NOG EENE MOEDER EN DOCHTER.

In eene leelijke donkere kamer zat eene oude vrouw, even leelijk en

donker, over een karig vuurtje gedoken, naar den wind en den regen te

luisteren. Zij veranderde niet van houding, behalve als er een

verdwaalde regendroppel sissend op de smeulende kolen viel en haar het

hoofd deed oplichten, om met meer oplettendheid naar het gieren en

kletteren daar buiten te luisteren. Maar langzamerhand liet zij het

weder zakken en zonk zelve in een droomerig gepeins, waarbij het

gerucht van het weder even onduidelijk werd als het eentonige rollen

der zee wordt, wanneer men op het strand zit te mijmeren.

Er was geen licht in de kamer behalve van het vuur. Nu en dan

opflikkerende, gelijk de oogen van een half ingeslapen wild dier,

vertoonde het geene voorwerpen, die naar duidelijker verlichting

behoefden te verlangen. Een hoop vodden, een hoop beenderen, een

ellendig bed, twee of drie verminkte stoelen, de zwarte wanden en nog

zwarter zoldering—dit was alles wat de flikkerende gloed bescheen.

Terwijl de oude vrouw, met eene mismaakte reusachtige afbeelding van

zich zelve half op den muur achter en half tegen de zoldering boven

haar, daar gedoken zat over de weinige losse klinkers, waarbinnen het

vuur op de vochtige plaat onder den schoorsteen lag te smeulen—want er

was geen haard—zag zij er uit alsof zij bij een heksenaltaar naar een

gunstig teeken wachtte, en indien de beweging harer mommelende

onderkaak niet te snel was geweest voor de trage flikkering van het

vuur, zou men die voor eene begoocheling hebben gehouden, door het

schijnsel veroorzaakt op een gezicht even roerloos als het geheele

lichaam.

Indien Florence daar had kunnen komen en het origineel zien van de

schaduw, die op den muur en de zoldering viel, zou een enkele blik

genoeg zijn geweest om haar de Goede Vrouw Brown voor den geest te

roepen; hoewel hare kinderlijke herinnering van dat schrikkelijke oude

wijf misschien eene even grotesk overdreven afbeelding der waarheid was

als de schaduw op den muur. Doch Florence kwam daar niet, en de Goede

Vrouw bleef onherkend naar het vuur zitten staren.

Opgewekt door een harder sissen en spatten dan gewoonlijk, daar de

regen nu met een straal door den schoorsteen kwam, hief de oude vrouw

ongeduldig haar hoofd op, om opnieuw te luisteren. Ditmaal liet zij het

niet weder zinken, want er was eene hand aan de deur en een voetstap in

de kamer.

“Wie is daar?” zeide zij, over haar schouder omkijkende.—“Iemand die u

nieuws brengt,” was het antwoord eener vrouwenstem.—“Nieuws? Waar

vandaan?”—“Van buitenslands.”—“Van over zee?” riep de oude vrouw,

driftig opstaande.—“Ja, van over zee.”

De oude vrouw rakelde haastig het vuur bij elkander, ging dicht naar de

vreemdelinge, die binnengekomen was en nu midden in de kamer stond,

vatte den druipenden mantel aan, en keerde de gedaante, die geen

tegenstand bood, zoodanig om, dat zij in het volle licht van het vuur

kwam. Zij vond niet wat zij verwacht had, wat dit ook wezen mocht, want

zij liet met een wreveligen kreet van teleurstelling den mantel weder

los.

“Wat scheelt er aan?” zeide de vreemde.

De oude vrouw antwoordde slechts met een akelig jammergehuil.

“Wat scheelt er aan?” vroeg de vreemde nog eens.—“Het is mijn kind

niet!” riep de oude vrouw, met hare armen zwaaiende en hare handen

boven haar hoofd samenslaande. “Waar is mijne Alice? Waar is mijne

mooie dochter? Zij hebben haar toch dood gemaakt!”—“Zij hebben haar nog

niet dood gemaakt, als gij ten minste Marwood heet,” zeide de

vreemde.—“Hebt gij mijne dochter dan gezien?” riep de oude vrouw.

“Heeft zij mij geschreven?”—“Zij zeide dat ge toch niet lezen kondt,”

was het antwoord.—“Dat kan ik ook niet,” riep de oude vrouw, hare

handen wringende.—“Hebt ge geen licht hier?” zeide de andere, in de

kamer rondkijkende.

Haar hoofd schuddende en over hare mooie dochter mompelende, kreeg de

oude vrouw eene kaars uit eene kast in den hoek, duwde die met eene

bevende hand in het vuur en stak ze met eenige moeite aan. De in het

vet smorende pit brandde eerst duister, en toen de flauwe oogen der

oude vrouw iets bij dit licht begonnen te onderscheiden, was de vreemde

met over elkander geslagen armen gaan zitten, en lag de zakdoek, dien

zij om het hoofd had gehad, naast haar op de tafel.

“Zij heeft mij dan eene boodschap gestuurd, mijne dochter Alice?”

mompelde de oude vrouw na eene poos wachtens. “Wat heeft zij

gezegd?”—“Zie,” was het antwoord.

De oude vrouw herhaalde dit woord op een toon van twijfel; en de hand

boven de oogen houdende keek zij naar de spreekster, en in de kamer

rond, en wederom naar de spreekster.

“Alice heeft gezegd, zie nog eens, moeder!” En de spreekster zag haar

strak aan.

Nogmaals keek de oude vrouw in de kamer rond, en naar de spreekster, en

wederom de kamer rond. Haastig de kaars opnemende, kwam zij naar de

spreekster toe, hield haar die voor het gezicht, gaf een schreeuw,

zette het licht neer en viel haar om den hals.

“Het is mijn kind! Het is mijne Alice! Het is mijne mooie dochter, die

levend terugkomt!” gilde de oude vrouw, de gestalte in hare armen

wiegende, die koel hare omhelzing toeliet. “Het is mijn kind! Het is

mijne Alice! Het is mijne mooie dochter, die levend terugkomt!” gilde

zij alweder, viel op den grond voor haar neer, omklemde hare knieën,

legde haar hoofd daarop, wiegde zich zoo heen en weder, met alle

blijken van uitgelatenheid waartoe zij in staat was.—“Ja, moeder,”

antwoordde Alice, even bukkende om haar een kus te geven, maar te

gelijk eene poging doende om zich los te maken. “Hier ben ik eindelijk.

Laat los, moeder, laat los. Sta op en ga op uw stoel zitten. Waartoe

dient het dat gij dat doet?”—“Zij is nog verharder teruggekomen dan zij

is heengegaan!” riep de moeder, naar haar opziende en nog hare knieën

vasthoudende. “Zij geeft niet om mij, na al die jaren, en na het

ellendige leven dat ik gehad heb.”—“Wel, moeder,” zeide Alice, haar

gescheurden rok schuddende, om zich van de oude vrouw los te maken.

“Daar zijn twee kanten aan. Er zijn jaren voor mij verloopen, zoowel

als voor u, en ik heb ellende gehad, zoowel als gij. Sta op, sta op!”

Hare moeder stond op, schreide, wrong hare handen en bleef haar op

eenigen afstand aanstaren. Toen de kaars weer opnemende en om haar

heengaande, bekeek zij haar van het hoofd tot de voeten, onder een

aanhoudend dof gekerm. Daarop zette zij de kaars weder neer, liet zich

op haar stoel zinken, sloeg hare handen samen, als ware het op de maat

eener eentonige wijs, aanhoudend heen en weder wiegelende, en bij zich

zelve stenende en jammerende.

Alice stond op en legde haar natten mantel af. Daarna zette zij zich

weder neer, en bleef met over elkander geslagen armen, in het vuur

starende oogen en een gezicht vol minachting, stil naar de

onverstaanbare klachten harer moeder zitten luisteren.

“Hadt ge verwacht mij even jeugdig terug te zien als ik heenging,

moeder?” zeide zij eindelijk, naar de oude vrouw omziende. “Hadt gij

gedacht dat zulk een leven in vreemde landen als het mijne er goed voor

was om mooi te blijven? Men zou dat haast gelooven, als men u

hoort.”—“Dat is het niet!” antwoordde de moeder. “Dat weet zij ook

wel!”—“Wat is het dan?” hervatte de dochter. “Het moest liefst iets

wezen dat niet lang duurt, moeder, of ik zal nog gemakkelijker hier uit

komen dan ik er in gekomen ben.”—“Hoor eens aan!” riep de moeder uit.

“Na al die jaren dreigt zij mij weer te verlaten op het oogenblik dat

zij pas terug is!”—“Ik zeg u, moeder, voor de tweede maal, er zijn

jaren voor mij verloopen, zoowel als voor u,” zeide Alice. “Verharder

teruggekomen? Natuurlijk ben ik verharder teruggekomen. Wat hadt gij

anders verwacht?”—“Maar verharder voor mij, hare eigene lieve moeder!”

riep de oude vrouw uit.—“Ik weet niet wie begonnen is met mij te

verharden, als mijne eigene lieve moeder het niet gedaan heeft,”

antwoordde zij, daar zittende, met hare over elkander geslagen armen,

gefronste wenkbrauwen en dichtgeknepene lippen, alsof zij met geweld

alle zachter gevoel uit hare borst wilde buiten sluiten. “Luister eens,

moeder, naar een woord of twee. Als wij elkander nu verstaan, zullen

wij misschien geene ruzie krijgen. Ik ben als een meisje heengegaan en

ben als eene vrouw teruggekomen. Toen ik heenging was ik niet heel

kinderlijk voor u, en nu ik terugkom ben ik niet beter, daar kunt gij

op zweren. Maar zijt gij wel heel moederlijk voor mij geweest? Als gij

van mijn plicht wilt spreken, hebt gij uw plicht aan mij gedaan?”—“Ik!”

riep de oude vrouw uit. “Aan mijn eigen kind! Eene moeder plichten

hebben aan hare eigene dochter!”—“Het klinkt vreemd, niet waar?”

antwoordde de dochter, haar minachtend aanziende met haar koel,

onverschillig, onbeschaamd en toch nog schoon gelaat; “maar in mijne

eenzame jaren heb ik er zoo dikwijls over gedacht dat ik er aan gewoon

ben geworden. Ik heb wel van plicht hooren praten, maar het was altijd

van mijn plicht aan anderen. Ik heb mij nu en dan verwonderd—om den

tijd om te brengen—of iemand ooit een plicht aan mij schuldig was.”

Hare moeder zat te mommelen en haar hoofd te schudden; of het

gramstorig, of berouwvol, of tot ontkenning, of alleen uit lichamelijke

zwakheid was, bleek niet.

“Er was eens een kind dat Alice Marwood heette,” zeide de dochter, met

een lach vol akeligen spot op zich zelve neerziende, “in armoede en

verwaarloozing geboren en opgevoed. Niemand leerde haar iets, niemand

schoot toe om haar te helpen, niemand zorgde voor haar.”—“Niemand!”

herhaalde de moeder, naar zich zelve wijzende en op hare borst

slaande.—“De eenige zorg die zij kende,” antwoordde de dochter, “was

dat zij geslagen en gescholden en altijd kortgehouden werd; en die zorg

had zij wel kunnen missen. Zij leefde in huizen gelijk dit, en op

straat, met een troep kleine ellendelingen gelijk zij, en toch bracht

zij uit die kindsheid een mooi gezichtje mede. Zooveel te erger voor

haar. Het was beter voor haar, dat zij om hare leelijkheid was

doodgeplaagd.”—“Ga maar voort! Ga maar voort!” riep de moeder.—“Ik ga

voort,” antwoordde de dochter. “Er was eens een meisje dat Alice

Marwood heette. Zij was mooi. Zij werd te laat onderwezen, en wat men

haar leerde was kwaad. Zij werd al te goed verzorgd, al te goed

afgericht, al te goed voortgeholpen, al te veel nagekeken. Gij hieldt

veel van haar—gij waart er toen beter aan toe. Wat dat meisje overkwam,

overkomt duizenden ieder jaar. Zij werd maar in haar verderf gestort,

en daarvoor was zij geboren.”—“Na al die jaren,” kermde de oude vrouw,

“begint mijn kind daarmee.”—“Zij zal gauw gedaan hebben,” zeide de

dochter. “Er was eene misdadigster die Alice Marwood heette—een meisje

nog, maar verlaten en verschopt. En zij werd terechtgesteld en

gevonnist. En Heere, hoe babbelden de heeren in het hof er over! En hoe

deftig sprak de rechter over haar plicht en dat zij de gaven der natuur

misbruikt had—alsof hij niet wist, beter dan iemand anders daar, dat

zij haar tot een vloek waren gemaakt! En hoe preekte hij over den

sterken arm der wet—zoo bijzonder sterk om haar te redden, toen zij een

onschuldig en hulpeloos ellendelingetje was!—en hoe plechtig en

stichtelijk was dat alles! Ik heb daarover gedacht, dikwijls

naderhand—dat heb ik!”

Zij sloeg hare armen stijf over hare borst, en lachte op een toon die

het gehuil der oude vrouw welluidend deed worden.

“Zoo werd Alice Marwood gebannen, moeder,” vervolgde zij, “en

weggezonden om haar plicht te leeren, waar twintigmaal minder plicht,

en meer goddeloosheid, onrecht en schandelijkheid was dan hier. En

Alice Marwood is als eene vrouw teruggekomen. Zulk eene vrouw als zij

na dat alles wezen moest. Door den tijd zullen wij denkelijk nog meer

plechtigheid, en nog meer mooi praten, en nog meer van den sterken arm

hebben, en dan zal er een eind met haar gemaakt worden; maar de heeren

behoeven toch niet bang te zijn dat zij geen werk meer zullen hebben.

Er zijn nog troepen kleine ellendelingen, jongens en meisjes, die in

elke straat waar zij wonen opgroeien, en hen aan het werk zullen houden

tot zij hun fortuin gemaakt hebben.”

De oude vrouw leunde met hare ellebogen op de tafel, verborg haar

gezicht in hare handen en hield zich zeer bedroefd of was het misschien

werkelijk.

“Daar, nu heb ik gedaan, moeder,” zeide de dochter, met eene beweging

van haar hoofd, alsof zij de zaak van zich afzette. “Ik heb genoeg

gezegd. Laten wij, wat wij doen, elkander niet van zorg of plicht

spreken. Uwe kindsheid was aan de mijne gelijk, zou ik denken. Zooveel

te erger voor ons beiden. Ik wil u geene verwijten doen, of mij zelve

verdedigen; waarom zou ik? Dat is alles lang voorbij. Maar ik ben nu

eene vrouw—geen meisje meer—en gij en ik behoeven geene praatjes over

onze geschiedenis te maken, zooals de heeren in het Hof. Wij weten er

alles van, goed genoeg.”

Hoe verlaagd en verbasterd zij ook was, bezat zij toch nog eene

schoonheid van gelaat en gestalte, die zelfs, wanneer hare woestheid

haar ontsierde, niet missen kon, door ieder die haar met eenige

oplettendheid aanzag, erkend te worden. Toen zij stilzweeg, en haar

gezicht, dat door hare drift ontsteld was geweest, weder effen werd,

terwijl het wilde vuur harer donkere oogen door iets dat naar

weemoedigheid geleek werd verzacht, blonk door al de ellende harer

armoede heen een straal die den glans van den gevallen engel

kenteekende.

Nadat hare moeder haar eene poos zonder spreken had gadegeslagen,

waagde zij het hare dorre hand over de tafel heen wat dichter naar haar

toe te schuiven, en toen zij zag dat zij dat toeliet, haar gezicht aan

te raken en hare haren glad te strijken. Gevoelende, naar het scheen,

dat dit bewijs van belangstelling bij de oude vrouw oprecht was, maakte

Alice geene beweging om haar te verhinderen. Aldus langzamerhand verder

gaande, bond de moeder hare dochter opnieuw het haar op, trok hare

natte schoenen uit, welke nauwelijks dien naam verdienden, hing haar

iets droogs over de schouders, en bleef toen nederig om haar heen

dwalen, bij zich zelve mompelende, terwijl zij de oude trekken en

uitdrukking meer en meer herkende.

“Gij zijt heel arm, zie ik, moeder,” zeide Alice, nadat zij eene poos

zoo gezeten had, om zich heen ziende.—“Bitter arm, lieve,” antwoordde

de oude vrouw.

Zij bewonderde hare dochter en was bang voor haar. Misschien was hare

bewondering reeds lang geleden ontstaan, toen zij voor het eerst iets

schoons in het vuile, verwaarloosde meisje begon te zien; en misschien

was hare bangheid eenigermate toe te schrijven aan de optelling van

herinneringen, die zij zoo pas gehoord had. Hoe dit zijn mocht, zij

bleef met jammerlijke onderdanigheid voor haar kind staan, en boog haar

hoofd als wilde zij bidden om haar van verdere verwijten te

verschoonen.

“Hoe hebt gij geleefd?”—“Van het bedelen, mijn liefje.”—“En van het

kapen, moeder?”—“Somtijds, Ally—kleinigheden maar. Ik ben oud en

vreesachtig. Ik heb nu en dan wel een kind eene beuzeling afgenomen,

maar niet dikwijls. Ik heb het geheele land doorgedwaald, mijn liefje,

en ik weet wat ik weet. Ik heb gespionneerd.”—“Gespionneerd?” herhaalde

hare dochter, haar aanziende.—“Ik heb eene familie in het oog gehouden,

liefje,” zeide de moeder nog nederiger dan te voren.—“Welke

familie?”—“Stil kindlief. Maak u niet boos op mij. Ik heb het voor u

gedaan. Omdat ik zooveel hield van mijne arme dochter over zee, en

altijd aan haar dacht.” Zij stak, dit zeggende, hare hand uit, als

wilde zij biddend iets afweren, en legde ze daarna op hare

lippen.—“Jaren geleden, mijn liefje,” vervolgde zij, vreesachtig naar

het oplettende, stuursche gezicht tegenover haar ziende, “kwam mij

toevallig een klein kind van hem in den weg.”—“Van wien?”—“Niet van

hem, Alice-lief. Zie mij zoo niet aan! Niet van hem. Hoe zou het van

hem kunnen wezen! Gij weet wel dat hij geen kinderen heeft.”—“Van wien

dan?” hernam de dochter. “Gij zegt van hem.”—“Zachtjes toch, Ally. Gij

maakt mij bang, liefje. Van mijnheer Dombey—van mijnheer Dombey maar.

Na dien tijd heb ik ze dikwijls gezien. En hem heb ik ook gezien.”

Bij dit laatste gezegde deinsde de oude vrouw bevend achteruit, alsof

zij vreesde dat hare dochter haar een slag zou geven. Maar hoewel Alice

haar strak aanzag, met een gezicht vol hartstochtelijke gramschap,

bleef zij nog roerloos, behalve dat zij hare armen nog vaster over hare

borst knelde, als wilde zij hen daardoor beletten om, in de blinde

woede die haar eensklaps vervulde, zich zelve of iemand anders leed te

doen.

“Weinig dacht hij wie ik was!” zeide de oude vrouw en schudde hare

vuist.—“En weinig kon het hem schelen,” prevelde hare dochter tusschen

hare tanden.—“Maar daar stonden wij,” zeide de oude vrouw, “vlak voor

elkander. Ik sprak tegen hem, en hij sprak tegen mij. Ik zat hem na te

kijken terwijl hij eene lange laan afging en bij elken stap vervloekte

ik hem met ziel en lichaam.”—“En toch zal het hem goed gaan,”

antwoordde de dochter met minachting.—“Ja, het gaat hem goed,” zeide de

moeder.

Zij zweeg; want het gezicht tegenover haar was geheel mismaakt van

woede. De geheele gedaante schokte, de borst scheen te zullen barsten

van de aandoeningen die daarin worstelden. De inspanning die ze in

bedwang en opgesloten hield was niet minder geducht dan de woede zelve,

en bewees het heftige en gevaarlijke karakter der vrouw die daartoe in

staat was. Na eene poos van stilte was zij bedaard, en vroeg: “Is hij

getrouwd?”—“Neen, liefje.”—“Gaat hij trouwen?”—“Niet dat ik weet,

liefje. Maar zijn meester en vriend is getrouwd. O, wij mogen hem wel

feliciteeren!” riep de oude vrouw, zich in hare opgetogenheid met over

elkander geslagene armen schurkende. “Wij zullen nog pleizier van dat

huwelijk hebben. Onthoud wat ik zeg!”

Hare dochter zag haar aan alsof zij opheldering verlangde.

“Maar gij zijt nat en moe, en hebt honger en dorst,” zeide de oude

vrouw, naar de kast strompelende. “En er is weinig hier, en weinig,”

daarmede tastte zij in haar zak en wierp eenige stukken kopergeld op de

tafel, “weinig hier. Hebt gij geld, liefje?”

Het scherpe, begeerige gezicht waarmede zij deze vraag deed en toekeek

terwijl hare dochter de kleine gift, die zij pas ontvangen had, uit

hare borst haalde, zeide omtrent evenveel van deze moeder en dochter

als de dochter zelve met woorden had gezegd.

“Is dat alles?” zeide de moeder.—“Ik heb niet meer. Ik zou dit niet

eens hebben, als het mij niet uit liefdadigheid gegeven was.”—“Ei, uit

liefdadigheid, liefje?” zeide de oude vrouw, zich gretig over de tafel

heenbuigende om naar het geld te zien. Zij scheen het te wantrouwen dat

hare dochter het nog in de hand hield en er naar bleef turen. “Hm! Zes

en zes is twaalf en zes is achttien—zoo—daar moeten wij het maar mee

doen. Ik zal wat gaan koopen om te eten en te drinken.”

Met grooter vlugheid dan men van iemand van haar voorkomen had kunnen

verwachten—want ouderdom en gebreken schenen haar even zwak als leelijk

te hebben gemaakt—zette zij met hare bevende handen een ouden hoed op

en sloeg een gescheurden doek om, nog even begeerig naar het geld in de

hand harer dochter kijkende.

“Welk pleizier zullen wij van dat huwelijk hebben, moeder?” vroeg

Alice. “Dat hebt ge mij nog niet gezegd.”—“Het pleizier, mijn liefje,”

antwoordde zij, haar hoed vaststrikkende, “dat er geen liefde van zal

komen, maar veel haat. Het pleizier van twist en tweedracht tusschen

hen, en van opspraak, zoo trotsch als zij zijn—en van gevaar—gevaar,

Alice!”—“Welk gevaar?”—“Ik heb gezien wat ik gezien heb, en ik weet wat

ik weet,” grinnikte de moeder. “Laat iemand maar oppassen. Mijne

dochter kan nog goed gezelschap krijgen.”

Toen ziende, dat hare dochter, in hare verwondering over deze gezegden,

onwillekeurig de hand met het geld had gesloten, werd de oude vrouw des

te gretiger daarnaar en vervolgde haastig: “Maar ik zal wat gaan

koopen; ik zal wat gaan koopen.”

Toen zij met uitgestokene hand voor hare dochter stond, zag deze nog

eens naar het geld, en bracht het aan hare lippen eer zij het overgaf.

“Wat, Ally! Zoent gij het?” giggelde de oude vrouw. “Dat is evenals ik.

Dat doe ik dikwijls. O, het is zoo goed voor ons!” daarmede drukte zij

hare eigene smerige koperstukken tegen hare dorre borst, “zoo goed in

alles, behalve dat het niet bij hoopen komt!”—“Ik kus het nu, moeder,”

zeide de dochter,—“ik weet niet dat ik het ooit meer gedaan heb—om haar

die het mij gegeven heeft.”—“Zoo, zoo!” hernam de oude vrouw, wier

flauwe oogen flikkerden toen zij het aannam. “Als het om die geefster

maar wat verder strekte! Ik zal het nu maar gaan uitgeven. Ik kom

dadelijk terug.”—“Gij schijnt veel te weten, moeder,” zeide de dochter,

haar met hare oogen naar de deur volgende. “Ge zijt al heel wijs

geworden sedert wij afscheid namen.”—“Weten!” krijschte de oude vrouw,

een paar stappen terugkomende. “Ik weet meer dan gij denkt. Ik weet

meer dan hij denkt, liefje, zooals ik u wel eens zal vertellen. Ik weet

alles van hem.”

De dochter glimlachte ongeloovig.

“Ik weet van zijn broeder, Alice,” zeide de oude vrouw met een

uitgerekten hals en eene boosaardige grijns; “die had kunnen wezen waar

gij geweest zijt—hij had geld gestolen—en die met zijne zuster daar

ginder woont, even buiten de stad, aan den weg naar het

noorden.”—“Waar?”—“Even buiten de stad, aan den weg naar het noorden,

liefje. Ik zal u het huis laten zien, als ge wilt. Het is niet veel

bijzonders, al is het zijne zoo mooi. Neen, neen,” riep de oude vrouw,

lachend haar hoofd schuddende, want hare dochter was driftig opgestaan,

“nu niet, het is al te ver; het is bij den mijlpaal waar die hoopen

steenen liggen;—morgen, liefje als het mooi weer is, en gij er lust in

hebt. Maar ik ga nu...”—“Blijf!” en de dochter hield haar tegen,

bevende van hartstochtelijke aandoening. “De zuster is eene

huichelachtige duivelin, met bruin haar en een fijn gezichtje?”

De verbaasde en verschrikte oude vrouw deed niet anders dan knikken.

“Ik zie een zweem van hem in haar gezicht! Het is een rood huis, dat op

zich zelf staat. Voor de deur is een groen afdakje.”

De oude vrouw knikte wederom.

“Daar heb ik vandaag gezeten! Geef mij het geld terug!”—“Alice!

Liefje!”—“Geef mij het geld terug, of het zal u berouwen.”

Zij wrong het zoo sprekende de oude vrouw uit de hand, schoot, zonder

naar klagen of smeeken te luisteren, hare afgelegen kleederen weder aan

en vloog de deur uit.

De moeder volgde haar strompelend zoo goed zij kon, en riep en smeekte,

zonder meer indruk op haar te maken dan op den wind, den regen en de

duisternis, die beiden omgaven. Met woeste hardnekkigheid bij haar

voornemen blijvende en voor alle andere dingen onverschillig, ontzag de

dochter noch het weder noch den afstand, en stapte, alsof zij nooit

vermoeienis had gekend, den weg op naar het huis waar zij bijstand had

gevonden. Na een kwartier lang zoo te hebben doorgestapt was de oude

vrouw geheel buiten adem en waagde het zich aan den rok harer dochter

vast te houden; maar meer waagde zij niet, en zoo gingen zij door den

regen en de duisternis verder. Indien de moeder nu en dan een

klaagwoord uitte, smoorde zij het toch, uit vrees dat hare dochter zich

zou losrukken en haar achterlaten; en de dochter was stom.

Het was omtrent een uur voor middernacht, toen zij de geregelde straten

achter zich lieten, en de nog donkerder duisternis intraden van den

onzijdigen grond waarop het huis stond. De stad lag in de verte, onder

een dof rooden gloed; de gure wind loeide over de opene ruimte; alles

in het rond was zwart, woest en eenzaam.

“Dit is eene goede plaats voor mij!” zeide de dochter stilstaande om

achterom te zien. “Dat dacht ik al toen ik vandaag hier was.”—“Alice,

mijn liefje,” riep de moeder, haar zacht bij haar rok trekkende.

“Alice!”—“Wat nu, moeder?”—“Geef het geld niet terug, lieveling; och,

doe dat niet. Wij kunnen het niet missen. Wij hebben nog eten noodig,

liefje. Geld is geld, wie het ook geeft. Zeg wat gij wilt, maar houd

het geld.”—“Ziedaar,” was al wat de dochter antwoordde. “Dat is het

huis dat ik meen. Is het dat?”

De oude vrouw knikte, en met nog eenige stappen waren zij voor de deur.

Men zag het schijnsel van licht en vuur in de kamer, waar Alice hare

kleeren had zitten drogen; en toen zij aanklopte, kwam John Carker uit

die kamer naar voren.

Hij was verwonderd op zulk een uur zulk bezoek te zien en vroeg wat men

wilde.

“Ik moet uwe zuster hebben,” zeide Alice, “die mij vandaag geld heeft

gegeven.”

Op het geluid harer schelle stem kwam Harriët naar de deur.

“Zoo, zijt ge daar!” zeide Alice. “Kent ge mij nog?”—“Ja wel,”

antwoordde Harriët verwonderd.

Het gezicht, dat zich zoo voor haar vernederd had, zag haar nu vol haat

en uitdagende gramschap aan, en de hand, die zoo zacht haar arm had

aangeraakt, was zoo boosaardig dichtgeklemd, dat Harriët dicht bij haar

broeder schoof, alsof zij bescherming zocht.

“Dat ik met u spreken kon, en u niet kennen! Dat ik zoo dicht bij u kon

komen, en niet gevoelen wat voor bloed er door uwe aderen liep, aan het

tintelen van het mijne!” zeide Alice met een dreigend gebaar.—“Wat

meent gij? Wat heb ik gedaan?”—“Gedaan?” was het antwoord. “Gij hebt

mij voor uw vuur gezet; gij hebt mij eten en geld gegeven; gij hebt mij

uw medelijden bewezen. Gij, op wier naam ik spuw!”

De oude vrouw schudde, met eene kwaadaardigheid, die hare leelijkheid

waarlijk ontzettend maakte, hare dorre vuist tegen broeder en zuster,

als om de woorden harer dochter te bevestigen, maar trok deze niettemin

bij haar rok en bad haar om het geld te houden.

“Als ik een traan op uwe hand heb laten vallen, mag die ze doen

verdorren! Als ik een zacht woord tegen u gesproken heb, mag het u doof

doen worden! Als ik u met mijne lippen heb aangeraakt, mag die

aanraking vergif voor u zijn! Vloek over dit dak, dat mij schuilplaats

gaf! Ongeluk en schande over uw hoofd! Verderf over al wat u

toebehoort!”

Met deze woorden wierp zij het geld op den grond en zette er

verachtelijk haar voet op.

“Ik trap het in het slijk; ik zou het niet willen aannemen, al kon ik

er den hemel mee koopen! Ik wilde dat de bloedende voet waarmee ik

vandaag hier gekomen ben, was afgerot eer hij mij naar uw huis bracht!”

Harriët, bleek en bevende, hield haar broeder terug en liet haar

ongehinderd voortgaan.

“Het was wat fraais dat ik door u, of iemand van uw naam, beklaagd en

vergeven moest worden, in het eerste uur dat ik terugkwam! Het was wat

fraais dat gij de goede weldadige dame bij mij moest spelen! Ik zal u

danken als ik sterf! Ik zal voor u bidden en voor geheel uw geslacht,

daar kunt gij zeker van zijn!”

Met eene woeste beweging van hare hand, alsof zij haat over den grond

sprenkelde en daarmede hen, die daar stonden, aan het verderf wijdde,

zag zij eene enkele maal naar de zwarte lucht op en stapte toen heen in

den onstuimigen nacht.

De moeder, die haar dikwijls vruchteloos bij haar rok had getrokken, en

het geld, dat op den grond lag met zulke begeerige oogen aangezien

alsof zij aan niets anders kon denken, had wel willen blijven

rondloeren, tot het huis donker was, en dan in den modder grabbelen om

het weder op te zoeken. Maar hare dochter trok haar mede, en zij gingen

recht door weder naar hare woning. De oude vrouw jammerde onder weg

over haar verlies, en bromde, zoo openlijk als zij durfde, over het

liefdelooze gedrag van hare mooie dochter, die haar op den eersten

avond harer hereeniging van haar avondeten beroofde.

Zij ging dus naar bed zonder avondeten dan eenige grove broodkorsten,

die zij, lang nadat hare liefdelooze dochter lag te slapen, bij het

overschot van haar vuur zat te mommelen.

Waren die rampzalige moeder en die rampzalige dochter slechts tot den

laagsten trap vernederde voorbeelden van zekere ondeugden, die somtijds

ook hoogerop heerschen? Doet men in deze ronde wereld, die kringen

binnen kringen bevat, slechts eene vermoeiende reis van den hoogsten

trap tot den laagsten, om eindelijk te bevinden dat beide dicht bij

elkander liggen, dat de twee uitersten elkander aanraken, en dat het

einde van onzen tocht maar ons punt van uitgang is? Was, afgezien van

het groote verschil van stof en fijnheid, het patroon van dit weefsel

ook in den beschaafden stand terug te vinden?

Zeg, Edith Dombey! En Cleopatra, beste der moeders, laten wij uwe

getuigenis hebben!

Dombey en Zoon · 第 67 / 125 题