Florence, Edith en mevrouw Skewton waren des anderen daags bij
elkander; en het rijtuig stond voor de deur te wachten, waarmede zij
een toertje zouden doen. Want Cleopatra had nu weder hare galei, en
Withers, niet bleek meer, stond, met een gewatteerd dicht toegeknoopt
buisje en eene militaire broek, bij den maaltijd achter haar stoel
zonder wielen en behoefde niet meer te duwen. Zijn haar blonk van
pommade in die donzen dagen, en hij droeg cabretleeren handschoenen en
rook naar eau de cologne.
Zij waren in Cleopatra’s kamer bijeen. Deze Slang van den ouden Nijl
(het zij zonder oneerbiedigheid gezegd) rustte op hare sofa en slurpte
hare ochtendchocolade (tegen drie uur in den namiddag) en Flowers de
kamenier maakte hare jeugdige kraagjes en kantjes vast en kroonde haar
met een hoedje van perzikkleurig fluweel, waarop de kunstrozen
buitengemeen fraai wuifden, wanneer hare beverigheid, als een suizelend
windje, er mede speelde.
“Ik geloof dat ik van morgen een beetje zenuwachtig ben, Flowers,”
zeide mevrouw Skewton. “Mijne hand beeft.”—“Gij waart gisteren de ziel
van de partij, mevrouw, dat weet ge,” antwoordde Flowers, “en gij moet
er vandaag voor boeten, dat ziet ge.”
Edith, die Florence naar het venster had gewenkt en naar buiten keek,
met haar rug naar het toilet harer hooggeachte moeder gekeerd, deinsde
eensklaps van het raam terug, alsof het gebliksemd had.
“Mijn allerliefst kind,” zeide Cleopatra kwijnend, “gij zijt immers
niet zenuwachtig? Zeg mij toch niet, lieve Edith, dat gij, die zoo
benijdenswaardig bedaard zijt, ook al eene martelares begint te worden,
evenals uwe moeder met haar ongelukkig gestel. Withers, is er iemand
aan de deur?”—“Kaartje, mevrouw,” zeide Withers, het naar mevrouw
Dombey brengende.—“Ik ga uit,” zeide zij, zonder er naar te zien.—“Maar
liefje,” zeide mevrouw Skewton, “hoe wonderlijk zulk eene boodschap te
geven zonder naar den naam te zien. Geef het hier, Withers! Heere, mijn
liefje—en dat wel mijnheer Carker! Die alleraardigste man!”—“Ik ga
uit,” herhaalde Edith, op zulk een gebiedenden toon, dat Withers, naar
de deur gaande, den knecht, die daar stond te wachten, even gebiedend
overbracht: “Mevrouw Dombey gaat uit. Pak je weg,” en hem de deur voor
den neus dicht deed.
Maar kort daarop kwam de knecht terug en fluisterde met Withers, die
daarop, niet zeer gewillig, nog eens naar mevrouw Dombey ging.
“Als het u belieft, mevrouw, mijnheer Carker laat wel zijn compliment
doen, en verzoekt u een oogenblikje te mogen spreken, als gij
eenigszins kunt—over zaken, als het u belieft.”—“Waarlijk, liefje,”
zeide mevrouw Skewton op haar zachtsten toon, want het gezicht harer
dochter stond dreigend, “als gij mij een woordje woudt laten spreken,
zou ik aanraden...”—“Laat hem hier komen,” zeide Edith. Toen Withers
verdwenen was, vervolgde zij, zich met een donker gelaat naar hare
moeder omkeerende: “Daar hij op uwe recommandatie komt, laat hij dan
ook in uwe kamer komen.”—“Mag ik—zal ik niet heengaan?” zeide Florence
haastig.
Edith knikte van ja, maar toen Florence naar de deur ging kwam haar de
onwelkome bezoeker reeds tegen. Met dezelfde onaangename mengeling van
gemeenzaamheid en verschooning, waarmede hij haar het eerst had
aangesproken, deed hij dit nu op zijn zachtsten toon—hoopte dat zij
heel wel was—behoefde dit niet te vragen met zulk een uitzicht, dat het
antwoord voorkwam—had gisteravond bijna de eer niet van haar te kennen,
zoo was zij veranderd—en hield de deur voor haar open om heen te gaan,
met eene geheime bewustheid van zijn vermogen om haar voor hem te doen
beven, hetwelk hij met al de onderdanigheid en beleefdheid zijner
manieren niet geheel kon verbergen.
Toen boog hij zich voor een oogenblik over mevrouw Skewton’s
goedgunstige hand, en maakte eindelijk eene buiging voor Edith. Zij
beantwoordde koeltjes zijn groet zonder hem aan te zien; en zonder zich
neer te zetten of hem te verzoeken dit te doen, wachtte zij af dat hij
zou spreken.
Hoewel zij zich in haar trots had verschanst en al de
onverzettelijkheid van haar geest in de wapens geroepen, werd zij toch
verzwakt en belemmerd door hare oude overtuiging, dat deze man haar en
hare moeder van hunne eerste kennismaking af had doorgrond en van hare
slechtste zijde gekend; dat elke vernedering, die zij in hare eigene
oogen had geleden, hem even duidelijk zichtbaar was als haar zelve; dat
hij haar leven las alsof het een schandelijk boek was, en de bladeren
daarvan voor haar liet fladderen door eenige wijzigingen van toon en
blik, die niemand anders kon ontdekken. Hoe fier zij ook daar voor hem
stond, met haar gebiedend voorkomen zijne nederigheid eischende, hem
met smadelijk opgetrokken lip terugstootende, innerlijk vergramd over
zijn indringen, en stuursch met de donkere wimpers den glans harer
oogen omsluierend, opdat geen straal van hun licht hem beschijnen
mocht—en zoo onderdanig als hij daar stond, met eene houding die een
smeekend beklag over onverdiende mishandeling, maar te gelijk eene
volkomene onderwerping aan haar wil uitdrukte—wist zij, in het
binnenste harer ziel, dat de verhouding omgekeerd was, dat de overmacht
en de zegepraal aan zijn kant bleven, en dat hij dit ook wel wist.
“Ik ben zoo vrij geweest,” zeide Carker, “om een onderhoud te
verzoeken, en te laten weten dat ik over zaken kwam spreken,
omdat...”—“Misschien zijt gij door mijnheer Dombey met eene boodschap
belast om mij te berispen,” zeide Edith. “Gij bezit mijnheer Dombey’s
vertrouwen in zulk een buitengewonen trap, mijnheer, dat het mij niet
zou verwonderen als dit het geval was.”—“Ik heb geheel geen boodschap
aan de dame die zijn naam tot luister strekt,” antwoordde Carker. “Maar
ik wilde die dame voor mij zelven bidden, om billijk te zijn voor
iemand die zich allernederigst op hare billijkheid beroept—een
volstrekte afhangeling van mijnheer Dombey—dat eene nederige positie
is: en te denken hoe geheel onschuldig ik gisteravond was, en hoe
onmogelijk het mij was het aandeel te vermijden dat mij in een zeer
pijnlijk tooneel werd opgedwongen.”—“Lieve Edith,” zeide Cleopatra
zacht, terwijl zij haar lorgnet op zijde hield, “inderdaad charmant van
mijnheer—hoe heet hij ook weer? En zoo hartelijk!”—“Want ik ben zoo
vrij,” zeide Carker, met een blik van dankbare onderdanigheid naar
mevrouw Skewton omziende, “het een pijnlijk tooneel te noemen, schoon
alleen omdat het dat voor mij was, die het ongeluk had van er
tegenwoordig te zijn. Zulk een gering verschil als tusschen de
hoofdpersonen van dat tooneel—personen die elkander met belangelooze
genegenheid beminnen, en alles voor elkander zouden opofferen—is niets.
Gelijk mevrouw Skewton gisteravond met zooveel waarheid en gevoel
gezegd heeft—het is niets.”
Edith kon hem niet aanzien, maar zeide na eenige oogenblikken:
“En uwe zaak nu, mijnheer...”—“Edith, mijn liefje,” viel mevrouw
Skewton er op in. “Al dien tijd blijft mijnheer Carker staan! Mijn
lieve mijnheer Carker, ga toch zitten, verzoek ik u.”
Hij gaf de moeder geen antwoord, maar vestigde zijne oogen op de
trotsche dochter, alsof hij alleen door haar wilde bevolen worden, en
zich ook voorgenomen had dat zij dit zou doen. Haars ondanks zette
Edith zich neer, en wees hem, door eene geringe beweging harer hand, om
ook te gaan zitten. Geene beweging kon trotscher, koeler, ja zelfs door
het opzettelijk minachtende daarvan beleedigender zijn; maar zelfs
tegen deze inschikkelijkheid had zij vruchteloos geworsteld, en zij was
haar afgeperst. Dit was genoeg. Carker zette zich neer.
“Mag het mij vergund wezen, mevrouw,” zeide Carker, zijne witte tanden
naar mevrouw Skewton keerende, alsof zij een licht waren—“eene dame van
uw voortreffelijk verstand en fijn gevoel zal mij zeker wel goede
redenen daarvoor willen toeschrijven—om datgene, wat ik te zeggen heb,
tot mevrouw Dombey alleen te richten, en het haar over te laten om het
aan u mede te deelen, die haar het naaste en dierbaarste zijt—na
mijnheer Dombey?”
Mevrouw Skewton had willen heengaan, maar Edith hield haar tegen. Edith
zou ook hem gestuit hebben en met verontwaardiging gelast om openlijk
te spreken of in het geheel niet, als hij niet zeer zacht had gezegd:
“Jufvrouw Florence—de jonge dame die zoo even de kamer is uitgegaan...”
Edith liet hem voortspreken. Zij zag hem nu aan. Toen hij zich
vooroverboog om dichter bij haar te wezen, maar met allen schijn van
kieschheid en eerbied, en zijne witte tanden liet blinken, met een
overredend glimlachje, alsof hij zich met zijne nederigheid wilde
verontschuldigen, was het haar te moede alsof zij hem had kunnen
doodslaan.
“Jufvrouw Florence’s positie,” begon hij, “is zeer ongelukkig geweest.
Ik gevoel het moeielijke om er u van te spreken, daar uwe gehechtheid
aan haar vader u natuurlijk scherp doet letten op ieder woord dat op
hem wordt toegepast.”
Altijd duidelijk en zacht in zijn spreken, zou geene taal zijne
duidelijkheid en zachtheid kunnen beschrijven, toen hij dit gezegde
uitte, of als hij aan andere dergelijke kwam.
“Maar als iemand, die insgelijks, hoewel op eene verschillende wijs,
aan mijnheer Dombey is verkleefd, en wiens leven in bewondering van
mijnheer Dombey’s karakter wordt gesleten, mag ik, zonder uwe
teederheid als vrouw te kwetsen, toch wel zeggen, dat jufvrouw Florence
ongelukkig verwaarloosd is geworden. Mag ik zeggen door haar vader
zelf?”—“Dat weet ik,” zeide Edith.—“Gij weet het!” zeide Carker, met
eene in het oog loopende vertooning alsof hij zich zeer verlicht
gevoelde. “Dat neemt mij een berg van het hart. Mag ik hopen dat gij
ook weet waaruit die verwaarloozing ontstaan is—uit welken
beminnelijken trek van mijnheer Dombey’s hoogmoed—karakter, wil ik
zeggen?”—“Dat kunt gij wel overslaan, mijnheer,” antwoordde zij, “om
des te eerder aan het eind te komen van wat gij te zeggen hebt.”—“Ik
ben waarlijk bewust, mevrouw,” hervatte Carker, “geloof mij, ik ben
diep bewust, dat mijnheer Dombey bij u in geenerlei opzicht eenige
rechtvaardiging noodig heeft. Maar wees zoo goed om naar uw eigen hart
over het mijne te oordeelen, en gij zult mijne belangstelling in hem
wel vergeven, als zij somtijds door overmaat eenigszins op een
dwaalspoor geraakt.”
Welk eene marteling voor haar trotsch gemoed, daar tegenover hem te
zitten en te moeten dulden, dat hij haar nogmaals haar valschen eed aan
het altaar voor de oogen hield, en haar opdrong, als een droesem van
een walgelijken beker, waarvoor zij haar afkeer niet kon bekennen en
het hoofd niet kon omdraaien. Hoe woelden schaamte, wroeging en
gramschap in hare borst, terwijl zij, trotsch opgericht in hare statige
schoonheid voor hem gezeten, toch wist dat zij in haar geest voor zijne
voeten lag!
“Jufvrouw Florence,” zeide Carker, “aan de zorg—als men het zorg mag
noemen—van dienstboden en huurlingen overgelaten, die in alle opzichten
beneden haar waren, had in hare jongere jaren een gids noodig gehad, en
is natuurlijk uit gebrek daaraan wel eens onvoorzichtig geweest, zoodat
zij somtijds haar stand vergat. Zoo is er eene gekheid geweest met
zekeren Walter, een gemeenen jongen, die nu gelukkig dood is, en
daardoor kwam zij in zeer bedenkelijke betrekkingen, moet ik met
leedwezen zeggen, tot zekere zeelieden, van alles behalve goeden naam,
en een weggeloopen ouden bankroetier.”—“Ik heb die omstandigheden
gehoord, mijnheer,” zeide Edith hem een vlammenden blik vol
verontwaardiging toewerpende, “en ik weet dat gij ze verdraait.
Misschien weet gij dat zelf niet. Ik hoop zoo.”—“Verschooning,” zeide
Carker. “Ik geloof dat niemand ze zoo goed kent als ik. Uw edelmoedig
en vurig karakter, mevrouw—hetzelfde karakter dat zich zoo edel laat
gelden ter handhaving der eer van een beminden en vereerden echtgenoot,
en dat hem zoo gelukkig heeft gemaakt als zelfs zijne verdiensten
waardig zijn—moet ik eerbiedigen en er mij voor buigen. Maar wat die
omstandigheden betreft, die eigenlijk de zaak zijn waarop ik de
vrijheid wilde nemen uwe aandacht te vestigen, daaraan kan ik geen
twijfel koesteren, omdat ik die juist, ter vervulling van eene taak,
die mij als mijnheer Dombey’s vertrouwden vriend—vermeet ik mij te
zeggen—was opgedragen, grondig heb onderzocht. Ter vervulling van die
taak en uit die vurige belangstelling voor alles wat met hem in
betrekking staat, welke gij zoozeer in staat zijt om te begrijpen,
aangespoord, als gij zoo wilt (want ik vrees dat ik onder uw ongenoegen
ben geraakt) door de lagere beweegreden om mijn ijver te toonen en mij
daardoor aangenamer te maken, heb ik, zoowel zelf als door vertrouwde
personen, die omstandigheden langen tijd nagegaan en ontelbare, tot in
de kleinste bijzonderheden afdalende bewijzen daarvan.”
Zij hief hare oogen niet hooger op dan tot aan zijn mond, maar zij zag
in elken tand hoe hij zich beroemde op de middelen om kwaad te
stichten.
“Verschooning, mevrouw,” vervolgde hij, “als ik, in mijne verlegenheid,
mij vermeet met u te komen raadplegen en naar uw goedvinden te
vernemen. Ik meen te hebben opgemerkt, dat gij een buitengemeen belang
in jufvrouw Florence stelt?”
Wat was er in haar dat hij niet had opgemerkt en niet wist? Vernederd
en te gelijk gemarteld door die gedachte, telkens wanneer haar die, hoe
bewimpeld ook, werd voorgehouden, drukte zij hare tanden in hare
bevende lip om die te dwingen stil te blijven, en boog tot antwoord
koel en stijf haar hoofd.
“Die belangstelling, mevrouw—zulk een treffend bewijs, dat alles, wat
met mijnheer Dombey in eenige betrekking staat, u dierbaar is—noopt mij
om mij wel te bedenken, eer ik hem met die omstandigheden bekend maak,
waarvan hij tot nog toe niet verwittigd is. Zij doet mij, als ik dat
mag bekennen, in zooverre wankelen in mijne hem verschuldigde trouw,
dat ik, indien door u het minste verlangen in dit opzicht werd
uitgedrukt, ze hem zou blijven verzwijgen.”
Edith hief snel haar hoofd op en vestigde een donkeren blik op hem. Hij
beantwoordde dien met zijn zoetsappigsten en nederigsten glimlach en
vervolgde:
“Gij zegt dat zij, gelijk ik ze beschreven heb, verdraaid zijn. Ik
vrees van neen—ik vrees van neen; maar laten wij aannemen dat zij dit
zijn. De ongerustheid, die ik sedert eenigen tijd over de zaak heb
gekoesterd, ontstaat hieruit: dat reeds de enkele omstandigheid van
zulk eene, dikwijls herhaalde, gemeenschap van den kant van jufvrouw
Florence, hoe onschuldig ook, mijnheer Dombey, reeds tegen haar
ingenomen, wel zou kunnen doen besluiten tot den maatregel—waaraan ik
weet dat hij nu en dan gedacht heeft—om haar uit zijn huis te
verwijderen. Heb geduld met mij, mevrouw, en denk aan mijn omgang met
mijnheer Dombey en mijne ondergeschiktheid aan hem, bijna van mijne
kindsheid af, als ik zeg dat, als hij een gebrek heeft, het eene fiere
onbuigzaamheid is, in dien edelen trots en dat gevoel van macht
geworteld, die hem eigen zijn en waarvoor wij allen moeten zwichten,
eene onbuigzaamheid die niet, gelijk de hardnekkigheid van andere
karakters, op eene of andere wijs aantastbaar is, en die van dag tot
dag en van jaar tot jaar toeneemt.”
Nog hield zij haar blik op hem gevestigd; maar hoe strak zij dien ook
wilde houden, trok zij hare neusgaten en bovenlip toch eenigszins op,
en haalde zij eenigszins dieper adem, toen hij dien trek in het
karakter van zijn patroon beschreef, waarvoor iedereen zich moest
nederbuigen. Hij zag dit; en hoewel de uitdrukking van zijn gezicht
niet veranderde, wist zij wel dat hij het zag.
“Zelfs zulk een gering voorval als dat van gisteravond,” zeide hij,
“als ik nog eens daarop mag terugkomen, kan tot een voorbeeld dienen
van hetgeen ik meen, beter dan iets van grooter belang. Dombey en Zoon
kennen tijd noch plaats, en ontzien niets van dien aard. Maar ik
verheug mij dat het is voorgevallen, daar het mij gelegenheid heeft
verschaft om mevrouw Dombey vandaag over die zaak te spreken, zelfs al
heeft het mij de straf van haar voorbijgaand ongenoegen berokkend.
Mevrouw, in het midden van mijne ongerustheid en verlegenheid met die
zaak, werd ik door mijnheer Dombey naar Leamington geroepen. Daar zag
ik u. Daar kon ik niet nalaten te begrijpen welke betrekking gij
eerlang ten zijnen aanzien zoudt bekleeden—tot zijn duurzaam geluk en
het uwe. Daar besloot ik den tijd af te wachten dat gij hier thuis
gevestigd zoudt zijn, en te doen wat ik nu gedaan heb. Ik ben in mijn
hart niet bevreesd, dat ik in mijn plicht jegens mijnheer Dombey zal te
kort schieten, als ik datgene, wat ik weet, in mijne borst begraaf;
want waar bij twee personen maar één hart en éene ziel bestaat—gelijk
in zulk een huwelijk—vertegenwoordigt de een bijna den ander. Ik kan
dus mijn geweten bijna evenzeer geruststellen, door mij, over zulk een
onderwerp, aan u te vertrouwen als aan hem. Om de door mij gemelde
redenen zou ik u verkiezen. Mag ik op de onderscheiding hopen van te
mogen gelooven dat mijn vertrouwen wordt aangenomen en ik van mijne
verantwoording ben ontslagen?”
Lang onthield hij den blik dien zij hem gaf—wie kon dien zien en
vergeten?—en den strijd in haar binnenste die daarop volgde. Eindelijk
zeide zij:
“Ik neem het aan, mijnheer. Gij zult wel believen te begrijpen dat deze
zaak hiermede is afgedaan en dat zij niet verder gaat.”
Hij boog zeer laag en stond op. Zij stond insgelijks op, en hij nam met
alle nederigheid afscheid. Maar Withers, die hem op de trap tegenkwam,
stond verbaasd over de witheid van zijne tanden en zijn schitterenden
glimlach; en toen hij op zijn paard met witte pooten heenreed, hielden
de menschen hem voor een tandmeester, zulk eene vertooning maakte hij
met zijn fraai gebit. De menschen hielden haar, toen zij weldra
uitreed, voor eene groote dame, zoo gelukkig als zij rijk en schoon
was. Maar zij hadden haar niet even te voren in hare kamer gezien toen
er niemand bij haar was, en niet gehoord hoe zij de drie woorden
uitsprak: “O Florence, Florence!”
Mevrouw Skewton, die op hare sofa rustte en hare chocolade slurpte, had
niets gehoord dan het gemeene woord zaken, waarvan zij zulk een
doodelijken afkeer had dat zij er nooit aan wilde denken, hetgeen ten
gevolge had gehad, dat zij, met hare bekoorlijke maniertjes en
hartelijkheid, verscheidene modemaaksters en andere winkeliers bijna
had geruïneerd. Mevrouw Skewton vroeg dus niets en toonde geene
nieuwsgierigheid. Buitenshuis gaf haar fluweelen hoedje haar genoeg te
doen; want daar het achter op haar hoofd zat en het eenigszins winderig
was, wilde het met alle geweld haar gezelschap ontvlieden; en toen het
rijtuig gesloten en de wind gebannen was, speelde hare beverigheid
weder met de gemaakte rozen, gelijk een armhuis-vol stokoude zephirs.
Zoo had mevrouw Skewton genoeg met zich zelve te doen, en kon zij daar
niet eens best mede voort.
Tegen den avond ging het niet beter; want toen mevrouw Dombey in hare
kamer reeds geheel gekleed was en een half uur naar haar had gewacht,
en Dombey zoo lang in het salon op en neer had gewandeld dat hij even
wrevelig als deftig was geworden (zij zouden alle drie uit dineeren
gaan) verscheen Flowers, de kamenier, met een bleek gezicht voor
mevrouw Dombey, en zeide:
“Neem mij niet kwalijk, mevrouw, maar ik kan niets met mevrouw
beginnen!”—“Wat meent gij?” vroeg Edith.—“Och, mevrouw,” antwoordde de
verschrikte kamenier, “dat weet ik haast zelf niet. Zij trekt zulke
gezichten.”
Edith haastte zich met haar naar haar moeders kamer. Cleopatra was
geheel gekleed, met diamanten, korte mouwen, rouge, krullen, tanden en
hare andere jeugdigheid geheel compleet; maar de beroerte die in
aantocht was had zich niet laten bedriegen, had haar wel herkend als
het doel harer zending, had haar voor haar spiegel getroffen; en daar
lag zij nu als eene afschuwelijke, neergetuimelde pop.
Zij kleedden haar uit, van schaamte, en legden het weinigje, dat er van
haar overbleef, in een bed. Dokters werden geroepen en kwamen spoedig
aan. Krachtige middelen werden aangewend en de geneeskundigen waren van
oordeel dat zij dezen stoot wel zou te boven komen, maar een tweeden
niet overleven. Daar lag zij dagen lang sprakeloos naar den zolder te
staren, somtijds een onverstaanbaar geluid ten antwoord gevende op de
vraag of zij wist wie er bij haar waren, en dergelijke, somtijds door
geene beweging of teeken, zelfs niet door hare strakke, nooit knippende
oogen, aanduidende dat zij iets hoorde.
Eindelijk begon zij hare bewustheid te herkrijgen en ook eenigermate
het vermogen om zich te bewegen, schoon nog niet om te spreken. Op
zekeren dag kreeg zij het gebruik van hare rechterhand terug. Zij wees
dit hare kamenier, die bij haar was, en zeer onrustig schijnende,
maakte zij teekenen dat zij een potlood en papier verlangde. De
kamenier verschafte haar dit oogenblikkelijk, denkende dat zij een
testament wilde maken of een laatst verzoek opschrijven; en daar
mevrouw Dombey van huis was, wachtte de kamenier met plechtige
aandoening af wat hierop zou volgen.
Na veel moeielijk krabbelen en uitschrappen, en het zetten van
verkeerde letters, die van zelf uit het potlood schenen te vallen,
bracht de oude vrouw dit geschrift tot stand:
“Rosé gordijnen.”
Daar de kamenier, niet zonder reden, verbaasd bleef staan kijken,
verbeterde Cleopatra haar opstel door er nog drie woorden bij te
voegen, waarna men las:
“Rosé gordijnen voor de dokters.”
De kamenier begreep nu ten halve dat zij deze dingen verlangde om in de
oogen der faculteit eene fraaiere kleur te hebben; en daar diegenen in
huis, die haar best kenden, niet aan de gegrondheid dezer meening
twijfelden, welke de zieke ook weldra zelve kon bevestigen, werden er
rosé gordijnen om haar bed gehangen; en van dit uur nam zij met
snelheid in beterschap toe. Weldra was zij in staat om op te zitten,
met valsche krullen, een kanten mutsje, en een kunstblosje op de holle
wangen.
Het was een akelig gezicht die oude vrouw zoo opgeschikt met den dood
te zien koketteeren, en hare jeugdige kuurtjes voor hem spelen als ware
hij de majoor geweest; maar eene verandering in haar geest, welke op
die beroerte volgde, gaf evenveel stof tot nadenken en was even akelig.
Hetzij de verzwakking van verstand haar nog listiger en valscher deed
worden, of haar in de war bracht tusschen datgene wat zij geveinsd had
te zijn en wat zij werkelijk was geweest, dan of daardoor een flauw
gevoel van wroeging bij haar was ontstaan, hetwelk niet krachtig genoeg
was om zich duidelijk te vertoonen, maar zich ook niet geheel liet
smoren, of wel dat bij den schok harer geestvermogens dat alles verward
ondereengemengd was, hetgeen wel het waarschijnlijkst is, het gevolg
was:—zij begon van Edith te vergen dat deze haar steeds de grootste
liefde, dankbaarheid en oplettendheid zou bewijzen, zich zelve gedurig
als eene allervoortreffelijkste moeder te prijzen, en zeer jaloersch te
worden op elke mededingster in de genegenheid harer dochter. Verder, in
plaats van zich de geslotene overeenkomst te herinneren om voortaan dat
onderwerp te vermijden, sprak zij gedurig van haar dochters huwelijk
als een bewijs dat zij eene allervoortreffelijkste moeder was, en dat
alles met de wreveligheid, sufheid en verwardheid, die aan zulk een
toestand eigen waren, en eene bittere beschimping van hare gemaakte
levendigheid en jeugdigheid schenen te zijn.
“Waar is mevrouw Dombey?” zeide zij zoo tot hare kamenier.—“Uitgegaan,
mevrouw.”—“Uitgegaan! Zou zij uitgaan om hare mama te mijden,
Flowers?”—“Wel heere neen, mevrouw. Mevrouw Dombey is maar uitgegaan om
met jufvrouw Florence een toertje te doen.”—“Jufvrouw Florence! Wie is
jufvrouw Florence? Praat mij niet van jufvrouw Florence. Wat is
jufvrouw Florence voor haar, bij mij vergeleken?”
Het uitstallen harer diamanten of het vertoonen van haar nieuw
fluweelen hoedje (zij zat met dat hoedje op om bezoek te ontvangen,
weken voor dat zij de deur uit kon komen) of het aanpassen van een of
ander sieraad, stuitte gewoonlijk de tranen die dan begonnen te
vloeien; en zij bleef weltevreden tot Edith naar haar kwam zien,
wanneer een blik op dat trotsche gelaat haar weder mismoedig deed
worden.
“Wel, heb ik toch ooit, Edith!” zeide zij dan, en schudde haar
hoofd.—“Wat scheelt er aan, moeder?”—“Schelen! Ik weet zelf haast niet
recht waar het aan scheelt. De wereld is zoo onnatuurlijk en ondankbaar
geworden, dat ik begin te denken dat er geheel geene hartelijkheid meer
in is. Withers is meer een kind voor mij dan gij zijt. Hij let veel
meer op mij dan mijne eigene dochter. Ik wenschte haast dat ik er zoo
jeugdig niet uitzag, dan zou ik misschien meer geacht worden.”—“Wat
zoudt ge dan willen hebben, moeder?”—“Och, heel veel, Edith!”
ongeduldig.—“Hebt gij iets noodig dat gij niet hebt? Zoo ja, dan is het
uwe eigene schuld.”—“Mijne eigene schuld!” op een huilenden toon. “Zulk
eene moeder als ik voor u geweest ben, Edith—u van uw wiegje af tot
mijne vriendin gemaakt! En nu gij mij verwaarloost, en niet meer
natuurlijke liefde voor mij hebt dan alsof ik eene vreemde was—niet de
twintigste part van de genegenheid die gij voor Florence hebt—maar ik
ben maar uwe moeder en zou haar in één dag bederven!—verwijt ge mij dat
het mijne eigene schuld is.”—“Moeder, moeder, ik verwijt u niets.
Waarom wilt gij altijd daarop terugkomen?”—“Is het niet natuurlijk dat
ik er op terugkom, daar ik geheel gevoel en teerhartigheid ben, en
altijd op de wreedste manier word gekwetst, als gij mij maar
aanziet?”—“Ik heb geen opzet om u te kwetsen, moeder. Weet gij niet
meer wat er tusschen ons is afgesproken? Laat het verledene
rusten.”—“Ja rusten! En laat dankbaarheid voor mij ook rusten; en laat
liefde voor mij ook rusten; en laat mij ook maar rusten in mijne uit
den weg geschoven kamer zonder gezelschap of afleiding, terwijl gij
nieuwe betrekkingen hebt om werk van te maken, die toch niet de minste
aanspraak op u hebben! Wel goede hemel, Edith, weet gij wel van welk
eene rijke huishouding gij nu het hoofd zijt?”—“Ja. Stil toch!”—“En die
allerfatsoenlijkste man, Dombey! Weet gij wel dat gij met hem getrouwd
zijt, en dat gij eene positie, een rijtuig en een vast inkomen hebt, en
ik weet niet wat al meer?”—“Ja zeker, moeder; dat weet ik waarlijk
wel.”—“Zooals gij ook zoudt gehad hebben met dien allerbesten man—hoe
heette hij ook weer?—Granger—als hij niet gestorven was. En aan wie
hebt gij dat te danken, Edith?”—“Aan u, moeder; aan u.”—“Sla dan uwe
armen om mijn hals en geef mij een kus; en toon mij, Edith, dat gij wel
weet dat er nooit beter mama is geweest dan ik voor u ben. En laat mij
niet een schrik van leelijkheid worden door mij over uwe ondankbaarheid
te kwellen, of als ik weder in gezelschap kom, zal geen mensch mij meer
kennen, zelfs niet die hatelijke majoor.”
Maar somtijds wanneer Edith dichter bij haar kwam, en haar statig hoofd
buigende, hare koude wang tegen die harer moeder drukte, week deze
terug alsof zij bang voor haar was, en begon te beven en te roepen dat
zij niet recht meer wist wat zij deed. En somtijds bad zij haar nederig
om op een stoel naast haar bed te komen zitten, en staarde zij haar dan
aan met een gezicht dat zelfs de rosé gordijnen niet anders dan angstig
en woest konden maken.
De rosé gordijnen bloosden, na verloop van tijd, over Cleopatra’s
lichamelijk herstel, en over haar toilet—jeugdiger dan ooit, om de
verwoesting te herstellen welke hare ziekte had aangericht—en over het
rouge, en de tanden, en de krullen, en diamanten, en de korte mouwen,
en de geheele garderobe der pop, die voor den spiegel was
neergetuimeld. Zij bloosden ook nu en dan over eene onduidelijkheid in
hare spraak, die zij met een meisjesachtig gegiggel poogde te
verbergen, en over eene onvastheid van haar geheugen, dat even grillig
en wonderlijk scheen te zijn als zij zelve was.
Maar nooit bloosden zij over eene verandering in de nieuwe manier
waarop zij nu over hare dochter dacht en met haar sprak. En schoon de
dochter dikwijls genoeg nabij hen kwam, bloosden zij nooit over een
glimlach van kinderlijke liefde, die hare trotsche schoonheid
verzachtte.