Vestigen wij de oogen eens op twee huizen, niet naast elkander, maar
ver van elkander af, schoon beide op geringen afstand van de groote
stad en gemakkelijk uit de City te bereiken.
Het eerste staat in eene groene, boomrijke streek bij Norwood. Het is
geen deftig gebouw, en niet zeer groot; maar de geheele aanleg is zeer
smaakvol en alles is uitmuntend in orde gehouden. Het zacht afhellende
grasperk, de bloemtuin, de boomgroepen, waarin de sierlijke vormen van
esschen en treurwilgen niet ontbreken, de oranjerie, de rustieke
veranda, waar geurige slingerplanten tegen de pilaren opgroeien, het
eenvoudige huis, de welingerichte bijgebouwen, schoon allen zoo klein
als op zulk een buitentje behoort, dat den naam van hutje (cottage)
draagt; alles belooft ook van binnen zooveel smaak en gemak als voor
een paleis zouden kunnen volstaan. Deze belofte blijft niet onvervuld,
want het inwendige van het huis draagt evenveel blijken van weelde als
van fijne beschaving. Overal ontmoet het oog fraaie kleuren, op het
schoonst aan elkander gepaard, zoowel aan de meubelen, die uitmuntend
bij de fatsoenen en afmetingen der kleine vertrekken passen, als op de
wanden en de vloeren, zelfs in het licht dat gekleurd en gematigd door
de vensters en glazendeuren schijnt. Er zijn ook eenige uitgezochte
schilderijen en prenten; in fraaie kasten, hier en daar in een verloren
hoek gezet, ontbreekt het niet aan boeken; benoodigdheden voor spelen
van kunst of kans staan gereed—schaakstukken, dobbelsteenen, een
triktrakbord, kaarten en een biljart.
En toch, bij dien overvloed van weelde en gemak, heeft het algemeene
voorkomen iets dat niet deugt. Is het dat de tapijten en kussens al te
zacht zijn en het geluid te veel dooven, zoodat zij, die er over gaan
of er op rusten, dit tersluiks schijnen te doen? Is het omdat de
prenten en schilderijen geene groote daden of gedachten
vertegenwoordigen, of de poëzie der natuur in landschappen,
prachtgebouwen of hutten teruggeven, maar allen van dezelfde weelderige
soort zijn—een pronken met vormen en kleuren, anders niet? Is het omdat
de boeken al hun goud van buiten hebben, en de titels der meesten ze
reeds met de schilderijen en prenten op dezelfde lijn plaatsen? Is het
omdat de schoonheid en de volledigheid van het geheel hier en daar
belogen wordt door eene vertooning van nederigheid in een of ander
onbelangrijk en onkostbaar opzicht; eene vertooning, even valsch als
het gezicht van het maar al te goed getroffen portret dat daar hangt,
of als het origineel dat daaronder in zijn leuningstoel zit te
ontbijten? Of is het omdat dit origineel, dat hier van alles meester
is, met zijn dagelijkschen adem een gedeelte van zich zelven heeft
gewasemd, hetgeen alles om hem heen een onbestemden zweem van zijn
eigen karakter heeft gegeven?
Het is Carker de chef die daar in den leuningstoel zit. Een bonte
papegaai, in eene als goud blinkende kooi op de tafel, plukt met zijn
bek aan de traliën, en klautert ten onderste boven er langs, en schudt
geheel zijn huis en schreeuwt. Maar Carker let niet op den vogel, en
ziet met een peinzenden glimlach naar een portret aan den wand
tegenover hem.
“Zeker eene buitengemeen toevallige gelijkenis,” zegt hij.
Misschien is het eene Juno, misschien eene Potiphar’s vrouw, misschien
eene preutsche nimf—naarmate de kunstkoopers den smaak der markt
vonden, toen zij het stuk een naam gaven. Het is het afbeeldsel eener
schoone vrouw, die zich omkeert, maar haar gezicht naar den toeschouwer
gericht houdt en hem een vurigen en trotschen blik toewerpt.
Het gelijkt naar Edith.
Met eene vlugge beweging zijner hand naar de schilderij—wat! een
dreigement? Neen; en toch iets dat er naar gelijkt. Een zegevierend
wuiven? Neen; maar toch meer daarnaar gelijkend. Een beleedigend
vrijpostige groet van zijne lippen toegeworpen? Neen; maar toch ook
daarnaar gelijkende—gaat hij weder aan zijn ontbijt en roept den
ongeduldigen en gekerkerden vogel, die naar een vergulden hoepel in
zijne kooi klautert, gelijk een groote trouwring, en daarin voor zijn
vermaak gaat zitten zwaaien.
Het tweede huis staat aan den anderen kant van Londen, daar waar de
groote weg naar het noorden loopt, die voorheen zoo druk was en nu
bijna geheel verlaten is, behalve door reizigers die te voet
voortzwoegen. Het is een klein, armoedig huis, schraal gemeubileerd,
maar net en zindelijk gehouden; en er zijn zelfs pogingen gedaan om het
te versieren, gelijk uit de gemeene bloemen blijkt die tegen den muur
en in het smalle tuintje groeien. De buurt, waarin het staat, heeft
even weinig van het land als van de stad om haar aan te bevelen. Zij
behoort ook noch tot de stad noch tot het land. De eerste, gelijk de
reus met zijne reislaarzen, heeft een stap gedaan, is haar daarmede
voorbijgekomen en heeft zijn hiel van kalk en steen veel verder
vooruitgezet; maar de ruimte tusschen de voeten van den reus is nog
maar bedorven land, en heeft nog niets van de stad; en hier, tusschen
eenige hooge schoorsteenen, die nacht en dag rook uitbraken, en
tusschen steenbakkerijen, en velden waar de graszoden zijn weggestoken,
en de schuttingen omvallen en bestofte brandnetels groeien, en waar men
nog eenige overblijfselen van heggen kan zien en waar de vogelvanger
nog somtijds komt, hoewel hij telkens zweert dat hij niet weer zal
komen—is dit tweede huis te vinden.
Zij, die het bewoont, is zij die het eerste uit gehechtheid aan een
gevallen broeder verlaten heeft. Daarmede vertrok uit dat huis alles
wat het waarlijk goeds en schoons had, en uit de borst van den meester
zijn eenige engel; maar hoewel zijne genegenheid voor haar is
verdwenen, sedert die ondankbare minachting, gelijk hij het begrijpt,
en hij haar tot straf daarvoor verzaakt, kan hij het oude denkbeeld van
haar toch niet geheel vergeten. Laat haar bloemtuin, waarin hij nooit
een voet zet, maar die, onder al zijne kostbare veranderingen, toch nog
eveneens wordt onderhouden alsof zij dien pas gisteren had verlaten,
daarvan getuigen!
Harriët Carker is sedert veranderd, en op hare schoonheid ligt eene
zwaardere schaduw, dan de Tijd alleen, zoo alvermogend als hij is, kan
werpen—de schaduw van kommer en zorg, en de dagelijksche worsteling van
een armoedig leven. Maar het is toch nog schoonheid, en nog eene
zachte, stille, zedige schoonheid, die opgezocht moet worden, daar zij
niet kan pralen, en als zij dit doen kon, niet meer zijn zou wat zij
is.
Ja, die kleine, tengere gedaante, met dat geduldige gezichtje, net
gekleed in geringe stoffen, en welke men niets aanziet dan die stille
huiselijke deugden, die zoo weinig gemeen hebben met het aangenomene
denkbeeld van heldhaftigheid en grootheid, of een straal daarvan moet
door het leven van de grooten der aarde schijnen, en dan ziet men
terstond dat dit licht van den hemel komt—die kleine tengere gedaante,
leunende op dien man, nog jong, maar afgeleefd en grijs, zij is zijne
zuster, die, alleen in de geheele wereld, tot hem overtrad in zijne
schande, en hare hand in de zijne legde, en met lieftallige bedaardheid
en beradenheid hem voortleidde op zijn barren weg.
“Het is nog vroeg, John,” zeide zij. “Waarom gaat gij zoo vroeg?”—“Niet
veel vroeger dan gewoonlijk, Harriët. Als ik tijd over heb zou ik
gaarne, denk ik—het is eene gril van mij—het huis nog eens voorbijgaan
waar ik afscheid van hem heb genomen.”—“Ik wenschte dat ik hem gezien
of gekend had, John.”—“Beter zóó, lieve, om zijn lot denkende.”—“Maar
dat zou mij niet erger kunnen spijten, al had ik hem gekend. Is uw leed
niet het mijne? En als ik hem gekend had, zou ik misschien beter
gezelschap voor u zijn als gij van hem spreekt, dan ik nu wel
schijn.”—“Lieve zuster, is er iets, zoover blijdschap of droefheid
kunnen gaan, waarvan ik niet zeker ben dat gij het met mij gevoelt en
deelt?”—“Ik hoop dat gij van neen denkt, John, want er is waarlijk
niets.”—“Hoe zoudt gij beter voor mij kunnen zijn, of mij nader wezen,
dan gij hierin of in iets anders zijt?” zeide haar broeder. “Ik gevoel
dat gij hem gekend hebt, Harriët, en mijn gevoel voor hem hebt
gedeeld.”
Zij sloeg de hand, die op zijn schouder had gelegen, om zijn hals, en
zeide eenigszins aarzelend:
“Neen, niet geheel.”—“Dat is waar,” zeide hij, “gij dacht dat ik hem
geen kwaad zou hebben gedaan, al had ik mij zelven toegelaten om nader
kennis met hem te maken.”—“Dacht! Ik wist het zeker.”—“Met opzet, weet
de hemel, zou ik het niet gedaan hebben,” antwoordde hij, treurig zijn
hoofd schuddende, “maar zijn goede naam was te kostbaar om door zulk
een omgang in de waagschaal te stellen. Hetzij gij dat toegeeft of
niet, lieve—”—“Dat doe ik niet,” zeide zij kalm.—“Het is toch de
waarheid, Harriët, en mijn hart is nu lichter, als ik aan hem denk,
juist door datgene wat het toen zooveel te zwaarder maakte.” Hij dwong
zich om zijn zwaarmoedigen toon af te leggen, en zag haar glimlachend
aan toen hij zeide: “Goedendag nu!”—“Goedendag, beste John. Van avond
zal ik u op den gewonen tijd te gemoet komen. Goedendag!”
Het hartelijke gezichtje, dat zij naar hem ophief om te laten kussen,
was zijn leven, zijn alles, en toch was het een gedeelte van zijne
straf en zijn leed; want in de wolk die hij daarop zag—schoon zoo
helder als eenig stralend wolkje bij ondergaande zon—en in de
standvastige trouw van haar leven, en in de opoffering van genot, gemak
en hoop, die zij gebracht had, zag hij de bittere vruchten zijner oude
misdaad altijd versch en rijp voor zich.
Zij stond hem aan de deur na te zien, met de handen los over elkander,
terwijl hij over de ongelijke, modderige plek gronds stapte, die voor
hun huis lag. De plek was voorheen (niet lang geleden) eene groene
weide geweest, maar was nu eene wildernis, waar de beginselen van
geringe huisjes uit den grond begonnen op te schieten alsof eene
ongeregelde hand ze gezaaid had. Wanneer hij omkeek, gelijk hij een
paar malen deed, straalde haar hartelijk gezichtje als een licht in
zijn hart; maar wanneer hij voortstapte en haar niet zag, stonden er
tranen in hare oogen zoolang zij hem nakeek.
Zij bleef niet lang ledig aan de deur staan peinzen. Er waren
dagelijksche plichten te vervullen, er was dagelijksch werk te
doen—want zulke alledaagsche wezens, die niet heldhaftig zijn, werken
dikwijls zwaar met hunne handen—en Harriët was weldra druk aan hare
huiselijke bezigheden. Toen deze waren afgedaan en het armoedige huisje
net in orde was, telde zij met een bekommerd gezichtje haar geringen
voorraad van geld, en ging nadenkend uit om eenige benoodigdheden voor
hunne tafel te koopen, onderweg verzinnende hoe zij daarop iets zou
kunnen bezuinigen. Zoo gemeen is het leven van zulke lage wezens, die
niet slechts niet heldhaftig zijn voor hunne kamerdienaren en
kameniers, maar zelfs geene kamerdienaren of kameniers hebben om
heldhaftig te wezen!
Terwijl zij afwezig en er niemand in huis was, naderde er van een
anderen kant dan haar broeder was opgegaan, een heer, die misschien
reeds eenigszins over het best van zijn leven was, maar eene gezonde,
blozende kleur, eene rechte houding en een helder uitzicht had, dat
goedhartigheid en welwillendheid aanduidde. Zijne wenkbrauwen waren nog
zwart, en het meeste van zijn haar was dit ook nog; het daar tusschen
gesprenkelde grijs stond hem zelfs goed, daar het zijne zwarte
wenkbrauwen, zijn open voorhoofd en zijne heldere oogen beter deed
uitkomen.
Toen hij eens aan de deur had geklopt en geen antwoord gekregen, zette
deze heer zich op eene bank onder het afdak om te wachten. Zekere
vlugge beweging van zijne vingers, terwijl hij eenige regels neuriede
en op de bank naast hem de maat sloeg, scheen den muzikant aan te
duiden, en het buitengemeene genoegen waarmede hij iets neuriede, dat
zeer langzaam en lang was en waarin men geene wijs kon herkennen,
scheen te toonen dat hij een geleerde in de muziek was.
Deze heer neuriede nog een thema, dat al rond en rond scheen te
draaien, en zich in zich zelf in te winden, gelijk een kurketrekker,
dien men op de tafel laat tollen, zonder dichter bij iets te komen,
toen Harriët weder in de verte aankwam. Hij stond op toen zij naderde,
en bleef blootshoofds wachten.
“Gij zijt teruggekomen, mijnheer!” zeide zij haperend.—“Ik neem nog
eens die vrijheid,” antwoordde hij. “Mag ik u vijf minuten verzoeken,
als gij tijd hebt?”
Na een oogenblik aarzelens opende zij de deur en liet hem in het
voorkamertje. Hij zette zich neer, schoof zijn stoel bij de tafel tegen
haar over, en zeide, met eene stem die volkomen met zijn voorkomen
strookte, en met eene eenvoudigheid die waarlijk innemend was:
“Jufvrouw Harriët, gij kunt toch niet trotsch wezen. Gij hebt mij, toen
ik laatst hier was, gezegd dat gij dat waart. Neem mij niet kwalijk,
als ik zeg dat ik u in uw gezicht keek onder het spreken, en dat dit u
tegensprak. Nu zie ik u nog eens in het gezicht,” daarbij legde hij
even zijne hand op haar arm, “en het spreekt u meer en meer tegen.”
Zij was eenigszins verlegen en ontroerd, en had niet dadelijk een
antwoord gereed.
“Het is een spiegel van oprechtheid en zachtaardigheid,” zeide hij.
“Verschooning dat ik daarop vertrouw en nog eens terugkom.”
De manier, waarop hij dit zeide, ontdeed zijne gezegden geheel en al
van den aard van complimenten. Hij sprak zoo eenvoudig, ernstig,
ongemaakt en oprecht, dat zij haar hoofd boog, als ware het om hem te
bedanken en zijne oprechtheid te erkennen.
“Het verschil tusschen onze jaren,” zeide hij, “en de duidelijkheid van
mijn oogmerk, geven mij, tot mijn genoegen, vrijheid om mijn gevoelen
te zeggen. Dat is nu mijn gevoelen, en dus ziet ge mij nog eens
hier.”—“Er is een soort van trots, mijnheer,” antwoordde zij, na een
oogenblik stilzwijgens, “of wat men voor trots kan houden, die enkel
plicht is. Ik hoop dat ik geene andere trotschheid heb.”—“Voor u
zelve,” zeide hij.—“Voor mij zelve.”—“Maar—neem mij niet kwalijk—voor
uw broeder John?”—“Ik ben trotsch op zijne liefde,” zeide Harriët, haar
bezoeker aanziende en geheel van toon veranderende—niet dat zij minder
kalm en zacht bleef, maar zij sprak met een vurigen ernst, welke zelfs
de beving in hare stem tot een deel van hare standvastigheid maakte,
“en trotsch op hem zelven. Gij, mijnheer, die zoo zonderling de
geschiedenis van zijn leven kent, en mij die hebt laten hooren, toen
gij de vorige maal hier waart...”—“Alleen om uw vertrouwen te winnen,”
viel hij er op in. “Om ’s hemels wil, denk niet...”—“Ik ben overtuigd,”
zeide zij, “dat ge mij die met een goed en welwillend oogmerk hebt
laten hooren. Daarvan ben ik volkomen overtuigd.”—“Ik dank u,” zeide
haar bezoeker, haar haastig de hand drukkende, “ik ben u zeer
verplicht. Gij laat mij recht wedervaren, dat verzeker ik u. Gij wildet
zeggen, dat ik, die de geschiedenis van John Carker’s leven
weet....”—“Het voor trots van mij kunt houden,” vervolgde zij, “als ik
zeg dat ik trotsch op hem ben. Maar dat ben ik toch. Gij weet dat er
eens een tijd bestond, toen ik dat niet was—toen ik dat niet kon
wezen—maar die is voorbij. De nederigheid van vele jaren, de
bereidwillige boete, het oprechte berouw, de vreeselijke spijt, de
smart die ik weet dat zelfs mijne genegenheid hem veroorzaakt, die hij
denkt dat mij duur te staan komt, schoon de hemel weet dat ik gelukkig
ben, volkomen gelukkig zou zijn, als hij niet ongelukkig was!—o
mijnheer, laat ik, na hetgeen ik gezien heb, u bezweren, als gij eenig
gezag of invloed hebt en ooit verongelijkt wordt, leg nooit voor eenig
kwaad eene straf op die niet herroepen kan worden, terwijl er een God
boven ons is, die veranderingen kan bewerken in een hart dat zijn
maaksel is!”—“Uw broeder is een veranderd mensch,” antwoordde hij
medelijdend. “Ik verzeker u dat ik daaraan niet twijfel.”—“Hij was een
veranderd mensch toen hij kwaad deed,” zeide Harriët. “Hij is weder een
veranderd mensch, en hij is nu in zijn waar karakter, geloof mij,
mijnheer.”—“Maar wij,” zeide de vreemdeling, verstrooid zijn voorhoofd
wrijvende, en toen peinzend op de tafel trommelende, “leven van dag tot
dag in onzen ouden sleur voort, en kunnen die veranderingen niet
waarnemen of volgen. Zij zijn boven ons begrip. Wij—wij hebben er geen
tijd voor. Wij—wij hebben er den moed niet toe. Het wordt ons op school
niet geleerd, en wij weten niet hoe het aan te vangen. Kortom, wij zijn
zoo verduiveld koopmanachtig,” zeide hij, ging naar het venster, kwam
terug en ging weder zitten, zeer ontstemd en ontevreden. “Ik ben
zeker,” zeide hij, wederom zijn voorhoofd wrijvende en op de tafel
trommelende, “ik heb goede reden om te gelooven dat een eentonig leven,
hetzelfde van dag tot dag, iemand met alles zou kunnen verzoenen. Men
ziet niets, men hoort, men weet niets; en zoo gaat het. Wij nemen alles
zoo maar aan, en zoo gaan wij voort, tot wij al wat wij doen, goed,
kwaad en onverschillig, alleen maar uit gewoonte doen. Gewoonte is al
wat ik zal hebben in te brengen, als ik op mijn sterfbed voor mijn
geweten zal moeten pleiten. “Gewoonte,” zeg ik dan. “Ik was doof, stom,
blind en lam voor een millioen dingen, uit gewoonte.” “Heel
koopmanachtig, mijnheer,” zegt het geweten, “maar dat geldt hier
niet!””
Hij stond op en ging weder naar het venster en terug, ernstig ongerust,
hoewel hij zijne ongerustheid op zulk eene eigenaardige en zonderlinge
manier te kennen gaf.
“Jufvrouw Harriët,” zeide hij, zich weder zettende, “ik wenschte dat
gij mij u woudt laten dienst doen. Zie mij aan! ik behoor er nu oprecht
uit te zien, want ik weet dat ik het ben. Doe ik het?”—“Ja,” antwoordde
zij met een glimlach.—“Ik geloof ieder woord dat gij gezegd hebt,”
hervatte hij. “Ik ben vol zelfverwijt dat ik dit had kunnen weten en
zien, en u had kunnen kennen en zien, wanneer ik maar wilde, deze tien
jaren, en dat ik het nooit heb gedaan. Ik weet haast niet hoe ik ooit
hier gekomen ben—slaaf als ik ben, niet alleen van mijne eigene
gewoonten, maar ook van die van anderen! Maar nu ik hier gekomen ben,
laat mij nu ook iets doen. Ik vraag het met alle achting en eerbied. Ik
gevoel beide voor u in de hoogste mate. Laat mij iets doen.”—“Wij zijn
tevreden, mijnheer.”—“Neen, neen, niet geheel en al,” hernam hij. “Niet
geheel en al, denk ik. Er zijn nog wel eenige kleine gemakken en
genoegens die uw leven konden veraangenamen, en het zijne. En het
zijne,” herhaalde hij, zich verbeeldende dat hij eenigen indruk op haar
gemaakt had. “Ik ben gewoon geweest te denken dat er niets voor hem
behoefde gedaan te worden, dat alles was gelijk het wezen moest,
kortom, om er geheel niet over te denken. Ik ben nu veranderd. Laat mij
iets voor hem doen. Gij ook,” zeide hij met kiesche schroomvalligheid,
“moet om zijnentwil voor uwe gezondheid zorgen, en ik vrees dat die
begint te verzwakken.”—“Wie gij ook wezen moogt, mijnheer,” antwoordde
Harriët, hare oogen naar hem opslaande, “ik ben u innig dankbaar. Ik
ben overtuigd, dat gij met al wat gij zegt geen ander oogmerk hebt dan
welwillendheid voor ons. Maar jaren zijn verloopen sedert wij dit leven
begonnen; en mijn broeder iets te ontnemen van datgene wat hem mij zoo
dierbaar heeft gemaakt en zijn vast besluit tot verbetering heeft
bewezen—het minste van de verdienste zijner stille, vergetene boete—zou
zijn den troost te verminderen die het voor ons wezen zal, wanneer voor
ons beiden de tijd komt, waarvan gij gesproken hebt. Ik dank u beter
met deze tranen dan met woorden. Geloof dat, bid ik u.”
Hij was ontroerd, en bracht de hand, die zij hem toereikte, aan zijne
lippen, omtrent gelijk een vader de hand van eene goede dochter zou
kussen, maar met eerbied.
“Als ooit de dag mocht komen,” zeide Harriët “dat hij, maar
gedeeltelijk, hersteld wordt in de positie die hij verloren
heeft...”—“Hersteld!” riep de vreemdeling snel uit. “Hoe kan men dat
hopen? Wie heeft de macht tot zulk eene herstelling in handen? Ik
vergis mij zeker niet als ik denk dat de onwaardeerbare zegening die
hij hier heeft medegenomen, eene voorname reden is van de
haatdragendheid, die zijn broeder hem toont.”—“Gij spreekt daar van
iets dat door ons nooit wordt aangeroerd; zelfs tusschen ons niet,”
zeide Harriët.—“Ik verzoek u verschooning,” zeide hij. “Dat had ik
moeten weten. Vergeef mij dat ik het onbedacht gedaan heb. En nu, daar
ik niet meer durf dringen—en daar ik niet zeker ben of mij dat wel
vrijstaat—schoon de Hemel weet, ook dat twijfelen kan wel eene gewoonte
zijn,” zeide hij, even verdrietig als te voren zijn hoofd wrijvende,
“laat ik, schoon een vreemdeling, en toch geen vreemdeling, u om twee
gunsten mogen vragen.”—“Wat zijn die?” vroeg zij.—“De eerste, dat gij,
als gij reden mocht zien om van besluit te veranderen, mij zult
toelaten om zoo goed als uwe rechterhand te zijn. Mijn naam zal dan tot
uw dienst wezen; hij is nu nutteloos en altijd onbeduidend.”—“Onze keus
van vrienden,” antwoordde zij met een flauw glimlachje, “is zoo groot
niet, dat ik tijd voor beraad noodig heb. Dit kan ik wel beloven.”—“De
tweede, dat gij mij wilt vergunnen om somtijds, zeg elken
maandagochtend om negen uur—wederom gewoonte—ik moet altijd de
regelmatigheid van een koopman hebben,” zeide hij, met eene luimige
neiging om dit zich zelven kwalijk te nemen, “u, als ik voorbijwandel,
aan de deur of voor het venster te zien. Ik vraag niet om binnen te
komen, daar uw broeder op dat uur uit zal zijn. Ik vraag niet om u te
spreken. Ik vraag alleen om u te zien, tot mijne eigene geruststelling
dat gij wel vaart, en om u, zonder indringendheid, door mijn gezicht te
herinneren dat gij een vriend hebt—een bejaard vriend, die al grijze
haren heeft en spoedig geheel grijs zal worden—over wien gij altijd
kunt beschikken.”
Het hartelijk gezichtje zag naar het zijne op, vertrouwde en beloofde.
“Ik begrijp, gelijk te voren,” zeide de vreemdeling, opstaande, “dat
gij niet voornemens zijt om mijn bezoek aan John Carker mede te deelen,
opdat mijne bekendheid met zijne geschiedenis hem geene onaangenaamheid
zou veroorzaken. Ik ben blijde daarom, want het is buiten den gewonen
regel—al weder gewoonte!” zeide hij zich zelven ongeduldig in de rede
vallende; “alsof men niet beter kon doen dan den gewonen regel volgen!”
Daarmede keerde hij zich om, ging blootshoofds tot buiten de voordeur,
en nam afscheid van haar met zulk eene gelukkige mengeling van
ongedwongen eerbied en ongeveinsde belangstelling, als geene
kunstmatige beschaving had kunnen leeren, geen ander dan een rein en
oprecht hart had kunnen uitdrukken, en die dan ook door geen oprecht
hart kon gewantrouwd worden.
Vele half vergetene aandoeningen werden door dit bezoek in het gemoed
der zuster opgewekt. Het was zoolang geleden dat er een ander bezoek
over hun drempel was gekomen; het was zoolang geleden dat eene stem van
sympathie hare ooren eene weemoedige muziek had laten hooren; dat de
gedaante des vreemdelings nog uren lang voor haar bleef, terwijl zij
met haar naaiwerk voor het venster zat, en zijne woorden nogmaals en
nogmaals opnieuw schenen gesproken te worden. Hij had de springveder
aangeraakt, die geheel haar leven opende, en als zij hem eene korte
poos vergat, was het alleen onder de vele vormen der ééne groote
herinnering waaruit dat leven bestond.
Beurtelings peinzende en werkende; zich nu dwingende om een langen tijd
achtereen stipt aan het naaien te blijven, dan haar werk op haar schoot
latende zinken, terwijl hare gedachten dwaalden waarheen zij wilden,
bevond Harriët Carker dat de uren onopgemerkt voorbijvlogen. Later op
den dag werd de lucht, die helder geweest was, betrokken; er stak een
scherpe wind op, het begon te regenen, en een donkere mist verborg de
afgelegene stad voor het gezicht.
Dikwijls zag zij op zulk een tijd met medelijden naar de arme vermoeide
voetreizigers, die langs den grooten weg dichtbij naar Londen trokken,
en vreesachtig naar de reusachtige stad, die voor hen lag, uitkeken,
als met een voorgevoel dat hunne ellende daar slechts gelijk een
droppel water in de zee, of gelijk eene zandkorrel op het zeestrand zou
zijn, en dan huiverend voortstapten, voor het gure weder in elkander
duikende, terwijl het scheen alsof zelfs de elementen hun vijandig
waren. Dag aan dag kropen er zulke reizigers voorbij, maar altijd, naar
zij dacht, in ééne richting—altijd naar de stad. Verzwolgen in hare
onmetelijkheid, waarheen zij door de toovermacht der wanhoop schenen te
worden voortgestuwd, kwamen zij nooit terug. Voedsel voor de
hospitalen, de kerkhoven, de gevangenissen, de rivier, voor koorts,
razernij, ondeugd en dood—werden zij aangetrokken door het monster, dat
in de verte brulde, en waren verloren.
De gure wind huilde, de regen kletterde, de lucht was donker betrokken,
toen Harriët, hare oogen van haar werk opslaande, waarop zij weder
langen tijd standvastig had zitten turen, een dezer reizigers zag
aankomen.
Eene vrouw. Eene eenzame vrouw van ongeveer dertig jaren, rijzig,
welgevormd, met fraaie trekken, ellendig gekleed. De grond van velerlei
landwegen bij afwisselend weder—stof, kalk, klei en zand—kleefde aan
haar druipenden mantel. Geen hoed op het hoofd; niets om hare welige
zwarte haren voor den regen te beschermen, dan een gescheurden zakdoek,
met welks fladderende slippen en met hare eigene haren de wind haar
zoodanig verblindde, dat zij dikwijls moest stilstaan om ze weg te
strijken en uit te zien welken weg zij ging.
Zij deed dit juist weder, toen Harriët haar opmerkte. Toen hare handen,
op haar door de zon gebruind voorhoofd samengevoegd, over haar gezicht
streken, en de belemmeringen, die het half bedekten, wegveegden,
vertoonde het eene roekeloos trotsche, achtelooze schoonheid; eene
onverschrokkene, woeste onverschilligheid voor meer dan het weder; eene
minachting voor alles wat hemel of aarde op haar hoofd mocht werpen; en
dit, met hare ellende en eenzaamheid, trof het vrouwelijk hart van
Harriët. Zij dacht aan alles wat in haar binnenste, evenzeer als in
haar uiterlijk, bedorven en verbasterd moest wezen; aan de zachte
sieraden van het gemoed, verhard en verstaald gelijk die lichamelijke
bekoorlijkheden; aan de vele gaven van den Schepper, in den wind
geslingerd gelijk dat woeste haar; aan de geheele schoone ruïne, die
door den storm geteisterd werd en waarover de nacht nederdaalde.
Hieraan denkende, keerde zij zich niet met kiesche verontwaardiging
af—gelijk menigeen van hare teedere, gevoelvolle sekse maar al te
dikwijls doet—maar kreeg medelijden met haar.
Hare gevallene zuster kwam nader. Zij keek ver voor zich uit, alsof zij
met hare oogen door den nevel poogde te dringen, die de stad bedekte,
en wierp nu en dan een blik links en rechts met het twijfelachtige,
verbijsterde gezicht eener vreemde. Hoewel haar tred nog fier was, was
zij toch vermoeid, en na een oogenblik van besluiteloosheid, zette zij
zich op een hoop steenen neer, zonder eene schuilplaats voor den regen
te zoeken.
Zij was nu vlak tegenover het huis. Haar hoofd opheffende, nadat zij
het eene korte poos in hare handen had laten rusten, ontmoetten hare
oogen die van Harriët.
In een oogenblik was Harriët aan de deur. Op haar wenken stond de
andere op en kwam naar haar toe, maar met geen gezicht alsof zij haar
voor zich wilde innemen.
“Waarom gaat gij in den regen zitten rusten?” zeide Harriët
vriendelijk.—“Omdat ik geene andere plaats heb,” was het
antwoord.—“Maar er zijn hier toch plaatsen genoeg om te schuilen. Dit,”
de schuilplaats onder het afdakje bedoelende, “is beter dan waar gij
waart gaan zitten. Gij moogt hier vrij zitten uitrusten.”
De zwervelinge zag haar aan, met twijfel en verwondering, maar zonder
eenige dankbaarheid te laten blijken, zette zich neer, trok een van
hare versletene schoenen uit, om er het zand en steengruis uit te slaan
dat er in was, en liet zoo zien dat haar voet gekwetst was en bloedde.
Harriët kon dit niet zien zonder eene uitroeping van medelijden. De
zwervelinge zag met een verachtelijken en ongeloovigen glimlach naar
haar op.
“Wel, wat is een kapotte voet voor iemand als ik?” zeide zij. “En wat
is een kapotte voet van iemand als ik, voor iemand als gij?”—“Kom
binnen om hem af te wasschen,” zeide Harriët zachtzinnig, “en laat ik u
iets geven om hem te verbinden.”
De vrouw vatte haar arm, en dien voor hare eigene oogen houdende, om ze
te verbergen, barstte zij in tranen uit. Zij schreide niet gelijk eene
vrouw, maar gelijk een hardvochtig man, die zich door zulk eene
zwakheid laat verrassen; met een geweldig zwoegen van hare borst en een
worstelen om zich te bedwingen, waaruit bleek hoe ongewoon zulk eene
aandoening bij haar was.
Zij liet zich in huis brengen, en blijkbaar meer uit dankbaarheid dan
omdat zij iets om zich zelve gaf, wiesch en verbond zij de gewonde
plek. Daarop zette Harriët haar het overschot van haar eigen karig
middagmaal voor, en toen de vrouw daarvan gegeten had (maar spaarzaam),
verzocht zij haar om, eer zij haar weg voortzette (hetgeen zij terstond
wilde doen) hare kleeren voor het vuur te drogen. Wederom meer uit
dankbaarheid dan omdat zij zich eenigszins om zich zelve bekommerde,
zette zij zich voor den haard, en den doek om haar hoofd losmakende,
liet zij hare dikke natte haren tot beneden haar middel afvallen,
droogde ze met hare handpalmen af, en zat in de vlam te staren.
“Gij zult zeker wel denken,” zeide zij, eensklaps haar hoofd
opheffende, “dat ik eens mooi moet zijn geweest. Dat geloof ik ook—ik
weet het. Zie hier!”
Zij hield hare haren ruw met beide handen omhoog, ze aanvattende alsof
zij ze wilde uitrukken, en smeet ze weder naar achteren alsof het een
hoop kronkelende slangen was.
“Zijt gij hier vreemd?” zeide Harriët.—“Vreemd!” antwoordde zij,
tusschen ieder kort gezegde ophoudende, en naar het vuur kijkende. “Ja.
Tien of twaalf jaren lang vreemd. Ik heb geen almanak gehad waar ik
geweest ben. Tien of twaalf jaren. Ik ken deze streek niet meer. Zij is
veel veranderd sedert ik heenging.”—“Zijt ge ver geweest?”—“Heel ver.
Maanden aan maanden over zee, en toen nog heel ver. Ik ben geweest waar
gecondemneerden heengaan,” voegde zij er bij, hare gastvrouw strak
aanziende. “Ik ben er zelf een geweest.”—“De hemel helpe u en vergeve
u!” was het zachte antwoord.—“Ja! de hemel mag mij wel helpen en
vergeven!” antwoordde zij, met haar hoofd naar het vuur knikkende. “Als
de menschen sommigen van ons wat meer wilden helpen, zou God ons allen
misschien des te eerder vergeven.”
Zij liet zich echter verzachten door het hartelijke gezichtje, dat haar
zoo vriendelijk en vrij van alle veroordeeling aanzag, en zeide met
minder hardvochtigheid:
“Wij zullen misschien haast even oud zijn, gij en ik. Of als ik ouder
ben is het niet meer dan een jaar of twee. O, denk daar eens aan!”
Zij sloeg hare armen open als moest hare uitwendige gedaante toonen hoe
ellendig diep verzonken zij ook in het zedelijke was, liet ze toen
weder neervallen en te gelijk haar hoofd op de borst zinken.
“Er is niets dat men niet mag hopen te herstellen; het is nooit te laat
om zich te verbeteren,” zeide Harriët. “Gij zijt
boetvaardig...”—“Neen,” antwoordde zij. “Dat ben ik niet. Dat kan ik
niet zijn. Dat ben ik geheel niet. Waarom zou ik boetvaardig wezen, en
alle anderen vrijloopen. Zij praten mij van boetvaardigheid en berouw.
Wie heeft er berouw over het kwaad dat mij gedaan is!”
Zij stond op, bond den doek om haar hoofd en wilde gaan.
“Waar gaat gij naar toe?” zeide Harriët.—“Daar naar toe,” antwoordde
zij, met hare hand wijzende. “Naar Londen.”—“Hebt gij daar een thuis,
waar gij naar toe kunt gaan?”—“Ik geloof dat ik eene moeder heb. Zij is
evenveel eene moeder als hare woning een thuis is,” antwoordde zij met
een bitteren lach.—“Neem dit nog,” zeide Harriët, haar eenig geld in de
hand stoppende. “Doe uw best. Het is heel weinig, maar een dag lang kan
het u toch wel voor kwaad bewaren.”—“Zijt gij getrouwd?” zeide de vrouw
flauw, terwijl zij het geld aannam.—“Neen. Ik woon hier met mijn
broeder. Wij hebben niet veel te missen, of ik zou u meer geven.”—“Wilt
gij mij u een kus laten geven?”
Geene verachting of tegenzin op haar gezichtje lezende, boog het
voorwerp harer liefdadigheid zich over haar heen en drukte hare lippen
op hare wang. Nogmaals vatte zij haar arm en bedekte hare oogen
daarmede, en toen was zij verdwenen.
Verdwenen in de toenemende duisternis, in den loeienden wind en den
kletterenden regen; verder op haar weg naar de in nevel gehulde stad,
waar de schemerende lichten schenen; met hare zwarte haren en slordig
hoofddeksel, dat om haar roekeloos stoutmoedig gezicht fladderde.