VERDERE AVONTUREN VAN DEN ZEEKAPITEIN EDWARD CUTTLE.

De tijd, vast van voet en krachtig van wil, had zich zoo gerept, dat

het jaar, hetwelk de oude instrumentmaker had bepaald als de tijd

hoelang zijn vriend moest wachten om het verzegelde pakje te openen,

dat hij bij zijn brief had achtergelaten, nu bijna verloopen was, en

kapitein Cuttle het op een avond met eene mengeling van

nieuwsgierigheid en ongerustheid zat te bekijken.

De kapitein zou er, als man van eer, even weinig aan gedacht hebben om

het pakje een uur voor den afloop van den voorgeschreven tijd te

openen, als om zich zelven te openen ten einde zich van binnen te

bekijken. Hij haalde het slechts, als hij zijne eerste avondpijp

rookte, te voorschijn, legde het op de tafel, en zat het dan twee of

drie uren achtereen met stillen ernst van buiten aan te staren.

Somtijds, als hij het aldus een tamelijk langen tijd had beschouwd,

schoof de kapitein zijn stoel langzamerhand al verder en verder

achteruit, als ware het om buiten den kring der toovermacht te komen;

maar als dit zijn oogmerk was, gelukte het hem toch nooit; want zelfs

als hij tegen den muur van het kamertje gekomen was, bleef het pakje

hem toch aantrekken, of als zijne oogen, peinzend zwervende, naar den

zolder of het vuur dwaalden, ging het beeld van het pakje dadelijk mede

en posteerde zich tusschen de kolen of tegen de witkalk aan.

Wat zijn Hartediefje betrof, kende des kapiteins vaderlijke genegenheid

en opgetogenheid geene verandering. Maar sedert zijn laatste gesprek

met Carker, was kapitein Cuttle begonnen te twijfelen, of zijne

vroegere tusschenkomst ten behoeve van die jonge dame en Walter, zijn

lieven jongen, wel zoo voordeelig was geweest als hij had kunnen

wenschen en toen ter tijd had geloofd. De kapitein was, kortom, ernstig

bekommerd dat hij meer kwaad dan goed had gedaan; en in zijne wroeging

en bescheidenheid deed hij de beste boete die hij kon doen, door zich

overal vandaan te houden, waar hij iemand nog meer kwaad zou kunnen

doen, en zich, als het ware, als een ongeluksvogel overboord te werpen.

Zoo door zijn eigen vonnis tusschen instrumenten begraven, kwam de

kapitein nooit meer in de nabijheid van Dombey’s huis, en liet hij

Florence en Suze Nipper niets meer van zich zien of hooren. Hij brak

zelfs de kennis met Perch af, toen deze hem eene volgende maal kwam

bezoeken, door dien heer droogjes te onderrichten, dat hij hem voor

zijn gezelschap dankbaar was, maar zich voortaan van al zulken omgang

wilde af houden, daar hij niet wist welk kruitmagazijn hij, zonder het

te willen, in de lucht kon doen vliegen. In deze hem door zich zelven

opgelegde afzondering sleet de kapitein geheele dagen en weken zonder

een enkel woord met iemand te wisselen behalve met Rob den Slijper,

wien hij voor een model van belangelooze verkleefdheid en trouw hield.

In deze afzondering zat de kapitein des avonds het pakje aan te staren

en al rookende aan Florence en den armen Walter te denken, tot zij voor

zijne eenvoudige verbeelding beide dood schenen en nu in eeuwige jeugd

de schoone onschuldige kinderen zijner eerste herinnering bleven.

De kapitein verzuimde echter door dit gepeins zijne eigene stichting en

de verstandsbeschaving van Rob den Slijper niet. Gewoonlijk moest deze

jongeling den kapitein elken avond een uur uit een boek voorlezen; en

daar de kapitein blindelings geloofde dat in alle boeken niets anders

dan waarheid stond, zamelde hij aldus vele merkwaardige feiten op. Op

zondagavond las de kapitein altijd voor zich zelven, eer hij naar bed

ging, zekere Goddelijke Rede, die eens op een berg werd uitgesproken;

en hoewel hij gewoon was den tekst, zonder boek, op zijne eigenaardige

manier aan te halen, scheen hij toch met een even eerbiedig gevoel van

den hemelschen geest daarin te lezen, alsof hij dien in het Grieksch

van buiten kende en in staat was om over ieder vers een aantal scherpe

theologische twistschriften te schrijven.

Rob de Slijper, wiens eerbied voor de Heilige Schriften, onder het

bewonderenswaardig stelsel der Slijpersschool, ontwikkeld was door hem

aanhoudend over al de eigennamen in de geslachtregisters van Israël te

laten struikelen en bij wijze van straf moeielijke verzen te laten

opzeggen, alsmede door hem op zesjarigen ouderdom met zijne lederen

broek, driemaal op een zondag, in parade heel ver naar eene heel warme

kerk te laten trekken, waar een groot orgel hem door zijn slaperig

hoofd bromde, gelijk eene reusachtige nijvere bij—Rob de Slijper hield

zich alsof hij machtig gesticht was wanneer de kapitein met lezen

ophield, en zat doorgaans te geeuwen en te knikkebollen zoolang het

lezen duurde; welke laatste omstandigheid nooit door den kapitein werd

vermoed.

Kapitein Cuttle ging ook, als man van zaken, aan het boekhouden. In

zijne boeken schreef hij observatiën over het weder, en over den stroom

van wagens en andere rijtuigen, dien hij opmerkte dat in die streek des

morgens en gedurende het grootste gedeelte van den dag westwaarts en

des avonds oostwaarts liep. Daar zich in eene week twee of drie

“kruisers” vertoonden, die hem “praaiden”—zoo werd het door den

kapitein geboekt—over een bril, en, zonder eigenlijk te koopen, zeiden

dat zij nog wel eens zouden aankomen, begreep de kapitein dat de zaken

beter begonnen te gaan, en noteerde dit ook in zijn dagboek; de wind

toen (hetgeen hij eerst aanteekende) tamelijk frisch waaiende, west ten

noorden, daar hij in den nacht veranderd was.

Een der voornaamste bezwaren des kapiteins was Toots, die dikwijls

aankwam, en, zonder veel te zeggen, in het denkbeeld scheen te

verkeeren dat het achterkamertje een zeer geschikt vertrekje was om in

te zitten grinniken, dewijl hij het daartoe bij het halve uur achtereen

kwam gebruiken, zonder daarom met den kapitein op vertrouwelijker voet

te komen. De kapitein, door zijne jongste ondervinding voorzichtig

geworden, kon het maar niet met zich zelven eens worden of Toots

inderdaad de onnoozele bloed was dien hij scheen te zijn, dan wel een

listige veinsaard en huichelaar. Zijne herhaalde toespelingen op

jufvrouw Dombey waren verdacht; maar de kapitein gevoelde zich

heimelijk ingenomen door de vertrouwelijkheid die Toots hem scheen te

bewijzen, en wilde dus vooreerst nog niet ongunstig over hem oordeelen.

Hij zag hem slechts, als hij het onderwerp naderde dat hen het naast

aan het hart lag, met onbeschrijfelijke schranderheid aan.

“Kapitein Gills,” flapte Toots eens geheel onverwacht uit, gelijk zijne

manier was, “denkt gij dat gij gunstig zoudt kunnen denken over dat

voorstel van mij, en mij het pleizier geven om kennis met u te mogen

houden?”—“Wel, ik zal u zeggen hoe het is, mijn jongen,” zeide de

kapitein; “ik heb dat eens overlegd.”—“Kapitein Gills, dat is heel

vriendelijk van u,” hervatte Toots, “en ik ben u wel verplicht. Op mijn

woord van eer, kapitein Gills, het zou eene weldaad voor mij zijn als

ik het pleizier mocht hebben om kennis met u te houden. Dat zou het

waarlijk.”—“Gij ziet wel, broeder,” zeide de kapitein langzaam

redeneerend, “ik ken u niet.”—“Maar gij kunt mij nooit kennen, kapitein

Gills,” antwoordde Toots, bij zijn a-propos blijvende, “als gij mij het

pleizier niet geeft om kennis met u te mogen houden.”

De kapitein scheen getroffen door het juiste en origineele dezer

opmerking, en keek Toots aan alsof hij dacht dat er veel meer achter

hem stak dan hij zich verbeeld had.

“Wel gezegd, mijn jongen,” zeide de kapitein, peinzend knikkende, “en

wel waar. Zie nu eens hier. Gij hebt mij het een en ander verteld

waaruit ik opmaak dat gij bewondering gevoelt voor zeker lief

schepseltje. He?”—“Kapitein Gills,” zeide Toots, geweldige gebaren

makende met de hand waarin hij zijn hoed hield. “Bewondering is het

rechte woord niet. Op mijn woord, gij hebt er geen begrip van wat mijn

gevoel is. Als men mij kon zwart verven en tot jufvrouw Dombey’s slaaf

maken, zou ik het voor een compliment houden. Als ik, met opoffering

van al wat ik bezit, in jufvrouw Dombey’s hond kon herschapen worden,

denk ik—denk ik waarlijk dat ik nooit zou ophouden met kwispelstaarten.

Zoo volmaakt gelukkig zou ik zijn, kapitein Gills.”

Toots zeide dit met waterige oogen, en drukte, met diepe aandoening,

zijn hoed tegen zijne borst.

“Mijn jongen,” antwoordde de kapitein, tot medelijden bewogen, “als gij

dat waarlijk ernstig meent...”—“Kapitein Gills,” riep Toots uit, “ik

meen het zoo schrikkelijk ernstig, en ik ben in zulk een

gemoedstoestand, dat ik, als ik het op een gloeiend stuk ijzer, of op

eene kool vuur, of op gesmolten lood, of brandend lak, of iets van dien

aard, kon bezweren, waarlijk blij zou zijn als ik mij zeer deed, om

mijn gevoel maar wat lucht te geven.” En Toots keek haastig in de kamer

rond, als zocht hij naar het een of ander om zijn vreeselijk voornemen

te volvoeren.

De kapitein schoof zijn blinkenden hoed op zijn hoofd achterover,

streek zijn gezicht met zijne zware hand,—daardoor zijn neus nog bonter

makende—plantte zich vlak voor Toots, haakte hem bij den lappel van

zijn jasje, en sprak hem met deze woorden toe, terwijl Toots hem zeer

aandachtig en eenigszins verwonderd aanstaarde:

“Als gij het ernstig meent, ziet gij, mijn jongen, zijt gij een

voorwerp van menschlievendheid, en menschlievendheid is de schoonste

parel in de kroon op het hoofd van een Brit, dat gij kunt nazien in de

constitutie, zooals in Rule Britannia staat, en als gij dat vindt, dan

hebt gij daar het charter, waarvan die beschermengelen zoo dikwijls

zingen. Sta vast nu! Dat voorstel van u brengt mij een beetje

overstuur. En waarom? Omdat ik, verstaat ge, hier in deze wateren maar

alleen rondzwalk, en geen maat heb, en misschien daar ook niet naar

wensch. Sta vast. Gij hebt mij eerst gepraaid om eene zekere jonge

juffer, die u had uitgerust. Als gij en ik nu elkander gezelschap

zullen houden, dan moet de naam van dat jonge schepseltje nooit genoemd

of gerept worden. Ik weet niet wat voor kwaad er al gebeurd is door er

voorheen al te vrij van te spreken, en daarbij houd ik het. Begrijpt ge

mij zoo tamelijk, broeder?”—“Wel, gij moet het mij niet kwalijk nemen,

kapitein Gills,” antwoordde Toots, “als ik u somtijds niet geheel kan

volgen. Maar op mijn woord, ik—het is toch hard, kapitein Gills, niet

van jufvrouw Dombey te mogen spreken. Ik heb waarlijk zulk eene

vreeselijke zwaarte hier,” daarbij legde Toots weemoedig beide handen

op zijne borst, “dat ik nacht en dag een gevoel heb, juist alsof er

iemand op mij zat.”—“Dat zijn de bedingen, die ik aanbied.” zeide de

kapitein. “Als gij ze te hard vindt, broeder, zooals ze misschien zijn,

laat ze dan staan, en laten wij als goede vrienden scheiden.”—“Kapitein

Gills,” antwoordde Toots, “ik weet haast niet hoe het is, maar na

hetgeen gij mij gezegd hebt toen ik de eerste maal hier kwam, gevoel

ik—dat ik liever in uw gezelschap aan jufvrouw Dombey wil denken, dan

bij haast iemand anders van haar praten. Dus kapitein Gills, als ge mij

het pleizier wilt doen van met u te mogen kennis houden, zal ik dat

heel gaarne op uw eigene conditiën doen. Ik wil eerlijk zijn, kapitein

Gills,” zeide Toots, zijne uitgestokene hand nog even terugtrekkende,

“en daarom moet ik zeggen, dat ik niet kan nalaten aan jufvrouw Dombey

te denken. Het is mij onmogelijk te beloven, dat ik niet aan haar

denken zal.”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein, wiens achting voor Toots

door deze oprechte bekentenis zeer verhoogd werd, “iemands gedachten

zijn evenals de wind, en niemand kan lang achtereen daarvoor instaan.

Is het een accoord wat woorden betreft?”—“Wat woorden betreft, kapitein

Gills,” antwoordde Toots, “denk ik dat ik mij wel kan verbinden.”

Toen gaf Toots den kapitein zijne hand er op; en de kapitein gaf hem,

met veel vertooning van vriendelijke goedgunstigheid, uitdrukkelijk

verlof om kennis met hem te mogen houden. Toots scheen zeer verheugd

over dit geluk, en bleef, zoolang zijn bezoek nog duurde, vergenoegd

zitten grinniken. De kapitein, van zijn kant, was niet slecht in zijn

schik met zijne positie als begunstiger en beschermer, en buitengemeen

weltevreden over zijne eigene voorzichtigheid en schranderheid.

Doch hoe rijk kapitein Cuttle ook met deze hoedanigheden was bedeeld,

hij kreeg denzelfden avond nog eene onverwachte verrassing, van geen

minder oprecht en eenvoudig jongeling dan Rob den Slijper. Die

argelooze knaap, die aan dezelfde tafel thee dronk en deemoedig over

zijn kopje gebogen zat, ondertusschen met zijdelingsche blikken op zijn

meester lettende, die met veel moeite, maar groote deftigheid, door

zijn bril de courant las, verbrak de stilte door te zeggen:

“Neem mij niet kwalijk, kapitein; maar gij zult misschien geen duiven

noodig hebben, zult ge wel, mijnheer?”—“Neen, mijn jongen,” antwoordde

de kapitein.—“Omdat ik de mijne maar wilde wegdoen, kapitein,” zeide

Rob.—“Zoo, zoo?” zeide de kapitein, zijne ruige wenkbrauwen een weinig

optrekkende.—“Ja; ik ga heen, kapitein,” zeide Rob.—“Heengaan? Waar

gaat gij dan naar toe?” vroeg de kapitein, over zijn bril heen naar hem

omkijkende.—“Wat? Wist gij dan niet dat ik van u vandaan zou gaan,

kapitein?” zeide Rob, met een gluiperigen glimlach.

De kapitein legde de courant neer, zette zijn bril af, en zag den

deserteur strak aan.

“Wel ja, kapitein, ik zou u waarschuwen. Ik dacht dat gij er misschien

al te voren van geweten hadt,” zeide Rob, zijne handen wrijvende en

opstaande. “Als ge zoo goed kondt zijn om u gauw van iemand anders te

voorzien, kapitein, zou mij dat best gelegen komen. Ge zoudt dat niet

tegen morgenochtend kunnen doen, vrees ik, kapitein; zoudt ge wel,

denkt gij?”—“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?”

zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken.—“Het

is toch wel hard voor een jongen, kapitein,” zeide de teerhartige Rob,

gekrenkt en verontwaardigd te gelijk, “dat hij niet eens behoorlijk

zijne huur kan opzeggen, of men moet hem zoo zuur aankijken en een

deserteur noemen. Het staat u niet vrij om een armen jongen uit te

schelden, kapitein. Omdat ik een knecht ben en gij een meester zijt,

moogt ge mij toch geen kwaden naam geven. Wat voor kwaad heb ik gedaan?

Kom aan, kapitein, zeg mij wat ik misdaan heb.”

De diepgetroffen Slijper huilde, en duwde zijn mouwopslag tegen zijn

oog.

“Kom aan, kapitein,” riep de beleedigde jongeling uit, “laat hooren

waaraan ik schuldig ben. Wat heb ik gedaan? Heb ik van het goed

gestolen? Heb ik het huis in brand gestoken? Zoo ja, waarom laat ge mij

dan niet pakken en voor het gerecht brengen? Maar een jongen zijn

goeden naam te ontnemen, die een goede knecht voor u is geweest, omdat

hij zich zelven niet in het licht wil staan voor uw profijt, wat voor

kwaad is dat, en wat voor belooning voor trouwen dienst! Dat is immers

om een jongen voor altijd te bederven en om hem op een slechten weg te

brengen. Ik ben verbaasd over u, kapitein, dat ben ik.”

Dit alles bracht de Slijper uit met een jankend gehuil, terwijl hij

voorzichtig achteruit naar de deur week.

“Dus hebt gij eene andere plaats, jongetje, niet waar?” zeide de

kapitein, hem nog strak aanziende.—“Ja, kapitein, als gij daarop komt,

ik heb eene andere plaats,” zeide Rob, al meer en meer achteruitgaande,

“beter plaats dan ik hier heb, en waar ik niet eens uw goed woord

noodig heb, dat gelukkig voor mij is, na al het vuil waarmee ge mij

gegooid hebt, omdat ik arm ben en het mij niet schikt, mij zelven in

het licht te staan voor uw profijt. Waarom verwijt gij het mij dat ik

arm ben en mij zelven niet voor uw profijt in het licht wil staan,

kapitein? Hoe kunt gij u zoo gemeen aanstellen?”—“Hoor eens hier,

jongetje,” antwoordde de vreedzame kapitein. “Laat maar niet meer van

die woorden los.”—“Wel, laat gij dan ook niet meer van uwe woorden

los,” zeide de gegriefde Rob hierop, nog harder jankende en in den

winkel afdeinzende. “Ik heb liever, dat gij mijn bloed neemt dan mijn

goeden naam.”—“Omdat ge,” vervolgde de kapitein bedaard, “misschien wel

eens van zoo iets als een eindje touw hebt gehoord.”—“Of ik—zoo?” riep

de smalende Slijper uit. “Neen, kapitein. Van zulk een ding heb ik

nooit gehoord.”—“Wel,” zeide de kapitein, “dan geloof ik dat gij er

tamelijk gauw meer van zult weten, als ge niet voor u ziet. Ik kan uwe

seinen wel onderscheiden, jongetje. Gij kunt gaan.”—“Zoo, mag ik

dadelijk, kapitein?” riep Rob verheugd over dezen afloop. “Maar let er

wel op, dat ik niet gevraagd heb om dadelijk te gaan, kapitein. Gij

moet mij niet weer een slechten naam geven, omdat gij mij uit eigen

verkiezing wegzendt. En gij moet niets van mijn loon inhouden,

kapitein.”

Zijn meester besliste dit laatste punt door het blikken busje te

voorschijn te halen en des Slijpers volle geld op de tafel uit te

tellen. Zuchtend en snikkend, en diep in zijn gevoel gekwetst, nam Rob

de stukken een voor een op, met een zucht en een snik voor elk, en

knoopte ze een voor een in zijn zakdoek; daarna klom hij naar het dak

van het huis en vulde zijn hoed en zijne zakken met duiven; vervolgens

kwam hij weder naar beneden, ging naar zijn bed onder de toonbank en

maakte zijn pakje, nog harder zuchtende en snikkende, alsof oude

herinneringen hem het hart doorsneden; daarop jankte hij: “Goedennacht,

kapitein. Ik ga zonder boosheid van u vandaan;” eindelijk naar buiten

stappende, trok hij, als een afscheidsaffront, den houten adelborst bij

den neus, en ging in grijnzenden triomf de straat af.

De kapitein, alleen gelaten, hervatte zijn onderzoek van het nieuws

alsof er niets buitengewoons of onverwachts gebeurd was, en las met den

grootsten ijver voort. Maar geen enkel woord verstond kapitein Cuttle,

hoewel hij er een groot aantal las, want Rob de Slijper liep de geheele

courant door langs de kolommen op en neer.

Het is twijfelachtig of de brave kapitein zich ooit voor op dit

oogenblik geheel verlaten had gevoeld; maar nu waren de oude Sam Gills,

Walter en Hartediefje eerst waarlijk voor hem verloren, en nu eerst

bedroog en smaadde Carker hem op het grievendst. Zij allen hadden een

vertegenwoordiger in den valschen Rob, voor wien hij zoo dikwijls had

uitgeweid over de herinneringen, die zijn binnenste verwarmden. Hij had

in den valschen Rob geloofd en zich verheugd dat hij dit doen kon; hij

had hem tot zijn gezelschap gemaakt als den laatsten der bemanning van

het oude schip; hij had met hem aan zijne rechterhand het kommando over

den houten adelborst overgenomen, hij had zijn plicht jegens hem willen

doen, en den jongen eene genegenheid toegedragen, bijna alsof zij te

zamen schipbreuk hadden geleden en op eene onbewoonde plek waren

aangespoeld. En nu de valsche Rob wantrouwen, verraad en laagheid in

dat achterkamertje had gebracht, dat een soort van heiligdom was, was

het kapitein Cuttle te moede, alsof het achterkamertje zelf nu ook wel

had kunnen verzinken, zonder dat het hem veel verwonderde of speet.

Daarom las kapitein Cuttle de courant met groote aandacht en zonder

eenig begrip, en daarom zeide kapitein Cuttle niets hoegenaamd over Rob

tot zich zelven, of wilde hij zich zelven bekennen, dat hij aan hem

dacht, of dat Rob er iets mee te maken had dat hij zich zoo eenzaam

gevoelde als Robinson Crusoe.

Op dezelfde bedaarde en onverschillige manier stapte de kapitein in het

donker naar Leadenhall Market en maakte daar schikking met een waker,

die de wacht had, om elken ochtend en avond de luiken van den houten

adelborst te komen afnemen en opzetten. Toen ging hij in het eethuis

aan, om het dagelijksch rantsoen, tot nog toe aan den houten adelborst

geleverd, tot de helft te verminderen, en in de herberg, om het bier

van den verrader af te zeggen. “Mijn jongen,” zeide de kapitein ter

verklaring aan het juffertje in het buffet, “mijn jongen heeft eene

betere plaats gezocht, jufvrouw.” Eindelijk besloot de kapitein om het

bed onder de toonbank in bezit te nemen, en daar des nachts te slapen

in plaats van boven, als eenig bewaker van het goed.

Uit dit bed stond de kapitein voortaan elken morgen om zes uur op en

duwde zijn harden hoed op het hoofd, met het eenzame uitzicht van

Crusoe, die zijne muts van geitenvel opzet; en hoewel zijne vrees voor

een bezoek van den wilden stam der MacStinger’s eenigszins was bekoeld,

gelijk eene dergelijke vrees bij den eenzamen schipbreukeling placht te

bekoelen als er een lange tijd verliep zonder dat hij iets van de

kannibalen bespeurde, bleef hij nog zijn geregeld verdedigingsstelsel

in acht nemen, en waagde hij zich nooit in de nabijheid van een

vrouwenhoed, zonder dien vooraf uit zijn kasteel te hebben waargenomen.

Ondertusschen begon (daar hij in langen tijd geen bezoek van Toots

kreeg, die hem schreef dat hij uit de stad was) zijne eigene stem een

vreemden klank in zijne ooren te krijgen, en nam hij zoodanig de

gewoonte aan om te zitten peinzen, dat de roode rand, door zijn harden

blinkenden hoed op zijn voorhoofd veroorzaakt, somtijds zeer deed van

het ingespannen nadenken.

Daar het jaar nu om was, achtte kapitein Cuttle het raadzaam, het pakje

te openen; maar dewijl hij altijd voornemens was geweest dit in

tegenwoordigheid van Rob den Slijper te doen, die het hem gebracht had,

en hij zich verbeeldde dat het behoorlijk was dit in iemands

tegenwoordigheid te verrichten, was hij erg om een getuige verlegen. In

deze verlegenheid, was het met buitengewone blijdschap dat hij eens

onder de scheepsberichten de tijding vond, dat de Voorzichtige Clara,

kapitein John Bunsby, weder van eene kustvaart was teruggekomen; en

dadelijk zond hij dezen philosoof over de post een brief, waarin hij

het diepste stilzwijgen ten aanzien van zijne woning aanbeval, en

verzocht om eens in den avond met een bezoek te worden begunstigd.

Bunsby, een van de wijzen, die niet dan met volle overtuiging willen

handelen, had eenige dagen noodig om zich ten volle van de overtuiging

te doordringen dat hij zulk een brief had ontvangen. Toen het hem

echter gelukt was zich dat denkbeeld geheel eigen te maken, zond hij

spoedig een jongen met de boodschap: “Hij komt van avond.” Deze knaap

was belast om deze woorden uit te spreken en dan weder te verdwijnen,

en vervulde ook zijne zending gelijk een beteerd spook, met eene

geheimzinnige waarschuwing belast.

De kapitein, zeer daarmede in zijn schik, maakte toebereidselen van

pijpen, rum en water, en verwachtte het bezoek in het achterkamertje.

Tegen acht uur begreep de luisterende kapitein uit een dof geloei voor

de deur, als ware het van een zeestier, gevolgd door het kloppen met

een stok op het paneel, dat Bunsby voor de haven was; en zoodra de deur

geopend was, trad deze binnen, ruig en slordig, en met zijn strak

mahoniehouten gezicht, dat gelijk gewoonlijk, geene bewustheid scheen

te hebben van iets dat het voor zich had, maar oplettend naar iets te

turen dat in eene geheel andere wereldstreek voorviel.

“Bunsby,” zeide de kapitein, hem bij de hand vattende, “hoe gaat het,

mijn jongen, hoe gaat het?”—“Scheepskameraad,” antwoordde de stem in

het binnenste van Bunsby, zonder dat die kommandant zelf iets daarvan

scheen te weten, “hartig, hartig!”—“Bunsby,” zeide de kapitein, met

onwillekeurig betoon van hulde aan zijn genie, “daar zijt ge weer hier!

Een man die een gevoelen kan geven dat helderder is dan diamant, en een

man die hier in de kamer al eens een gevoelen heeft gegeven, dat

letterlijk is uitgekomen;” hetgeen de kapitein oprecht geloofde.—“Ja,

ja!” bromde Bunsby.—“Letterlijk!” zeide de kapitein.—“Want waarom?”

bromde Bunsby, zijn vriend nu voor de eerste maal aanziende. “Hoe dat?

Zoo ja, waarom niet? Dus!” Met deze orakelachtige woorden—die den

kapitein bijna duizelig schenen te doen worden, zooveel vermoedens en

twijfelingen gaven zij hem aan de hand—liet de wijze zich zijne ruige

jas uittrekken, en vergezelde zijn vriend naar het achterkamertje, waar

zijne hand dadelijk op de rumflesch neerkwam, waaruit hij een stevig

glas grog gereedmaakte; en kort daarna op eene pijp, die hij stopte en

aanstak.

Kapitein Cuttle, in beide opzichten zijn vriend navolgende, schoon de

strakke verstrooidheid van Bunsby ver boven zijn vermogen was, zat aan

het andere hoekje van den haard eerbiedig naar hem te kijken, alsof hij

wachtte dat Bunsby eenig blijk van nieuwsgierigheid zou geven of hem

aanmoedigen om ter zake te komen. Daar de mahoniehouten philosoof

echter geen blijk gaf van iets bewust te zijn, behalve van warmte en

tabaksrook, met eene uitzondering, toen hij, zijne pijp uit zijn mond

nemende, om plaats voor zijn glas te maken, met eene zeer grove stem

aanmerkte, dat zijn naam Jack Bunsby was—een gezegde dat niet veel

gelegenheid gaf om een gesprek aan te knoopen—verzocht de kapitein hem

in eene korte, maar vleiende voorafspraak om zijne aandacht, verhaalde

daarna de geheele geschiedenis van oom Sam’s verdwijnen, met de

verandering daardoor in zijn eigen levenslot teweeggebracht, en besloot

met het pakje op de tafel te leggen.

Na eene lange pauze knikte Bunsby met zijn hoofd.

“Opendoen?” zeide de kapitein.

Bunsby knikte nog eens.

De kapitein brak dus het zegel los, en bracht aldus twee toegevouwen

papieren te voorschijn, waarvan hij een voor een de opschriften las:

“Laatste Wil en Testament van Samuel Gills.” “Brief aan Ned Cuttle.”

Bunsby scheen, met zijn oog op de kust van Groenland, naar den inhoud

te luisteren. De kapitein schraapte dus zijne keel en las den brief

voor.

““Mijn waarde Ned Cuttle. Toen ik naar West-Indië wilde

vertrekken....””

Hier hield de kapitein op en keek Bunsby strak aan, die even strak naar

de kust van Groenland keek.

““Om hopeloos tijding van mijn lieven jongen te zoeken, wist ik wel dat

gij, als gij met mijn plan bekend waart, mij zoudt willen tegenhouden,

of met mij medegaan; en daarom hield ik het geheim. Als gij ooit dezen

brief leest, Ned, zal ik waarschijnlijk wel dood wezen. Gij zult dan

gemakkelijk de dwaasheid van een oud vriend vergeven, en medelijden

hebben met de onrustigheid en onzekerheid, die hem dreven om op zulk

eene reis uit te gaan. Dus niet meer daarvan. Ik heb weinig hoop dat

mijn arme jongen ooit deze woorden zal lezen, of uwe oogen ooit meer

met zijn openhartig gezicht verheugen.””—“Neen, neen; nooit meer,”

zeide kapitein Cuttle, treurig peinzende.

Een oogenblik later las hij voort: “Maar als hij er bij mocht wezen

wanneer deze brief gelezen wordt:” de kapitein zag onwillekeurig rond

en schudde zijn hoofd, “of er op een anderen tijd van mocht vernemen,”

de kapitein schudde weder zijn hoofd; “dan geef ik hem mijn zegen. In

geval het hierbijgevoegde papier niet volgens de wet is geschreven,

komt het er zeer weinig op aan, want het is voor niemand van eenig

belang dan voor u en voor hem, en mijn verlangen is eenvoudig dat hij,

als hij nog leeft, het weinige zal hebben dat ik bezit, en dat, als het

anders is, (gelijk ik vrees) gij het dan hebben zult, Ned. Gij zult

mijn wensch eerbiedigen, dat weet ik. God zegen u daarvoor, en voor

alle uwe vriendschap bovendien voor Samuel Gills.”

“Bunsby,” zeide de kapitein, hem plechtig aansprekende, “wat maakt gij

nu daarvan? Daar zit gij, een man die van kindsbeen af zijn hoofd aan

stuk heeft gevallen, en er door elke nieuwe barst nieuw verstand in

heeft gekregen. Wat maakt gij nu hiervan?”—“Als het gebeurt,”

antwoordde Bunsby met buitengewonen spoed, “dat hij dood is, dan is het

mijn gevoelen dat hij niet weerom zal komen. Als het gebeurt dat hij

nog leeft, dan is het mijn gevoelen dat hij het wel zal doen. Zeg ik

dat hij zal? Neen. Waarom niet? Omdat de ondervinding het zal

leeren.”—“Bunsby,” zeide kapitein Cuttle, die de uitspraken van zijn

vriend des te hooger scheen te achten, naarmate hij het moeielijker

vond om er iets van te begrijpen; “Bunsby,” zeide de kapitein met

opgetogene bewondering, “gij voert met gemak eene vracht van verstand,

waarmee iemand van mijne maat gauw zou verzinken. Maar wat dit

testament betreft, ik ben niet voornemens iets met het goed te doen—God

bewaar mij—behalve om het voor een meer rechtmatigen eigenaar te

bewaren; en ik hoop dat de rechtmatige eigenaar, Sam Gills, nog leeft

en nog weerom zal komen, al is het vreemd dat hij geene rapporten heeft

gezonden. Wat is nu uw gevoelen er van, Bunsby, om deze papieren weer

weg te stouwen en er buitenop te merken, dat zij op dien en dien dag in

tegenwoordigheid van John Bunsby en Edward Cuttle zijn geopend?”

Daar Bunsby op de kust van Groenland of elders geen bezwaar tegen dit

voorstel zag, werd het ten uitvoer gebracht; en de groote man, zijn oog

daartoe even van Groenland terugroepende, zette zijne handteekening op

den omslag, waarbij hij zich, met eigenaardige zedigheid, geheel van

het gebruik van kapitale letters onthield. Nadat kapitein Cuttle ook

zijne linksche handteekening er op had gezet en het pakje in de ijzeren

kist gesloten, verzocht hij zijn gast om zich nog een glas klaar te

maken en nog eene pijp te rooken; en insgelijks hetzelfde doende,

geraakte hij bij het vuur over het mogelijke lot des ouden

instrumentmakers aan het peinzen.

En nu had er eene verrassing plaats van zoo geduchten aard, dat

kapitein Cuttle, indien de tegenwoordigheid van Bunsby hem niet had

ondersteund, er geheel onder had moeten bezwijken, en van dat

noodlottig uur af een verloren man zou zijn geweest.

Hoe de kapitein, zelfs in zijne blijdschap over het ontvangen van zulk

een gast, de deur slechts had kunnen toestooten, in plaats van ze te

sluiten, aan welk verzuim hij zich inderdaad had schuldig gemaakt, is

een van die vragen, die voor altijd punten van bespiegeling moeten

blijven, indien men ze niet in beschuldigingen tegen het noodlot wil

veranderen. Maar door die ongeslotene deur kwam op dat stille oogenblik

de geduchte jufvrouw MacStinger binnenstuiven, met Alexander MacStinger

in hare moederlijke armen, en straf en wraak (om niet van Juliana

MacStinger en haar broertje Charles, op zijne jeugdige speelplaatsen

algemeen als Chowley bekend, te spreken) in haar gevolg. Zij kwam zoo

snel en stil, alsof de wind haar uit de buurt der Oost-Indische dokken

had overgewaaid, dat kapitein Cuttle haar werkelijk reeds een poosje

had aangekeken, eer het kalme gelaat, waarmede hij had zitten peinzen,

in een gezicht vol schrik en ontzetting veranderde.

Maar zoodra kapitein Cuttle de volle uitgestrektheid van zijn ongeluk

begreep, deed de zucht tot zelfbehoud hem eene poging aanwenden om te

vluchten. Naar het deurtje snellende, dat uit het achterkamertje naar

het steile keldertrapje voerde, schoot hij met het hoofd vooruit

daarbinnen, als een man, die onverschillig voor builen en kneuzingen,

zich slechts in de ingewanden der aarde zoekt te verbergen. Zijn dapper

voornemen zou hem waarschijnlijk gelukt zijn, zonder de hartelijkheid

van Juliana en Chowley, die hem bij de beenen grepen—een van deze lieve

kinderen aan ieder been—en hem met een jammerlijk geschreeuw als een

wedergevonden vriend begroetten. Ondertusschen had jufvrouw MacStinger,

die nooit iets van aanbelang begon zonder eerst haar zoontje Alexander

ten onderste boven te keeren, om hem onder het bereik eener batterij

van vlugge klappen te brengen, en hem dan neer te zetten om af te

koelen, gelijk de lezer hem eens gezien heeft, deze plechtigheid

verricht, welke bij deze gelegenheid eene offerande aan de Furiën

scheen te zijn; en nadat zij het slachtoffer op den grond had

geplaatst, kwam zij op den kapitein af met een gezicht hetwelk Bunsby,

die tusschen beiden kwam, met krabben scheen te bedreigen.

Het geschreeuw der twee oudste MacStinger’s en het gehuil van den

jeugdigen Alexander maakten dit tooneel nog geduchter; maar eerst toen

er weder stilte heerschte, en de kapitein, geweldig zweetende, jufvrouw

MacStinger bedeesd stond aan te zien, steeg het ontzettende daarvan ten

top.

“O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle!” zeide jufvrouw MacStinger, iets

tegen hem schuddende, dat men, als hare sekse niet zoo teer was, hare

vuist zou kunnen noemen. “O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle, durft ge

mij in het gezicht zien, zonder dat ge door den grond zinkt!”

De kapitein, die er alles behalve manhaftig uitzag, mompelde flauw:

“Sta vast!”—“O, ik was wel eene teerhartige zottin, toen ik u onder

mijn dak nam, kapitein Cuttle, dat was ik,” riep jufvrouw MacStinger.

“Als ik aan de weldaden denk waarmede ik dien man heb overhoopt, en de

manier zooals ik mijne kinderen leerde om hem lief te hebben en te

eeren alsof hij een vader voor hen was, al was er geen huishoudster, ja

zelfs geen commensaal in de straat, of men wist dat ik geld op dien man

toelegde met zijn slobberen en flobberen.” Jufvrouw MacStinger

gebruikte het laatste woord om het rijm en tot versterking van den

nadruk, niet zoozeer om een bepaald denkbeeld aan te duiden; “en al

sprak men er schande van dat hij zoo leefde met eene brave vrouw, vroeg

en laat op om voor haar huishouden wat te verdienen, en die haar huis

zoo zindelijk houdt, dat iemand van den vloer of van de trap zou kunnen

eten, ja zelfs theedrinken als hij wilde, in spijt van al zijn

slobberen en flobberen, zooveel moeite gaf ik mij om hem.”

Zij hield even op om eens adem te halen, en triomfeerde er in dat zij

des kapiteins flobberen nog eens zoo gelukkig had te pas gebracht.

“En hij loopt vo-o-ort!” riep jufvrouw MacStinger, met een uithaal van

het laatste woord, die den ongelukkigen kapitein zich zelven voor den

laagsten aller stervelingen deed houden, “en houdt zich een jaar lang

schuil! Voor eene vrouw! Dat doet zijn geweten. Hij durft haar niet

onder de oogen komen, maar kruipt weg als een deserteur. Wel, als dat

kleine kind van mij,” zeide jufvrouw MacStinger, zeer snel sprekende,

“zoo wilde wegkruipen, zou ik als moeder mijn plicht aan hem doen, tot

hij bont en blauw was.”

De jeugdige Alexander, die dit als eene stellige belofte opnam,

tuimelde van schrik omver, bleef met de schoenzooltjes omhoog op den

vloer liggen en hief zulk een verdoovend geschreeuw aan, dat jufvrouw

MacStinger het noodig vond hem op haar arm te nemen, en hem nu en dan,

als hij weder uitbarstte, te stillen, door hem te schudden op eene

manier, die zijne tandjes scheen te moeten losmaken.

“Een aardig soort van een man is kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw

MacStinger, “om zich zoo aan te trekken, dat men er niet van slapen

kan, en er van flauw valt, en hem voor dood houdt, en de heele stad op

en neer loopt, alsof men gek was, om naar hem te vragen! Een aardig

soort van man, ha, ha, ha! Hij is wel zooveel angst en moeite waard, en

nog meer. Och Heere, dat is niemendal. Ha, ha, ha! Kapitein Cuttle,”

zeide jufvrouw MacStinger, met eene stem vol barsche strengheid, “ik

wensch te weten, of gij nu naar huis komt.”

De verschrikte kapitein keek in zijn hoed, alsof hij er niets meer op

zag dan dien op te zetten en zich over te geven.

“Kapitein Cuttle,” herhaalde jufvrouw MacStinger op denzelfden vasten

toon, “ik wensch te weten of gij nu naar huis komt, mijnheer.”

De kapitein scheen volkomen bereid om mede te gaan, maar mompelde flauw

iets van “zooveel leven niet te maken.”—“Ja, ja, ja,” zeide nu Bunsby

op een bedaarden toon. “Zachtjes aan, vrouwtje, zachtjes aan!”—“En wie

zoudt gij wel wezen, als je belieft!” zeide jufvrouw MacStinger zeer

preutsch en statig. “Hebt gij in nommer negen op Brig Place gewoond,

mijnheer? Mijn geheugen mag slecht wezen, maar ik geloof toch bij mij

niet. Zekere jufvrouw Jollson heeft voor mij in nommer negen gewoond,

en misschien ziet ge mij voor haar aan. Dit is de eenige manier waarop

ik uwe familiariteit kan verklaren, mijnheer.”—“Kom, kom; zachtjes

aan.”

Kapitein Cuttle kon het nauwelijks gelooven, zelfs van dezen grooten

man, hoewel hij het met zijne eigene oogen zag; maar Bunsby,

stoutmoedig nader komende, sloeg zijn ruigen blauwen arm om jufvrouw

MacStinger heen, en vermurwde haar, door de tooverachtige manier waarop

hij dit deed, en die weinig woorden sprak—hij zeide niets

meer—zoodanig, dat zij, na hem even te hebben aangezien, in tranen

wegsmolt, en zeide dat een kind haar nu aankon, zoo had zij haar moed

verloren.

Sprakeloos van verbazing zag de kapitein hem die onverbiddelijke vrouw

naar den winkel brengen, terugkomen om rum, water en eene kaars te

halen, en haar geheel bevredigen, zonder naar het scheen een woord te

spreken. Weldra kwam hij nog eens binnenkijken met zijne jas aan en

zeide: “Cuttle, ik ga ze als convooi naar huis brengen”; en met meer

verslagenheid, dan wanneer hij zelf in de boeien was gezet om hem

veilig naar Brig Place te vervoeren, zag de kapitein de familie

vreedzaam aftrekken, met jufvrouw MacStinger aan het hoofd. Hij had

nauwelijks tijd om het blikken busje te krijgen, en Juliana, zijne

vorige lieveling, en Chowley tersluiks eenig geld in de hand te

stoppen, of de houten adelborst werd door allen verlaten, en Bunsby,

fluisterende dat hij Ned Cuttle nog eens zou praaien eer hij weder naar

boord ging, trok de deur achter zich toe.

Een onrustige twijfel dat hij gedroomd moest hebben of schimmen had

gezien, en geene familie van vleesch en bloed, kwelde den kapitein in

het eerst toen hij weder naar het achterkamertje ging en zich daar

alleen bevond. Daarop volgde een toestand van verrukking, vol onbeperkt

geloof aan en onmetelijke bewondering voor den gezagvoerder der

Voorzichtige Clara.

Toen echter de tijd verliep en Bunsby niet terugkwam, begon de kapitein

onaangename twijfelingen van een anderen aard te ontwaren. Of Bunsby

arglistig naar Brig Place was gelokt en daar in hechtenis werd gehouden

als gijzelaar voor zijn vriend; in welk geval het den kapitein als man

van eer zou voegen hem te verlossen door het opofferen van zijne eigene

vrijheid. Of hij door jufvrouw MacStinger aangevallen en overwonnen

was, en zich schaamde om zich na zijne nederlaag te vertoonen. Of

jufvrouw MacStinger, zich in de ongestadigheid van haar humeur

bedenkende, was teruggekeerd om den houten adelborst nog eens aan boord

te klampen, en Bunsby veinzende haar een korter weg te willen brengen,

de familie in de woestenijen der stad poogde te doen verdwalen. Vooral

wat hem, kapitein Cuttle, wel zou voegen, in geval hij nooit meer iets

van de MacStinger’s of van Bunsby hoorde, hetgeen, met al die

verwonderlijke en onverwachte gebeurtenissen, mogelijk ook wel gebeuren

kon.

Hij overlegde dat alles met zich zelven tot hij er moe van werd; en nog

kwam er geen Bunsby. Hij maakte zijn bed onder de toonbank op, gereed

om er in te kruipen; en nog geen Bunsby. Eindelijk, toen de kapitein

hem voor dien avond ten minste had opgegeven en zich had beginnen te

ontkleeden, hoorde hij het gerucht van naderende wielen, die voor de

deur stilhielden en daarop volgde Bunsby’s aanroep.

De kapitein beefde bij de gedachte dat hij jufvrouw MacStinger niet had

kunnen kwijtraken en in die koets terugbracht.

Maar neen. Bunsby had niets anders bij zich dan een grooten koffer,

dien hij met eigene handen binnensleepte, en waarop hij, zoodra hij

dien had binnengesleept, ging zitten. Kapitein Cuttle herkende daarin

den koffer dien hij bij jufvrouw MacStinger aan huis had gelaten, en

toen hij, met de kaars in de hand, Bunsby meer oplettend bekeek, meende

hij dat deze een nat zeil had, of ronduit gezegd, dronken was. Het was

echter moeielijk hiervan zeker te zijn, daar de kommandant, wanneer hij

nuchter was, toch geen het minste spoor van uitdrukking in zijn gezicht

had.

“Cuttle,” zeide Bunsby, van den koffer opstaande en het deksel

openende, “is dat uwe plunje?”

Kapitein Cuttle keek in den koffer en herkende zijn eigendom.

“Tamelijk knap geklaard, niet waar, scheepskameraad?” zeide Bunsby.

De dankbare en verbijsterde kapitein vatte hem bij de hand en wilde

zijn gevoel in een opgetogen antwoord lucht geven, toen Bunsby zich met

een ruk losmaakte en eene poging scheen te doen om met zijn draaiend

oog te lonken, waarvan het eenige gevolg, in zijn toestand, was dat hij

zijne balans kwijtraakte en bijna omver tuimelde. Toen deed hij

onverwacht de deur open en streek heen om met allen spoed de

voorzichtige Clara weder op te zoeken—hetgeen men voor zijne vaste

gewoonte hield, wanneer hij begreep dat hij bijzonder had uitgemunt.

Daar het hem niet beviel als men hem te dikwijls opzocht, besloot

kapitein Cuttle niet naar hem toe te gaan of iemand naar hem te zenden,

voordat hij zijn genadig welgevallen in dit opzicht had laten weten, of

er ten minste eenige tijd verloopen was. De kapitein hervatte dus den

volgenden morgen zijn eenzaam leven, en dacht vele ochtenden, middagen

en avonden diepzinnig na over Sam Gills en de hoop op zijne terugkomst.

Dit vele denken versterkte hem in die hoop; en hij vermaakte zich

dikwijls met naar den instrumentmaker aan de deur te staan

wachten—gelijk hij nu, in zijne zonderlinge vrijheid durfde doen—en

zijn stoel op de gewone plaats te zetten, en alles in het

achterkamertje te schikken gelijk het placht te zijn, ingeval hij

onverwacht thuis mocht komen. Hij was ook behoedzaam genoeg om zeker

miniatuurtje van Walter als een schoolknaap van den gewonen spijker te

nemen, opdat het den ouden man bij zijne terugkomst niet zou schokken.

De kapitein had somtijds ook een voorgevoel dat hij op dien of dien dag

zou komen; en op zekeren zondag bestelde hij zelfs eene dubbele portie

eten, zoo vast rekende hij er op. Maar de oude Samuel kwam toch niet;

en de buren raakten er aan gewoon dat de varensman met den blinkenden

hoed des avonds aan de deur stond en de straat op- en afkeek.

Dombey en Zoon · 第 77 / 125 题