Vele dagen achtereen verliepen op dezelfde wijze, behalve dat er vele
visites ontvangen en gedaan werden, en dat mevrouw Skewton kleine
levées in hare apartementen hield, die veelal door den majoor Bagstock
werden bijgewoond, en dat Florence geen tweeden blik van haar vader
ontmoette, hoewel zij hem nu dagelijks zag. Ook wisselde zij niet vele
woorden met hare nieuwe mama, die voor het geheele huishouden
heerschzuchtig en trotsch was, behalve voor haar—Florence kon niet
nalaten dit op te merken—en die, schoon zij haar altijd liet roepen of
naar haar toe kwam als zij van hare visites terugkeerde, en haar altijd
in hare kamer kwam opzoeken eer zij zich ter rust begaf, hoe laat het
ook wezen mocht, en nooit eene gelegenheid verzuimde om bij haar te
zijn, toch dikwijls zeer lang achtereen stil en peinzend bij haar bleef
zitten.
Florence, die zooveel van dit huwelijk had gehoopt, kon somtijds niet
nalaten, het heldere prachtige huis te vergelijken met de sombere
stille woning waaruit het ontstaan was, en zich te verwonderen wanneer
het, in eene of andere gedaante, een thuis zou beginnen te worden; want
dat het geen thuis voor haar of iemand anders was, hoewel er alles even
rijk en goed geregeld was, bleef zij altijd heimelijk vreezen. Menig
uur van treurig nadenken bij dag en bij nacht, en menigen traan van
droevige teleurstelling wijdde Florence aan de verzekering, die hare
nieuwe mama haar zoo nadrukkelijk gegeven had, dat niemand op aarde
minder geschikt was om haar te leeren haar vaders hart te winnen. En
weldra begon Florence te denken—poogde zij te denken, zou meer naar
waarheid zijn uitgedrukt—dat niemand zoo goed wist hoe hopeloos het was
haar vaders koelheid voor haar te overwinnen, en het dus alleen uit
medelijden met haar was dat zij haar die waarschuwing had gegeven en
verboden er meer van te spreken. Onbaatzuchtig, gelijk in al wat zij
dacht en deed, wilde Florence liever dit nieuwe leed verdragen, dan het
vermoeden van eene waarheid, die een ongeluk voor haar vader moest
wezen, voedsel geven; teerhartig voor hem, zelfs in hare dwalende
gedachten. Wat zijn huis betrof, zij hoopte dat het een beter thuis
voor hem zou worden, als het nieuwe en vreemde er van voorbij waren; om
zich zelve dacht zij weinig en treurde zij niet.
Al was eigenlijk niemand voor zich zelf in het nieuwe huis thuis, men
begreep toch dat mevrouw Dombey daar zonder uitstel voor het publiek
thuis moest wezen. Er werd dus, voornamelijk door Dombey en mevrouw
Skewton, eene reeks van festiviteiten beraamd, zoowel om het huwelijk
te vieren, als om aan de eischen der gezellige samenleving te voldoen;
en men besloot dat deze feesten daarmede zouden beginnen, dat mevrouw
Dombey op zekeren avond voor alle bekenden thuis zou zijn, en dat
mijnheer en mevrouw Dombey denzelfden dag een groot aantal van
allerhande menschen te zamen op een diner zouden verzoeken.
Dombey schreef derhalve eene lijst van oostelijke magnaten, die op dit
feest moesten genoodigd worden; waartegen mevrouw Skewton, uit naam van
hare beminde dochter, die voor de geheele zaak eene trotsche
onverschilligheid toonde, eene westelijke lijst voorstelde, waarop neef
Feenix, die nog niet naar Baden-Baden teruggekeerd was (tot groot
nadeel van zijn bekrompen inkomen) bovenaan stond, gevolgd door eene
verscheidenheid van vlinders van allerlei ouderdom en rang, die van
tijd tot tijd om het licht harer schoone dochter, of om haar zelve,
hadden rondgefladderd, zonder hunne vlerken erg te beschadigen.
Florence werd ook op de lijst voor het diner gezet—op bevel van Edith,
toen mevrouw Skewton voor een oogenblik scheen te twijfelen; en met
zekere pijnlijke verwondering en eene instinctmatige bewustheid van
alles wat haar vaders gevoel, zelfs in het minste, onaangenaam aandeed,
nam het meisje stilzwijgend deel aan de feestelijkheden van den dag.
Deze feestelijkheden begonnen daarmede dat Dombey, met een das van
buitengewone hoogte en stijfheid, rusteloos in het salon op en neer
stapte tot aan het voor het diner bepaalde uur. Met klokslag daarvan
kwam er een schatrijk directeur der Oost-Indische Compagnie, met een
vest dat door een timmerman van vurenhout scheen te zijn samengesteld,
maar werkelijk door een kleermaker uit nanking was vervaardigd, en werd
door Dombey alleen ontvangen. De volgende gebeurtenis was dat Dombey
zijn compliment aan mevrouw Dombey zond en haar liet weten hoe laat het
was, en de volgende dat de directeur in het gesprek bleef steken, en
Dombey, die de man niet was om het weder op te vatten, naar het vuur
bleef staren, tot mevrouw Skewton kwam, welke de directeur, om den
avond gelukkig te beginnen, voor mevrouw Dombey hield en met
geestvervoering begroette.
De volgende gast was een directeur van de Bank, van wien men zeide dat
hij in staat was om alles op te koopen—het geheele menschdom zelfs, als
hij meende daardoor de geldmarkt te kunnen dwingen—maar die met
verbazende bescheidenheid sprak, zoo zelfs dat de bescheidenheid naar
pochen geleek, en op dien toon melding maakte van zijn “buitentje” bij
Kingston, waar hij Dombey een bed en eene karbonade kon geven, maar
veel meer ook niet, als hij hem eens wou komen opzoeken. Dames, zeide
hij, durfde iemand die zoo leefde als hij geene invitatiën geven—maar
als mevrouw Skewton en hare dochter, mevrouw Dombey, eens dien weg
uitkwamen en hem de eer wilden doen om eens naar het
heesterplantsoentje te komen kijken, dat zij daar zouden vinden, en een
paar bloembedjes, en een ananaskasje, en nog eenige kleinigheden van
dien aard, waarop hij zich niets kon laten voorstaan, zouden zij hem
zeer verplichten. Om geheel in zijne rol te blijven, was deze heer zeer
eenvoudig gekleed, met een strookje kamerdoek voor eene das, groote
lompe schoenen, een rok die hem te wijd en eene broek die hem te nauw
was; en toen mevrouw Skewton van de opera melding maakte, zeide hij dat
hij daar zeer zelden ging, want dat kon niet lijden. Hij scheen zich
met dit gezegde zeer te vervroolijken, en keek daarna met de handen in
de zakken en van zelfvoldoening stralende oogen in het rond.
Nu verscheen mevrouw Dombey, schoon en trotsch, en zoo vol uitdagende
minachting voor iedereen, als ware de bruidskrans op haar hoofd een
krans van stalen punten geweest, haar opgezet om haar tot vernedering
te dwingen, terwijl zij liever wilde sterven dan zwichten. Florence was
bij haar. Toen zij binnentraden verdonkerde de schaduw van den avond
der terugkomst wederom Dombey’s gelaat; maar onopgemerkt, want Florence
durfde hare oogen niet opslaan, en Edith’s onverschilligheid was te
fier om in het minste op hem te letten.
Spoedig waren er meer gasten. Nog meer directeuren, presidenten van dit
en van dat, bejaarde dames met vrachten van kapsels op het hoofd, neef
Feenix, majoor Bagstock, vriendinnen van mevrouw Skewton, met dezelfde
fraaie kleur op de wangen en kostbare kettingen om dorre halzen. Onder
deze was eene jonge dame van vijf en zestig, ongemeen koel gekleed wat
rug en schouders betrof, die zeer innemend lispelde en hare oogleden
niet zonder veel moeite kon openhouden, en wier manieren al dat
onbeschrijfelijk bekoorlijke hadden, dat de dartelheid der jeugd eigen
is. Daar de meesten van Dombey’s lijst tot stilzwijgendheid, en de
meesten van mevrouw Dombey’s lijst tot spraakzaamheid genegen waren, en
zij niets met elkander gemeen hadden, trad mevrouw Dombey’s lijst door
zekere magnetische overeenstemming, in een vijandig verbond tegen de
lijst van haar echtgenoot, welker ongelukkige leden, neerslachtig door
de kamers dwalende of in een hoek schuilplaats zoekende, door pas
binnenkomende gasten tegen het lijf werden geloopen, achter sofa’s
gebarricadeerd raakten, deuren die wat driftig werden opengedaan,
onzacht tegen het hoofd kregen, en allerlei wederwaardigheden
ondervonden.
Toen het diner werd aangekondigd, leidde Dombey eene oude dame naar de
tafel, die naar een rood fluweelen kussen geleek met banknoten
opgestopt; neef Feenix leidde mevrouw Dombey, en majoor Bagstock
mevrouw Skewton. Hare jeugdige vriendin met de schouders werd, tot
zijne vervroolijking, aan den directeur met het nankingsche vest
toebedeeld; en de overige dames werden door de overige heeren in het
salon op beziens gelaten, tot eenige vrijwilligers moed genoeg kregen
om ze naar beneden te willen brengen, waarna deze dapperen met de
buitgemaakte schoonen de deur der eetzaal verstopten en zeven bedeesde
heeren in het steenige voorhuis buitensloten. Toen al de anderen binnen
en gezeten waren, bleek een dezer bedeesde heeren nog geheel onverzorgd
te zijn, en deed, door den bottelier begeleid, in glimlachende
verlegenheid, tweemaal de ronde van de tafel, eer zijn stoel te vinden
was, die eindelijk aan mevrouw Dombey’s linkerhand bleek te staan;
waarna de bedeesde heer zijn hoofd niet meer durfde oprichten.
Nu had men die ruime eetzaal, met het gezelschap om de glinsterende
tafel gezeten, bezig met de glinsterende lepels, messen en vorken, wel
voor eene nabootsing van het land kunnen houden waar men goud en zilver
maar voor het rapen heeft; en het lange plateau van kostbaar koud
metaal, dat Dombey van zijne vrouw afscheidde, met de koude Cupido’s,
die beiden reukelooze bloemen aanboden, had men voor eene allegorie
kunnen aanzien.
Neef Feenix vertoonde zich in al zijne kracht en zag er verbazend jong
uit. Maar zijne luimigheid was wel eens wat onbedachtzaam—zijn geheugen
speelde hem somtijds parten, evenals zijne beenen deden—en eens deed
hij het geheele gezelschap schrikken. Dit gebeurde aldus. De jonge dame
met de schouders, die een zwak voor neef Feenix had, wist den
directeur, haar geleider, te verleiden om haar naar een stoel naast hem
te brengen, en tot dank voor dezen dienst, liet zij den directeur
dadelijk varen. Deze, die aan den anderen kant door een somberen zwart
fluweelen hoed werd beschaduwd, welke een beenig en sprakeloos
vrouwelijk wezen met een waaier bekroonde, gaf zich aan
neerslachtigheid over en kroop geheel in zich zelven weg. Neef Feenix
en de jonge dame waren zeer levendig, en de jonge dame lachte zoo
hartelijk om iets dat neef Feenix haar vertelde, dat majoor Bagstock
ten behoeve van mevrouw Skewton verzocht te mogen weten (zij zaten aan
den overkant, wat verder af) of die vertelling niet als publiek
eigendom mocht beschouwd worden.
“Och, er steekt niets in,” zeide neef Feenix; “het is waarlijk niet
waard het nog eens te vertellen; het is eigenlijk maar eene anekdote
van Jack Adams. Ik denk dat mijn vriend Dombey,” want de algemeene
aandacht was nu op neef Feenix gevestigd, “zich Jack Adams wel zal
herinneren—Jack Adams, niet Joe—dat was zijn broeder. Jack—kleine
Jack—die scheel zag en eene belemmering in zijne spraak had—en voor
iemands borough in het Parlement zat. Wij plachten hem in mijn tijd P.
W. H. Adams te noemen, dat Plaats-Warmhouder wilde zeggen, omdat hij de
plaats warm hield voor een jong mensch, die nog niet meerderjarig was.
Misschien zal mijn vriend Dombey hem wel gekend hebben?”
Dombey, die met evenveel waarschijnlijkheid Guy Fawkes kon gekend
hebben, antwoordde ontkennend. Maar een der zeven bedeesde heeren
maakte zich eensklaps tot een persoon van aanzien, door te zeggen dat
hij hem gekend had, en er bij te voegen: “hij droeg altijd laarzen met
kwastjes!”—“Juist!” zeide neef Feenix, zich overbuigende om den
bedeesden heer te zien, en hem over de tafel heen aanmoedigend toe te
lachen. “Dat was Jack. Joe droeg...”—“Kaplaarzen!” riep de bedeesde
heer, met ieder oogenblik in de algemeene schatting rijzende.—“Gij moet
hen natuurlijk van nabij gekend hebben?” zeide neef Feenix.—“Ik heb hen
allebei gekend,” zeide de bedeesde heer, en Dombey trok dadelijk een
lijntje met hem.—“Een allerbeste kerel, Jack?” zeide neef Feenix, zich
nogmaals glimlachend overbuigende.—“Dat zou ik denken,” antwoordde de
bedeesde man, door zijn geluk stout wordende; “een van de beste kerels
die ik ooit gekend heb.”—“Gij hebt het historietje zeker wel gehoord?”
zeide neef Feenix.—“Dat zal ik pas weten,” antwoordde de stoutmoedige
bedeesde man, “als ik het uwe Lordschap heb hooren vertellen.” Daarmede
liet hij zich achterover in zijn stoel zakken en keek glimlachend naar
den zolder, alsof hij het van buiten kende en er zich reeds mede
vermaakte.—“Eigenlijk heeft het historietje niets te beduiden,” zeide
neef Feenix, met een vroolijk gezicht de geheele tafel aansprekende,
“en is het geen voorafspraak waard. Maar het is een staaltje hoe netjes
Jack iets te pas kon brengen. De zaak is, dat Jack eens op eene
bruiloft werd gevraagd, die, als ik wel heb, in Berkshire werd
gegeven?”—“Shropshire,” zeide de stoute bedeesde man, die zag dat dit
laatste tot hem gericht was.—“Was het? Wel! Wat de zaak betreft zou het
ook evengoed ergens anders kunnen geweest zijn,” zeide neef Feenix.
“Mijn vriend is dus ergens hier of daar op eene bruiloft gevraagd, en
hij gaat. Evenals wij, of sommigen van ons, toen wij de eer hadden van
gevraagd te worden om de trouwplechtigheid van mijne bekoorlijke en
begaafde nicht met mijn vriend Dombey bij te wonen, niet tweemaal
behoefden gevraagd te worden, maar drommels blij waren dat wij bij zulk
eene interessante gelegenheid tegenwoordig mochten zijn. Nu was dat
huwelijk eigenlijk een huwelijk van een buitengemeen mooi meisje met
een man, die haar niet het minste kon schelen, en dien zij maar om zijn
geld nam, want hij was schatrijk. Toen Jack na de bruiloft weder thuis
was, zegt een kennis, die hem in de voorzaal van het Huis der Gemeenten
tegenkomt: “Wel, Jack, hoe gaat het met dat ongelijke
paar?”—“Ongelijk!” zegt Jack. “Geheel niet. Zij staan volkomen met
elkander gelijk. Zij is als eerlijk gekocht, en gij kunt er op zweren
dat hij ook eerlijk verkocht is.””
In het volle genot der aardigheid van zijne vertelling, verwonderde
zich neef Feenix over den schrik, die als een electrische schok de
tafel was omgevlogen, en hij bleef steken. Geen glimlach op eenig
gezicht verried het eenige algemeene onderwerp van gesprek op dien dag.
Er volgde eene diepe stilte, en de rampzalige bedeesde heer, die vooraf
even weinig van het historietje had geweten als een ongeboren kind,
moest in alle oogen lezen dat hij voor den eersten aanlegger van deze
kwaadaardigheid werd gehouden.
Dombey’s gezicht veranderde niet licht, en daar het dien dag in zijne
staatsieplooien was gezet, toonde het niet, of bijna niet, dat hij
anders over het vertelseltje dacht dan hij te kennen gaf, toen hij te
midden der stilte deftig zeide: “Heel aardig.” Edith wierp snel een
blik naar Florence, maar anders bleef zij uitwendig zoo ongevoelig
alsof zij niets gehoord had.
Langzamerhand kwam het diner verder en kwamen de gasten door alles
heen—door de kostbare spijzen en wijnen, altijd in goud en zilver,
lekkernijen van aarde, lucht, vuur en water, opgestapelde vruchten, en
die noodelooze stof op een feest van Dombey—ijs. In het laatste
tijdperk hoorde men een aanhoudend kloppen, dat de komst der
avondgasten aankondigde, wier deel aan den maaltijd tot den reuk
daarvan beperkt was. Toen mevrouw Dombey opstond was het iets
merkwaardigs haar gemaal, met stijven hals en opgericht hoofd, de deur
te zien openhouden, om dames uit te laten; en hoe zij hem voorbijstreek
met zijne dochter aan den arm.
Dombey was een deftig schouwspel in zijne staatsie achter de karaffen;
de directeur met het gele vest was een jammerlijk schouwspel, in zijne
eenzaamheid bij het ledige eind van de tafel; de majoor was een
militair schouwspel, terwijl hij anekdoten van den Hertog van York
vertelde aan zes van de zeven bedeesde heeren (de te voren zoo stoute
hield zich achteraf); de directeur van de Bank was een nederig
schouwspel, gelijk hij eene groep van bewonderaars zat te beduiden hoe
hij zijn ananaskasje had laten inrichten en met dessertmessen een plan
daarvan maakte; en neef Feenix was een schouwspel van peinzend
nadenken, gelijk hij zijne breede mouwboorden gladstreek en tersluiks
zijne pruik rechtzette. Maar dit geheele schouwspel was kort van duur,
daar men weldra afbrak om koffie te drinken en naar boven te gaan.
Daar boven in de staatsievertrekken heerschte een gewoel, dat met ieder
oogenblik toenam; maar nog scheen Dombey’s lijst van gasten eene
aangeborene onmogelijkheid te hebben, om zich met die van mevrouw
Dombey te vermengen, en niemand had kunnen twijfelen tot welke lijst
iemand behoorde. De eenige uitzondering op dezen regel was misschien
Carker, die onder het gezelschap zijn glimlach vertoonde, en terwijl
hij in den kring stond, die zich om mevrouw Dombey verzameld
had—oplettend op haar, op zijn patroon, op Cleopatra en den majoor, op
Florence en alles in het rond—met beide soorten van gasten op zijn
gemak scheen te zijn, zonder een kenteeken te hebben dat hij
uitsluitend tot een van die soorten behoorde.
Florence had een angst voor hem, die zijne tegenwoordigheid bijna
onuitstaanbaar voor haar maakte. Zij kon die echter niet vergeten, want
telkens werden hare oogen door een onweerstaanbaar gevoel van
wantrouwen en tegenzin naar hem toegetrokken. Evenwel waren hare
gedachten met andere dingen bezig, want terwijl zij daar stil zat—niet
omdat zij niet bewonderd of opgezocht werd, maar in de zachtheid van
haar stillen geest—gevoelde zij wel hoe weinig deel haar vader had aan
alles wat er omging, en zag zij met smart hoe slecht hij op zijn gemak
scheen te zijn, hoe weinig acht men op hem gaf terwijl hij bij de deur
stond te wachten naar die gasten, welke hij met bijzondere beleefdheid
wenschte te onderscheiden, en die hij dan naar zijne vrouw bracht en
presenteerde, welke hen met trotsche koelheid ontving, zonder eenige
belangstelling of zucht om te behagen te toonen, en na de kale
ceremonie der receptie, geen woord meer sprak om hem genoegen te geven
of zijne vrienden te verwelkomen. Het was voor Florence niet te minder
bevreemdend en smartelijk, dat zij, die zoo handelde, haar zoo
vriendelijk behandelde, dat het aan haar kant ondankbaar scheen thans
op te merken wat er voor hare oogen plaats had.
Gelukkig zou het voor Florence geweest zijn als zij haar vader had
mogen opbeuren, al was het maar met een blik; en gelukkig was zij
waarlijk dat zij de voornaamste reden van zijn ongenoegen weinig
vermoedde. Zij durfde echter niet laten blijken, dat zij wist dat hem
iets hinderde, uit vrees dat hij dit kwalijk zou nemen; en zoo verdeeld
tusschen hare neiging voor hem en hare dankbare genegenheid voor Edith,
durfde zij hare oogen bijna niet naar een van beiden opslaan. Bekommerd
en ongerust voor beiden, kwam de gedachte bij haar op, dat het
misschien goed voor hem zou geweest zijn als dat gerucht van tongen en
gescharrel van voeten daar nooit gekomen was—als de oude dofheid en
somberheid nooit door pracht en glans waren vervangen—als het
verwaarloosde kind nooit in Edith eene vriendin had gevonden, maar
vergeten en onbeklaagd haar eenzaam leven had voortgezet.
Mevrouw Chick dacht ook eenigszins zoo, maar bleef daarbij niet zoo
kalm. De goede vrouw was vooreerst beleedigd, dat zij geene
uitnoodiging voor het diner had ontvangen. Toen zij dit gedeeltelijk te
boven was gekomen, had zij groote onkosten gemaakt om zich met zulk
eene pracht voor mevrouw Dombey te vertoonen, dat zij deze dame geheel
moest verblinden, en mevrouw Skewton, bergen hoog, met schaamte
beladen.
“Maar men telt mij even weinig als Florence,” zeide mevrouw Chick tot
haar echtgenoot. “Wie neemt er de minste notitie van mij?
Niemand!”—“Niemand, lieve,” zeide Chick, tevreden toestemmend. Hij had
zich naast zijne vrouw tegen de deur gezet, en was zelfs daar in staat
zich te troosten met zachtjes te fluiten.—“Schijnt het wel dat men mij
hier noodig had?” riep mevrouw Chick met vlammende oogen uit.—“Neen,
lieve, dat schijnt het zeker niet,” antwoordde haar echtgenoot.—“Paul
is gek!” zeide mevrouw Chick.
Mijnheer Chick floot.
“Als gij geen monster zijt, dat ik somtijds waarlijk geloof,” hervatte
mevrouw Chick met openhartigheid, “zit dan daar geen deuntjes te
neuriën. Hoe iemand, die maar eenigszins het gevoel van een man heeft,
die schoonmoeder van Paul kan zien, zoo gekleed als zij is, en zooals
zij zich aanstelt met dien majoor Bagstock, dien wij, met andere
kostbaarheden, ook al aan uwe Lucretia Tox te danken hebben....”—“Mijne
Lucretia Tox, lieve vrouw!” zeide Chick met verbazing.—“Ja,” antwoordde
mevrouw Chick, zeer barsch en streng, “uwe Lucretia Tox—ik zeg, hoe
iemand die schoonmoeder van Paul kan zien, en die hoogmoedige vrouw van
Paul, en die indecente, leelijke oude wijven met hare ruggen en
schouders, kortom, dat alles hier, en zitten neuriën,” op welk woord
zij een smadelijken nadruk legde, die haar man deed schrikken, “is, den
hemel zij dank, een raadsel voor mij.”
Chick zette zijn mond in eene plooi dat hij onmogelijk fluiten of
neuriën kon, en keek zeer ernstig.
“Maar ik hoop te weten wat ik mij zelve verschuldigd ben,” zeide
mevrouw Chick, van verontwaardiging zwellende, “hoewel Paul vergeten
heeft wat hij mij verplicht is. Ik zal hier niet blijven zitten, een
lid van zijne familie, zonder dat er notitie van mij wordt genomen. Ik
ben nog geen slijk onder mevrouw Dombey’s voeten—nog niet,” zeide
mevrouw Chick, alsof zij dat tegen overmorgen dacht te worden. “En ik
ga heen. Ik zal niet zeggen (wat ik ook denken mag) dat die geheele
partij is aangelegd alleen om mij te vernederen en te beleedigen. Maar
ik ga heen. Ik zal niet gemist worden.”
Mevrouw Chick stond met deze woorden stokstijf op, en nam den arm van
haar man, die haar de kamer uitleidde, nadat zij daar een half uur in
de schaduw hadden gezeten. Om hare schranderheid recht te doen moet het
worden aangemerkt, dat zij inderdaad geheel niet gemist werd.
Zij was niet de eenige ontevredene onder de gasten; want Dombey’s lijst
(steeds in wederwaardigheden) was en corps misnoegd op de lijst van
mevrouw Dombey, omdat de leden daarvan door lorgnetten naar hen keken
en zich hoorbaar verwonderden wie al die menschen waren, terwijl de
lijst van mevrouw Dombey over verveling klaagde, en het jonge dingetje
met de schouders, van de oplettendheden van den vroolijken jonkman neef
Feenix beroofd (want deze was van tafel naar huis gegaan) aan dertig of
veertig vrienden en vriendinnen in vertrouwen mededeelde, dat zij zich
nog dood zou geeuwen. Al de oude dames met vrachten op het hoofd hadden
meer of minder reden van klagen over mevrouw Dombey; en de directeuren
en presidenten stemden overeen in de gedachte dat, als Dombey trouwen
moest, hij beter zou gedaan hebben als hij eene vrouw had getrouwd die
meer zijne gelijke in jaren was, niet zoo mooi was, en er wat beter in
zat. Het algemeene gevoelen onder deze klasse van heeren was, dat het
eene dwaasheid van Dombey was, en het hem nog eens zou berouwen. Bijna
niemand, behalve de bedeesde heeren, was er, die bleef of heenging
zonder zich door Dombey of mevrouw Dombey veronachtzaamd of beleedigd
te achten; en het sprakelooze vrouwelijke wezen met den zwart fluweelen
hoed was, gelijk men naderhand bevond, zoo stom geworden omdat de dame
in het rood fluweel vóór haar naar de tafel was geleid. Zelfs de
zachtzinnigheid der bedeesde heeren werd verzuurd, hetzij door te veel
limonade of door het besmettelijke van den algemeenen geest, en zij
maakten in afgelegene hoekjes spottende grappen met elkander, en
fluisterden elkander op de trap hunne minachtende afkeuring toe. De
algemeene onbehaaglijkheid en onvergenoegdheid verspreidden zich
zoozeer, dat de verzamelde lakeien in het voorhuis er evengoed mede
bekend waren als het gezelschap boven. Zelfs de fakkeldragers buiten
kregen er weet van, en vergeleken de partij bij een begrafenistrein
buiten den rouw, waarvan ieder wist dat hij niet in het testament
stond.
Eindelijk waren de gasten allen verdwenen en de fakkeldragers ook; de
straat, zoolang met koetsen verstopt, was weder vrij, en de afgebrande
kaarsen in de kamer beschenen niemand dan Dombey en Carker, die
afzonderlijk met elkander spraken, en mevrouw Dombey en hare moeder; de
eerste op eene ottomane gezeten, de laatste in hare Cleopatra-houding
neergevleid en naar hare kamenier wachtende. Toen Dombey met Carker had
gesproken, kwam de laatste onderdanig nader om afscheid te nemen.
“Ik vertrouw,” zeide hij, “dat de vermoeienis van dezen verrukkelijken
avond mevrouw Dombey morgen niet zal hinderen.”—“Mevrouw Dombey,” zeide
Dombey, voorwaarts komende, “heeft zich zelve van avond vermoeienis
genoeg bespaard om u van alle bekommering van dien aard te ontheffen.
Het spijt mij te moeten zeggen, mevrouw Dombey, dat ik wel gewenscht
had dat gij u bij deze gelegenheid wat meer hadt vermoeid.”
Zij zag hem even aan met een blik van trotsche minachting. Het scheen
haar niet de moeite waard te zijn dien blik te verlengen, en zij wendde
zonder te spreken hare oogen af.
“Het spijt mij, mevrouw,” zeide Dombey, “dat gij het niet uw plicht
hebt geacht...”
Zij zag hem nogmaals aan.
“Uw plicht hebt geacht, mevrouw,” herhaalde Dombey, “om mijne vrienden
met wat meer beleefdheid te ontvangen. Sommige van hen, die gij goed
gevonden hebt dezen avond op eene zeer in het oog loopende manier te
veronachtzamen, mevrouw Dombey, bewijzen u eene onderscheiding, moet ik
u zeggen, door u een bezoek te brengen.”—“Weet gij wel dat er iemand
hier is?” antwoordde zij, hem nu strak aanziende.—“Neen, Carker! Ik
verzoek u dat gij blijft. Ik dring er op aan dat gij blijft,” zeide
Dombey, toen zijn dienaar stil wilde heengaan. “Mijnheer Carker, gelijk
gij weet mevrouw, bezit mijn vertrouwen. Hij is met de zaak waarover ik
spreek evenzeer bekend als ik. Ik verzoek u, tot uwe informatie, te
mogen zeggen, mevrouw Dombey, dat ik het er voor houd dat die rijke en
aanzienlijke personen mij eene onderscheiding bewijzen.” Daarbij
richtte Dombey zich stijf op, als had hij hen thans tot den hoogsten
rang verheven.—“Ik moet verzoeken,” zeide Carker, voorwaarts komende,
“ik moet bidden en smeeken. Hoe gering en onbeduidend dit verschil ook
is...”
Mevrouw Skewton, die het gezicht harer dochter had bespied, viel er
hier op in.
“Mijne allerliefste Edith en mijn dierbaarste Dombey, onze uitmuntende
vriend, mijnheer Carker, want zoo mag ik hem waarlijk wel
noemen...”—“Al te veel eer,” prevelde Carker.—“Heeft juist de woorden
gebruikt die ik in mijne gedachten had, en die ik al, ik weet niet
hoelang, had willen zeggen, als ik er maar gelegenheid toe had gehad.
Gering en onbeduidend! Mijne allerliefste Edith en mijn dierbaarste
Dombey, wisten wij niet dat alle verschil tusschen u beiden—neen,
Flowers, nog niet.”
Flowers was de kamenier, die, toen zij heeren aanwezig zag, haastig
weder heenging.
“Dat alle verschil tusschen u beiden,” hervatte mevrouw Skewton, “met
de hartelijkheid die gij gemeenschappelijk bezit en den schoonen band
van gevoel die tusschen u bestaat, altijd gering en onbeduidend moet
wezen? Welke woorden zouden die waarheid beter kunnen uitdrukken? Er
zijn er geen. Het verheugt mij daarom deze beuzelachtige gelegenheid te
kunnen waarnemen—deze kinderachtige gelegenheid, die zoo vol
natuurlijkheid is en uwe karakters zoo aardig doet uitkomen—zoo wel
berekend om eene moeder de tranen in de oogen te brengen—om te zeggen
dat ik er volstrekt niet het minste gewicht aan hecht, behalve als
kleine blijken van die kleine eigenaardigheden die ik bedoel, en dat
ik, geheel het tegendeel van de meeste schoonmama’s—dat leelijke woord,
mijn beste Dombey—gelijk men mij gezegd heeft dat zij in deze, vrees
ik, al te onnatuurlijke wereld bestaan, nooit zal beproeven om bij zulk
eene gelegenheid tusschen u in te komen, en zelfs niet veel spijt kan
hebben als die kleine god—hoe heet hij ook weer—ik meen niet Cupido,
maar dien anderen—zulke kuurtjes met zijne toorts speelt.”
De blik, dien de goede moeder onder het spreken op hare kinderen
gevestigd hield, had eene scherpheid, die misschien aanduidde dat er
een bepaald en wel begrepen oogmerk onder deze verwarde gezegden
school. Dit oogmerk was, zich bij voorraad doof te verklaren voor alle
gerammel van hunne keten, dat aanstaande was; zich voor alle gevolgen
daarvan te vrijwaren door de fictie van haar onschuldig geloof aan
hunne wederzijdsche genegenheid en hunne volmaakte geschiktheid voor
elkander.
“Ik heb mevrouw Dombey,” zeide Dombey op zijn deftigsten toon, “zoo
vroeg in ons huwelijksleven iets in haar gedrag aangewezen, dat ik
afkeur, en dus verzoek dat verbeterd mag worden. Carker,” met een
knikje om hem weg te zenden, “ik wensch u goedennacht.”
Carker boog voor de trotsche gestalte der jonge vrouw, wier schitterend
oog op haar echtgenoot was gevestigd; bleef in het heengaan even voor
Cleopatra staan, en hief de hand, die zij hem gunstig toereikte, met
nederige hulde naar zijne lippen op.
Indien zijne schoone vrouw, nu zij alleen waren, (want Cleopatra had
zich met allen spoed verwijderd) hem verwijten had gedaan, of maar haar
gezicht had vertrokken, of het stilzwijgen, dat zij bleef bewaren, met
een enkel woord afgebroken, zou Dombey wel in staat zijn geweest om
haar te beduiden dat hij gelijk had. Maar de diepe, onuitsprekelijke
verachting, waarmede zij, na hem te hebben aangezien, hare oogen
neersloeg, alsof hij haar te onverschillig en te weinig waardig was om
een enkel woord met hem te wisselen—de smadelijke trotschheid waarmede
zij daar voor hem zat—de koele, onbuigzame vastheid waarmede elke trek
van haar gelaat scheen aan te duiden dat zij hem geheel ter zijde
zette—daartegen wist hij geen raad; en hij ging heen, terwijl zij nog
al hare fiere schoonheid aanwendde om hem eene verpletterende
minachting te toonen.
Was hij laf genoeg om haar een uur later te bespieden op de oude trap,
die hij Florence eens met Paul had zien opzwoegen? Of was hij daar
toevallig in het donker, toen hij, omhoogziende, haar met licht uit de
kamer zag komen waar Florence sliep, en dat gezicht, dat hij niet kon
doen bewegen, zoo veranderd zag?
Maar het kon nooit zoo veranderen als zijn eigen deed. Het kende, zelfs
op het toppunt van trots en hartstochtelijkheid, nooit de schaduw,
welke, in dien donkeren hoek, op den avond zijner terugkomst en nog
dikwijls naderhand, op het zijne was gevallen, en nu nog donkerder
werd, terwijl hij naar boven keek.