NIEUWE STEMMEN OVER DE GOLVEN.

Alles loopt voort als naar gewoonte. De golven worden schor door het

gedurig herhalen van haar geheim; het zand ligt op de kust opgewaaid;

de zeevogels zwieren en zweven; de winden en wolken snellen op hunne

spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den maneschijn, naar het

verre, onzichtbare land.

Met een teeder weemoedig genoegen wandelt Florence weder over den ouden

grond, dien zij zoo treurig en toch zoo gelukkig heeft betreden, en

denkt aan hem op de stille plek, waar hij en zij zoo dikwijls te zamen

hebben gesproken, terwijl het water om zijn rustbedje opkwam. En nu,

terwijl zij daar zit te peinzen, hoort zij in het zachte gemurmel der

zee zijne korte geschiedenis nog eens verhalen, zelfs zijne eigene

woorden herhalen; en vindt zij, dat geheel haar leven met al de hoop en

smart daarvan—in het eenzame huis en in het prachtige paleis waarin het

veranderd is—in de tonen van dat wonderbare gezang worden afgeschaduwd.

En de zachtzinnige Toots, die op een afstand blijft dralen, en de

gedaante, die hem zoo dierbaar is, oplettend gadeslaat, en ze daarheen

gevolgd is, maar uit kieschheid niet op zulk een tijd wil storen, hoort

insgelijks den lijkzang van den kleinen Dombey over de golven, rijzende

en dalende in de tusschenpoozen van haar eeuwig loflied op Florence.

Ja, hij begrijpt flauw, die arme Toots, dat zij iets zeggen van een

tijd toen hij wist dat hij helderder van hoofd en vlugger van begrip

was, en tranen komen hem in de oogen, wanneer de vrees, dat hij nu bot

en dom is, en tot weinig meer deugt, dan om uitgelachen te worden,

zijne blijdschap vermindert over de streelende herinnering dat hij voor

het tegenwoordige van zijne verantwoording aan den Kemphaan is

ontheven, daar deze heer (op kosten van Toots) naar het land is om zich

op zijn grooten wedstrijd tegen een anderen vermaarden bokser voor te

bereiden.

Doch Toots vat moed, wanneer zij hem eene goede gedachte toefluisteren;

en langzaam, dikwijls onderweg besluiteloos stilstaande, nadert hij

Florence. Stotterend en blozend, veinst hij zich te verwonderen, als

hij bij haar komt, en zegt (terwijl hij de koets waarin zij reed den

geheelen weg van Londen over duin voor duin heeft gevolgd, zich gaarne

het stof van de wielen in de keel latende vliegen) dat hij nooit in

zijn leven zoo verrast is.

“En gij hebt Diogenes ook meegebracht, jufvrouw Dombey!” zegt Toots,

doortinteld door de aanraking van het handje dat hem zoo vriendelijk en

vrijmoedig gegeven wordt.

Zonder twijfel is Diogenes daar, en zonder twijfel heeft Toots reden

gehad om hem op te merken, want hij komt recht op zijne beenen

afstuiven, en duikelt over zijn kop, door de vaart waarmede hij op hem

aanvliegt. Maar hij wordt door zijne lieve meesteres gestuit.

“Koest, Di, koest! Weet gij niet meer wie ons het eerst vrienden heeft

gemaakt, Di? Foei, schaam u!”

Ja, wel mag Di zijn kop liefkoozend tegen haar hand drukken, en

voortrennen, en terugkomen, en blaffend om haar heendraven, en

blindelings tegen iedereen aanloopen, om zijne gehechtheid te toonen.

Toots zou ook wel blindelings tegen iedereen willen aanloopen. Een

officier wandelt voorbij; Toots zou niets liever willen doen dan hem

bot tegen het lijf loopen.

“Diogenes is hier in zijne geboortelucht, niet waar, jufvrouw Dombey?”

zegt Toots.

Florence antwoordt met een knikje en een vriendelijk lachje.

“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots, “neem mij niet kwalijk, maar als gij

gaarne eens naar doctor Blimber zoudt willen gaan, ik—ik ga naar hem

toe.”

Florence steekt zonder een woord te spreken haar arm door dien van

Toots, en zij wandelen te zamen voort, terwijl Diogenes vooruitloopt.

Toots voelt zijne beenen onder hem beven; en hoewel hij keurig gekleed

is, voelt hij slecht passende plekken en ziet hij rimpels aan de

meesterstukken van Burgess en Comp., en wenscht hij dat hij de

blinkendste laarzen aanhad.

Het huis van doctor Blimber ziet er van buiten even geleerd en deftig

uit als voorheen; en daar omhoog is een venster waar zij naar het

bleeke gezichtje placht te zien, en waar het bleeke gezichtje

ophelderde als het haar zag, en het uitgeteerde handje haar kussen

toewierp als zij voorbijging. De deur wordt geopend door hetzelfde

jonge mensch met slechte oogen, wiens dom gegrinnik op het gezicht van

Toots de gepersonifiëerde flauwheid is. Zij worden in de studeerkamer

des doctors gelaten, waar de blinde Homerus en Minerva hun, gelijk

voorheen, audiëntie geven, onder het tikken der groote klok in het

voorhuis; en waar de globes nog op hare gewone plaatsen staan, alsof de

wereld ook stilstond, en niets daarin ooit verging en aan de algemeene

wet gehoorzaamde, die de aarde doet voortrollen en alles tot de aarde

terugroept.

En daar is doctor Blimber met zijne geleerde beenen; en daar is mevrouw

Blimber met hare hemelsblauwe muts; en daar is Cornelia met haar

vlasblond rijtje krullen, en haar schitterenden bril, die nog als een

doodgraver in de knekelhuizen van talen werkt. Daar is de tafel waarop

hij eens zat, vreemd en verlegen, als de “nieuweling” van de school; en

men hoort in de verte het gerucht der jongens, die nog in de oude

schoolkamer op de oude manier aan hunne oude lessen zijn.

“Toots,” zegt doctor Blimber, “het doet mij genoegen u te zien, Toots.”

Toots antwoordt door eens te grinniken.

“En ook u in zoo goed gezelschap te zien, Toots,” zegt doctor Blimber.

Toots zegt met een bloedrood gezicht, dat hij jufvrouw Dombey toevallig

heeft ontmoet, en dat, daar jufvrouw Dombey, evenals hij zelf, het oude

huis nog eens wenschte te zien, zij te zamen gekomen zijn.

“Gij zult ook zeker gaarne onze jonge vrienden nog eens willen zien,

jufvrouw Dombey,” zegt doctor Blimber. “Allen eens medeleerlingen van

u, Toots. Ik geloof dat wij geene nieuwe bewoners van onzen kleinen

porticus hebben gekregen, lieve,” zegt doctor Blimber tot Cornelia,

“sedert mijnheer Toots ons verlaten heeft.”—“Behalve Bitherstone,” zegt

Cornelia.—“Ja, waarlijk,” zegt de doctor. “Bitherstone zal mijnheer

Toots nog nieuw zijn.”

Voor Florence is hij ook bijna nieuw, want in de schoolzaal vertoont

zich Bitherstone—niet langer de kleine Bitherstone van mevrouw

Pipchin—als drager van boordjes en een horloge. Maar Bitherstone, onder

een ongelukkig Bengaalsch gestarnte geboren, is buitengemeen inkterig,

en zijn Lexicon is door gedurig nazoeken zoo weerbarstig geworden dat

het niet meer sluiten wil, en gaapt alsof dat gemaal het doodelijk

verveelde. Zoo doet ook Bitherstone, de eigenaar van dat gapende

Lexicon, maar Bitherstone’s gapen heeft iets kwaadaardigs, en men heeft

hem hooren zeggen te wenschen dat hij dien “ouden Blimber” maar eens in

Indië betrapte. Dan zou hij gauw door een troepje van zijne

(Bitherstone’s) Coolies landwaarts ingebracht en aan de Thugs

overgeleverd worden; dat kan hij hem zeggen.

Briggs is nog aan het malen in den molen der wetenschap, en Tozer ook,

en Johnson ook, en al de anderen; de oudste leerlingen zijn

voornamelijk bezig om met verbazenden arbeid alles te vergeten wat zij

wisten toen zij jonger waren. Allen zijn zoo beleefd en zoo bleek als

ooit, en onder hen is mijnheer Feeder, met zijne knokkige handen en

zijn borstelig hoofd, nog even ijverig aan het draaiorgelen; hij speelt

hun nu juist een brok uit Herodotus voor, en zijne rollen ter

verwisseling liggen op eene plank achter hem.

Er ontstaat eene geweldige opschudding, zelfs onder deze ernstige jonge

heeren, door het bezoek van den geëmancipeerden Toots, die met zeker

ontzag wordt aangestaard, als een die den Rubicon is overgetrokken en

zijn woord heeft verpand om nooit terug te komen, en over wiens kleeren

en juweelen achter de hand wordt gefluisterd. De galachtige

Bitherstone, die niet uit den tijd van Toots is, veinst dezen te

verachten, en zegt dat hij wel beter weet, en dat hij hem wel eens in

Bengalen met die dingen wilde zien aankomen, waar zijne moeder een

smaragd voor hem bewaart, die uit het voetbankje van een Radja is

genomen.

Verbijsterende aandoeningen worden insgelijks door het gezicht van

Florence opgewekt, op welke al de jonge heeren dadelijk verlieven;

behalve wederom Bitherstone, die dit, uit geest van tegenspraak, niet

doen wil. Er ontstaat eene bittere wangunst op Toots, en Briggs is van

gedachte dat hij toch nog zoo oud niet is. Maar deze kwaadsprekende

inblazing wordt spoedig daardoor te schande gemaakt dat Toots hardop

tot mijnheer Feeder zegt: “Hoe gaat het, Feeder?” en hem vraagt om dien

middag in de Bedford bij hem te komen eten; welke bedrijven hem in

staat zouden stellen om zich, als hij verkoos, zonder tegenspraak voor

een Methusalem uit te geven.

Er wordt veel hand gegeven en veel gebogen, en alle jonge heeren doen

hun best om Toots in de gunst van jufvrouw Dombey te verdringen; en dan

grinnikt Toots nog eens tegen zijn ouden lessenaar, en gaan Florence en

hij met mevrouw Blimber en Cornelia heen, en wanneer doctor Blimber de

deur achter hen sluit, hoort men hem zeggen: “Jonge heeren, nu zullen

wij onze studiën hervatten.” Want dit en weinig anders is het wat de

doctor de zee hoort zeggen, of al zijn leven heeft hooren zeggen.

Florence glipt dan heen en gaat met mevrouw Blimber en Cornelia naar

boven naar de oude slaapkamer. Toots, die gevoelt dat hij daar niet te

maken heeft, blijft in de deur der studeerkamer met den doctor staan

praten, of liever hoort den doctor tegen hem praten, en verwondert zich

hoe hij de studeerkamer ooit voor een heiligdom en den doctor voor een

geducht persoon hield. Florence komt spoedig weder beneden en neemt

afscheid, en Toots neemt afscheid, en Diogenes, die het ondertusschen

het jonge mensch met slechte oogen zeer lastig heeft gemaakt, schiet de

deur uit en rent uitdagend blaffende de hoogte af, terwijl Melia en

eene andere meid uit een bovenvenster kijken en om “dien Toots” lachen,

en van jufvrouw Dombey zeggen: “Maar waarlijk—lijkt zij niet op haar

broertje, behalve dat zij mooier is?”

Toots, die, toen Florence weder beneden kwam, tranen op hare wangen

heeft gezien, is doodelijk ongerust, en vreest in het eerst dat hij

verkeerd heeft gedaan, met haar dit bezoek voor te stellen. Maar weldra

wordt hij van zijne vrees ontslagen; daar zij zegt zeer blijde te zijn

dat zij daar geweest is, en er zeer opgeruimd over praat, terwijl zij

langs de zee voortwandelen. De stemmen uit die zee en hare lieve stem

overweldigen Toots zoodanig, dat hij, wanneer zij bij het door Dombey

gehuurde huis komen, en hij haar verlaten moet geen aasje vrijen wil

meer over heeft; als zij hem tot afscheid de hand geeft, kan hij die

niet weder loslaten.

“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots zeer onthutst, “neem mij niet kwalijk,

maar als gij zoo goed woudt zijn om—om—”

Het lachende, argelooze gezichtje van Florence doet hem bot

stilzwijgen.

“Als ik mocht—als gij het voor geene al te groote vrijpostigheid zoudt

houden, jufvrouw Dombey, als ik—zonder mij eenigszins aan te moedigen,

als ik maar hopen mocht, weet gij,” zegt Toots.

Florence ziet hem vragend aan.

“Jufvrouw Dombey,” hervatte Toots, die gevoelt dat hij nu meer moet

zeggen, “ik ben waarlijk in zulk een gemoedstoestand, als ik u zie, en

u zoo aanbiddelijk vind, dat ik niet weet waar ik zal blijven. Ik ben

de beklagenswaardigste ellendeling. Als ik nu niet op den hoek van het

Plein was, zou ik op mijne knieën vallen, en u bidden en smeeken,

zonder mij eenige aanmoediging te geven, om mij maar te laten hopen—om

het maar voor mogelijk te mogen houden dat gij...”—“Och neen, als het u

belieft. Zeg niets meer. Als eene goedheid en vriendelijkheid voor mij,

zeg niets meer.”

Toots is schrikkelijk uit het veld geslagen, en zijn mond blijft

openstaan.

“Gij zijt goed voor mij geweest,” zegt Florence, “ik ben u zoo

dankbaar, ik heb zooveel redenen om van u te houden, omdat gij zulk een

vriend voor mij geweest zijt, en ik houd zooveel van u,” en hier ziet

zij hem vriendelijk glimlachend aan met het oprechtste gezichtje van de

wereld, “dat ik mij zeker houd dat gij alleen maar goedendag gaat

zeggen.”—“Zekerlijk, jufvrouw Dombey. Ik—ik—dat is juist wat ik meen.

Het is van geen beduiden.”—“Goedendag dan,” zegt Florence.—“Goedendag,

jufvrouw Dombey,” stottert Toots. “Ik hoop dat gij er maar niet meer om

zult denken. Het is—het is van geen belang. Wel bedankt. Het is van

geen het minste belang.”

De arme Toots gaat naar zijn logement, sluit zich in zijne slaapkamer

op, werpt zich op zijn bed, en blijft daar een langen tijd liggen, zoo

wanhopig alsof het toch wel van het grootste belang was. Maar mijnheer

Feeder komt bij hem eten, en dit is gelukkig voor Toots, of men had

niet kunnen weten wanneer hij zou zijn opgestaan. Toots is nu

genoodzaakt op te staan om hem te ontvangen en gastvrij te onthalen.

En de milde invloed dier maatschappelijke en gezellige deugd, de

gastvrijheid (om niet van den wijn en de goede tafel te spreken), opent

het hart van Toots en maakt hem warm genoeg om te spreken. Hij vertelt

Feeder wel niet wat er op den hoek van het Plein is voorgevallen; maar

wanneer Feeder hem vraagt “wanneer het zal plaats hebben,” antwoordt

Toots, “dat er zekere dingen zijn,” hetgeen Feeder terstond in zijne

schulp doet kruipen. Toots voegt er bij, dat hij niet weet waarom het

Blimber vrijstond op te merken dat hij in jufvrouw Dombey’s gezelschap

was, en dat, als hij dacht dat hij dat zoo onbescheiden gemeend had,

hij hem zou uitdagen, hij mocht doctor wezen of niet; maar dat hij

gelooft dat het alleen zijne onkunde is geweest, waaraan Feeder zegt

niet te twijfelen.

Feeder evenwel, als een vertrouwd vriend, behoeft niet buiten de zaak

te worden gehouden. Toots vordert alleen dat er met zekere

geheimzinnigheid en met gevoel over gesproken zal worden. Na eenige

glazen wijn te hebben gedronken, stelt hij jufvrouw Dombey’s gezondheid

in, en zegt: “Feeder, gij hebt geen denkbeeld van de gevoelens waarmee

ik dien toast instel.” Feeder antwoordt: “O ja, dat heb ik wel, mijn

beste Toots; en zij strekken u zeer tot eer, oude jongen.” Feeder wordt

dan aangedaan van vriendschap, en geeft Toots de hand, en zegt, als

Toots ooit een broeder noodig heeft, weet hij waar hem te vinden,

hetzij over den post of met een pakje. Feeder zegt insgelijks, dat hij,

als hij een raad mocht geven, Toots zou raden om de guitar te leeren,

of ten minste de fluit; want vrouwen houden veel van muziek, als men

zijn hof bij haar maakt, en hij heeft zelf het voordeel daarvan

ondervonden.

Dit brengt Feeder tot de bekentenis dat hij een oog op Cornelia Blimber

heeft. Hij onderricht Toots dat hij niet tegen den bril heeft, en dat,

als de doctor eens gul wilde zijn en de zaken overdeed, wel, dan waren

zij bezorgd. Hij zegt van gedachten te zijn dat iemand, als hij met

zijne zaken eene goede som gewonnen heeft, verplicht is ze over te

doen; en dat Cornelia eene helpster in de zaak zou zijn, waarop

iedereen trotsch zou mogen wezen. Toots antwoordt met eene hoogdravende

lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij

somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten.

Feeder poogt hem te beduiden dat dit eene roekeloosheid zou zijn, en

als een middel om hem met het leven te verzoenen, vertoont hij hem

Cornelia’s portret, met bril en al.

Aldus slijten deze goede lieden den avond; en wanneer deze voor den

nacht heeft plaats gemaakt, gaat Toots met Feeder mede, en brengt hem

tot voor de deur van doctor Blimber. Doch Feeder gaat maar de stoep op,

en als Toots weg is, komt hij er weder af, om eene eenzame wandeling

langs het strand te doen en over zijne vooruitzichten te denken. Hij

hoort, terwijl hij voortkuiert, de golven hem duidelijk onderrichten,

dat doctor Blimber de zaak wel zal overdoen; en hij vindt er een zacht

romanesk genoegen in om het huis van buiten te beschouwen, en te denken

dat de doctor het eerst wel zal laten verven en goed repareeren.

Toots dwaalt insgelijks op en neer, in de nabijheid van het koffertje

dat zijn juweel bevat; en in een jammerlijken gemoedstoestand, en niet

zonder den achterdocht der politie op te wekken, tuurt hij naar een

venster waar hij licht ziet, en hetwelk hij niet twijfelt of het is dat

van Florence. Maar dat is het niet, want het is van mevrouw Skewton’s

kamer; en terwijl Florence in eene andere kamer ligt te slapen, en

genoeglijk droomt van de oude tooneelen, en al hare oude herinneringen

weder herleven, ligt daar eene gedaante, welke de barre werkelijkheid

in dat vertrek voor die van het geduldige zieke kind in de plaats heeft

gesteld—om het nog eens, maar hoe anders! met ziekte en dood in verband

te brengen—slapeloos te morren en te klagen. Afzichtelijk leelijk ligt

zij daar op haar bed van onrust; en daarbij, in schrikkelijke, strakke

schoonheid,—want zij is schrikkelijk in de verflauwde oogen der

lijderes—zit Edith. Wat zeggen de golven in de stilte van den nacht tot

deze twee!

“Edith, wat is die steenen arm, die dreigt om mij te slaan? Ziet gij

hem niet?”—“Het is niets dan uwe verbeelding, moeder.”—“Mijne

verbeelding! Alles is mijne verbeelding. Zie! Is het mogelijk dat gij

hem niet ziet!”—“Inderdaad, moeder, er is niets. Zou ik zoo

onverschillig blijven zitten, als er zoo iets was?”—“Onverschillig?”

haar woest aanziende. “Nu is hij weg. En waarom zijt gij zoo

onverschillig? Dat is geene verbeelding van mij, Edith. Ik word er koud

van dat ik u zoo zie zitten.”—“Dat spijt mij, moeder.”—“Spijten! Gij

schijnt altijd iets te hebben dat u spijt. Maar ik ben het niet!”

Daarmede begint zij te huilen, en werpt haar rusteloos hoofd op het

kussen heen en weder, en prevelt over verwaarloozing, en welk eene

moeder zij geweest is, en welk eene moeder die goede oude ziel was, die

zij ontmoet hebben, en hoe ondankbaar de dochters van zulke moeders

zijn. In het midden van dat verwarde gerevel houdt zij op, ziet hare

dochter aan, roept dat zij niet recht meer bij hare zinnen is, en

verbergt haar gezicht in het dek.

Edith buigt zich medelijdend over haar heen en spreekt haar toe. De

zieke oude vrouw slaat de armen om haar hals en zegt met een blik vol

angst:

“Edith, wij gaan toch gauw weer naar huis? Gij denkt immers ook dat wij

weer naar huis zullen gaan?”—“Ja, moeder, ja.”—“En wat hij zeide—hoe

heet hij ook weer, ik heb nooit namen kunnen onthouden—de majoor—dat

akelige woord, toen wij wegreden—dat is immers niet waar? Edith!” met

een gil, “dat is het toch niet dat mij dreigt!”

Nacht op nacht brandt het licht voor het venster en ligt de gedaante in

het bed, en zit Edith daarnaast, en roepen de rustelooze golven beiden

toe, den geheelen nacht lang. Nacht op nacht fluisteren de golven zich

schor met het gedurig herhalen van haar geheim; het zand wordt op het

strand opgewaaid; de zeevogels zweven en zwieren; de winden en wolken

vervolgen hunne spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den

maneschijn, naar het verre, onzichtbare land.

En altijd nog staart de zieke oude vrouw naar dien hoek, waar de

steenen arm—een stuk van een beeld op eene tombe, zegt zij—dreigend

opgeheven is om haar te slaan. Eindelijk valt de slag: en dan ligt er

eene sprakelooze oude vrouw in dat bed, krom ineengetrokken; en de

helft van haar is dood.

Dit is de gedaante die, opgelapt en opgeschilderd, om door de zon te

worden bespot, dag aan dag langzaam door de menigte wordt getrokken, en

onderweg uitkijkt naar de goede ziel die zulk eene moeder was, en

gezichten trekt als zij vruchteloos zoekt. Dit is de gedaante die

dikwijls naar den zeekant wordt gekrooien en daar eenigen tijd gelaten,

maar welke geen wind kan verfrisschen, en voor welke het gemurmel der

golven geen troostend woord heeft. Zij ligt daar uren lang te

luisteren; maar die spraak is dreigend en somber voor haar, en haar

gezicht staat angstig; en als hare oogen in de ruimte rondzwerven ziet

zij niets anders dan eene breede streep hopelooze ledigheid tusschen

hemel en aarde.

Florence ziet zij zelden, en als zij haar ziet, maakt zij zich boos en

trekt gezichten. Edith is altijd bij haar en houdt Florence weg; en des

nachts in haar bed beeft Florence bij de gedachte aan den dood in zulk

eene gedaante, en wordt dikwijls wakker en luistert dan, en verbeeldt

zich dat hij gekomen is. Niemand past haar op dan Edith. Het is beter

dat maar weinige oogen haar zien; en hare dochter waakt alleen bij haar

bed.

Er komt eene schaduw zelfs over dat donkere gezicht, de scherpe trekken

worden nog scherper, de sluier over de oogen wordt een lijkkleed dat de

geheele wereld buitensluit. De over het dek zwervende handen drukken

flauw palm tegen palm, en bewegen zich naar hare dochter toe; en eene

stem—die niet naar de hare gelijkt, evenmin naar eenige andere die onze

sterfelijke taal spreekt—zegt: “Want ik heb u toch grootgebracht.”

Zonder een traan te laten, knielt Edith, om hare stem dichter bij het

zinkende hoofd te brengen, en antwoordt:

“Moeder, kunt ge mij hooren?”

Met wijd starende oogen, poogt zij tot antwoord te knikken.

“Kunt gij u den avond voor mijn trouwen herinneren?”

Het hoofd is roerloos, maar toch duidt het aan dat zij dit doet.

“Ik heb u toen gezegd dat ik u uw deel daaraan vergaf, en God bad mij

het mijne te vergeven. Ik zeide u toen dat het verledene tusschen ons

voorbij was. Ik zeg dat nu nog eens. Kus mij, moeder.”

Edith raakte de bleeke lippen aan. Voor een oogenblik is alles stil.

Een oogenblik later komt hare moeder, met haar meisjesachtig lachje en

het geraamte der Cleopatrahouding, in het bed overeind.

Schuif de rozekleurige gordijnen dicht. Er is nog iets anders uit op

eene spoorlooze baan, behalve de winden en wolken. Schuif de

rozekleurige gordijnen dicht.

Er wordt dadelijk kennisgeving aan Dombey gezonden, die neef Feenix

gaat opzoeken, die nog niet tot het besluit is kunnen komen om weder

naar Baden-Baden te gaan, en insgelijks bericht heeft ontvangen. Zulk

een goedaardig man als neef Feenix is juist de man voor eene bruiloft

of eene begrafenis, en zijne positie in de familie maakt het voegzaam

hem te raadplegen.

“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij

zulk eene droevige gelegenheid te zien. Mijne arme tante! Zij was zulk

eene drommels levendige vrouw.”

Dombey antwoordt: “Bijzonder.”—“En als zij wat opgeknapt was,” zegt

neef Feenix “was zij werkelijk nog jong, als men in aanmerking

nam.—Waarlijk, op den dag van uw trouwen dacht ik dat zij het nog wel

twintig jaar zou uithouden. Ik zeide dat zelfs nog tegen iemand in

mijne club—kleine Billy Joper—gij kent hem zeker wel—hij heeft altijd

een lorgnet voor zijn oog?”

Dombey buigt ontkennend. “Wat de begrafenis betreft,” begint hij, “als

gij eenige verkiezing mocht hebben....”—“Wel,” zegt neef Feenix, zijne

kin wrijvende, waartoe juist genoeg van zijne hand onder zijne

mouwboorden uitkomt, “dat weet ik waarlijk niet. Er is wel een

mausoleum in mijn park, maar ik vrees dat het in slechten staat is. Als

ik niet wat schraal bij kas was, had ik het al eens laten repareeren;

maar ik geloof dat tegenwoordig de menschen, die in het park komen

wandelen, wel eens binnen het hek gaan zitten ontbijten.”

Dombey begrijpt dat dit niet aangaat.

“Het dorp heeft eene heel goede kerk,” zegt neef Feenix peinzende, “een

model van den zuiveren vroegsten Anglo-Normandischen stijl, en waarvan

Lady Jane Finchbury—eene dame die zich heel stijf rijgt—eene mooie

schets heeft geteekend; maar zij hebben ze met witten bedorven, naar ik

hoor, en het is een verre weg.”—“Misschien Brighton zelf,” zegt Dombey,

om een wenk te geven.—“Op mijne eer, Dombey, ik geloof dat wij niet

beter konden doen,” zegt neef Feenix. “Dat is dichtbij ziet ge, en een

heel vroolijk plaatsje.”—“En wanneer,” zegt Dombey, “zou het

conveniëeren?”—“Ik wil mij gaarne gereed houden,” antwoordt neef

Feenix, “tegen den dag dien gij best vindt. Het zal een groot genoegen

voor mij zijn (een treurig genoegen, natuurlijk) om mijne arme tante

naar de grenzen der—kortom naar het graf te brengen,” zegt neef Feenix,

daar hem geene andere uitdrukking te binnen schiet.—“Zoudt gij maandag

uit de stad kunnen?” zegt Dombey.—“Maandag zou mij uitmuntend

schikken,” antwoordt neef Feenix.

Dombey maakt dus afspraak om neef Feenix op dien dag te laten

mederijden, en neemt weldra afscheid. Neef Feenix brengt hem tot aan de

trap en zegt bij het scheiden: “Het spijt mij waarlijk, Dombey, dat gij

er zooveel moeite van moet hebben;” waarop Dombey antwoordt: “Geheel

niet.”

Op den bepaalden tijd rijden neef Feenix en Dombey met elkander naar

Brighton, en met hun beiden al de andere rouwdragers over het verlies

der oude dame vertegenwoordigende, begeleiden zij haar overschot naar

de rustplaats. Neef Feenix, in de rouwkoets gezeten, herkent onderweg

ontelbare bekenden maar neemt, welstaanshalve, geene andere notitie van

hen, dan dat hij ze voor Dombey opleest, zooals: “Tom Johnson, met zijn

kurken been. Zoo, zijt ge hier, Tommy? Foley, op eene volbloedmerrie.

De meisjes van Smalder,”—enz. Bij de plechtigheid is neef Feenix

neerslachtig, en merkt aan, dat zulke gelegenheden iemand doen denken

dat hij ook wrak begint te worden; en nadat de plechtigheid is

afgeloopen, zijn zijne oogen waarlijk vochtig. Maar hij herstelt zich

weldra; en dat doen al de overige betrekkingen en vrienden van mevrouw

Skewton insgelijks, en de majoor vertelt in zijne club gedurig dat zij

zich nooit genoeg inbakerde; terwijl de jonge dame met den rug, die

zooveel moeite met hare oogleden heeft, met een gilletje zegt, dat zij

schrikkelijk oud moet zijn geweest, en aan allerlei akeligheden

gestorven moet zijn, en dat men er maar niet van spreken moet.

Zoo blijft dan Edith’s moeder onbesproken onder hare vriendinnen, die

doof zijn voor het gefluister der golven, en blind voor de witte armen,

die in den maneschijn naar het verre, onzichtbare land wenken. Maar

alles gaat voort, als naar gewoonte, op den oever der onbekende zee; en

Edith, die daar alleen staat en naar hare golven luistert, ziet

slibberig ontuig voor hare voeten opspoelen, om haar levensweg daarmede

te bestrooien.

Dombey en Zoon · 第 81 / 125 题