar die oogen bleven en
wat zij zagen. Toen zij vooral op eene schilderij bleven rusten, scheen
Carker nauwelijks adem te halen, zoo katachtig waakzaam was zijn
zijdelings loeren; maar de oogen van den grooten man gleden er over
heen, gelijk over de andere schilderijen en schenen er even weinig een
indruk van te behouden.
Carker zag er naar—het was de schilderij die naar Edith geleek alsof
zij leefde; en er verscheen een stille, boosaardige lach op zijn
gezicht, die gedeeltelijk op de schilderij scheen te doelen, hoewel hij
eigenlijk den grooten man bespotte die zoo onergdenkend naast hem
stond. Weldra stond het ontbijt op de tafel; en Dombey een stoel
aanbiedende, welke met den rug naar die schilderij stond, zette hij
zich volgens gewoonte er vlak tegenover.
Dombey was ernstiger dan gewoonlijk, en zeer stil. De papegaai, in den
vergulden hoepel in zijne prachtige kooi schommelende, poogde
vruchteloos aandacht te trekken; want Carker lette te zeer op zijn
gast, om aan den papegaai te denken; en de gast, in verstrooid gepeins,
keek strak, om niet te zeggen stuursch, over zijne stijve das, zonder
zijne oogen van het tafellaken op te slaan. Wat Rob, die bleef
bedienen, betrof, al zijne zinnen en vermogens werden zoozeer door zijn
meester geboeid, dat hij nauwelijks een oogenblik durfde geven aan de
gedachte, dat die gast de groote heer was, voor wien hij eens in zijne
kindsheid als getuige van den gezondheidstoestand zijner familie was
verschenen, en aan wien hij zijn lederen broekje had te danken gehad.
“Mag ik zoo vrij zijn om te vragen hoe mevrouw Dombey vaart?” zeide
Carker eensklaps.
Bij deze vraag leunde hij dienstvaardig voorover, met de kin op de hand
steunende, en te gelijk sloeg hij zijne oogen naar de schilderij op,
als wilde hij zeggen: “Zie nu, hoe ik hem bij den neus zal leiden.”
Dombey werd rood terwijl hij antwoordde:
“Mevrouw Dombey vaart zeer wel. Gij herinnert mij, Carker, aan iets
waarover ik met u wilde spreken.”—“Robin, gij kunt heengaan,” zeide
zijn meester, wiens zachte stem Robin deed schrikken en verdwijnen, met
de oogen tot het laatste toe op zijn patroon gevestigd. “Gij herinnert
u dien jongen natuurlijk nog wel?” vervolgde hij, toen de onderdanige
Slijper verdwenen was.—“Neen,” zeide Dombey, met verhevene
onverschilligheid.—“Niet waarschijnlijk dat een man als gij dat doen
zou. Bijna niet mogelijk,” prevelde Carker. “Maar hij is uit het
huishouden waaruit gij eens eene min hebt genomen. Misschien kunt gij u
herinneren, dat gij u grootmoedig met zijne opvoeding hebt belast?”—“Is
dat die jongen?” zeide Dombey, zijne wenkbrauwen samentrekkende. “Hij
doet zijne opvoeding weinig eer aan, geloof ik.”—“Ja, hij is een
deugniet, vrees ik,” antwoordde Carker, de schouders ophalende. “Daar
heeft hij ten minste den naam van. Maar om de waarheid te zeggen, ik
heb hem in dienst genomen, omdat hij, toen hij buiten betrekking was,
zich verbeeldde (men zal hem dat zeker thuis geleerd hebben) dat hij
eene soort van aanspraak op u had, en gedurig beproefde u met zijn
verzoek na te loopen. En hoewel mijne bepaalde en erkende betrekking
met uwe aangelegenheden alleen tot het kantoor beperkt is, heb ik toch
zooveel onwillekeurige belangstelling voor alles wat u aangaat, dat...”
Hij zweeg weder, als ware het om te ontdekken of hij Dombey al ver
genoeg had gebracht. En wederom wierp hij, met de kin op de hand, een
loerenden blik naar de schilderij.
“Carker,” zeide Dombey, “ik weet wel, gij beperkt
uwe...”—“Dienstvaardigheid,” gaf zijn glimlachende gastheer hem in
bedenking.—“Neen, ik zeg liever toegenegenheid,” zeide Dombey, zeer wel
gevoelende dat hij, door zoo te zeggen, een vleiend compliment maakte,
“uwe toegenegenheid niet tot onze betrekking door kantoorzaken. Dat gij
in de geringe bijzonderheid, waarvan gij zoo even gesproken hebt, mijn
gevoel—mijne hoop en mijne teleurstelling—zoo ontziet, is een bewijs
daarvan. Ik ben u verplicht, Carker.”
Carker boog zeer langzaam zijn hoofd, en wreef zeer zacht zijne handen,
als vreesde hij door eenige beweging Dombey’s vertrouwelijkheid in haar
loop te storen.
“Dat gij daarvan spreekt komt juist van pas,” hervatte Dombey, na eene
geringe aarzeling, “want het is eene voorbereiding voor datgene wat ik
u begonnen was te zeggen, en herinnert mij dat daardoor eigenlijk geene
geheel nieuwe betrekkingen tusschen ons zullen ontstaan, hoewel er
misschien van mijn kant een grooter persoonlijk vertrouwen bij zal
plaats hebben, dan ik tot nog toe ...”—“Dan waarmee gij mij tot nog toe
vereerd hebt,” viel Carker er op in, wederom zijn hoofd buigende. “Ik
wil niet zeggen hoe vereerd ik daarmede ben; want een man als gij weet
wel hoeveel eer hij in zijne macht heeft naar believen te
bewijzen.”—“Mevrouw Dombey en ik,” het compliment met statige
zelfverloochening ter zijde latende, “komen in sommige punten niet
geheel overeen. Wij schijnen elkander nog niet te verstaan. Mevrouw
Dombey heeft nog iets te leeren.”—“Mevrouw Dombey onderscheidt zich
door vele zeldzame bekoorlijkheden, en is zonder twijfel aan veel
vleierij gewoon,” zeide de slimme waarnemer van elken blik en toon.
“Maar waar genegenheid, achting en ontzag bestaan, worden kleine
vergissingen, uit zulke oorzaken ontsproten, gemakkelijk te recht
gebracht.”
Onwillekeurig vlogen Dombey’s gedachten terug naar het gezicht dat hem
in de kamer zijner vrouw had aangezien, toen eene gebiedende hand naar
de deur werd uitgestrekt; en zich herinnerende hoeveel genegenheid,
achting en ontzag dit uitdrukte, voelde hij het bloed naar zijn eigen
gezicht stijgen, even duidelijk als de waakzame oogen, die hem
waarnamen, het zagen.
“Mevrouw Dombey en ik,” zeide hij, “hadden, voor mevrouw Skewton’s
dood, eene woordenwisseling over de redenen van mijn ongenoegen,
waarvan gij u wel een algemeen begrip zult kunnen vormen, daar gij
getuige zijt geweest van hetgeen er tusschen mevrouw Dombey en mij is
voorgevallen op dien avond toen gij bij ons—bij mij aan huis
waart.”—“Toen het mij speet dat ik tegenwoordig was,” zeide de
glimlachende Carker. “Hoe trotsch een man in mijne positie natuurlijk
wezen moest op uw gemeenzamen omgang—schoon ik dat bij u niet mag
rekenen, want gij kunt alles doen wat gij wilt, zonder uw rang te
verliezen—en zoo vereerd als ik was door zoo vroeg aan mevrouw Dombey
gepresenteerd te worden, eer zij nog zoo hoog verhoogd werd door het
verkrijgen van uw naam, speet het mij dien avond toch bijna, verzeker
ik u, dat ik zulk een buitengewoon geluk had gehad.”
Dat het iemand onder eenige mogelijke omstandigheden kon spijten door
zijne minzaamheid en goedheid onderscheiden te worden, was een moreel
verschijnsel, dat Dombey niet kon begrijpen. Hij antwoordde dus, en
werd daarbij nog vrij wat statiger dan anders: “Inderdaad. En waarom,
Carker?”—“Ik vrees,” antwoordde zijn vertrouwde, “dat mevrouw Dombey,
nooit zeer gezind om mij met gunstige belangstelling te
beschouwen—iemand in mijne positie kon dat niet verwachten van eene
dame die trotsch van karakter is, en wie hare trotschheid zoo goed
staat—mij niet licht mijn onschuldig aandeel aan dat gesprek zal
vergeven. Uw ongenoegen is geene beuzeling, moet gij bedenken; en dat
in het bijzijn van een derden te moeten ondervinden...”—“Carker,” zeide
Dombey laatdunkend, “mij dunkt dat ik het eerst in aanmerking behoor te
komen?”—“O, kan daaraan getwijfeld worden?” zeide de ander, met het
ongeduld van iemand die eene algemeen bekende, onbetwistbare waarheid
toestemt.—“Mevrouw Dombey komt eerst naderhand in aanmerking, als het
om ons beiden te doen is, verbeeld ik mij,” zeide Dombey. “Is dat zoo
niet?”—“Zeker is het zoo,” antwoordde Carker. “Gij weet beter dan
iemand, dat gij zoo iets niet behoeft te vragen.”—“Dan hoop ik,
Carker,” zeide Dombey, “dat uw spijt over het beloopen van mevrouw
Dombey’s ongenoegen bijna zal worden opgewogen door uw genoegen over
het behouden van mijn vertrouwen en mijne goede meening.”—“Ik heb dus
het ongeluk, naar ik vind, van mij dat ongenoegen berokkend te hebben,”
hervatte Carker. “Mevrouw Dombey heeft u dat gezegd?”—“Mevrouw Dombey
heeft verschillende meeningen te kennen gegeven,” antwoordde Dombey,
met statige koelheid en onverschilligheid, “waarin ik niet deel, en van
welke ik niet genegen ben te spreken of mij te herinneren. Ik heb
mevrouw Dombey eenigen tijd geleden bekend gemaakt, gelijk ik reeds
gezegd heb, met zekere punten van huiselijke beleefdheid en
ondergeschiktheid, waarop ik het noodig achtte aan te dringen. Het is
mij niet gelukt mevrouw Dombey te overtuigen van het raadzame om haar
gedrag, met het oog op haar eigen genoegen en welzijn en op mijne
waardigheid, in die opzichten terstond te veranderen, en ik heb mevrouw
Dombey onderricht dat ik, indien ik het noodig mocht achten haar
wederom waarschuwingen of vermaningen te geven, haar mijne meening door
u, mijn vertrouwden gelastigde, zou doen te kennen geven.”
Gemengd met den blik, dien Carker op hem vestigde, was een
duivelachtige blik naar de schilderij boven zijn hoofd, die als een
bliksemstraal daarheen vloog.
“Nu, Carker,” zeide Dombey, “maak ik geen bezwaar om u te zeggen, dat
ik mijn wil wil doorzetten. Ik wil niet met mij laten beuzelen. Mevrouw
Dombey moet begrijpen dat mijn wil wet is en dat ik op den regel van
geheel mijn leven geene uitzondering kan veroorloven. Gij zult de
goedheid hebben om dezen last op u te nemen, die, daar zij van mij
komt, u niet onaangenaam zal zijn, hoop ik, hoeveel spijt gij ook uit
beleefdheid moogt betuigen—waarvoor ik u voor mevrouw Dombey verplicht
ben; en gij zult wel de goedheid hebben, ben ik overtuigd, om u daarvan
te kwijten, evenals van iedere andere commissie.”—“Gij weet,”
antwoordde Carker, “dat ge mij maar te bevelen hebt.”—“Ik weet,” zeide
Dombey, majestueus toestemmende, “dat ik u maar te bevelen heb. Het is
noodig dat ik hiermede voortga. Mevrouw Dombey is eene dame, in vele
opzichten ten hoogste geschikt, zonder twijfel, om...”—“Om zelfs uwe
keus tot eer te strekken,” gaf Carker in bedenking, vleiend al zijne
tanden toonende.—“Ja; als het u belieft dien vorm van uitdrukking te
bezigen,” zeide Dombey, op zijn staatsie-toon; “en voor het
tegenwoordige meen ik niet, dat mevrouw Dombey die keus zoozeer tot eer
strekt als wel zou behooren. Mevrouw Dombey heeft een geest van
oppositie, die uitgeroeid moet worden, die gefnuikt moet worden.
Mevrouw Dombey schijnt niet te begrijpen,” zeide Dombey met nadruk,
“dat het denkbeeld van oppositie tegen mij iets gedrochtelijks en
ongerijmds is.”—“Wij in de City kennen u beter,” zeide Carker met een
glimlach van oor tot oor.—“Gij kent mij beter,” zeide Dombey. “Dat hoop
ik. Schoon ik verplicht ben mevrouw Dombey zooveel recht te doen om te
zeggen, dat, hoe onbestaanbaar dit ook schijnen mag met haar volgend
gedrag (dat onveranderd blijft), toen ik haar eenigszins gestreng mijne
afkeuring en mijn voornemen te kennen gaf, bij die gelegenheid waarvan
ik gesproken heb, mijne vermaning een zeer krachtigen indruk scheen te
maken.” Dombey sprak deze woorden met allergeduchtste statigheid uit.
“Ik wenschte dus dat gij de goedheid hadt, Carker, om mevrouw Dombey
van mij te onderrichten, dat ik haar ons vroeger gesprek in het
geheugen moet roepen, met eenige verwondering dat het nog geen gevolg
heeft gehad. Dat ik er op moet aandringen, dat zij haar gedrag richte
naar den regel, dien ik haar in dat gesprek heb voorgeschreven. Dat ik
niet met haar gedrag tevreden ben. Dat ik er ten hoogste misnoegd over
ben. En dat ik mij in de zeer onaangename noodzakelijkheid zal bevinden
om u tot brenger van nog meer onwelkome en omstandige mededeelingen te
maken, als zij geen gezond verstand en gevoel van welvoegelijkheid
genoeg heeft om zich aan mijne wenschen te onderschikken, gelijk de
eerste mevrouw Dombey deed, en ik geloof er te mogen bijvoegen, gelijk
elke andere dame in hare plaats zou doen.”—“De eerste mevrouw Dombey
leefde zeer gelukkig,” zeide Carker.—“De eerste mevrouw Dombey had veel
gezond verstand,” zeide Dombey, met fatsoenlijke verschooning voor eene
doode, “en gevoel van welvoegelijkheid.”—“Gelijkt jonge jufvrouw Dombey
naar hare moeder, denkt gij?” zeide Carker.
Snel betrok Dombey’s gezicht. Zijn vertrouwde zag hem scherp waarnemend
aan.
“Ik heb een pijnlijk onderwerp aangeroerd,” zeide hij, op een zachten
meewarigen toon, onvereenigbaar met zijne gretige oogen. “Ik bid u,
vergeef het mij. Mijne belangstelling doet mij het verband van die
herinneringen vergeten. Ik bid u, vergeef het mij.”
Maar hoewel hij zoo sprak, bleven zijne gretige oogen Dombey’s
neergeslagen gezicht waarnemen, en daarna schoten zij een vreemden,
zegevierenden blik naar de schilderij, als riepen zij deze tot getuige
hoe hij hem bij den neus leidde en wat er nu komen zou.
“Carker,” zeide Dombey, hier en daar op de tafel ziende, en haastiger
met eene eenigszins veranderde stem sprekende, terwijl zijne lippen ook
bleeker schenen. “Gij behoeft u niet te verontschuldigen. Gij vergist
u. Ik denk aan de zaak die wij voor ons hebben, en aan geene
herinneringen, gelijk gij meent. Ik ben niet tevreden met mevrouw
Dombey’s gedrag ten opzichte van mijne dochter.”—“Verschooning,” zeide
Carker. “Ik begrijp u niet recht.”—“Gij moet dan begrijpen,” antwoordde
Dombey, “dat gij daarover uit mijn naam ronduit met mevrouw Dombey kunt
spreken—zult spreken, als het u belieft. Gij zult zoo goed zijn om haar
te zeggen, dat hare vertooning van bijzondere genegenheid voor mijne
dochter mij onaangenaam is. Dit is geschikt om aandacht te trekken. Het
is geschikt om de menschen tot vergelijking te brengen tusschen mevrouw
Dombey in hare verhouding tot mijne dochter, en mevrouw Dombey in hare
verhouding tot mij. Gij zult zoo goed zijn om mevrouw Dombey duidelijk
te doen verstaan, dat ik dit afkeur, en dat ik verwacht dat zij
dadelijk aan mijne bezwaren in dat opzicht zal gehoor geven. Het mag
mevrouw Dombey ernst wezen, of het mag maar eene gril van haar zijn, of
het mag haar oogmerk zijn mij daarmede te dwarsboomen, in allen gevalle
keur ik het af. Als mevrouw Dombey het ernstig meent moet zij zooveel
te minder onwillig zijn om het na te laten; want zij zal mijne dochter
door zulk eene vertooning geen dienst doen. Als mijne vrouw
zachtaardigheid en vriendelijkheid te veel heeft, boven en behalve hare
behoorlijke onderworpenheid aan mij, mag zij die, misschien, toonen aan
wie zij wil; maar ik wil eerst onderworpenheid hebben.—Carker” zeide
Dombey, de buitengewone aandoening smorende, waarmede hij gesproken
had, en een toon aannemende meer gelijk aan dien waarmede hij gewoon
was zijne grootheid te doen gelden, “gij zult wel zoo goed zijn om dit
punt niet over te slaan of in de schaduw te houden, maar het is als een
zeer gewichtig gedeelte van uwe instructie te beschouwen.”
Carker boog zijn hoofd en stond van de tafel op. Peinzend voor het vuur
staande, met de hand aan zijne gladde kin, keek hij op Dombey neer met
de boosaardige slimheid van een middeleeuwsch beeldsnijwerk, half
mensch half dier, of een grijnzend gezicht aan eene ouderwetsche
gootpijp. Dombey, langzamerhand zijne bedaardheid herkrijgende, of
zijne aandoening smorende met de gedachte dat hij nu eene verhevene
positie had genomen, zat trapsgewijze weder op te stijven, en keek naar
den papegaai, die in zijn grooten trouwring hing te slingeren.
“Neem mij niet kwalijk,” zeide Carker, na eene poos van stilte, zich
eensklaps weder op zijn stoel zettende, en dien tegenover Dombey
schuivende, “maar laat ik u wel begrijpen. Mevrouw Dombey draagt kennis
van de waarschijnlijkheid dat ik het orgaan van uw ongenoegen zal
zijn?”—“Ja,” antwoordde Dombey “dat weet zij.”—“Ja wel,” hervatte
Carker. “Maar waarom weet zij dat?”—“Waarom?” herhaalde Dombey, niet
zonder aarzeling. “Omdat ik het haar gezegd heb.”—“Ja wel,” zeide
Carker wederom. “Maar waarom hebt gij haar dat gezegd? Gij ziet wel,”
vervolgde hij, met een glimlach, en zijne fluweelen hand op Dombey’s
arm leggende, gelijk eene kat hare ingetrokken klauwen had kunnen doen,
“als ik volkomen begrijp wat gij bedoelt, is het des te
waarschijnlijker dat ik nuttig zal kunnen zijn en het geluk hebben om u
wezenlijk dienst te doen. Ik geloof dat ik u begrijp. Ik heb de eer
niet dat mevrouw Dombey eene goede meening van mij heeft. In mijne
positie heb ik wel geene reden om dat te verwachten; maar ik houd het
er nu maar zoo voor, dat zij geene goede meening van mij
heeft.”—“Misschien wel niet,” zeide Dombey.—“Bij gevolg,” hervatte
Carker, “zal het deze dame bijzonder ongevallig zijn, dat gij haar door
mij deze boodschap zendt?”—“Het komt mij voor,” zeide Dombey, met
trotsche stijfheid, maar toch met zekere verlegenheid, “dat mevrouw
Dombey’s gedachten van de zaak tusschen u en mij eigenlijk niet in
aanmerking behoefden te komen, Carker. Maar het kan toch wel zoo
zijn.”—“En—neem mij niet kwalijk—begrijp ik u verkeerd,” zeide Carker,
“als ik denk dat gij daarin een geschikt middel vindt om mevrouw
Dombey’s trots te vernederen—ik gebruik het woord trots om eene
hoedanigheid aan te duiden, die, in behoorlijke perken gehouden, eene
dame, zoo uitstekend door schoonheid en talenten, tot eer en sieraad
strekt—en, ik wil niet zeggen haar te straffen, maar om haar tot die
onderworpenheid te brengen, die gij zoo natuurlijk en billijk van haar
vordert?”—“Ik ben niet gewoon, Carker, gelijk gij wel weet,” zeide
Dombey, “om zulke omstandige redenen te geven voor iets dat ik voegzaam
acht te doen; maar ik wil toch niets daarvan tegenspreken. Indien gij
een daarop gegrond bezwaar hebt, zoo is dat geheel iets anders, en het
enkele zeggen dat gij zulk een bezwaar hebt zal voldoende zijn. Maar ik
heb niet gedacht, moet ik bekennen, dat een vertrouwelijke last, dien
ik u opdroeg, u zou kunnen vernederen...”—“O, ik vernederd!” riep
Carker uit. “In uw dienst!”—“Of u in eene valsche positie zou kunnen
plaatsen,” vervolgde Dombey.—“Ik in eene valsche positie!” riep Carker
wederom uit. “Ik zal er trotsch op zijn—verrukt over zijn—als ik aan uw
vertrouwen mag beantwoorden. Ik had wel kunnen wenschen, moet ik
bekennen, dat ik de dame, aan wier voeten ik mijne nederige hulde zou
willen neerleggen—want is zij uwe vrouw niet!—geene nieuwe reden van
ongenoegen behoefde te geven; maar een wensch van u gaat natuurlijk
alle andere bedenkingen te boven. Buitendien, wanneer mevrouw Dombey
van die kleine dwalingen in haar oordeel is teruggekomen, die, als ik
zoo zeggen durf, bijna onvermijdelijk met het nieuwe van hare
omstandigheden gepaard moeten gaan, hoop ik dat zij in het geringe
deel, dat ik aan de zaak genomen heb, slechts een greintje—mijn ver
verwijderde kring geeft weinig gelegenheid voor meer—van mijn eerbied
voor u en mijne opoffering van alle andere bedenkingen voor u, zal
opmerken, waarvan het haar voorrecht en genoegen zal zijn, dagelijks
een schat van blijken te geven.”
Dombey scheen haar op dat oogenblik wederom te zien, met hare
uitgestrekte hand naar de deur wijzende, en in de zoetvoerige taal van
zijn vertrouweling een weergalm van hare woorden te hooren: “Niets kan
ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn!” Maar hij
zeide: “Zekerlijk; zonder twijfel.”—“Er is niets meer?” zeide Carker,
zijn stoel weder naar zijne oude plaats schuivende—want zij hadden nog
maar weinig van het ontbijt gebruikt—en op een antwoord wachtende eer
hij weder ging zitten.—“Niets behalve dit,” zeide Dombey. “Gij zult wel
zoo goed zijn om op te merken, Carker, dat geene boodschap, waarmede
gij aan mevrouw Dombey belast zijt, eenig antwoord toelaat. Gij zult
wel zoo goed zijn om mij geen antwoord te brengen. Mevrouw Dombey is
onderricht dat het mij niet voegt, met haar te temporiseeren of te
onderhandelen over iets, waarover wij het niet eens mochten zijn, en
dat, wat ik zeg, beslissend is.”
Carker gaf nog eens te kennen dat hij zijne taak begreep en aanvaardde,
en zij gingen nog eens aan het ontbijt met zooveel trek als zij hadden.
De Slijper, die weldra verscheen, hield ook wederom zijne oogen met
eerbiedigen angst op zijn meester gevestigd. Na het ontbijt werd
Dombey’s paard weder voorgebracht, Carker besteeg insgelijks het zijne,
en zij reden te zamen naar de stad.
Carker was zeer vroolijk en praatte veel. Dombey hoorde hem aan met het
vorstelijke voorkomen van iemand, die recht had om zich te laten
onderhouden, en verwaardigde zich nu en dan eenige weinige woorden te
spreken om het gesprek voort te zetten. Zoo reden zij eigenaardig
genoeg met elkander voort. Maar Dombey reed in zijne deftigheid met
zeer lange stijgbeugels en een zeer lossen teugel, en verwaardigde zich
zeer zelden om te zien waar zijn paard de pooten zette. Ten gevolge
daarvan gebeurde het dat Dombey’s paard, terwijl het vrij hard draafde,
over eenige losse steenen struikelde, hem afsmeet, over hem heen rolde,
en met de ijzeren hoeven in het rond spartelende om weder op te komen,
hem een schop gaf.
Carker, vlug van oog, vast van hand en een goed ruiter, was dadelijk op
den grond en trok het spartelende paard in een oogenblik bij de teugels
overeind. Anders zou de vertrouwelijke mededeeling van dien morgen wel
de laatste voor Dombey zijn geweest. Maar terwijl de drift van deze
beweging zijne wangen nog kleurde, boog hij zich over zijn op den grond
liggenden gebieder, en mompelde zoo bukkende: “Nu heb ik mevrouw Dombey
goede reden gegeven om kwaad op mij te zijn, als zij het wist.”
Daar Dombey bewusteloos was en aan het hoofd en het gezicht bloedde,
werd hij, op aanwijzing van Carker, door eenige werklieden naar de
naaste herberg gebracht, die niet veraf was; en daar werd hij spoedig
door verscheidene chirurgijns bezocht, die van alle kanten aankwamen en
door een geheimzinnig instinct schenen gelokt te worden, evenals men
zegt dat de gieren zich om een kameel verzamelen, die in de woestijn
sterft. Na hem met eenige moeite weder tot bewustheid gebracht te
hebben, onderzochten deze heeren zijne kwetsuren. Een chirurgijn, die
dichtbij woonde, was sterk voor eene samengestelde beenbreuk, van welk
gevoelen de kastelein insgelijks was; maar twee chirurgijns, die veraf
woonden, en slechts toevallig in de nabijheid waren, bestreden deze
meening met zooveel belangeloosheid, dat men eindelijk besliste, dat de
patiënt, hoewel erg geschaafd en gekneusd, geene beenderen gebroken had
behalve eene korte rib of zoo, en wel voorzichtig naar huis kon
gebracht worden. Toen hij verbonden was, waarmede men lang werk had, en
eindelijk lag te rusten, steeg Carker wederom te paard en reed heen om
thuis bericht te brengen.
Listig en boosaardig als zijn gezicht zelfs op den besten tijd was,
hoewel het, wat vorm en regelmatigheid van trekken betrof, een
welgemaakt gezicht mocht heeten, stond het listiger en boosaardiger dan
ooit; bezield door zijne booze gedachten—veeleer gedachten aan
verwijderde mogelijkheden dan plannen of raadslagen—reed hij alsof hij
op eene menschenjacht was. Eindelijk de teugels aanhoudende, toen hij
een meer bezochten weg bereikte, dwong hij zijn paard met witte pooten
om, volgens gewoonte, zachtjes voort te trippelen, en verborg hij zich
zelven zoo goed hij kon onder zijne kruiperige vriendelijkheid en zijn
ivoren glimlach.
Hij reed recht naar Dombey’s huis, stapte voor de deur af, en verzocht
mevrouw Dombey over eene zaak van gewicht te mogen spreken. De knecht,
die hem in Dombey’s eigene kamer had gelaten, kwam spoedig terug om te
zeggen dat het mevrouw Dombey’s uur niet was om bezoek te ontvangen, en
verzocht hem het niet kwalijk te nemen dat hij dit niet dadelijk had
gezegd.
Carker, die zich wel op eene koele ontvangst had voorbereid, schreef op
een kaartje dat hij de vrijheid moest nemen om op een onderhoud aan te
dringen, en niet zoo stout zou zijn om dit voor de tweede maal (dit
onderstreepte hij) te doen, als hij niet zeker wist dat de aanleiding
voldoende was om hem te rechtvaardigen. Na eene korte poos wachtens,
kwam mevrouw Dombey’s kamenier en bracht hem naar eene kamer boven,
waar Edith en Florence bij elkander zaten.
Hij had Edith nooit voorheen half zoo schoon gevonden. Hoezeer hij ook
de bekoorlijkheden van haar gelaat en hare gestalte bewonderde, en die
nog versch in zijne zinnelijke herinnering lagen, had hij haar nog
nooit half zoo schoon gevonden.
Haar blik was trotsch naar de deur gericht toen hij binnenkwam; maar
hij zag naar Florence—hoewel slechts even, terwijl hij voor haar
boog—en onwillekeurig duidde hij daarbij het gevoel der nieuwe macht
aan, die hij bezat; en hij had het genoegen van te zien, dat Edith’s
blik voor den zijnen zwichtte, en dat zij half opstond om hem te
ontvangen.
Het speet hem zeer; hij kon niet zeggen hoe ongaarne hij kwam om haar
op de tijding van een gering ongeluk voor te bereiden. Hij bad mevrouw
Dombey om bedaard te blijven. Op zijn heilig woord van eer, er was
geene reden om zich ongerust te maken. Maar mijnheer Dombey...
Florence gaf plotseling een gil. Hij zag niet naar haar, maar naar
Edith. Edith stelde haar gerust. Zij gaf geen kreet van droefheid en
schrik. Neen, zeker niet.
Dombey had bij het rijden een ongeluk gekregen. Zijn paard was
uitgegleden en had hem afgeworpen.
Florence riep met woesten angst, dat hij zeker zwaar gekwetst, dat hij
dood was!
Neen. Op zijne eer, mijnheer Dombey, hoewel eerst bedwelmd, was spoedig
bijgekomen, en hoewel inderdaad gekwetst, was in geen gevaar. Als dit
de waarheid niet was, zou hij, de bedroefde indringer, nooit den moed
gehad hebben om zich voor mevrouw Dombey te vertoonen. Het was
inderdaad de waarheid, verzekerde hij haar plechtig.
Dit alles zeide hij alsof hij Edith en niet Florence antwoordde, en met
zijne oogen en zijn glimlach op Edith gevestigd.
Daarna verhaalde hij haar waar Dombey lag, en verzocht dat er een
rijtuig tot zijne beschikking mocht gesteld worden om hem naar huis te
brengen.
“Mama,” stamelde Florence schreiend, “als ik durfde gaan!”
Carker, die, terwijl hij deze woorden hoorde, zijne oogen op Edith had,
gaf haar een geheimen blik en schudde even zijn hoofd. Hij zag hoe zij
met zich zelve streed, eer zij hem met hare schoone oogen antwoordde;
maar hij ontwrong haar toch dat antwoord—hij toonde haar dat hij het
wilde hebben; of dat hij hardop zou spreken en Florence het hart
doorgrieven—en zij gaf het hem. Evenals hij des morgens de schilderij
had aangezien, zoo zag hij naderhand haar aan, toen zij hare oogen
afwendde.
“Ik moet verzoeken,” zeide hij, “dat de nieuwe huishoudster—mevrouw
Pipchin heet zij, geloof ik...”
Niets ontging hem. Hij zag terstond dat het eene andere beleediging was
die Dombey zijne vrouw had aangedaan.
“Onderricht mag worden, dat mijnheer Dombey verlangt dat er een bed
voor hem gereedgemaakt worde in zijne eigene kamer beneden, daar hij
dat apartement boven alle andere verkiest. Ik zal bijna onmiddellijk
naar mijnheer Dombey terugkeeren. Dat er alle mogelijke zorg voor hem
is en wordt gedragen, mevrouw, behoef ik u niet te verzekeren. Laat ik
nog eens mogen zeggen, er is geene reden voor de minste bekommering.
Zelfs gij moogt volkomen gerust wezen, geloof mij.”
Hij ging buigend heen, met de grootst mogelijke vertooning van eerbied
en vriendelijkheid; en toen hij nog eens naar Dombey’s kamer was
geweest, en daar had afgesproken dat hem eene koets naar de City zou
worden nagezonden, steeg hij weder te paard en reed langzaam daarheen.
Hij was zeer nadenkend onder het rijden, en zeer nadenkend terwijl hij
in de City wachtte, en zeer nadenkend in de koets onderweg naar de
plaats waar hij Dombey gelaten had. Het was eerst toen hij bij de
legerstede van dien heer zat, dat hij weder naar zich zelven begon te
gelijken en toonde dat hij tanden had.
Tegen schemeravond werd Dombey, zeer stijf en vol pijn, in de koets
geholpen, en met mantels en kussens gesteund op de eene bank gezet,
terwijl zijn vertrouwde gelastigde hem op de andere bank gezelschap
hield. Daar hij niet geschokt mocht worden, reed men weinig harder dan
stapvoets, en zoo was het geheel donker eer hij thuis werd gebracht.
Mevrouw Pipchin, stuursch en spijtig en nooit de mijnen van Peru
kunnende vergeten, gelijk het huishouden maar al te wel wist, ontving
hem aan de deur en verfrischte de dienstboden met een gesprenkel van
woorden-azijn, terwijl zij hem naar zijne kamer hielpen dragen. Carker
bleef bij hem tot hij veilig in bed lag, en daar de zieke geen ander
vrouwelijk bezoek wilde ontvangen dan dat zijner huishoudster, begaf
hij zich nog eens naar mevrouw Dombey, om haar bericht van den toestand
des lijders te brengen.
Wederom vond hij Edith met Florence alleen, en wederom richtte hij
zijne geheele troostende aanspraak tot Edith, alsof zij door den
teedersten angst werd gemarteld. Zoo ernstig was zijn eerbiedig
medelijden, dat hij bij het afscheidnemen waagde—met nog een blik naar
Florence op het oogenblik—hare hand te vatten en die met zijne lippen
aan te raken.
Edith trok hare hand niet terug, en gaf er hem geen slag mede in het
effene gezicht, ondanks den gloed op hare wangen en het flikkerende
licht in hare oogen. Maar toen zij alleen op hare kamer was, sloeg zij
die hand tegen den marmeren schoorsteenmantel, zoodat zij van dien
eenen slag gekneusd werd en bloedde, en hield ze van haar af, naar het
vuur, als had zij ze wel daarin willen steken en verbranden.
Tot laat in den nacht zat zij bij het uitgebrande vuur, in donkere,
dreigende schoonheid, naar de zwarte schaduwen op den muur ziende,
alsof hare gedachten tastbare lichamen waren, en die schaduwen daar
wierpen. Welke vormen van beleediging en smaad, en van dingen die
mogelijk konden gebeuren, ook onduidelijk en reusachtig voor haar
flikkerden, het was ééne hatelijke gedaante die ze tegen haar in de
wapens bracht. En die gedaante was haar echtgenoot.