HUISELIJKE BETREKKINGEN.

Het lag niet in den aard der zaak dat een man als Dombey, tegen zulk

een geest overgesteld als hij tegen zich had opgeroepen, de

heerschzuchtige stroefheid van zijn karakter eenigszins zou verzachten;

of de koude, harde wapenrusting van trotschheid, die hij bestendig

droeg, buigzamer zou worden door het gedurig stooten tegen trotsche

minachting en uitdagenden hoon. Het is de vloek van zulk een

karakter—het is een voornaam gedeelte van de straf over zich zelf die

het medebrengt—dat, terwijl eerbied en onderdanigheid de slechte

eigenschappen daarvan doen toenemen, en een voedsel zijn waarvan het

groeit, tegenstand en onwil om zijne eischen in te willigen het niet

minder aankweeken. Het kwaad, dat het in zich heeft, vindt in beide

gevallen evenzeer middelen om te groeien en zich uit te breiden. Het

zuigt uit het zoete en het bittere evenzeer leven en kracht; gevleid of

onerkend beheerscht het toch het hart, waarin het zijn troon heeft

gevestigd, hoe langer hoe meer; aangebeden of verworpen is het toch een

even hard meester als de duivel in bijgeloovige fabelen is.

Jegens zijne eerste vrouw had Dombey zich, in zijne koude trotsche

laatdunkendheid, gedragen als het hoog verhevene wezen, dat hij zich

bijna verbeeldde te zijn. Hij was, toen zij hem voor de eerste maal

zag, “mijnheer Dombey” geweest, en hij was nog “mijnheer Dombey” toen

zij stierf. Gedurende hun huwelijksleven had hij zijne grootheid doen

gelden, en had zij die ootmoedig erkend. Hij was boven op zijn troon in

staatsie blijven zitten, en zij had nederig op den laagsten trap

gestaan; en veel goed had het hem gedaan, zoo in eenzame slavernij

onder zijn heerschend denkbeeld te leven. Hij had zich verbeeld dat het

trotsche karakter zijner tweede vrouw zich aan het zijne zou hebben

aangesloten—daarin verzwolgen zijn geworden en zijne grootheid nog

verhoogd zou hebben. Hij had zich voorgesteld nog trotscher dan ooit te

zullen zijn, als Edith’s trotschheid de zijne dienstbaar was. Hij had

zich nooit de mogelijkheid voorgesteld dat die tegen hem in de wapens

zou komen. En nu hij die trotschheid op elken stap van zijn dagelijksch

leven in zijn weg zag oprijzen en een kouden, uitdagenden,

verachtelijken blik op hem vestigen, was het gevolg, dat zijn trots, in

plaats van te verwelken of het hoofd te laten hangen, nieuwe wortelen

schoot, nog krachtiger, bitterder, somberder, wreveliger en onbuigzamer

werd, dan hij ooit te voren geweest was.

Hij, die zulk eene wapenrusting draagt, draagt nog eene zware

vergelding met zich mede. Die rusting is bestand tegen verzoening,

liefde en vertrouwen, tegen alle zachte sympathie, alle teederheid,

alle streelende aandoening; maar voor diepe wonden der eigenliefde is

zij even kwetsbaar als de bloote borst voor het staal; en zulke

kwaadaardige, pijnlijke zweren blijven daarvan achter, als op geene

andere wonden volgen, zelfs niet op die, welke door den ijzeren

handschoen des hoogmoeds zelven een zwakker trots worden toegebracht,

die ontwapend en neergeworpen is.

Zulke wonden droeg hij nu om. Hij voelde ze pijnlijk in de eenzaamheid

zijner oude kamers, waarin hij zich nu weder dikwijls begon af te

zonderen en lange uren te slijten. Het scheen zijn noodlot te zijn

altijd trotsch en machtig te zijn; en toch altijd vernederd en

machteloos waar hij sterkst wilde wezen. Wie scheen bestemd om dat

vonnis des noodlots te voltrekken?

Wie? Wie was het, die zijne vrouw kon winnen, gelijk zij zijn zoon

gewonnen had! Wie was het, die hem deze nieuwe overwinning had getoond,

toen hij in dien donkeren hoek zat! Wie was het, wier minste woord deed

wat zijne uiterste middelen niet konden doen! Wie was het, die,

ongeholpen door zijne liefde, gunst of zorg, welvarend bleef en schoon

werd, terwijl diegenen, die zoo geholpen werden, stierven! Wie kon het

anders zijn dan hetzelfde kind, waarnaar hij in hare moederlooze

kindsheid zoo menigen onrustigen blik had geworpen, met eene soort van

vrees, dat hij er eens toe komen zou om haar te haten; en van wie dit

voorgevoel vervuld was, want hij haatte haar nu in zijn hart.

Ja, hij wilde haar haten, en hij haatte haar, schoon er nu en dan nog

een glans van het licht, waarin zij voor hem verschenen was op den

gedenkwaardigen avond toen hij met zijne bruid thuis kwam, om haar heen

zweefde. Hij wist nu dat zij schoon was, hij sprak het niet tegen dat

zij bevallig en innemend was, en dat zij hem in den helderen dageraad

van haar vrouwelijken leeftijd als eene verrassing voor de oogen was

gekomen. Maar zelfs dit keerde hij tegen haar. In zijn wrevelig

naargeestig gemijmer maakte de ongelukkige, met een dof gevoel, dat

alle harten van hem vervreemd waren, en een onbestemd verlangen naar

datgene, wat hij al zijn leven had teruggestooten, zich eene

overdrevene voorstelling van zijne rechten en van het ongelijk dat hem

werd aangedaan, en daarmede rechtvaardigde hij zich zelven tegenover

haar. Hoe meer zij zijner waardig beloofde te worden, des te grooter

eisch had hij op hare gehechtheid en onderwerping. Wanneer had zij hem

ooit gehechtheid of onderwerping getoond? Veraangenaamde zij zijn

leven—of dat van Edith? Had zij hare innemende eigenschappen het eerst

aan hem geopenbaard—of aan Edith? Wel—hij en zij waren, van hare

geboorte af, nooit als vader en dochter geweest! Zij waren altijd

vervreemd geweest. Zij had hem altijd en overal gedwarsboomd. Zij

spande nu tegen hem samen. Hare schoonheid zelfs verzachtte gemoederen,

die voor hem verhard bleven, en beleedigde hem met eene onnatuurlijke

zegepraal.

Het kon zijn dat dit alles het gefluister van een in zijn hart

ontwakend gevoel was, hoewel dit slechts door zijne zelfzucht werd

opgewekt, als hij zijn toestand vergeleek bij datgene waartoe zij zijn

leven had kunnen maken. Maar hij bracht de zachte stem van dit gevoel

door het gebulder zijner zee van hoogmoed tot zwijgen. Hij wilde niets

hooren dan zijn trots, en in zijn trots, vol tegenstrijdigheden en

martelingen, haatte hij haar.

Tegen den stuurschen, koppigen, norschen duivel, die hem beheerschte,

stelde zijne vrouw haar geheel anderen trots in volle kracht over. Zij

hadden nooit een gelukkig leven met elkander kunnen leiden; maar niets

had hen ongelukkiger kunnen maken dan de hardnekkige strijd tusschen

zulke elementen. Zijn trots was er op gesteld om zijne verhevene

opperheerschappij te handhaven en haar tot erkentenis daarvan te

noodzaken. Zij had zich dood laten martelen, en zou hem tot op het

laatst met haar trotschen blik van kalme, onverschillige minachting

hebben aangezien. Zulk eene erkentenis van Edith! Hij wist weinig door

welk een zielestrijd zij zich had moeten doorworstelen eer zij zich

dwingen kon om de eer van zijne hand aan te nemen! Hij wist weinig

hoeveel zij meende te hebben opgeofferd toen zij hem toeliet om haar

zijne vrouw te noemen!

Dombey nam zich voor om haar te toonen, dat hij oppermachtig was. Er

moest geen wil bestaan dan de zijne. Trotsch verlangde hij dat zij zou

zijn, maar zij moest vóór, niet tegen hem trotsch wezen. Terwijl hij

zich alleen zat te verharden, hoorde hij haar dikwijls uitgaan en thuis

komen, in den kring van het leven in Londen rondzwieren, zonder zich

meer om zijn goedvinden of niet goedvinden, zijn genoegen of ongenoegen

te bekommeren, dan alsof hij haar rijknecht was geweest. Hare koude,

fiere onverschilligheid—zijne eigene eigenschap, die zij zich

aanmatigde—kwetste hem dieper dan eenige andere soort van behandeling

kon gedaan hebben; en hij besloot haar naar zijn verheven en

statelijken wil te buigen.

Hij had zich lang met deze gedachten bezig gehouden, toen hij haar op

een avond in hare eigene kamer ging opzoeken, nadat hij haar laat had

hooren thuis komen. Zij was alleen, in hare schitterende kleeding, en

was pas een oogenblik te voren uit de kamer harer moeder gekomen. Haar

gezicht stond zwaarmoedig en peinzend, toen hij binnentrad; maar het

lette dadelijk op hem toen hij de deur inkwam; want in den spiegel

ziende, waarvoor zij stond, zag hij terstond, als in de lijst eener

schilderij, het betrokken voorhoofd en de benevelde schoonheid, die hij

zoo wel kende.

“Mevrouw Dombey,” zeide hij, binnenkomende, “ik moet eenige woorden met

u verzoeken.”—“Morgen,” antwoordde zij.—“Geen tijd zoo goed als nu,

mevrouw,” hervatte hij. “Gij vergist u in uwe positie. Ik ben gewoon

mijn eigen tijd te kiezen, niet dien voor mij te laten kiezen. Ik denk

dat gij niet goed begrijpt wie of wat ik ben, mevrouw Dombey.”—“Ik

denk,” antwoordde zij, “dat ik u zeer wel begrijp.”

Dit zeggende zag zij hem aan, en hare blanke, van goud en juweelen

schitterende armen over hare borst kruisende, keerde zij hare oogen af.

Indien zij minder schoon was geweest, en minder statig met hare koude

bedaardheid, zou zij misschien het vermogen niet gehad hebben, om hem

dat gevoel van minderheid in te boezemen, dat door zijn stugsten trots

heendrong. Maar zij had dit vermogen, en hij gevoelde dit levendig. Hij

wierp een blik door de kamer, en zag hoe de prachtigste voorwerpen van

kleeding en opschik achteloos hier en daar verstrooid waren; niet uit

enkele grilligheid en zorgeloosheid (of zoo, dacht hij), maar met

opzettelijke, trotsche minachting voor al dat kostbare:—en gevoelde het

meer en meer. Kunstbloemen, vederen, juweelen, kanten en satijn; waar

hij zich wendde zag hij schatten met verachting neergeworpen. Zelfs de

diamanten—een bruidsgeschenk—die met hare ongeduldig zwoegende borst

rezen en daalden, schenen te hijgen om de keten te breken, die ze om

haar hals sloot, en over den vloer te rollen, waar zij ze kon

vertrappen.

Hij gevoelde zijne vernedering, en hij toonde dit. Zoo plechtstatig en

zoo vreemd onder dien rijkdom van kleuren en weelderigen glans, zoo

vreemd en stijf voor de trotsche meesteres daarvan, wier terugstootende

schoonheid door alles in het rond werd herhaald en teruggekaatst,

gelijk in zoovele stukken van een gebroken spiegel, was hij zich bewust

van zijne verlegenheid en linksheid. Alles wat hare onverschillige

kalmte dienstbaar was, moest hem kwetsen. Op zich zelven verstoord,

zette hij zich neer, en vervolgde, nog slechter in zijn humeur:

“Mevrouw Dombey, het is zeer noodig dat het tot eene opheldering

tusschen ons komt. Uw gedrag behaagt mij niet, mevrouw.”

Zij zag hem slechts even aan, en wendde hare oogen wederom af; maar zij

had een uur lang kunnen spreken, zonder zooveel uit te drukken.

“Ik herhaal, mevrouw Dombey—behaagt mij niet. Ik heb reeds eene

gelegenheid waargenomen, om te verzoeken het te veranderen. Nu beveel

ik dat.”—“Gij hebt eene gepaste gelegenheid voor uwe eerste vermaning

gekozen, mijnheer, en kiest eene gepaste manier en gepaste woorden voor

uwe tweede. Gij beveelt! Mij!”—“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne

hatelijkste statigheid, “ik heb u tot mijne vrouw gemaakt. Gij draagt

mijn naam. Gij staat met mijne positie en reputatie in betrekking. Ik

wil niet zeggen dat de wereld over het algemeen genegen is om te

denken, dat die betrekking eene eer voor u moet zijn; maar ik wil

zeggen, dat ik gewoon ben mijne betrekkingen en ondergeschikten te

bevelen.”—“Voor wat van die twee zal het u believen mij te houden?”

vroeg zij.—“Misschien zal ik denken dat mijne vrouw aan beide

eigenschappen deel moet hebben—of werkelijk deel heeft, en niet anders

kan, mevrouw Dombey.”

Zij zag hem strak aan en kneep hare bevende lippen dicht. Hij zag hare

wangen gloeien en daarna verbleeken. Dat alles zag hij; maar hij kon

het ééne woord niet hooren, dat in het binnenste van haar hart

gefluisterd werd om haar stil te doen blijven; en dat woord was

Florence.

Blinde dwaas, die naar den rand van een afgrond snelde! Hij dacht dat

zij bang voor hem was!

“Gij zijt al te kostbaar, mevrouw,” zeide Dombey. “Gij zijt

buitensporig. Gij verspilt veel geld—of wat veel geld zou zijn voor de

beurs van de meeste heeren—om in eene soort van kring te verkeeren die

mij nutteloos is, eigenlijk, over het geheel, mij onaangenaam is. Ik

moet op eene volslagene verandering in al deze opzichten aandringen. Ik

weet, dat door het nieuwe om een tiende van zulke middelen te bezitten

als de fortuin tot uwe beschikking heeft gesteld, dames zeer licht tot

een uiterste overgaan. Maar er is nu meer dan genoeg van dat uiterste

geweest. Ik verzoek, dat de geheel andere ondervinding van mevrouw

Granger nu mevrouw Dombey tot leering zal dienen.”

Nog de strakke blik, de bevende lippen, de zwoegende borst, de nu

gloeiende dan bleeke wangen; en nog het gefluister van Florence,

Florence, dat in het kloppen van haar hart tot haar sprak.

Zijne onbeschofte laatdunkendheid zwol nog meer op, toen hij deze

verandering bij haar zag. Gezwollen niet minder door hare vroegere

minachting voor hem en de pas gevoelde vernedering, dan door hare

tegenwoordige onderwerping (naar hij dacht), werd die laatdunkendheid

te groot voor zijne borst en verbrak zij alle perken. Wel zeker—wie kon

lang zijn wil en welbehagen wederstaan! Hij had besloten haar te

overmeesteren, en zie daar nu!

“Het zal u verder believen, mevrouw,” zeide Dombey, op een toon van

oppermachtig bevel, “om dadelijk te verstaan, dat men mij behoort te

respecteeren en te gehoorzamen. Dat men voor de wereld behoort te

toonen en te bekennen dat men mij achting toedraagt en ontziet,

mevrouw. Daaraan ben ik gewoon. Dat eisch ik als een recht. Kortom, ik

wil het zoo. Ik beschouw dit als geene onbillijke beantwoording van de

verhooging in de maatschappij die u te beurt gevallen is; en ik geloof

dat niemand er zich over zal verwonderen, dat dit van u gevorderd

wordt, of dat gij het bewijst. Aan mij—aan mij!” voegde hij er met

nadruk bij.

Geen woord van haar; geene verandering in haar; hare oogen op hem

gevestigd.

“Ik heb van uwe moeder vernomen, mevrouw Dombey,” zeide Dombey, met de

deftigheid van een rechter, “wat gij zonder twijfel ook weet, namelijk

dat Brighton voor hare gezondheid wordt aangeraden. Mijnheer Carker is

zoo goed geweest....”

Zij veranderde op eens. Haar gezicht en hare borst gloeiden, alsof het

roode licht eener toornig ondergaande zon ze bescheen. Deze verandering

niet onopgemerkt latende, en ze op zijne eigene manier uitleggende,

vervolgde Dombey:

“Mijnheer Carker is zoo goed geweest om daarheen te gaan en voor

eenigen tijd een huis te huren. Wanneer het huishouden weder naar

Londen komt, zullen tot bestuur daarvan zulke maatregelen genomen

worden, als ik noodig acht. Daaronder zal behooren, dat eene zeer

fatsoenlijke, maar tot armoede vervallene persoon, zekere mevrouw

Pipchin, die vroeger een post van vertrouwen in mijne familie heeft

bekleed, en te Brighton woont, zoo mogelijk, als huishoudster zal

worden aangenomen. Een huishouden gelijk dit, mevrouw Dombey, dat

slechts in naam een hoofd heeft, behoort een meer bevoegd hoofd te

krijgen.”

Zij was, eer hij tot deze woorden kwam, van houding veranderd, en zat

nu—hem nog strak aanziende—een bracelet aan haar arm om en om te

draaien, niet los en zacht, maar klemmend en schurend over de zachte

huid, tot de blanke arm eene roode streep vertoonde.

“Ik heb,” zeide Dombey—“en dit maakt het slot uit van hetgeen ik noodig

acht u thans te zeggen, mevrouw Dombey—ik heb een oogenblik geleden

opgemerkt, mevrouw, dat mijne vermelding van mijnheer Carker op eene

bijzondere manier werd opgenomen. Bij gelegenheid dat ik u, in het

bijzijn van dien vertrouwden gelastigde van mij, de aanmerkingen

mededeelde, die ik had tegen de manier waarop mijne gasten door u

werden ontvangen, beliefde het u bezwaar tegen zijne tegenwoordigheid

te maken. Gij zult dat bezwaar te boven moeten komen, mevrouw, en er u

waarschijnlijk bij vele dergelijke gelegenheden aan gewennen; tenzij

gij daartegen het middel gebruikt, dat gij in uwe macht hebt, namelijk

om mij geene reden van klagen te geven. Mijnheer Carker,” zeide Dombey,

die na de gemoedsbeweging, welke hij zoo even gezien had, groote waarde

hechtte aan dit middel om zijne trotsche vrouw te doen zwichten, en

misschien ook wel gaarne zijne macht voor dien heer in een nieuw licht

wilde ten toon spreiden, “mijnheer Carker is in mijn vertrouwen,

mevrouw Dombey, en mag dus zeer wel tot zoo verre in het uwe zijn. Ik

hoop,” vervolgde hij, na eene korte poos, waarin hij, met stijgenden

trots, zijn denkbeeld nog wat meer had uitgewerkt, “dat ik het niet

noodig zal vinden mijnheer Carker ooit eene boodschap van bezwaar of

berisping tegen u toe te vertrouwen; maar daar het beneden mijne

positie en reputatie zou zijn, dikwijls beuzelachtige geschillen te

hebben met eene dame, aan welke ik de hoogste onderscheiding heb

bewezen die in mijn vermogen is, zal ik niet schroomen van zijne

diensten gebruik te maken, als ik daartoe reden zie.”—“En nu,” dacht

hij, met al zijne deftigheid opstaande, stijver en ongenaakbaarder dan

ooit, “kent ze mij en mijn besluit.”

De hand, die den bracelet zoo had omgedraaid, lag zwaar op hare borst,

maar zij zag hem nog aan, met een onveranderd gezicht, en zeide met

eene zachte stem:

“Wacht! Om Gods wil! Ik moet u spreken!”

Waarom sprak zij niet, en van welken aard was die inwendige strijd,

welke haar daartoe eenige minuten lang buiten staat stelde, terwijl

haar gezicht, in het bedwang dat zij zich aandeed, zoo strak bleef als

dat van een steenen beeld, en hem aanzag, noch zwichtend, noch

uitdagend, met genegenheid noch haat, met trots noch nederigheid; met

niets anders dan een doordringend starenden blik.

“Heb ik u ooit uitgelokt om mijne hand te vragen? Heb ik eenige

kunstgreep gebruikt om u in te nemen? Ben ik ooit vriendelijker voor u

geweest toen ik door u werd aangezocht, dan ik sedert ons huwelijk

geweest ben? Ben ik ooit anders voor u geweest dan ik nu ben?”—“Het is

geheel noodeloos, mevrouw,” antwoordde Dombey, “in zulk eene

woordenwisseling te treden.”—“Denkt gij dat ik u liefhad? Wist gij niet

van neen? Hebt gij u ooit om mijn hart bekommerd, man, of u voorgesteld

dat ding zonder waarde te winnen? Heeft er bij ons koopcontract eenige

valschheid plaats gehad? Van uw kant of van den mijnen?”—“Deze vragen,”

zeide Dombey, “zijn allen geheel nutteloos, mevrouw.”

Zij stapte tusschen hem en de deur, om te verhinderen dat hij heenging,

en hare trotsche gestalte hoog oprichtende, zag zij hem nog strak aan.

“Gij beantwoordt ze allen. Gij antwoordt mij eer ik spreek, zie ik. Hoe

kunt gij dat laten; gij, die de rampzalige waarheid evengoed kent als

ik? Zeg mij nu. Als ik u tot aanbiddens toe liefhad, zou ik dan meer

kunnen doen dan geheel mijn wil en wezen aan u overgeven, gelijk gij

daar zoo even gevorderd hebt? Als mijn hart geheel rein was en gij de

afgod daarvan, kondt gij dan meer vragen—kondt gij dan meer

verkrijgen?”—“Mogelijk wel neen, mevrouw,” antwoordde hij koel.—“Gij

weet hoe geheel anders ik ben. Gij ziet mij u aanzien, en kunt de

warmte der liefde voor u lezen, die van mijn gezicht afstraalt.” Geen

optrekken der trotsche bovenlip, geene flikkering van het donkere oog,

niets dan dezelfde, strakke, doordringende blik vergezelde deze

woorden. “Gij kent over het geheel mijne geschiedenis. Gij hebt van

mijne moeder gesproken. Denkt gij dat gij mij door vernedering of dwang

tot onderwerping en gehoorzaamheid kunt brengen, mij kunt buigen of

breken?”

Dombey glimlachte, gelijk hij had kunnen glimlachen op de vraag of hij

tien duizend pond beschikbaar had.

“Als hier iets ongewoons is,” zeide zij, even hare hand voor haar

gezicht bewegende, dat geen oogenblik dat strakke staren naliet, dat

anders niets uitdrukte, “gelijk ik weet dat hier een ongewoon gevoel

is,” daarbij hief zij de hand op, die hare borst drukte, en liet ze

zwaar weder zinken, “bedenk dan dat de bede, die ik u doen zal, geene

gewone beteekenis heeft. Ja, want ik ga u eene bede doen,” zeide zij

snel, als tot antwoord op iets in zijn gezicht.

Met eene goedgunstige buiging van zijne kin, die zijne stijve das deed

kraken, zette Dombey zich op eene sofa, die dicht bij hem stond, om de

bede te hooren.

“Als gij gelooven kunt dat ik tegenwoordig van zulk een karakter

ben”—hij verbeeldde zich dat hij tranen in hare oogen zag, en dacht,

met welgevallen, dat hij ze haar had afgeperst, hoewel er geen traan

over hare wang rolde, en zij hem even strak aanzag als ooit,—“dat

datgene, wat ik nu zeg, mij zelve bijna ongeloofelijk voorkomt,—zoo

gezegd tot een man die mijn man is geworden, maar vooral tot u—zult gij

er misschien meer gewicht aan hechten. In het ongeluk, dat voor ons

aanstaande is, zullen wij niet alleen ons zelven wikkelen (dat zou

misschien niet veel beteekenen) maar ook anderen.”

Anderen! Hij wist wel op wie dit woord doelde en trok zijne wenkbrauwen

samen.

“Ik spreek tot u, ter wille van anderen. Maar ook om uwentwil en

mijnentwil. Sedert ons huwelijk zijt gij arrogant voor mij geweest; en

ik heb u met gelijke munt betaald. Gij hebt mij en ieder om ons heen

elken dag en ieder uur getoond, dat gij mij door de verbintenis met u

ten hoogste vereerd acht. Ik denk zoo niet, en heb dat insgelijks

getoond. Het schijnt dat gij niet begrijpt, of (zoover uwe macht reikt)

niet wilt, dat wij ieder onzen eigen weg gaan; en in plaats daarvan

eene hulde van mij verwacht, die gij nooit zult krijgen.”

Hoewel haar gezicht nog hetzelfde bleef, was toch zelfs hare ademhaling

eene nadrukkelijke bevestiging van dat “nooit.”—“Ik gevoel geene

teerheid voor u, dat weet gij. Gij zoudt er niet om geven, al deed ik

dat, of kon ik dat. Ik weet evengoed dat gij ze niet voor mij gevoelt.

Maar wij zijn aan elkander geboeid, en aan de keten, die ons bindt,

zijn, gelijk ik gezegd heb, ook anderen gesloten. Wij moeten beide

sterven, wij staan beide reeds met de dooden in betrekking, ieder door

een klein kind. Laten wij elkander wederkeerig ontzien.”

Dombey haalde eens diep adem, als wilde hij zeggen: O, was dat alles

waarop het neerkwam!

“Er zijn geene schatten,” vervolgde zij, bleeker wordende, terwijl hare

oogen, door hunne strakheid, nog meer glans verkregen, “die deze

woorden en de beteekenis, die zij hebben, van mij konden koopen. Eens

als ijdele klanken verworpen, kan geen geld of macht ze terugbrengen.

Ik meen ze; ik heb ze gewogen; ik zal trouw zijn aan hetgeen ik op mij

neem. Als gij beloven wilt mij van uw kant te ontzien, wil ik beloven u

van mijn kant te ontzien. Wij zijn een allerongelukkigst paar, waarbij,

door verschillende oorzaken, ieder gevoel, dat het huwelijk gelukkig of

dragelijk maakt, is uitgeroeid; maar door verloop van tijd kan er nog

eenige vriendschap, of eenige geschiktheid voor elkander, tusschen ons

ontstaan. Ik wil dat pogen te hopen, als gij dat ook wilt doen; en ik

wil vooruitzien naar een beter en gelukkiger gebruik van mijn ouderdom,

dan ik van mijne jeugd en het beste van mijn leven heb gemaakt.”

Zij had met eene zachte, duidelijke stem gesproken, die niet rees of

daalde; toen zij ophield, liet zij de hand zinken, waarmede zij zich

gedwongen had om zoo hartstochteloos en duidelijk te zijn, maar niet de

oogen waarmede zij hem zoo strak aanzag.

“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne grootste deftigheid, “ik kan een

voorstel van zulk een buitengewonen aard zelfs niet in overweging

nemen.”

Zij zag hem nog aan, zonder de minste verandering.

“Ik kan,” zeide Dombey, onder het spreken opstaande, “niet bewilligen

om met u te temporiseeren of te onderhandelen, mevrouw Dombey, over

iets waaromtrent u mijne gevoelens en verwachtingen zijn kenbaar

gemaakt. Ik heb mijn ultimatum gegeven, mevrouw, en heb alleen te

verzoeken dat gij dit uwe zeer ernstige aandacht verleent.”

Dat gezicht de oude uitdrukking weder te zien aannemen, nog veel

krachtiger dan te voren! Die oogen te zien afwenden als van een

afzichtelijk en hatelijk voorwerp! Dat trotsche voorhoofd te zien

betrekken! Verachting, gramschap, verontwaardiging en afschuw te zien

uitblinken, en dien bleeken strakken ernst als een nevel te zien

verdwijnen! Hij kon niet nalaten dit te zien, hoewel hij met ontzetting

toezag.

“Ga, mijnheer!” zeide zij, met eene gebiedende hand naar de deur

wijzende. “Onze eerste en laatste vertrouwelijkheid is ten einde. Niets

kan ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn.”—“Ik zal

doen wat mij voegzaam en raadzaam voorkomt, mevrouw,” zeide Dombey,

“zonder mij, daarvan kunt gij zeker zijn, door algemeene declamatiën te

laten afschrikken.”

Zij keerde hem haar rug toe, en zette zich, zonder antwoord te geven,

voor haar spiegel neer.

“Ik vertrouw dat gij uw plicht beter zult leeren inzien, in eene betere

stemming komen en u beter bedenken, mevrouw,” zeide Dombey.

Zij sprak geen woord. Hij zag in haar spiegel even weinig uitdrukking,

zij scheen hem even weinig op te merken, als ware hij eene ongeziene

spinnekop aan den wand, of eene zwarte tor op den vloer geweest, of

liever als ware hij een van beide geweest, door haar gezien, vertrapt

en vergeten bij het andere doode ongedierte op den grond.

Hij zag om, toen hij de deur uitging, naar het prachtige, helder

verlichte vertrek, naar al het schitterende dat daar prijkte, naar de

gestalte van Edith, zoo rijk gekleed voor den spiegel gezeten, en naar

het gezicht van Edith gelijk die spiegel het hem voorhield; en begaf

zich naar zijne oude kamer van gepeinzen, in zijn geest een levendig

tafereel van dat alles medenemende, waarbij te gelijk op eene

onverklaarbare manier de zonderlinge gedachte bij hem opkwam (gelijk

zoo iets iemand somtijds in het hoofd komt) hoe dat alles er zou

uitzien als hij het de volgende maal zag.

Voor het overige was Dombey zeer stroef, zeer deftig, en vast overtuigd

dat hij zijn oogmerk zou volvoeren; en dit bleef hij.

Hij was niet voornemens de familie naar Brighton te vergezellen; maar

bij het ontbijt op den ochtend van het vertrek, dat een paar dagen

later plaats had, onderrichtte hij Cleopatra zeer vriendelijk, dat men

spoedig een bezoek van hem kon verwachten. Er moest geen tijd verzuimd

worden om Cleopatra ergens heen te brengen, waar men het gezond voor

haar achtte; want zij scheen spoedig geheel in stof te zullen vallen.

Zonder een bepaalden tweeden aanval van hare kwaal gehad te hebben,

scheen de oude vrouw sedert in beterschap achteruit te zijn gekropen.

Zij was nog magerder en meer verschrompeld, nog ongestadiger en suffer,

en in hare gedachten en haar geheugen heerschte nog vreemder

verwarring. Onder de blijken van die verwarring behoorde ook, dat zij

tot de gewoonte verviel om de namen harer twee schoonzonen, van den

levenden en den dooden, te verwisselen of te zamen te voegen, en Dombey

meestal “Grangeby” of “Domber” noemde.

Maar zij was toch nog jeugdig, zeer jeugdig; en in hare jeugdigheid

verscheen zij aan het ontbijt, eer zij vertrok, met een nieuw en zeer

luchtig hoedje, en een reisgewaad, geborduurd en met tressen bezet als

ware zij een kind dat pas uit de lange kleeren kwam. Het was nu niet

gemakkelijk haar dat luchtige hoedje op te zetten, of het achter haar

beverig hoofd op zijne plaats te houden als zij het ophad. Het zat niet

alleen altijd scheef, maar moest ook nog gedurig op den bol getikt

worden door Flowers de kamenier, welke, om dezen dienst te verrichten,

gedurende het ontbijt achter hare meesteres bleef.

“Nu, mijn allerliefste Grangeby,” zeide mevrouw Skewton, “moet ge mij

stellig bel,” zij brak sommige woorden af en sloeg andere geheel over.

“Om gauw eens bij ons te komen.”—“Ik heb zoo even gezegd, mevrouw,”

antwoordde Dombey, luid en langzaam, “dat ik over een dag of twee zal

komen.”—“Zegen u, Domber.”

De majoor, die afscheid van de dames kwam nemen, en door zijne

beroerteachtige oogen, met de belangelooze kalmte van een onsterfelijk

wezen, naar mevrouw Skewton staarde, zeide nu:

“Verduiveld, mevrouw, waarom vraagt gij den ouden Joe niet?”—“Wie is

dat, lastige plaaggeest?” lispte Cleopatra. Maar een tik van Flowers op

haar hoedje scheen haar geheugen op te schudden, en zij vervolgde: “O,

gij meent u zelven, gij ondeugend schepsel!”—“Verduiveld raar,

mijnheer,” fluisterde de majoor tot Dombey. “Leelijk geval! Zich nooit

genoeg ingebakerd;” de majoor was tot aan zijne kin toegeknoopt. “Wel,

wie zou J. B. anders met Joe meenen dan oude Joe Bagstock, Jozef, Joe,

uw slaaf, mevrouw? Hier staat de man. Hier is zijn blaasbalg, mevrouw!”

zeide de majoor, en gaf zich een dreunenden stomp op de borst.—“Mijne

lieve Edith—Grangeby—het is toch ongelukkig,” zeide Cleopatra korzelig,

“dat majoor...”—“Bagstock! J. B.!” riep de majoor, ziende dat zij naar

zijn naam zocht.—“Wel, het komt er niet op aan,” zeide Cleopatra.

“Edith, lieve, ge weet wel dat ik nooit kon onthouden—wat was het ook

weer? Ja, iets ongemeens dat zooveel menschen naar mij willen komen

zien. Ik ga toch niet voor lang heen. Ik kom terug. Zij kunnen immers

wel wachten tot ik terugkom.”

Dit zeggende keek Cleopatra in het rond en scheen zeer onrustig.

“Ik wil geene visites hebben—ik heb geene visites noodig—een beetje

rust—en dat alles—is al wat ik noodig heb. Geene leelijkerds moeten bij

mij komen, eer ik die dofheid kwijt ben;” en met eene akelige poging om

hare coquette maniertjes te hernemen, deed zij een stoot naar den

majoor met haar waaier, maar stiet, in plaats van hem te raken,

Dombey’s kopje om, dat aan een geheel anderen kant stond.

Toen riep zij Withers en belastte hem om vooral te zorgen dat er eenige

geringe veranderingen in hare kamer werden gemaakt, die klaar moesten

zijn eer zij terugkwam, en waarvan men dadelijk werk moest maken, daar

zij niet wist hoe gauw zij terugkwam, want zij had veel engagementen en

was eene menigte visites schuldig. Withers ontving dezen last met

gepaste onderdanigheid en gaf zijn woord voor de vervulling; maar toen

hij een paar stappen achteruit was gegaan, scheen hij niet te kunnen

laten den majoor op eene zonderlinge manier aan te zien, die niet laten

kon Dombey eveneens aan te zien, die niet laten kon Cleopatra eveneens

aan te zien, die niet laten kon met haar hoofd te schudden, zoodat haar

hoedje over een oog zakte, en met haar mes en vork op haar bord te

ratelen alsof zij de castagnetten speelde.

Edith alleen sloeg hare oogen niet naar eenig gezicht aan tafel op, en

scheen zich nooit te bevreemden over iets dat hare moeder zeide of

deed. Zij luisterde naar haar onsamenhangend gepraat, of keerde ten

minste haar hoofd naar haar om; antwoordde met eenige zachte woorden

als dit noodig was, en stuitte haar somtijds als zij geheel in de war

raakte, of bracht hare gedachten met een enkel woord naar het punt

terug, van waar zij waren afgedwaald. De moeder, hoe ongestadig ook in

andere opzichten, was hierin bestendig, dat zij altijd op haar lette.

Zij tuurde naar het schoone gelaat, zoo ernstig en strak als marmer, nu

met zekere vreesachtige bewondering, dan met eene kinderachtige poging

om het tot een glimlach te bewegen, dan met spijtige tranen en een

jaloersch hoofdschudden, als zij zich verbeeldde er door verwaarloosd

te worden; maar altijd er door aangetrokken door iets, dat nooit het

onvaste van hare andere denkbeelden vertoonde, maar haar bestendig

beheerschte. Van Edith zag zij somtijds naar Florence, en van deze

weder naar Edith, op eene manier die wel iets wilds had; en somtijds

beproefde zij ergens anders heen te zien, als wilde zij het gezicht

harer dochter ontwijken; maar zij scheen steeds genoodzaakt daartoe

terug te komen, hoewel dat gezicht nooit uit eigene beweging het hare

zocht.

Toen het ontbijt was afgeloopen, werd mevrouw Skewton, die zich hield

alsof zij meisjesachtig los op des majoors arm leunde, maar aan den

anderen kant stevig door Flowers de kamenier, en van achteren door

Withers werd gesteund, naar de koets geholpen, die haar, Florence en

Edith naar Brighton zou brengen.

“En is Jozef inderdaad verbannen?” zeide de majoor, zijn purperrood

gezicht binnen het portier stekende. “Verduiveld, mevrouw, is Cleopatra

zoo hardvochtig dat zij haar trouwen Antonius Bagstock verbiedt om haar

te naderen?”—“Loop heen;” zeide Cleopatra. “Ik kan u niet uitstaan. Gij

zult mij zien als ik terugkom, als ge heel zoet zijt.”—“Zeg Jozef dat

hij in hoop mag leven, mevrouw,” zeide de majoor, “of hij zal in

wanhoop sterven.”

Cleopatra huiverde en liet zich achteroverzakken. “Edith, lieve,” zeide

zij, “zeg hem...”—“Wat?”—“Zulke ijselijke woorden,” zeide Cleopatra.

“Hij gebruikt zulke ijselijke woorden.”

Edith gaf hem een wenk om heen te gaan en te gelijk last om op te

rijden.

De afgewezen majoor keerde zich fluitend naar Dombey.

“Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer,” zeide de majoor, zeer wijdbeens

staande, met de handen op den rug, “eene schoone vriendin van ons is in

de Wrakke-Straat gaan wonen.”—“Wat meent ge, majoor?” vroeg Dombey.—“Ik

wil zeggen, Dombey,” antwoordde de majoor, “dat ge binnen kort een

schoonwees zult zijn.”

Dombey scheen zoo weinig smaak te hebben in deze schertsende aanduiding

van hem zelven, dat de majoor, als een blijk van ernst, met een

paardenkuch besloot.

“Verduiveld, mijnheer,” hervatte de majoor, “er zijn geen doekjes om te

winden. Joe is plomp, mijnheer. Dat is zijn aard. Als gij Joe hebben

wilt, moet gij hem nemen zooals gij hem vindt; en gij zult hem een

taaien, groven, ouden rekel vinden. Dombey, uwe schoonmoeder staat op

sprong.”—“Ik vrees,” antwoordde Dombey zeer koel, “dat mevrouw Skewton

geschokt is.”—“Geschokt, Dombey?” zeide de majoor. “Zij heeft het

weg!”—“Maar afwisseling en oplettendheid kunnen nog veel doen,” zeide

Dombey.—“Geloof het niet, mijnheer,” antwoordde de majoor. “Verduiveld,

mijnheer, zij heeft zich nooit genoeg ingebakerd. Als iemand zich niet

inbakert,” zeide de majoor, nog een knoop van zijn vest dichtmakende,

“verzwakt hij zijn gestel. Maar sommige menschen willen sterven. Dat

willen zij. Zij zijn koppig. Ik zal u wat zeggen, Dombey; het mag niet

zoo mooi zijn, het mag niet zoo gepolijst wezen, maar een zweempje van

de oud Engelsche degelijkheid van het Bagstockras, mijnheer, zou

iedereen goeddoen.”

Na het mededeelen van dit wetenswaardige bericht kuierde de majoor naar

zijne club en bleef daar den geheelen dag zitten hijgen alsof hij ieder

oogenblik eene beroerte zou krijgen.

Cleopatra, nu eens gemelijk, dan weder vergenoegd, somtijds wakker,

somtijds in slaap, en altijd jeugdig, kwam des avonds te Brighton aan,

viel naar gewoonte in stukken en werd in bed gestopt; waar eene sombere

verbeelding zich had kunnen voorstellen dat een machtiger geraamte dan

de kamenier, die een geraamte had moeten zijn, de rozekleurige

gordijnen bewaakte, welke men had medegenomen om haar blos te

verhoogen.

Het werd door een hoogen raad van dokters beslist dat zij dagelijks een

toertje met rijtuig moest doen, en ook dagelijks, als zij kon, wat

wandelen. Edith was gereed om haar te vergezellen—altijd gereed om haar

te vergezellen met dezelfde werktuiglijke oplettendheid en

onbeweeglijke schoonheid—en zij reden alleen uit; want Edith was, nu

hare moeder erger werd, in het bijzijn van Florence onrustig, en zeide

Florence, met een kus, dat zij liever met haar beiden alleen wilde

gaan.

Op zekeren dag was mevrouw Skewton in dat ongestadige, wrevelige,

jaloersche humeur, dat zich onder haar herstel na het eerste toeval had

ontwikkeld. Nadat zij in de koets Edith eenigen tijd stilzwijgend had

zitten aanstaren, vatte zij hare hand en kuste die hartstochtelijk. Die

hand werd noch gegeven noch teruggetrokken, en viel, toen zij

losgelaten werd, weder neer, bijna alsof zij gevoelloos en machteloos

was. Daarop begon mevrouw Skewton te grienen en te kermen, en zeide,

welk eene moeder zij geweest was, en hoe zij vergeten werd. Hiermede

ging zij bij grillige tusschenpoozen voort, zelfs nadat men was

afgestapt, terwijl zij, door Withers en een stok gesteund,

voortstrompelde, Edith naast haar ging en het rijtuig op eenigen

afstand langzaam volgde.

Het was een gure, betrokkene, winderige dag, en zij waren op het duin,

waar men niets anders zag dan den kalen grond en de lucht. De moeder

bleef, met zeker wrevelig genoegen in het eentonige harer klacht, deze

nog nu en dan binnensmonds herhalen, en de trotsche gestalte harer

dochter zweefde langzaam naast haar voort, toen zij, eene geringe

hoogte bestegen hebbende, eensklaps twee gedaanten voor zich zagen, die

zoozeer naar eene overdrevene nabootsing van hare eigene gedaanten

geleken, dat Edith bleef stilstaan.

Bijna gelijktijdig stonden ook die twee gedaanten stil; en diegene,

welke Edith vond dat naar eene wanstaltige schaduw van hare moeder

geleek, sprak ernstig tot de andere en wees met de hand naar hen. Deze

scheen gezind om terug te keeren, maar de andere, in welke Edith eene

genoegzame gelijkenis met haar zelve vond, om een zeer ongewoon gevoel,

dat niet geheel vrij van vrees was, bij haar te doen opkomen, stapte

voort, en zoo naderden zij elkander.

Het meeste van het vorige had Edith opgemerkt terwijl zij

voortwandelde, want zij was slechts een oogenblik blijven stilstaan.

Nader komende zag zij dat die twee armoedig waren gekleed, bijna als

bedelaars, en dat de jongste vrouw gebreide goederen of zoo iets te

koop droeg, terwijl de oudste onbelast voortstrompelde.

En toch, hoe ver beneden haar in schoonheid, houding en kleeding, kon

Edith ook nu niet nalaten de jongste vrouw met zich zelve te

vergelijken. Misschien zag zij op haar gelaat eenige sporen van datgene

wat zij wist dat in hare eigene ziel school, al vertoonden er zich nog

geene uitwendige blijken van; maar toen die vrouw aankwam, haar blik

teruggaf, hare glanzige oogen op haar vestigde, ontwijfelbaar iets van

hare eigene houding en uitzicht vertoonde en zelfs hare gedachten

scheen te beantwoorden, gevoelde zij zich door eene kilheid overvallen

alsof de lucht meer betrok en de wind kouder werd.

Zij waren nu bij elkander. De oude vrouw hield hare hand op en bedelde

bij mevrouw Skewton. De jongste bleef insgelijks staan, en zij en Edith

zagen elkander in de oogen.

“Wat hebt ge daar te koop?” zeide Edith.—“Dit maar,” antwoordde de

vrouw, hare waren vertoonende, zonder er zelve naar te zien: “mij zelve

heb ik al lang geleden verkocht.”—“Geloof haar niet, Mylady,” kraste de

oude vrouw tot mevrouw Skewton. “Geloof niet wat zij zegt. Zij wil maar

zoo praten. Zij is mijne mooie, onnatuurlijke dochter. Zij geeft mij

niets dan verwijten, Mylady, voor al wat ik voor haar gedaan heb. Zie

haar nu eens, Mylady, hoe zij hare arme moeder aankijkt.”

Toen mevrouw Skewton met eene bevende hand hare beurs uithaalde en naar

geld zocht, waarnaar de andere oude vrouw gretig stond te

wachten—terwijl hare hoofden, door beider haast en zwakheid, bijna

tegen elkander stieten, kwam Edith er tusschen.

“Ik heb u meer gezien,” zeide zij, de oude vrouw aansprekende.—“Ja,

Mylady,” antwoordde zij nijgende. “Daar in Warwickshire. Dien ochtend

tusschen de boomen. Toen ge mij niets woudt geven. Maar die heer, hij

heeft mij wat gegeven! O zegen hem, zegen hem!” mompelde de oude vrouw,

hare dorre hand opstekende en akelig tegen hare dochter

grijnzende.—“Gij behoeft mij niet te willen tegenhouden, Edith!” zeide

mevrouw Skewton gramstorig, om afrading van haar voor te komen. “Gij

weet er niets van. Ik wil mij niet laten afraden. Ik ben zeker dat dit

eene brave vrouw is, en eene goede moeder.”—“Ja, Mylady, ja,” kakelde

de oude vrouw, hare gretige hand uitstekende. “Bedankt, Mylady. God

zegen u, Mylady. Nog zes stuivers, mijne lieve Lady, omdat gij zelf

eene goede moeder zijt.”—“En die ook somtijds onnatuurlijk genoeg wordt

behandeld, goede vrouw, dat verzeker ik u,” zeide mevrouw Skewton

grienende. “Daar! Geef mij de hand. Gij zijt eene goede oude ziel—ook

vol, hoe is het ook weer, en dat alles. Vol hartelijkheid en zoo al

meer, niet waar?”—“O ja, Mylady!”—“Ja, dat geloof ik zeker; en dat is

Grangeby ook, die fatsoenlijke man. Ik moet u waarlijk nog eens de hand

geven. En nu kunt gij gaan; en ik hoop,” zeide mevrouw Skewton, de

dochter aansprekende, “dat ge meer dankbaarheid, en natuurlijke, hoe

heet het ook weer, en dat alles, zult toonen—ik heb nooit namen kunnen

onthouden—want er is nooit beter moeder geweest, dan die arme oude ziel

voor u geweest is. Kom, Edith!”

Terwijl de ruïne van Cleopatra grienend heenwaggelde, en hare oogen

afveegde, maar met voorzichtigheid om het rouge in de nabijheid te

ontzien, strompelde de oude vrouw, mompelende en haar geld tellende,

een anderen kant heen. Geen woord, geen gebaar was tusschen Edith en de

jongere vrouw meer gewisseld, maar geen van beide had hare oogen van de

andere afgewend. Zij waren tegen elkander over blijven staan tot

zoolang, toen Edith, alsof zij uit een droom ontwaakte, langzaam

voortging.

“Ge zijt mooi,” prevelde hare schaduw, haar naziende, “maar het mooi

kan ons niet redden. En ge zijt trotsch, maar trotschheid kan ons niet

redden. Wij zullen elkander wel kennen, als wij elkander weerzien!”

Dombey en Zoon · 第 79 / 125 题