JUFVROUW TOX ZOEKT EENE OUDE KENNIS OP.

De verlatene jufvrouw Tox, door hare vriendin Louisa Chick verzaakt, en

geheel van Dombey’s gunst beroofd—want geen paar keurige kaartjes van

huwelijkscommunicatie, met een zilveren draadje vereenigd, versierde

den schoorsteenspiegel op Princess’s Place, of de piano, of een ander

dier plaatsen van tentoonstelling, waar Lucretia met zulke schatten

pronkte—gaf zich een tijd lang aan zwaarmoedigheid over. Zoolang werd

de piano niet gehoord, werden de bloemen verwaarloosd en verzamelde

zich het stof op het miniatuurtje van haar voorvader met het gepoeierde

hoofd en het staartje.

Jufvrouw Tox was echter niet van een leeftijd of een karakter om zich

lang aan nuttelooze droefheid over te geven. Slechts twee snaren der

piano waren gesprongen toen de Vogelwals weder door het scheve

voorkamertje klonk; slechts ééne geranium werd het slachtoffer van haar

verzuim, eer zij weder geregeld elken morgen tusschen hare potten aan

het tuinieren ging; de gepoeierde voorvader had niet langer dan zes

weken onder een nevel van stof gescholen, toen jufvrouw Tox zijn

vriendelijk aangezicht beademde en hem met een lapje zeem af boende.

Evenwel was jufvrouw Tox eenzaam en met zich zelve verlegen. Hare

aandoeningen, op welke belachelijke manier zij die ook toonde, waren

echt en krachtig, en zij was gelijk zij het uitdrukte, diep gekwetst

door de onverdiende bejegening, die zij van Louisa had ontmoet.

Haatdragendheid was echter iets dat in haar karakter geene plaats kon

vinden. Indien zij op hare fleemerige manier door het leven was

getrippeld zonder eenige bepaalde begrippen te vormen, was zij ook ten

minste zoover gekomen zonder eenige bittere hartstochten te koesteren.

Het enkele gezicht van Louisa Chick op straat, op een aanmerkelijken

afstand, overweldigde hare weekhartigheid eens zoodanig, dat zij

terstond bij een pasteibakker de wijk moest nemen, en daar, in een

dompig achterkamertje, gewoonlijk aan het verorberen van soep gewijd,

en waar eene vette etenslucht heerscht, haar gemoed verlichtte door

onbedwongen uit te schreien.

Over Dombey gevoelde jufvrouw Tox dat zij bijna geene reden van klagen

had. Zij koesterde voor de grootheid van dezen heer zulk een diepen

eerbied, dat het haar, eens weder van hem verwijderd, te moede was

alsof haar afstand altijd onmetelijk was geweest, en het eene

uitstekende goedheid van hem geweest was, dat hij haar ooit had willen

dulden. Geene vrouw kon, volgens hare meening, voor hem te schoon of te

statig zijn. Het was zeer natuurlijk dat hij, als hij eene vrouw zocht,

in de hoogste kringen zocht. Met tranen in de oogen drong jufvrouw Tox

zich twintigmaal daags deze stelling op. Nooit herinnerde zij zich de

stijve trotschheid, waarmede Dombey haar aan zijn gerief en zijne

grillen dienstbaar had gemaakt, en haar goedgunstig had veroorloofd

eene der oppassters van zijn zoontje te zijn. Zij bedacht alleen, met

hare eigene woorden, “dat zij zeer vele gelukkige uren in dat huis had

doorgebracht, waaraan zij altijd met streelend genoegen zou moeten

denken, en dat zij nooit kon nalaten mijnheer Dombey voor een der

waardigste en deftigste mannen te houden.”

Evenwel, afgesneden van de onverzoenlijke Louisa, en schuw voor den

majoor (dien zij thans eenigszins begon te wantrouwen), vond jufvrouw

Tox het zeer onaangenaam niets te weten van hetgeen er in Dombey’s

huishouden omging; en daar zij werkelijk de gewoonte had aangenomen om

Dombey en Zoon te beschouwen als de spil waarop de geheele wereld

draaide, besloot zij, liever dan onkundig te blijven van dingen waarin

zij zooveel belang stelde, hare oude kennis jufvrouw Richards weder op

te zoeken, van welke zij, sedert hare laatste gedenkwaardige

verschijning voor Dombey, wist, dat zij somtijds nog gemeenschap met

zijne dienstboden hield. Misschien had jufvrouw Tox, toen zij de

familie Toodle ging opzoeken, in hare borst ook het teedere verlangen

verborgen, om iemand te hebben met welke zij over mijnheer Dombey kon

praten, hoe nederig van stand die persoon dan ook mocht wezen.

Hoe dit zij, op zekeren avond richtte jufvrouw Tox hare schreden naar

de woning der Toodle’s, juist op een tijd toen Toodle, gezwart en met

asch bedekt, zich in den schoot van zijn gezin met theedrinken

verkwikte. Toodle had slechts drie trappen van aanzijn. Hij zat zich òf

in den zoo even gemelden schoot te verkwikken, òf hij vloog met eene

vaart van vijf en twintig tot vijftig mijlen in het uur het land door,

òf hij lag zijne vermoeienis uit te slapen. Hij was altijd in een

wervelwind of in eene kalmte, en in beide toestanden was hij een

vergenoegd, goedhartig en zachtzinnig man, die al zijn recht op blazen

en bruisen aan de machines, welke hij stookte, scheen te hebben

overgedaan, welke dan ook hijgden, snoven en proestten en hare krachten

versleten, terwijl Toodle een vreedzaam, gelijkmatig leven leidde.

“Polly, meidlief,” zeide Toodle, met een jongen Toodle op elke knie,

twee die voor hem thee schonken en nog een aantal in het rond—Toodle

had nooit gebrek aan kinderen, maar hield er altijd genoeg bij de

hand—“gij hebt Biler binnen kort niet gezien, hebt ge wel?”—“Neen,”

antwoordde Polly. “Maar ik ben zoo goed als zeker dat hij van avond zal

aankomen. Het is juist zijn dag vandaag en hij komt heel geregeld.”—“Ik

denk,” zeide Toodle, met nog meer smaak voortkauwende, “dat onze Biler

het tegenwoordig haast zoo goed maakt als een jongen het maken kan,

niet waar, Polly?”—“O, hij maakt het heerlijk,” was het antwoord.—“En

hij is niet achterhoudend geworden—is hij wel, Polly?” vroeg Toodle

wederom.—“Neen!” antwoordde zijne vrouw stoutweg.—“Ik ben blij dat hij

niet achterhoudend wordt,” zeide Toodle langzaam en bedenkelijk,

terwijl hij brokken boterham met een knipmes naar binnen duwde, alsof

hij zich zelven stookte; “want dat staat nooit goed—doet het wel,

Polly?”—“Wel zeker niet, vader. Hoe kunt gij dat vragen?”—“Ziet ge wel,

jongens en meisjes,” zeide Toodle, in het rond kijkende, “wat gij op

eene eerlijke manier moogt beginnen of doen, ik ben van gedachten dat

gij nooit beter dan rondborstig kunt zijn. Als gij ooit in

doorsnijdingen of tunnels komt, speelt dan nooit schuilhoekje. Laat uwe

fluit hooren en iedereen weten waar ge zijt.”

De opwassende Toodle’s lieten een schel gemurmel hooren, om aan te

duiden dat zij den vaderlijken raad ter harte zouden nemen.

“Maar wat doet u dat zoo van Rob zeggen, vader?” vroeg zijne vrouw

bekommerd.—“Polly, oudje,” antwoordde hij, “ik weet niet dat ik dat zoo

bijzonder van Rob zeide. Het komt mij maar bij Rob in het hoofd. Als ik

aan een zijtak kom, dan kijk ik den weg op, wat ik daar zie, en dan

krijg ik daardoor een aantal gedachten in het hoofd eer ik weet waar

zij vandaan komen. Iemands gedachten zijn net als een draaischijf; zij

loopen naar alle kanten.”

Deze diepzinnige gedachte spoelde Toodle met eene kom thee door en

bevestigde ze vervolgens met nog eene dikke boterham, ondertusschen

zijne dochters gelastende om den trekpot vol te houden, daar hij

ongemeen droog was en vrij wat kommetjes zou noodig hebben eer zijn

dorst was gelescht.

Terwijl hij zijn eigen trek verzadigde, vergat Toodle echter de

jeugdige spruiten om hem heen niet, die, hoewel zij hun avondeten reeds

op hadden, nog naar afvalletjes stonden uit te kijken, die altijd nog

beter smaakten. Deze deelde hij dan ook van tijd tot tijd rond, in de

gedaante van groote hompen brood, die hij in het rond liet afbijten,

terwijl hij ieder op zijne beurt met een lepel van zijne thee liet

proeven; welke versnaperingen de jeugdige Toodle’s zoo bijzonder

smaakten, dat zij telkens na het rondgaan der uitdeeling een

vreugdedans uitvoerden, op een been hinkten, haasje-over sprongen, en

zich aan andere springende vreugdeblijken overgaven. Nadat zij aldus

hunne opgewondenheid hadden lucht gegeven, sloten zij langzamerhand

weder een kring om den vader en bleven hem strak staan aankijken,

hoewel zij veinsden niets meer van de boterhammen of de thee te

verwachten, maar over geheel andere dingen vertrouwelijk onder elkander

te fluisteren.

Terwijl Toodle zijne kinderen aldus een geducht voorbeeld van eetlust

gaf, en tevens de twee jeugdige Toodle’s op zijne knieën met een

expressen trein naar Birmingham bracht, trad Rob de Slijper met zijn

flaphoed en zijn rouwpak binnen, en dadelijk stoven al zijne broertjes

en zusjes naar hem toe.

“Wel, moeder, hoe gaat het?” zeide Rob, haar een kus gevende.—“Daar is

mijn jongen!” zeide Polly, hem op den rug kloppende. “Achterhoudend!

Wel Heere neen, vader, hij niet!”

Dit was voor baas Toodle in het bijzonder bestemd, maar Rob de Slijper,

wiens geweten niet zuiver was, ving de woorden op.

“Wat, heeft vader alweer wat van mij gezegd?” riep de gekrenkte

onnoozelheid uit. “Och, wat is het toch hard als een jongen eens een

beetje los is geweest, dat zijn vader dat dan altijd achter zijn rug in

zijn gezicht moet smijten. Het is genoeg,” zeide Rob, in zijne

zielesmart tot zijne mouw de toevlucht nemende, “om te maken dat hij

van spijt weer op hol gaat.”—“Mijn arme jongen!” zeide Polly. “Vader

heeft er niets mee gemeend.”—“Als vader niets meende,” snikte de arme

Slijper, “wat behoefde hij dan iets te zeggen, moeder? Niemand denkt

half zoo slecht over mij als mijn eigen vader doet. Hoe onnatuurlijk!

Ik wenschte dat iemand mij maar den kop afhakte. Vader zou dat niet

kunnen schelen, geloof ik; en ik had veel liever dat hij dat deed dan

dat andere.”

Op deze wanhopige woorden begonnen al de jeugdige Toodle’s te gillen;

een aandoenlijk tooneel, waarvan de Slijper den indruk nog vergrootte

door hen ironisch te bezweren om niet om hem te huilen, want dat zij

een hekel aan hem moesten hebben als zij zoete kinderen waren, hetgeen

de jongste Toodle op een na zoodanig trof, dat de adem hem begaf en hij

zoo blauw in zijn gezicht werd, dat de oude Toodle hem van ontsteltenis

naar de waterton droeg, en hem onder de kraan zou hebben gehouden,

indien het gezicht van dit geneesmiddel hem niet had doen bekomen.

Toen het zoo erg liep, gaf baas Toodle eene opheldering, die zijn zoon

tot kalmte bracht, waarna men elkander de hand gaf en de harmonie

hersteld was.

“Wilt gij met mij mee doen, Biler, mijn jongen?” zeide zijn vader, met

vernieuwde krachten aan zijn maaltijd gaande.—“Neen, vader, bedankt.

Meester en ik hebben al samen thee gehad.”—“En hoe maakt het meester,

Rob?” zeide Polly.—“Wel, ik weet het niet moeder; niet veel om op te

roemen. Er gaat niets in den winkel om, ziet ge. Hij schijnt er ook

niets van te weten, de kapitein. Er kwam nog vandaag een man in den

winkel en zeide: “Ik heb een ge weet wel noodig,” een lang en

wonderlijk woord was het. “Een wat?” zeide de kapitein. “Een zoo en

zoo,” zeide de man. “Broertje,” zeide de kapitein toen, “wilt gij eens

observatie doen in het rond?” “Wel,” zeide de man, “dat heb ik gedaan.”

“En ziet gij niet wat gij noodig hebt?” zeide de kapitein. “Neen, dat

doe ik niet,” zeide de man. “Maar kent gij zulk een ding wel als gij

het ziet?” zeide de kapitein. “Neen, dat doe ik niet,” zeide de man.

“Wel, dan zal ik u eerst wat zeggen, mijn jongen,” zeide de kapitein,

“ga dan liever weerom en vraag hoe zulk een ding er uitziet, want ik

weet het ook niet.””—“Dat is toch de manier niet om geld te verdienen,

is het wel?” zeide Polly.—“Geld verdienen, moeder? Dat zal hij nooit.

Hij is zoo wonderlijk als ik nooit iemand gezien heb. Als meester is

hij evenwel zoo kwaad niet, dat moet ik van hem zeggen. Maar dat kan

mij niet veel schelen, want ik denk niet dat ik lang bij hem zal

blijven.”—“Niet in uwe betrekking blijven, Rob!” riep zijne moeder uit,

terwijl baas Toodle zijne oogen wijd opendeed.—“Niet in die betrekking

blijven, misschien,” zeide de Slijper knipoogende. “Het zou mij niet

verwonderen—vrienden aan het hof, weet ge wel—maar vraag nu maar niet

meer, moeder; ik weet wat ik weet, anders niet.”

Het onloochenbare bewijs, hetwelk deze geheimzinnige wenken gaven, dat

Rob niet onderhevig was aan het gebrek dat zijn vader hem bewimpeld had

toegeschreven, had misschien tot eene vernieuwing dier grievende

beschuldiging en tot nieuwe opschudding kunnen leiden, als er niet, tot

Polly’s groote verwondering, een ander bezoek was gekomen. Het was

jufvrouw Tox, die in de deur bleef staan en met een minzaam glimlachje

rondkeek.

Het goedige gezicht van jufvrouw Richards bood haar eene gulle

welkomst; jufvrouw Tox nam den aangeboden stoel, op weg daarheen baas

Toodle een vriendelijk knikje van herkenning schenkende, strikte haar

hoed los, en zeide dat zij eerst de lieve kinderen moest verzoeken om

haar van den eersten tot den laatsten een kus te komen geven.

De beklagenswaardige jongste Toodle op een na, die, naar de menigte

zijner kinderlijke rampen te oordeelen, onder eene ongelukkige planeet

geboren scheen, werd daardoor verhinderd in deze ceremonie zijne rol te

spelen, dat hij Rob’s flaphoed (waarmede hij had gespeeld) juist zoo

diep ten achterste voren had opgezet, dat hij hem niet weder kon

afnemen; welk onheil zijne verschrikte verbeelding het akelige

vooruitzicht voorhield om het overige van zijn leven in gestadige

duisternis en hopelooze afzondering van zijne vrienden en familie te

moeten slijten, en hem dus, onder het uiten van gesmoorde kreten,

geweldig deed spartelen. Toen hij verlost was, ontdekte men een

gloeiend rood en erg behuild gezicht, en nam jufvrouw Tox hem op haar

schoot.

“Gij zijt mij haast vergeten, mijnheer, durf ik wel zeggen,” zeide

jufvrouw Tox tot baas Toodle.—“Wel neen, jufvrouw; wel neen,” was het

antwoord. “Maar wij zijn sedert allemaal een beetje ouder

geworden.”—“En hoe gaat het u tegenwoordig?” vroeg jufvrouw Tox

zoetsappig.—“Frisch en wel, jufvrouw, dankje,” antwoordde Toodle. “En

hoe gaat het u, jufvrouw? Blijft de rheumatiek nog al weg, jufvrouw?

Die moeten we toch wachten allemaal te krijgen, als wij op jaren

komen.”—“Wel bedankt,” zeide jufvrouw Tox. “Ik heb nog geen ongemak van

die kwaal gevoeld.”—“Dan zijt ge wel gelukkig, jufvrouw,” hervatte

Toodle. “Vele menschen op uwe jaren zijn martelaren daaraan. Daar was

mijne moeder....” Maar een wenk van zijne vrouw opvangende, was Toodle

verstandig genoeg om het overige in nog eene kom thee te

verdrinken.—“Gij wilt toch niet zeggen, jufvrouw Richards,” zeide

jufvrouw Tox, Rob aanziende, “dat dit uw....”—“Mijn oudste is,

jufvrouw!” zeide Polly. “Ja, dat is hij, jufvrouw. Dat kleine kereltje,

dat de onschuldige oorzaak van zooveel is geweest.”—“Dit hier,

jufvrouw,” zeide Toodle, “is hij met de korte beentjes, en zij waren,”

vervolgde hij, met zekere aandoening in zijn toon, “buitengemeen kort

voor eene korte leeren broek—toen mijnheer Dombey een Slijper van hem

maakte.”

Deze herinnering overweldigde jufvrouw Tox bijna, en het onderwerp

daarvan kreeg terstond iets bijzonder belangwekkends voor haar. Zij

verzocht hem de hand te mogen geven, en maakte zijne moeder een

compliment over zijn vrijmoedig, openhartig uitzicht. Rob, dit

hoorende, poogde een gezicht te zetten dat deze lofspraak

rechtvaardigde, maar het was eigenlijk het rechte gezicht niet.

“En nu, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, “en gij ook, mijnheer,”

zich naar Toodle keerende, “zal ik u eens ronduit zeggen waarom ik hier

ben gekomen. Gij zult wel weten, jufvrouw Richards—en gij zult mogelijk

ook wel weten, mijnheer—dat er eene kleine verwijdering is ontstaan

tusschen mij en eenige vrienden, waar ik veel aan huis placht te komen,

en nu niet meer aan huis kom.”

Polly, die dit met vrouwelijke tact dadelijk begreep, gaf zulks met een

blik te kennen. Toodle, die geen het minste denkbeeld had waar jufvrouw

Tox van sprak, drukte dit insgelijks door zijn staren uit.

“Het is natuurlijk van geen belang, en er behoeft dus niet van

gesproken te worden,” hervatte jufvrouw Tox, “hoe de kleine verkoeling

is ontstaan. Het zal genoeg zijn als ik zeg, dat ik nog de grootste

achting voor mijnheer Dombey heb,” hier haperde hare stem, “en het

grootste belang stel in al wat hem aangaat.”

Toodle, nu ingelicht, schudde zijn hoofd en zeide, dat hij wel had

hooren zeggen, en wat hem betrof ook zelf wel dacht, dat mijnheer

Dombey een ongemakkelijk heerschap was.

“O, zeg dat niet, mijnheer, als het u belieft,” antwoordde jufvrouw Tox

daarop. “Laat ik u mogen bidden om zoo niet te spreken, mijnheer,

hetzij nu of later. Zulke aanmerkingen kunnen mij niet anders dan zeer

smartelijk zijn, en kunnen ook een gentleman, die het hart zoo

geplaatst heeft als ik overtuigd ben dat het uwe is, geene duurzame

zelfvoldoening geven!”

Toodle, die er niet het minste aan had getwijfeld of zijn gezegde zou

met eene toestemming worden beantwoord, was geheel verslagen.

“Al wat ik te zeggen heb, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, “en

ik richt mij ook tot u, mijnheer—is dit. Dat alle berichten van de

omstandigheden der familie, van het welzijn der familie, van de

gezondheid der familie, die u ter oore komen, mij zeer welkom zullen

zijn. Dat het mij altijd verheugen zal eens met jufvrouw Richards over

de familie en den ouden tijd te keuvelen. En daar jufvrouw Richards en

ik nooit het minste verschil hebben gehad (schoon ik nu wel wenschte

dat wij elkander beter hadden gekend—maar ik heb daar geen schuld aan)

hoop ik dat zij er niet tegen zal hebben dat wij nu heele goede

vrienden worden, en dat ik nu en dan hier eens aankom zonder voor eene

vreemde te worden gehouden. Ik hoop waarlijk, jufvrouw Richards, dat ge

dit zult opvatten zooals ik het meen, als een goedhartig schepsel,

gelijk gij altijd zijt geweest.”

Polly was hierdoor gevleid en liet dit ook blijken. Toodle wist niet of

hij gevleid was of niet, en bewaarde zijne botte kalmte.

“Gij ziet wel, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox verder—“en ik

hoop gij ziet het ook, mijnheer—er zijn vele manieren waarop ik u in

kleinigheden van dienst kan zijn, en dat ook gaarne doen zal, als gij

mij maar niet voor eene vreemde wilt houden. Bij voorbeeld, ik kan uwe

kinderen wat leeren. Ik zal eenige boekjes meebrengen, als gij er niet

tegen hebt, en wat werk, en dan zullen zij nu en dan op een avond

leeren—o Heere, zij zullen heel veel leeren, vertrouw ik, en hunne

meesteres eer aandoen.”

Toodle, die een grooten eerbied voor geleerdheid had, knikte zijne

vrouw goedkeurend toe en wreef vergenoegd in zijne handen.

“Als ik dan voor geene vreemde word gehouden, zal ik niemand in den weg

zijn,” vervolgde jufvrouw Tox, “en zal alles net zoo voortgaan alsof ik

er niet was. Jufvrouw Richards zal naaien, of strijken, of haar

kleintje helpen, of wat het ook wezen mag, zonder zich aan mij te

storen; en gij zult ook eene pijp rooken, als gij er trek in hebt niet

waar, mijnheer?”—“Bedankt, jufvrouw,” zeide Toodle. “Ja, ik zal

tusschenbeiden eens opsteken.”—“Heel goed van u, dat zoo te zeggen,

mijnheer,” antwoordde jufvrouw Tox, “en ik mag u nu oprecht verzekeren,

dat het mij een groot genoegen zal zijn, en dat wat ik ook voor de

kinderen zal mogen doen, gij er mij meer dan voor betalen zult, als gij

goed willig en eenvoudig deze afspraak aanneemt, zonder er een woord

meer over te zeggen.”

Het verdrag werd dadelijk bekrachtigd; en jufvrouw Tox gevoelde zich

reeds zoo thuis, dat zij zonder uitstel een voorloopig examen van de

kinderen hield—waarbij Toodle bewonderend toeluisterde—en hunne namen,

jaren en kundigheden op een stukje papier aanteekende. Door deze

ceremonie en het daaropvolgende gekeuvel werd de tijd gerekt tot na het

gewone uur van naar bed gaan, en bleef jufvrouw Tox bij den haard der

Toodle’s zitten, tot het te laat voor haar was om alleen naar huis te

gaan. Daar echter de welgemanierde Slijper er nog was, bood hij

beleefdelijk aan om haar te begeleiden; en daar het voor jufvrouw Tox

wel iets van belang was naar huis gebracht te worden door een

jongeling, die door mijnheer Dombey het eerst in dat mannelijke

kleedingstuk was gestoken, waarvan zij zelden den naam uitsprak, nam

zij dit voorstel gereedelijk aan.

Na Polly en Toodle de hand gegeven en al de kinderen gekust te hebben,

verliet jufvrouw Tox, een uitmuntenden indruk nalatende, het huis met

zulk een licht hart, dat mevrouw Chick er zich misschien over geërgerd

zou hebben, als die goede vrouw het had kunnen wegen.

Rob de Slijper had uit bescheidenheid achter haar willen blijven, maar

jufvrouw Tox verlangde dat hij naast haar zou gaan om met elkander te

kunnen praten, en “hoorde hem onderweg eens wat uit,” gelijk zij

naderhand tot zijne moeder zeide.

Bij dit uithooren kwam er zooveel moois voor den dag, dat jufvrouw Tox

zeer met hem was ingenomen. Er was nooit beter en meer belovend, nooit

hartelijker, degelijker, voorzichtiger, eerlijker, nuchterder,

zachtzinniger en oprechter jonkman geweest, dan toen Rob zich op dien

avond liet uithooren.

“Het doet mij waarlijk veel genoegen dat ik u ken,” zeide jufvrouw Tox,

toen zij aan hare eigene deur gekomen was. “Ik hoop dat ge mij als uwe

vriendin zult beschouwen en mij zoo dikwijls komen opzoeken als gij

wilt. Hebt ge ook een spaarpot?”

“Ja, jufvrouw,” antwoordde Rob; “ik bewaar mijn geld, tegen dat ik

genoeg heb om het in de bank te zetten, jufvrouw.”—“Zeer prijselijk,”

zeide jufvrouw Tox. “Het doet mij genoegen dat te hooren. Steek er dan

die halve kroon ook in, als het u belieft.”—“O, wel bedankt, jufvrouw,”

antwoordde Rob, “maar ik kan er waarlijk niet aan denken om er u mee te

ontrieven.”—“Ik prijs uwe zucht voor onafhankelijkheid,” zeide jufvrouw

Tox; “maar gij ontrieft mij niet, dat verzeker ik u. Ik zal er boos om

worden als gij ze niet aanneemt, als een bewijs van mijn goeden wil.

Goedennacht, Robin.”—“Goedennacht, jufvrouw,” zeide Rob, “en wel

bedankt.”

Hij liep grinnikend heen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde

het toen bij een taartjesman. Maar in de Slijpersschool leerde men ook

geen eergevoel; het daar heerschende stelsel was bijzonder geschikt om

huichelarij aan te kweeken; zoozeer dat vele betrekkingen en meesters

van gewezen Slijpers zeiden: “Als het dat is wat er van de opvoeding

van den gemeenen man komt, laten wij er dan liever geheel geen hebben.”

Sommige, die meer doordachten, zeiden: “laten wij eene betere hebben.”

Maar het bestuur van het Slijpers Gild was voor hen altijd klaar, door

eenige jongens uit te zoeken die, in weerwil van het stelsel, goed

waren uitgevallen, en stoutweg te beweren, dat zij alleen ten gevolge

van het stelsel zoo uitgevallen waren. Dit maakte dan die vitters

beschaamd, en bevestigde den roem van het Slijpers Gild.

Dombey en Zoon · 第 75 / 125 题