DE HOUTEN ADELBORST IN DEN ROUW.

De brave kapitein Cuttle verzuimde, toen de weken in zijne versterkte

schuilplaats voor hem voorbijvlogen, zonder dat zijne vijandin

verscheen, geenszins zijne voorzichtige voorzorgen tegen eene

verrassing. De kapitein beredeneerde dat zijne tegenwoordige veiligheid

al te verwonderlijk was om veel langer te kunnen duren; hij wist dat,

als de wind in een gunstigen hoek stond, de windvaan daar zelden

vastgespijkerd bleef, en hij was al te wel bekend met het

onverschrokken en doorzettend karakter van jufvrouw MacStinger, om er

aan te twijfelen of deze heldhaftige vrouw had zich terstond toegewijd

aan de taak om hem op te zoeken en weder gevangen te nemen. Bevende

onder het gewicht dezer redenen, leidde kapitein Cuttle een zeer stil

en afgezonderd leven. Zelden waagde hij zich buiten de deur dan na den

donker, en dan zelfs alleen in de donkerste straten; op zondag ging hij

geheel niet uit, en zoowel binnen als buiten de muren zijner

schuilplaats vermeed hij vrouwenhoeden, alsof deze door woedende

leeuwen werden gedragen.

Het kwam den kapitein nooit in het hoofd, dat het, als jufvrouw

MacStinger hem eens op eene wandeling aangreep, hem mogelijk zou zijn

om tegenstand te bieden. Hij gevoelde wel dat dit niet aanging. Hij zag

zich zelven, in zijne verbeelding, gedwee in eene huurkoets zetten en

naar zijne oude woning terugbrengen. Hij voorzag dat hij, eens daar

gekerkerd, een verloren man was—zonder hoed, met jufvrouw MacStinger

nacht en dag op de wacht, met verwijten overladen ten aanhoore der

kleine familie, het schuldige voorwerp van wantrouwen en achterdocht,

in de oogen der kinderen een wildeman, en in die hunner moeder een

betrapte verrader.

Altijd kreeg de kapitein eene geweldige uitwaseming en eene diepe

neerslachtigheid, als dit somber tafereel voor zijne verbeelding

oprees. Doorgaans deed het dit voordat hij des avonds de deur uitsloop

om wat lucht en beweging te hebben. Bewust van het gevaar waaraan hij

zich blootstelde, nam de kapitein alsdan afscheid van Rob, met den

plechtigen ernst van een man die misschien nooit zou terugkomen; en

vermaande hem, in geval hij (de kapitein) eene poos onzichtbaar werd,

om het pad der deugd te blijven bewandelen, en de koperen instrumenten

blinkend gepoetst te houden.

Maar om niets te verzuimen en zich in geval van het ergste, een middel

te verzekeren om met de buitenwereld gemeenschap te houden, kwam

kapitein Cuttle weldra op het gelukkige denkbeeld om Rob den Slijper

een geheim teeken te leeren, waardoor hij zijne aanwezigheid en trouw,

in het uur van tegenspoed, aan zijn kommandant zou kunnen te kennen

geven. Na veel overwegens deed de kapitein de keus om hem het

zeemansliedje “Vroolijk, vroolijk!” te leeren fluiten; en toen Rob de

Slijper het daarin zoo nabij de volmaaktheid had gebracht als een

landsman kon hopen, drukte de kapitein hem deze geheimzinnige

onderrichtingen op het hart:

“Sta vast nu, mijn jongen. Als ik ooit gepakt word...”—“Gepakt,

kapitein!” viel Rob er op in, met zijne ronde oogen wijd open.—“Dat wil

zeggen,” hernam kapitein Cuttle somber, “als ik ooit heenga, met

gedachte om voor het avondeten terug te komen, en mij niet weer laat

praaien, ga dan vier en twintig uren na mijn verlies naar Brig Place en

fluit dat deuntje dicht bij mijne oude ankerplaats—niet alsof ge dat

zoo met opzet kwaamt doen, verstaat ge wel, maar alsof ge daar zoo bij

geval naartoe waart gedreven. Als ik met datzelfde deuntje antwoord,

mijn jongen, loop dan heen en kom vier en twintig uren later terug; en

als ik met een ander deuntje antwoord, houd dan af en aan, en wacht tot

ik verdere seinen geef. Hebt ge dat goed begrepen?”—“Wat moet ik af- en

aanhouden, kapitein?” vroeg Rob. “Het deuntje?”—“Dat is een knappe

jongen!” zeide de kapitein, hem barsch aanziende, “die zijn a b c nog

niet kent. Kuier een eindje voort, en kom dan weer terug, en zoo beurt

om beurt—verstaat ge dat?”—“Ja, kapitein,” zeide Rob.—“Heel goed, mijn

jongen,” zeide de kapitein, al weder vriendelijk. “Doe het dan zoo!”

Opdat hij het te beter zou doen, hield kapitein Cuttle somtijds des

avonds, als de winkel gesloten was, repetitie van het tooneel. Hij ging

tot dat einde in het achterkamertje, als het vooronderstelde huis van

jufvrouw MacStinger, en lette zorgvuldig op het gedrag van zijn

bondgenoot, door het kijkgaatje dat hij in den muur had gemaakt. Rob de

Slijper kweet zich, als hij aldus op de proef werd gesteld, met zooveel

nauwkeurigheid en schranderheid van zijne taak, dat de kapitein hem van

tijd tot tijd, ten blijke zijner tevredenheid, zeven halve schellingen

vereerde, en langzamerhand de berusting van een man begon te gevoelen,

die zich op het ergste heeft gewapend en alle redelijke voorzorgen

tegen een onverzoenlijk noodlot heeft genomen.

Evenwel tartte de kapitein het ongeluk niet door een stipje meer te

wagen dan te voren. Hoewel hij het, als vriend van de familie, een punt

van beleefdheid achtte de trouwplechtigheid bij te wonen (waarvan hij

door Perch gehoord had) en Dombey van de galerij een vroolijk en

goedkeurend gelaat te toonen, had hij zich in eene huurkoets met

opgehaalde blindjes naar de kerk begeven; en zou hij misschien, in

zijne angst voor jufvrouw MacStinger, zelfs dit niet gewaagd hebben,

indien de trouw, waarmede deze dame de vermaningen van den eerwaarden

Melchizedek bijwoonde, het niet zeer onwaarschijnlijk had gemaakt dat

men haar ooit in eenige gemeenschap met de gevestigde kerk zou vinden.

De kapitein kwam veilig weder thuis, en viel wederom in den gewonen

sleur van zijn nieuw leven, zonder meer door de gedachte aan zijne

vijandin ontrust te worden, dan bij het dagelijksch gezicht van

vrouwenhoeden op straat onvermijdelijk was. Maar andere dingen begonnen

den kapitein zwaar op het hart te wegen. Men had nog niets van Walter’s

schip gehoord. Er kwam geene tijding van den ouden Sam Gills. Florence

wist niet eens dat de oude man verdwenen was, en kapitein Cuttle had

het hart niet om het haar te zeggen. Naarmate de kapitein zijne hoop

voor den knappen, edelaardigen jonkman, dien hij, op zijne ruwe manier,

van een kind af had liefgehad, voelde verdwijnen, werd hij ook

huiveriger om een woord met Florence te wisselen. Als hij haar goed

nieuws had kunnen brengen, zou de goede kapitein het nieuw opgemaakte

huis en de prachtige meubelen hebben gebraveerd—hoewel deze, in verband

met de dame die hij in de kerk gezien had, hem zeer geducht

voorkwamen—en Florence hebben gaan opzoeken. Maar toen de gezichteinder

hunner gemeenschappelijke hoop betrok en met ieder uur donkerder werd,

was het den kapitein te moede, alsof hij maar een nieuw ongeluk voor

haar zou zijn, en was hij nauwelijks minder bevreesd voor een bezoek

van Florence, dan voor een van jufvrouw MacStinger.

Het was een kille, donkere najaarsavond, en kapitein Cuttle had vuur in

het achterkamertje laten aanleggen, dat nu meer dan ooit naar de kajuit

van een schip geleek. Het regende hard en het waaide hard; en langs het

stormachtige slaapkamertje van zijn vriend naar het plat op het dak

gaande om het weder waar te nemen, gevoelde de kapitein zich het hart

wegzinken, toen hij zag hoe woest en bar het was. Niet dat hij het

weder van dien tijd met het lot van den armen Walter in verband bracht,

of er aan twijfelde dat, indien de Voorzienigheid hem had veroordeeld

om schipbreuk te lijden en te vergaan, alles reeds lang voorbij was;

maar die uitwendige invloed, geheel onderscheiden van het onderwerp

zijner gedachten, drukte den kapitein toch nog meer ter neer en deed

zijne hoop nog dieper wegzinken, gelijk dikwijls wijzer mannen dan hem

gebeurd is en nog dikwijls gebeuren zal.

Met zijn gezicht naar den scherpen wind en den schuins voortgejaagden

regen gekeerd, zag kapitein Cuttle naar de donkere wolken op, die over

de woestijn van daken heenvlogen, en zocht vruchteloos naar iets

vervroolijkends. Het uitzicht dichtbij was niet beter. In eenige oude

theekisten en andere ruwe hokken aan zijne voeten, zaten de duiven van

Rob den Slijper zwaarmoedig te kirren. Eene wrakke windvaan, die het

fatsoen van een adelborst had en eens van de straat zichtbaar was

geweest, maar lang door hooger opgetrokken muren was omsingeld, piepte

en knarste op hare roestige spil, terwijl de rukwinden haar spelend

lieten draaien. Op het grove, blauwe vest des kapiteins lagen de

regendruppels als stalen kralen, en hij kon zich nauwelijks schuins

vooroverhellende tegen den stijven noordwester inzetten, die hem over

de borstwering heen beneden op de straatsteenen scheen te willen

smijten. Als er dien avond nog hoop leefde, dacht de kapitein, terwijl

hij zijn hoed vasthield, bleef zij zeker in huis en was dus in de vrije

lucht niet te vinden. Zwaarmoedig zijn hoofd schuddende, ging de

kapitein naar binnen, om haar te zoeken.

Langzaam naar het achterkamertje afgedaald en op zijn gewonen stoel

gezeten, zocht kapitein Cuttle naar de hoop in het vuur; maar daar was

zij niet, hoewel het helder brandde. Hij kreeg zijne tabaksdoos en

zijne pijp, ging zitten rooken, en zocht de hoop in den rooden gloed

van den kop, en de krullende rookwolkjes die zijne lippen uitbliezen;

maar geen der beiden bevatte een greintje van den roest van het anker

der hoop. Hij beproefde een glas grog; maar zwaarmoedige waarheid

school op den bodem van dien put, en hij kon het glas niet uitdrinken.

Hij ging den winkel een paar maal op en neer en zocht onder de

instrumenten; maar zij werkten, in spijt van al wat hij daartegen doen

kon, voor het vermiste schip eene rekening uit, die op den bodem der

diepe zee eindigde.

Terwijl de wind nog loeide en de regen nog tegen de luiken kletterde,

bleef de kapitein voor den houten adelborst op de toonbank staan, en

dacht, terwijl hij de uniform van het officiertje met zijne mouw

afdroogde, hoevele jaren die adelborst had beleefd zonder dat hij bijna

eenige veranderingen onder de bemanning van zijn schip had gezien—hoe

die veranderingen als het ware allen op één dag waren gekomen, en hoe

weinig er van het oude was overgebleven. Het kleine gezelschap in het

achterkamertje was opgebroken en wijd en zijd verstrooid. Er waren

geene toehoorders meer voor mooie Peggy, al was er iemand geweest om

die ballade te zingen, en dat was zoo niet; want kapitein Cuttle was

evenzeer overtuigd dat niemand behalve hij ze zingen kon, als dat hij

onder deze omstandigheden geen lust had om het te beproeven. Er was

geen helder gezicht van Walter meer in huis—hier liet de kapitein zijne

mouw voor een oogenblik van de houten uniform naar zijne eigene wang

dwalen—de pruik en de knoopen van Sam Gills waren een droombeeld uit

het verledene; Richard Whittington was doodgeslagen; alle plannen en

uitzichten, die met den adelborst in verband stonden, lagen zonder mast

of roer op de waterwoestijn te drijven.

Terwijl de kapitein, met een treurig gezicht, zoo stond te peinzen en

den adelborst op te wrijven, gedeeltelijk uit teederheid voor dien

ouden bekende, gedeeltelijk uit verstrooiing, gaf een kloppen aan de

voordeur een schok van schrik aan Rob den Slijper, die, op de toonbank

geklommen, den kapitein met groote oogen zat aan te staren, en voor de

vijfhonderdste maal bij zich zelven had overlegd, of de kapitein ook

een moord kon begaan hebben, dat hij zulk een kwaad geweten had en

telkens wegliep.

“Wat is dat?” zeide kapitein Cuttle zachtjes.—“Iemand die aan de deur

klopt, kapitein,” antwoordde Rob.

Met een verslagen en schuldbewust gezicht, sloop de kapitein op de

teenen naar het achterkamertje en sloot zich daarin op. Rob deed de

deur open, en zou op den drempel eene onderhandeling met den

vreemdeling hebben geopend, indien deze eene vrouwelijke gedaante had

gehad; maar de gedaante had een mannelijk voorkomen, en daar Rob alleen

ten aanzien van vrouwen voorzichtigheid was aanbevolen, hield hij de

deur open en liet den onbekende binnentreden, hetgeen deze ook zeer

spoedig deed, blijde om uit den regen te komen.

“Een karweitje voor Burgess en Comp. in alle gevallen,” zeide de

onbekende, met medelijden naar zijne beenen kijkende, die erg nat en

met modder bespat waren. “O—hoe vaart ge, mijnheer Gills?”

Deze begroeting was tot den kapitein gericht, die nu het achterkamertje

uitkwam met eene ellendig mislukte poging om zich te houden alsof hij

dit geheel toevallig deed.

“Wel bedankt,” vervolgde de onbekende in denzelfden adem; “ik ben ook

heel wel, zeer verplicht. Mijn naam is Toots—meneer Toots.”

De kapitein herinnerde zich dezen jongen heer bij de trouwplechtigheid

gezien te hebben, en maakte eene buiging voor hem. Toots antwoordde met

een gegrinnik; en daar hij, gelijk doorgaans, verlegen was, haalde hij

zwaar adem, schudde den kapitein een langen tijd de hand, en keerde

zich toen naar Rob den Slijper, dien hij, geene andere uitkomst meer

wetende, insgelijks op de hartelijkste manier de hand schudde.

“Zeg! ik zou gaarne eens een woordje met u spreken, mijnheer Gills, als

het u belieft,” zeide Toots eindelijk, met verwonderlijke

tegenwoordigheid van geest. “Zeg! jufvrouw D. O. M., weet ge wel!”

Even ernstig en geheimzinnig, wuifde de kapitein met zijn haak naar het

achterkamertje, waarheen Toots hem dan ook volgde.

“O, neem mij niet kwalijk,” zeide Toots, naar den kapitein opkijkende,

zoodra hij op een stoel zat, dien de kapitein voor hem bij het vuur had

geschoven. “Gij kent bij geval den Kemphaan niet al? Doet ge, mijnheer

Gills?”—“Den Kemphaan?” zeide de kapitein.—“Ja, mijn vriend den

Kemphaan.”

Daar de kapitein zijn hoofd schudde, legde Toots hem uit, dat de

bedoelde vriend een vermaard publiek persoon was, die zich zelven en

zijn vaderland met roem had bedekt in zijn kampgevecht met Nobby van

Shropshire; maar dit bericht scheen den kapitein niet veel opheldering

te geven.

“Omdat hij buiten staat, anders niet,” zeide Toots. “Maar het is van

geen beduiden; hij zal misschien niet heel nat worden.”—“Ik kan

dadelijk order geven om hem binnen te laten,” zeide de kapitein.—“Wel,

als ge zoo goed zoudt willen zijn om hem zoolang bij uw knechtje in den

winkel te laten,” grinnikte Toots, “zou het mij pleizier doen, omdat

hij, weet ge, licht iets kwalijk neemt, en de vochtigheid ook niet goed

voor zijne gewrichten is. Ik zal hem wel binnenroepen, mijnheer Gills.”

Daarmede ging Toots naar de voordeur en liet een eigenaardig gefluit

hooren, hetwelk weldra een stoïcijnsch heerschap deed verschijnen, met

eene ruige witte jas, een breedgeranden hoed, zeer kort haar, een

platgedrukten neus, en vrij groote kale plekken achter de ooren.

“Ga maar zitten, Kemphaan,” zeide Toots.

De Kemphaan deed zulks, spuwde eenig stroo uit, waarop hij zich

vergastte, en stak eenig nieuw in zijn mond, uit een voorraad dien hij

in de hand had.

“Er is geen dropje van iets of wat kort bij de hand?” zeide de Kemphaan

in het algemeen. “Zulk een regenachtige avond deugt niet veel voor

iemand die van zijne spieren moet leven.”

Kapitein Cuttle bood hem een glas rum aan, hetwelk de Kemphaan, zijn

hoofd achteroverhoudende, in zijne keel goot, alsof het in eene ton

was, nadat hij de korte spreuk had geuit: “Op onze!” Daarop keerden

Toots en de kapitein naar het achterkamertje terug; en toen zij bij het

vuur zaten, begon Toots:

“Mijnheer Gills...”—“Houdaar!” zeide de kapitein. “Mijn naam is

Cuttle.”

Toots keek zeer verslagen; terwijl de kapitein zeer ernstig vervolgde:

“Kapitein Cuttle is mijn naam, en Engeland mijne natie, en tegenwoordig

woon ik hier, gezegend zij de gratie—Job,” zeide de kapitein, als om

aan te duiden waar hij deze spreuk vandaan had gehaald.—“Zoo! Ik zou

mijnheer Gills niet kunnen zien, zou ik?” hervatte Toots.

“Omdat...”—“Als gij Sam Gills kondt zien, jonge heer,” zeide de

kapitein met nadruk, en legde zijne zware hand op Toots’ knie, “oude

Sam, verstaat ge wel—met uwe eigene oogen—zooals ge daar zit—zoudt ge

mij liever wezen dan een frissche wind van achteren voor een schip, dat

acht dagen lang windstilte heeft gehad. Maar gij kunt Sam Gills niet

zien. En waarom kunt gij dat niet?” zeide de kapitein, door het gezicht

van Toots verwittigd, dat hij een diepen indruk op des jonkmans gemoed

maakte. “Omdat hij onzichtbaar is.”

Toots wilde in zijne ontroering antwoorden dat dit van geheel geen

beduiden was; maar hij bedacht zich nog en zeide: “God zegen me!”

“Die man,” zeide de kapitein, “heeft mij hier in bewaring over zijn

goed gelaten, door eene geschrevene aanstelling, maar hoewel hij zoo

goed als mijn gezworen broeder was, weet ik evenmin waar hij naar toe

is, of waarom hij is heengegaan—of het moest wezen om zijn neef op te

zoeken, of misschien omdat hij niet recht bij zijne zinnen was—dan gij

het weet. Op een ochtend vroeg,” zeide de kapitein, “ging hij over

boord, zonder plof en zonder een rimpeltje in het water. Ik heb overal

naar dien man gezocht, maar van dat uur af nooit weder iets van hem

gehoord of gezien.”—“Maar, mijn goede hemel, jufvrouw Dombey weet

niet,” begon Toots.—“Wel, ik vraag u als een jong mensch met een

gevoelig hart,” zeide de kapitein, zijne stem latende dalen, “waarom

zou zij het weten? Waarom zou men het haar zeggen, of het moest wezen

dat het niet anders kon? Zij had zich aan den ouden Sam Gills gehecht

met eene hartelijkheid, met een—wat behoeft het gezegd te worden? Gij

kent haar toch.”—“Dat zou ik hopen,” giggelde Toots, terwijl een blos

van verlegenheid geheel zijn gezicht overspreidde.—“En komt gij van

haar af hier naar toe?” zeide de kapitein.—“Dat zou ik denken,”

giggelde Toots.—“Dan heb ik alleen maar te zeggen,” hervatte de

kapitein, “dat gij eene engelin kent en door eene engelin gestuurd

wordt.”

Toots vatte den kapitein dadelijk bij de hand en verzocht om de gunst

van zijne vriendschap.

“Op mijn woord van eer,” zeide Toots met ernst, “ik zou u zeer

verplicht wezen als gij kennis met mij woudt houden. Ik zou u heel

gaarne nader willen leeren kennen, kapitein. Ik heb waarlijk gebrek aan

een vriend. Bij Blimber was kleine Dombey mijn vriend, en dat zou hij

nog wezen, als hij was blijven leven. De Kemphaan,” zeide Toots,

neerslachtig fluisterend, “is heel wel—bewonderenswaardig op zijne

manier—misschien de slimste kerel van de wereld; er is geen streek dien

hij niet weet, zegt iedereen—maar ik weet het niet—hij is toch alles

niet. Gij vindt haar dus eene engelin, kapitein. Ja, als er ergens eene

engelin is, dan is het jufvrouw Dombey. Dat heb ik altijd gezegd. Maar

waarlijk, weet ge,” zeide Toots, “ge zoudt mij zeer verplichten als ge

kennis met mij woudt houden.”

Kapitein Cuttle ontving dit voorstel op eene beleefde manier, maar toch

zonder zich tot het aannemen daarvan te verbinden, alleen zeggende:

“Ja, ja, mijn jongen. Wij zullen zien, wij zullen zien;” en herinnerde

Toots daarop aan het oogmerk zijner zending, door te vragen waaraan hij

de eer van dit bezoek te danken had.

“Wel, om de waarheid te zeggen,” antwoordde Toots, “kom ik van het

meisje. Niet van jufvrouw Dombey—van Suze, weet ge.”

De kapitein knikte eens, met een zeer ernstig gezicht, ten teeken, dat

hij deze jonge juffer eene ware hoogachting toedroeg.

“En ik zal u zeggen hoe dat zoo komt,” vervolgde Toots. “Gij weet, ik

ga tusschenbeide wel eens bij jufvrouw Dombey aan. Ik ga daar niet met

opzet naar toe, maar ik kom toevallig heel dikwijls in de buurt, en als

ik daar kom—dan ga ik er eens aan.”—“Natuurlijk,” zeide de

kapitein.—“Ja,” zeide Toots. “Zoo kwam ik daar van middag. Op mijn

woord van eer, ik geloof niet dat het mogelijk is zich te verbeelden

welk een engel jufvrouw Dombey van middag was.”

De kapitein antwoordde, door zijn hoofd met een schok in den nek te

werpen, waardoor hij aanduidde, dat dit voor sommige menschen niet

gemakkelijk mocht wezen, maar voor hem heel gemakkelijk was.

“Toen ik weder heenging,” zeide Toots, “bracht Suze mij heel onverwacht

in de provisiekamer.”

De kapitein scheen dit niet goed te keuren, liet zich in zijn stoel

achteroverzakken en zag Toots aan, met een wantrouwig, zoo niet

dreigend gezicht.

“En daar liet zij mij deze courant zien,” zeide Toots. “Zij zeide mij,

dat zij die den geheelen dag voor jufvrouw Dombey had weggehouden om

iets dat er in stond over iemand, dien zij placht te kennen; en toen

las zij het mij voor. Ja, goed. En toen zeide zij—wacht eens even—wat

zeide zij ook weer?”

Terwijl Toots al zijne geestvermogens op deze vraag poogde te richten,

zag hij toevallig den kapitein in de oogen en ontstelde zoodanig van

hunne barsche uitdrukking, dat hij daardoor nog minder den verloren

draad zijner rede kon terugvinden.

“O,” zeide Toots, na lang bedenken. “O ja! Zij zeide te hopen dat het

nog mogelijk was, dat het niet waar zou zijn, en omdat zij niet wel

zelve kon uitgaan, zonder dat jufvrouw Dombey er zich over zou

verwonderen, of ik eens naar mijnheer Samuel Gills den instrumentmaker,

hier in de straat, wilde gaan, en vragen of hij geloofde dat het waar

was, of er in de City iets anders van had gehoord. Zij zeide, als hij

mij niet kon spreken, zou kapitein Cuttle dat zeker wel kunnen. A

propos!” zeide Toots, toen deze ontdekking hem eensklaps inviel, “dat

waart gij.”

De kapitein keek naar de courant, die Toots in de hand had, en begon

kort en snel adem te halen.

“Wel,” vervolgde Toots, “de reden dat ik wat laat kom is, dat ik eerst

heel naar Finchley ben gegaan om wat buitengemeen mooi muurkruid, dat

daar groeit, voor jufvrouw Dombey’s vogeltje te halen. Maar toen ben ik

dadelijk hier naar toe gekomen. Gij zult de courant wel gezien hebben,

denk ik?”

De kapitein, die bang was om couranten te lezen, uit vrees van eene

advertentie te vinden waarbij jufvrouw MacStinger eene premie voor hem

uitloofde, schudde zijn hoofd.

“Wil ik het u dan eens voorlezen?” vroeg Toots.

Op een toestemmend teeken van den kapitein, las Toots het volgende uit

de scheepstijdingen:

“Southampton. Het barkschip de Speculatie, kapitein Henry James, heden

in deze haven aangekomen, met eene lading suiker, koffie en rum,

bericht, dat het op den zesden dag van de Jamaica, op—dat is de

breedte, weet gij wel,” zeide Toots na eene poging om de cijfers uit te

spreken, en er over gestruikeld te zijn.

“Ja wel,” zeide de kapitein, met zijne gebalde vuist op de tafel

slaande. “Gang maar!”

“Breedte dus,” hervatte Toots, eventjes verschrikt naar den kapitein

opkijkende, “en lengte zooveel, windstilte heeft gehad, en de wacht

toen, een half uur vóór zonsondergang, eenige stukken van een wrak

heeft gezien, die op ongeveer een mijl afstands drijvende waren. Daar

het weder helder was en de bark niet vorderde, werd er eene boot

uitgezet om die voorwerpen nader op te nemen, en toen bevond men dat

zij bestonden uit eenige groote rondhouten en een gedeelte der tuigage

van eene Engelsche brik van omtrent vijfhonderd tonnen last, benevens

een gedeelte van den achtersteven, waarop de woorden en letters “Zoon

en E” nog duidelijk leesbaar waren. Geen lijk was op of tusschen de

wrakken te zien. Het journaal van de Speculatie vermeldt verder, dat in

den nacht de wind opstak, en het wrak dus niet meer gezien werd. Alle

twijfelingen aangaande het lot van het vermiste schip, de Zoon en

Erfgenaam, uit de haven van Londen naar Barbados uitgezeild, zijn

daarmede opgelost. Het is nu zeker dat het in den laatsten orkaan is

verbrijzeld, en allen die aan boord waren zijn omgekomen.”

Gelijk het allen menschen gaat, wist kapitein Cuttle weinig hoeveel

hoop er te midden van zijne hopeloosheid was blijven leven, tot hij

haar den doodsteek voelde geven. Onder het lezen van dit bericht en nog

een paar minuten later bleef hij den zedigen Toots als versteend zitten

aanstaren. Toen stond hij eensklaps op, zette den blinkenden hoed op,

dien hij ter eer van het bezoek op de tafel had gelegd, keerde zijn

gast den rug toe en liet zijn hoofd op den schoorsteenmantel zakken.

“Op mijn woord van eer,” zeide Toots, wiens teeder hart door de

onverwachte droefheid des kapiteins getroffen was, “die wereld is toch

een allerellendigst ding! Altijd sterft er iemand in, of wordt er iets

onpleizierigs gedaan. Ik zou waarlijk nooit zoo verlangd hebben om aan

mijn eigendom te komen, als ik dat geweten had. Ik heb nooit zulk eene

wereld gezien. Het is nog veel erger dan bij Blimber.”

Zonder van houding te veranderen, gaf de kapitein Toots een teeken om

zich maar niet aan hem te storen, en weldra keerde hij zich om, met den

blinkenden hoed op de ooren geduwd, en streek met zijne hand zijn bruin

gezicht effen.

“Walter, mijn lieve beste jongen,” zeide de kapitein, “vaarwel! Walter,

als kind, als jongen en als man heb ik u liefgehad. Hij was mijn

vleesch en bloed niet,” zeide de kapitein, naar het vuur kijkende,—“dat

heb ik niet—maar iets van wat een vader gevoelt als hij een zoon

verliest, gevoel ik nu ik Walter verlies. En waarom?” zeide de

kapitein. “Omdat het niet één verlies is, maar wel een dozijn

verliezen. Waar is dat aardige schoolknaapje met zijn blozend gezichtje

en krullende haren, dat hier zoo vroolijk placht te wezen als een

stukje dansmuziek? Met Walter verdronken. Waar is de frissche jongen,

die nooit moe kon worden, en die zoo rood werd als wij hem met

hartediefje plaagden, dat het een lust was om hem aan te zien? Met

Walter verdronken. Waar is die jonkman vol geest en vuur, die den ouden

man geen oogenblik neerslachtig kon zien, maar om zich zelven niet het

minste gaf? Met Walter verdronken. Het is niet één Walter. Er waren wel

een dozijn Walter’s die ik kende en liefhad, die hem allen om den hals

hielden toen hij naar beneden zonk, en die mij nu om den hals houden!”

Toots bleef stil zitten, en vouwde de courant op zijne knie zoo klein

mogelijk op.

“En Sam Gills,” zeide de kapitein, in het vuur starende, “arme oude Sam

Gills, die nu geen neef meer heeft, waar zijt gij naar toe? Hij had u

aan mij toevertrouwd; zijne laatste woorden waren: “Pas op mijn oom.”

Wat is u overkomen, Sam Gills, dat ge van Ned Cuttle zijt weggeloopen,

en wat zal ik hem van u verantwoorden? Sam Gills, Sam Gills,” zeide de

kapitein, langzaam zijn hoofd schuddende, “als gij die courant onder de

oogen krijgt, ver van huis, en met niemand, die Walter gekend heeft, om

u een woordje toe te spreken, dan zult gij er niet tegen bestand zijn!”

Een zwaren zucht slakende, keerde de kapitein zich naar Toots, alsof

hij nu eerst bedacht dat deze tegenwoordig was.

“Mijn jongen,” zeide de kapitein, “gij moet dat meisje eerlijk zeggen

dat die ongelukkige tijding maar al te waar is. Zij schrijven geene

romannetjes van zulke dingen, ziet ge. Het staat in het

scheepsjournaal, en dat is het waarste boek dat iemand kan schrijven.

Morgenochtend zal ik eens uitgaan en navraag doen; maar er zal niets

goeds van komen. Dat kan het niet. Als gij later op den dag eens bij

mij wilt komen, zult gij vernemen wat ik gehoord heb. Maar zeg het

meisje uit naam van kapitein Cuttle, dat alles voorbij is. Voorbij!”

De kapitein nam zijn blinkenden hoed af, haalde zijn zakdoek uit den

bol, wreef er wanhopig zijn grijzend hoofd mede, en smeet hem weder in

den hoed, met de onverschilligheid der diepste neerslachtigheid.

“O, ik verzeker u,” zeide Toots, “dat het mij vreeselijk spijt. Op mijn

woord, dat doet het, schoon ik den persoon niet gekend heb. Denkt gij

dat jufvrouw Dombey erg aangedaan zal zijn, kapitein Gills—ik wil

zeggen, mijnheer Cuttle?”,—“Wel, mijn hemel,” antwoordde de kapitein,

met zeker medelijden met Toots’ onnoozelheid. “Toen zij nog niet

grooter was dan zóó, waren zij al zoo teer voor elkander als twee jonge

duifjes.”—“Zoo, waarlijk,” zeide Toots, wiens gezicht aanmerkelijk

langer werd.—“Zij waren voor elkander geschapen,” zeide de kapitein

droevig. “Maar wat beduidt dat nu?”—“Op mijn woord van eer,” riep

Toots, zijne woorden tusschen eene zonderlinge mengeling van gegiggel

en halve snikken uitstootende, “er heeft mij nooit iets zoo gespeten.

Gij moet weten, kapitein Gills, ik—ik aanbid jufvrouw Dombey—ik—ik ben

geheel van mijne streek van liefde voor haar.” De heftigheid waarmede

deze bekentenis zich den ongelukkigen Toots afdwong, bewees het

ernstige van zijn gevoel. “Maar wat zou het baten dat ik haar liefhad,

als ik niet waarlijk spijt had van haar verdriet, wat er ook de reden

van mocht wezen. Mijne genegenheid is niet zelfzuchtig, moet ge weten,”

zeide Toots, wiens vertrouwen door de teerhartigheid des kapiteins,

waarvan hij getuige was geweest, werd uitgelokt. “Het is bij mij zoo

iets, kapitein Gills, dat als ik mij kon laten overrijden—of laten

vertrappen—of van eene groote hoogte afsmijten—of iets van dien

aard—ten genoegen van jufvrouw Dombey, het waarlijk het verrukkelijkste

zou zijn dat mij kon gebeuren.”

Dit alles zeide Toots met eene gesmoorde stem, opdat het de

ijverzuchtige ooren van den Kemphaan niet zou bereiken, die alle zachte

aandoeningen afkeurde; en dit bedwang, met de kracht van zijn gevoel

vereenigd, deed hem rood worden tot aan de lapjes van zijne ooren, en

maakte hem in de oogen van kapitein Cuttle tot zulk een aandoenlijk

schouwspel van onbaatzuchtige liefde, dat de goede kapitein hem

troostend op den rug klopte en vermaande om zich maar wat op te beuren.

“Dankje wel, kapitein Gills,” zeide Toots, “het is wel vriendelijk van

u, onder al uw eigen verdriet, dat ge dat zegt. Gelijk ik al vroeger

gezegd heb, ik heb waarlijk gebrek aan een vriend, en ik zou blij zijn

als gij kennis met mij woudt houden. Schoon ik er heel goed in zit,”

zeide Toots met vuur, “kunt gij u toch niet verbeelden welk een

ellendeling ik ben. De wufte menigte, weet gij, als zij mij met den

Kemphaan en andere personen van onderscheiding ziet, houdt mij voor

gelukkig, maar ik ben rampzalig. Ik martel mij zelven met jufvrouw

Dombey, kapitein Gills. Ik kan haast niet eten. Ik heb geen pleizier in

mijn kleermaker. Ik huil dikwijls als ik alleen ben. Ik verzeker u, het

zal een genoegen voor mij zijn als ik morgen en nog vijftigmaal terug

mag komen.”

Met deze woorden drukte Toots den kapitein de hand, en zijn best doende

om de sporen zijner aandoening voor den scherpen blik van den Kemphaan

te verbergen, ging hij dezen uitstekenden persoon in den winkel

opzoeken. De Kemphaan, die licht jaloersch werd, zag den kapitein met

alles behalve gunstige oogen aan, maar volgde zijn patroon zonder eenig

ander blijk van misnoegen te geven; en liet den kapitein diep ter neer

geslagen, en Rob den Slijper opgetogen van blijdschap omdat hij de eer

had gehad van een halfuur lang den overwinnaar van Nobby van Shropshire

aan te staren.

Lang na dat Rob in zijn bed onder de toonbank gerust was ingeslapen,

zat de kapitein nog in het vuur te kijken, en lang na dat er geen vuur

meer was om naar te kijken, zat de kapitein nog naar de roestige

traliën te turen, terwijl nuttelooze gedachten aan Walter en den ouden

Sam hem het hoofd verwarden. Toen hij zich naar het stormachtige

kamertje boven in huis begaf, kon hij daar ook niet rusten, en des

morgens stond hij onverkwikt en treurig op.

Zoodra de kantoren in de stad open waren, ging de kapitein uit om zich

naar dat van Dombey en Zoon te begeven. Maar de vensters van den houten

adelborst werden dien ochtend niet geopend. Op last van den kapitein

liet Rob de Slijper de luiken voor, zoodat het huis een sterfhuis

geleek.

Bij toeval ging Carker de chef juist het kantoor in, toen de kapitein

aan de deur kwam. Carker’s groet met ernstig stilzwijgen aannemende,

was de kapitein zoo vrij om met hem naar de kamer te gaan.

“Wel, kapitein Cuttle,” zeide Carker, zich in zijne gewone houding voor

den haard plaatsende en zijn hoed ophoudende, “dat is een leelijk

geval.”—“Gij hebt dus de tijding gekregen, die gisteren in de courant

stond, mijnheer?” zeide de kapitein.—“Ja,” zeide Carker, “wij hebben ze

ontvangen. Het is maar zoo. De assuradeurs lijden een aanmerkelijk

verlies. Het spijt ons zeer, maar er is niet aan te doen. Zoo gaat het

in de wereld!”

Carker sneed zijne nagels voorzichtig met een pennemes, en glimlachte

tegen den kapitein, die hem bij de deur stond aan te zien.

“Het spijt mij zeer van den armen Gay,” zeide Carker, “en van het

scheepsvolk. Ik hoor dat er sommige van onze knapste lui onder waren.

Dat gaat altijd zoo. Velen met huishoudens ook. Een troost dat Gay geen

huishouden had, kapitein Cuttle!”

De kapitein wreef zijne kin en bleef Carker staan aanzien. Carker keek

nu eens naar de ongeopende brieven op zijn lessenaar en nam de courant

op.

“Is er iets dat ik voor u doen kan, kapitein Cuttle?” vroeg hij, van de

courant opkijkende, met een glimlach en een veelbeduidenden blik naar

de deur.—“Ik wenschte dat ge mij goed kondt geruststellen, mijnheer,

over iets waar ik ongerust over ben,” antwoordde de kapitein.—“Zoo!”

zeide Carker. “Wat is dat dan? Kom aan, kapitein Cuttle, ik moet u

verzoeken om u wat te haasten. Ik heb veel te doen.”—“Ziet ge,

mijnheer,” zeide de kapitein, een stap nader komende, “eer mijn vriend

Walter op die heillooze reis uitging...”—“Kom, kom, kapitein Cuttle,”

viel de glimlachende Carker er op in, “spreek zoo niet van heillooze

reizen. Daar weten wij hier niet van. Gij moet vandaag al vroeg aan uw

rantsoen zijn begonnen, als gij niet bedenkt dat alle reizen, ter zee

of te land, hare gevaren hebben. Gij maakt u toch niet ongerust over de

gedachte dat de jonge—hoe heet hij ook weer—vergaan zou zijn in slecht

weer, dat aan dit kantoor tegen hem werd afgezonden—doet ge? Foei,

kapitein! Uitslapen en sodawater zijn de beste middelen tegen zulke

ongerustheid.”—“Mijn jongen,” antwoordde de kapitein langzaam—“ge zijt

haast nog een jongen bij mij, en dus vraag ik geen excuus dat dit woord

mij ontvalt—als gij pleizier hebt in die aardigheid, zijt ge de man

niet waar ik u voor hield. En als gij de man niet zijt waar ik u voor

hield, heb ik misschien wel reden om ongerust te zijn. De zaak is zóó

gelegen, mijnheer Carker.—Eer die arme jongen heenging, zooals hem

gelast was, zeide hij mij dat hij niet tot zijn bestwil of voor zijne

bevordering heenging, dat wist hij wel. Ik dacht toen dat hij dit

verkeerd had, en zeide hem dat; en toen kwam ik hier, daar uw patroon

er niet was, om u op eene beleefde manier een paar vragen te doen, tot

mijne eigene geruststelling. Die vragen hebt gij beantwoord—vrijwillig.

Nu zal het mij wederom geruststellen—nu alles voorbij is, en wat men

niet verhelpen kan moet men maar dragen; gij, als een geleerde, kunt

het boek wel nazien waar dat in staat, en zet er dan een streepje bij

als gij het vindt—kortom, om nog eens te hooren dat ik mijn plicht niet

heb verzuimd toen ik den ouden man niet zeide wat Walter mij gezegd

had; en dat hij waarlijk den wind in het zeil had toen hij naar

Barbados uitliep. Mijnheer Carker,” zeide de kapitein, in zijne

goedhartigheid, “toen ik laatst hier was, waren wij heel pleizierig met

elkander. Als ik van morgen niet zoo heel pleizierig ben, om reden van

dien armen jongen, en mij driftig gemaakt heb over een zeggen van u dat

ik goed had moeten opnemen, mijn naam is Edward Cuttle, en ik vraag u

excuus.”—“Kapitein Cuttle,” antwoordde Carker, met alle mogelijke

beleefdheid, “ik moet u om eene gunst verzoeken.”—“En wat is dat,

mijnheer?” vroeg de kapitein.—“Dat gij zoo goed zijt om u weg te

pakken, als het u belieft,” antwoordde Carker, zijn arm uitstekende,

“en met uwe borrelpraatjes ergens anders heen te gaan.”

Elke knobbel van des kapiteins gezicht verbleekte van verbazing en

verontwaardiging; zelfs de roode streep op zijn voorhoofd verdween,

gelijk een regenboog tusschen samengepakte wolken.

“Ik zal u eens wat zeggen, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker, zijn

vinger tegen hem schuddende en hem al zijne tanden toonende, maar nog

vriendelijk glimlachend. “Ik heb veel te veel verschooning voor u gehad

toen gij de vorige maal hier waart. Gij behoort tot een doortrapt en

onbeschaamd slag van menschen. Uit verlangen om dien jongen—hoe heet

hij ook weer—er voor te bewaren dat hij ridderlijk hier vandaan

geschopt werd, mijn goede kapitein, heb ik geduld met u gehad, doch

maar voor eens en niet meer. Ga nu heen, mijn vriend!”

De kapitein stond aan den grond vastgeworteld en sprakeloos.

“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en

zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man,

en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen

hebben. Als mijnheer Dombey hier was, kapitein, zoudt ge misschien op

eene schandelijker manier hier vandaan komen. Ik zeg maar, ga heen.”

De kapitein legde zijne zware hand op zijne borst om zich zelven te

helpen om diep adem te halen, nam Carker van het hoofd tot de voeten op

en keek toen in het kamertje rond, alsof hij niet duidelijk begreep

waar hij was of in welk gezelschap.

“Gij zijt slim, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker met de luchtige

rondborstigheid van een man naar de wereld, die de wereld te wel kende

om zich uit zijn humeur te laten brengen door de ontdekking van een

wanbedrijf dat hem niet onmiddellijk aanging; “maar gij zijt toch niet

geheel ondoorgrondelijk—en uw afwezige vriend ook niet, kapitein. Wat

hebt ge met uw afwezigen vriend gedaan, zeg?”

Wederom legde de kapitein de hand op de borst. Na nog eens diep adem te

hebben gehaald, bezwoer hij zich zelven met een “sta vast!” maar

fluisterend.

“Gij smeedt aardige komplotjes, en maakt aardige afspraakjes, en krijgt

ook aardige visites, niet waar, kapitein?” zeide Carker, zijne

wenkbrauwen samentrekkende, zonder daarom minder zijne tanden te

toonen; “maar het is wat al te stout om naderhand nog hier te komen.

Dat gelijkt niet naar uwe gewone voorzichtigheid. Gij komplottenmakers,

wegschuilers en wegloopers, moest beter weten. Wilt ge nu zoo goed zijn

om heen te gaan?”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein met eene gesmoorde

en bevende stem, en eene zonderlinge beweging in zijne zware vuist, “er

zijn vele woorden, die ik u zou willen zeggen, maar ik weet ze op het

oogenblik niet recht te vinden. Mijn jonge vriend, Walter, is pas

gisteravond verdronken, volgens mijne rekening, en dat brengt mij van

mijne streek, ziet ge. Maar gij en ik zullen elkander wel eens weder

voor den boeg komen, mijn jongen,” zeide de kapitein, zijn haak

ophoudende, “als wij het beleven.”—“Het zal alles behalve slim van u

zijn, mijn goede man, als wij dat doen,” antwoordde Carker, met

dezelfde rondborstigheid, “want gij kunt er op aan, ik waarschuw u

vooruit, dat ik u zal ontmaskeren en ten toon stellen. Ik wil niet

zeggen dat ik beter ben dan anderen, mijn goede kapitein, maar ik zal

het vertrouwen van dit kantoor, of een lid van dit kantoor, toch niet

laten misbruiken en ondermijnen, zoolang ik ooren en oogen heb.

Goedendag!” zeide Carker knikkende.

Hem strak aanziende (Carker zag hem even strak aan) ging de kapitein de

kamer uit, en liet hem wijdbeens voor het vuur staan, zoo kalm en zoo

genoeglijk, alsof er niet meer vlekken op zijne ziel waren dan op zijn

sneeuwwit linnen of zijne gladde huid.

Toen de kapitein het groote kantoor doorkwam, keek hij even naar den

lessenaar, waaraan hij wist dat de arme Walter placht te zitten, en

waaraan nu een andere jonge knaap zat, met een gezicht bijna even

frisch als het zijne, toen zij in het achterkamertje die kostbare

flesch ouden madera (de laatste op een na) met elkander ledigden. De

aldus opgewekte herinneringen deden den kapitein veel goed; op het

toppunt zijner gramschap verteederden zij hem en deden hem de tranen in

de oogen komen.

Wederom bij den houten adelborst in een hoekje van den donkeren winkel

gezeten, kon des kapiteins verontwaardiging, hoe sterk zij ook was, het

niet tegen zijne droefheid uithouden. Zijne hartstochtelijkheid scheen

niet alleen de nagedachtenis van den doode te beleedigen, maar ook bij

de gedachte daaraan van zelf weg te kwijnen. Al de levende schelmen en

logenaars van de wereld waren niets bij de oprechtheid en trouw van den

eenen dooden vriend.

Het eenige dat de brave kapitein in dezen gemoedstoestand duidelijk kon

zien, behalve het verlies van Walter, was, dat met hem bijna de geheele

wereld van kapitein Cuttle verdronken was. Als hij het zich somtijds

scherp verweet dat hij tot Walter’s onschuldig bedrog had medegeholpen,

dacht hij ten minste even dikwijls aan den vorigen mijnheer Carker,

dien geene zee ooit kon teruggeven; en den mijnheer Dombey, die hij nu

begon te begrijpen, dat ver boven alle menschelijk bereik was; en het

harteliefje waarmede hij nooit weder een woord zou spreken; en de mooie

Peggy, die heerlijke ballade, nu eene reeks van rijmen zonder kracht of

beteekenis. De kapitein zat in den donkeren winkel aan deze dingen te

denken, zoodat hij de beleediging, die hij zelf ondergaan had, geheel

vergat, en keek met zulke droevige oogen naar den grond, alsof hij de

wrakken van al het verlorene daar werkelijk voorbij zag drijven.

Maar de kapitein vergat toch niet om de nagedachtenis van den armen

Walter zooveel eer te bewijzen als in zijn vermogen was. Zich zelven

wakker schuddende, en ook Rob den Slijper wakker schuddende, (die in de

onnatuurlijke schemering gerust zat te slapen) ging de kapitein, met

dezen trawant op de hielen en den huissleutel in zijn zak, uit, en

begaf zich naar een van die geriefelijke oude kleerenwinkels, waarvan

men in het oosten van Londen keus genoeg heeft. Daar kocht hij twee

rouwpakken—een voor Rob den Slijper, dat veel te klein, en een voor

zich zelven dat veel te groot was. Hij voorzag Rob insgelijks van een

hoed, die met geen bekend fatsoen was te vergelijken, maar het meest

van een zuidwester had, en dus in een winkel van instrumenten eene

gelukkige nieuwigheid was. In deze gewaden gedost, welke de verkooper

verklaarde zoo wonderbaar te passen, dat dit alleen door een zeldzamen

samenloop van gelukkige omstandigheden mogelijk was, stapten de

kapitein en de Slijper weder naar huis, een schouwspel aanbiedende, dat

ieder, die het zag, moest verbazen.

In deze veranderde gedaante ontving de kapitein het volgende bezoek van

Toots. “Ik ben op dit oogenblik wat van mijne streek, mijn jongen,”

zeide de kapitein, “en zal maar alleen die slechte tijding bevestigen.

Zeg dat meisje dat zij ze de jonge juffer voorzichtig moet zeggen, en

dat zij ook geen van beiden meer om mij moeten denken—in het bijzonder,

meen ik, begrijpt gij wel—schoon ik wel om ze denken zal, als des

nachts de winden razen en de zeeën bergen hoog rollen—zie doctor Watts

daar maar eens voor na, broeder, en als gij het vindt, zet er dan een

streepje bij.”

De kapitein stelde het tot gelegener tijd uit om Toots’ aanbod van

vriendschap in overweging te nemen, en liet hem zoo gaan. De kapitein

was zelf zoo neerslachtig, dat hij dien dag half en half besloot om

geene voorzorgen tegen eene verrassing van jufvrouw MacStinger meer te

nemen, maar zich roekeloos aan het toeval over te geven en

onverschillig te zijn voor wat er gebeuren mocht. Toen het echter avond

werd, kwam hij in eene betere stemming, en sprak veel van Walter tot

Rob den Slijper, wien hij insgelijks prees voor zijne oplettendheid en

trouw. Rob bloosde hierover niet, maar zat den kapitein aan te staren

en hield zich alsof hij van aandoening griende, maar onthield (die

jonge spion) met veelbelovende valschheid ieder woord dat hij sprak.

Toen Rob naar bed en in slaap was, snoot de kapitein de kaars, zette

zijn bril op—hij had het, toen hij den instrumentenwinkel aanvaardde,

voegzaam geacht zich een bril aan te schaffen, hoewel hij oogen had als

een valk—en opende het gebedenboek bij het begrafenisformulier. Dit in

het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende

om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk

eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte.

Dombey en Zoon · 第 63 / 125 题