De schemering, met haar bleek en effen gezicht, sluipt huiverend naar
de kerk waaronder het stof van kleinen Paul en zijne moeder ligt, en
kijkt door de vensters naar binnen. Het is donker en koud. De nacht
hurkt nog op den vloer en zit somber in de hoeken van het gebouw te
peinzen. De klokkentoren, die hoog boven de huizen uitsteekt, is reeds
van verre zichtbaar in het grauwe licht, gelijk een steenen baken in
den stroom des tijds; maar binnen de deuren kan de schemering in het
eerst slechts naar den nacht turen en zien dat die er nog is.
Om de kerk heen zwevende en naar binnen kijkende, zucht en schreit de
schemering over hare korte heerschappij; hare tranen biggelen langs de
vensterruiten, en de boomen op het kerkhof buigen hunne hoofden en
wringen medelijdend hunne talrijke handen. De nacht verbleekt en ruimt
langzamerhand de kerk, maar toeft nog in den grafkelder daaronder en
zet zich tusschen de doodkisten. En nu komt de heldere dag, die de
torenspits verguldt, de tranen der schemering droogt en hare klachten
smoort; en de verschrikte schemering volgt den nacht, verjaagt dezen
uit zijne laatste schuilplaats, kruipt zelve in de grafkelders en
verbergt zich angstig tusschen de dooden, tot de nacht met nieuwe
krachten terugkomt om haar weder te verdrijven.
De muizen, die drukker met de gebedenboeken bezig zijn geweest dan de
eigenaars daarvan, en ook met de knielkussens, die meer van hunne
tandjes te lijden hebben dan van menschelijke knieën, verbergen nu
hunne schitterende oogjes in hunne holen en dringen zich dicht op
elkander van schrik over het galmende slaan der kerkdeur. Want de
kerkeknecht, die man van gezag, komt dezen morgen vroeg met den
doodgraver; en jufvrouw Miff, het aamborstige plaatsbewaarstertje—een
allerdroogst oud jufvrouwtje, spaarzaam gekleed, zoodat zij nergens een
duim overtollige ruimte om zich heeft—is er ook, en heeft, gelijk hare
plaats voegt, een half uur lang bij de kerkdeur naar den kerkeknecht
gewacht.
Een zuur gezicht heeft jufvrouw Miff en een zeer stemmig hoedje, en ook
eene dorstige ziel naar heele en halve schellingen. Dat zij gedurig
vreemdelingen, die blijven staan, naar de banken moet wenken, heeft
haar voorkomen iets geheimzinnigs gegeven; en in hare oogen heeft zij
nog iets achterhoudends, alsof zij altijd wel eene zachtere bank wist,
maar twijfelde aan het fooitje. Een mijnheer Miff bestaat er niet, en
heeft er in geen twintig jaren bestaan; en jufvrouw Miff spreekt niet
gaarne van hem. Hij had, naar het schijnt, kettersche gevoelens over
vrije banken; en hoewel jufvrouw Miff hoopt dat hij in den hemel is,
zou zij dat niet stellig durven zeggen.
Jufvrouw Miff heeft het dien ochtend druk aan de kerkdeur met het
uitkloppen en afstoffen van altaarkleed, tapijt en kussens; en veel
heeft zij te zeggen over de trouw die zij zullen hebben. Jufvrouw Miff
heeft gehoord dat de nieuwe meubelen en het verbouwen van het huis vijf
duizend pond hebben gekost, zoo goed als een stuiver; en dan heeft zij
nog uit de beste bron gehoord, dat de dame geen schelling in de wereld
rijk is. Jufvrouw Miff herinnert zich insgelijks, zoo goed alsof het
pas gisteren gebeurd was, de begrafenis der eerste vrouw, en dan het
doopen, en dan de andere begrafenis, en zij zegt, apropos, zij zal dien
zwarten steen eens met zeepsop afdoen tegen dat het gezelschap komt.
Sownds, de kerkeknecht, die al dien tijd in het portaal in de zon zit
(en zelden iets anders doet, behalve dat hij, als het koud is, bij het
vuur gaat zitten) keurt alles goed wat jufvrouw Miff zegt, en vraagt
haar of zij ook gehoord heeft dat de dame bijzonder mooi is. Sownds, de
kerkeknecht, die, hoewel zeer rechtzinnig en zwaarlijvig, een
bewonderaar van vrouwelijke schoonheid is, merkt met zalving aan, ja,
hij heeft gehoord dat zij eene Venus is—eene uitdrukking die jufvrouw
Miff wel wat aanstootelijk zou vinden, als iemand anders dan Sownds, de
kerkeknecht, ze gebruikte.
In Dombey’s huis heerscht ondertusschen eene groote beweging, vooral
onder de vrouwelijke dienstboden; geene daarvan heeft na vieren een
oogenblik meer geslapen, en allen waren vóór zessen gekleed. Towlinson
is voor de werkmeid een voorwerp van grooter oplettendheid dan
gewoonlijk, en de keukenmeid zegt onder het ontbijt dat ééne bruiloft
er meer geeft, hetgeen de werkmeid niet gelooven kan en voor geheel
niet waar houdt. Towlinson verzwijgt zijn gevoelen op dit punt, daar
hij eenigszins somber is door de komst van een Franschman met
bakkebaarden (Towlinson zelf heeft geen bakkebaard), die gehuurd is om
het gelukkige paar naar Parijs te vergezellen en bezig is met de nieuwe
reiskoets te pakken. Towlinson zegt weldra, niet te weten dat er ooit
iets goeds van Franschen kan komen; en als de dames hem verwijten
bevooroordeeld te zijn, zegt hij: “denkt maar om Bonaparte, die aan het
hoofd van al de Franschen stond, en zie waar hij altijd op uit was.” De
werkmeid vindt dat dit wel waar is.
De pasteibakker is druk aan het werk in de paradebed-zaal in
Brook-Street, en de lange knechts hebben het druk met toekijken. Een
van de lange knechts ruikt al naar Sherry, en zijne oogen beginnen
strak in zijn hoofd te staan en naar iets te staren zonder het te zien.
Hij is zich zelven wel van dit zwak bewust, en onderricht zijn kameraad
dat het van het “anderatie” komt. Het wilde “alteratie” zeggen, maar
zijne spraak is eenigszins belemmerd.
De straatmuzikanten hebben de lucht van het feest gekregen en openen
eene onderhandeling met Towlinson om zich te laten afkoopen. De
belangstelling en opgewondenheid strekken zich tot op verren afstand
uit. Perch brengt zijne vrouw van Balls Pond om den dag met de
dienstboden van mijnheer Dombey te slijten en heimelijk met hen mede te
gaan om het trouwen te zien. Toots is zich op zijne kamer aan het
kleeden alsof hij ten minste de bruidegom was, met voornemen om het
schouwspel in volle pracht van een verborgen hoekje der galerij aan te
zien en den Kemphaan daarheen mede te nemen, want Toots koestert het
wanhopig voornemen om Florence dan en daar aan den Kemphaan te wijzen
en te zeggen: “Nu, Kemphaan, wil ik u niet langer bedriegen. De vriend,
van wien ik u somtijds gesproken heb, ben ik zelf; jufvrouw Dombey is
het voorwerp mijner genegenheid; wat is in dezen staat van zaken uwe
meening, Kemphaan, en wat raadt ge mij aan?” De Kemphaan, wien deze
verrassing wacht, doopt intusschen, in Toots’ keuken, zijn snavel in
eene kan van het zwaarste bier en pikt een paar pond beefsteak op. In
Princess’s Place is jufvrouw Tox zich aan het reppen; want, hoewel diep
bedroefd, is zij voornemens om jufvrouw Miff een schelling in de hand
te stoppen, en de plechtigheid, die eene wreede aantrekkingskracht voor
haar heeft, uit een eenzaam hoekje aan te zien. In het kwartier van den
houten adelborst is het ook levendig; want kapitein Cuttle zit met
zijne halve laarzen en vervaarlijke boordjes te ontbijten en luistert
naar Rob den Slijper, die hem het trouwformulier voorleest, opdat de
kapitein de plechtigheid, waarvan hij getuige zal zijn, volkomen zou
begrijpen. Tot dat einde geeft de kapitein zijn kapelaan nu en dan
deftig last om het een of ander nog eens te herhalen, of ook om bij
zijne eigene dingen te blijven en de “amens” voor hem (den kapitein)
over te laten, welke hij dan ook, telkens wanneer Rob even ophoudt, met
galmende zelfvoldoening uitspreekt.
Bovendien hebben, alleen in de straat waar Dombey woont, twintig
kindermeiden aan twintig troepjes van jeugdige dametjes, welker
natuurlijke belangstelling in huwelijksfeesten van hare wieg af
dagteekent, beloofd dat zij het trouwen zullen gaan zien. Wel heeft
Sownds, de kerkeknecht, reden om zich voor een gewichtig persoon te
houden, terwijl hij in het portaal in de zon zit. Wel heeft jufvrouw
Miff reden om een ongelukkig dwergachtig kind, met een reusachtig
bakerkindje op den arm, dat stil komt binnenkijken, met
verontwaardiging weg te jagen.
Neef Feenix is opzettelijk van buitenslands overgekomen om de
plechtigheid bij te wonen. Neef Feenix was veertig jaren geleden een
modeheertje; maar hij is nog zoo jeugdig van uitzicht en manieren, en
houdt zich zoo goed, dat vreemdelingen zich verwonderen als zij de
verborgene rimpels in zijn gezicht ontdekken, en opmerken dat zijn
Lordschap, als hij eene kamer doorgaat, niet geheel zeker is dat zijne
voeten hem rechtstreeks daar zullen brengen waar hij wezen wil. Maar
neef Feenix, die tegen half acht opstaat, is een geheel ander wezen dan
neef Feenix, als hij op en aangekleed is; en heel flauw ziet hij er
uit, terwijl hij zich in Long’s Hotel, in Bond-Street, laat scheren.
Dombey komt zijne kleedkamer uit, terwijl, met een groot geritsel van
rokken, de vrouwen op de trap naar alle kanten heenstuiven, behalve
jufvrouw Perch, die, daar zij (gelijk altijd) in gezegende
omstandigheden verkeert, niet zoo vlug is, en dus genoodzaakt om hem
onder de oogen te komen, bijna van verlegenheid neerzinkt terwijl zij
voor hem nijgt—moge de hemel alle kwade gevolgen voor het huis van
Perch afwenden! Dombey stapt naar het salon, om daar zijn tijd af te
wachten. Prachtig zijn Dombey’s nieuwe blauwe rok, leverkleurige broek,
en lila vest; en een gefluister loopt door het huis, dat hij zijne
haren heeft laten krullen.
Een dubbele klop kondigt de aankomst des majoors aan, die ook prachtig
is, eene geranium in zijn knoopsgat draagt, en zijne haren ter dege
heeft laten krullen, gelijk de inboorling maar al te wel weet.
“Dombey!” zegt de majoor, beide handen uitstekende. “Hoe maakt gij
het?”—“Majoor,” zegt Dombey; “hoe maakt gij het?”—“Waarachtig,
mijnheer,” zegt de majoor, “Joey B. is van morgen in zulk een staat,”
daarbij geeft hij zich een harden slag op de borst—“in zulk een staat,
mijnheer, dat hij, verduiveld, Dombey, half en half lust heeft om er
eene dubbele trouw van te maken en de moeder te nemen.”
Dombey glimlacht, maar flauw, zelfs voor hem; want hij gevoelt dat hij
nu met de moeder in verwantschap zal komen, en dat er, onder zulke
omstandigheden, niet met haar geschertst behoort te worden.
“Dombey,” zegt de majoor, dit ziende, “ik wensch u geluk, ik feliciteer
u, Dombey. Waarachtig, mijnheer,” zegt de majoor, “gij zijt vandaag
meer te benijden dan iemand in Engeland.”
Hier geeft Dombey wederom eene niet geheel volmondige toestemming; want
hij zal zekere dame eene groote onderscheiding bewijzen, en zonder
twijfel is zij het meest te benijden.
“Wat Edith Granger betreft, mijnheer,” vervolgt de majoor, “er is geene
vrouw in geheel Europa of zij mocht—en zou ook, mijnheer, als Bagstock
er dat mag bijvoegen—en zou ook, hare ooren wel willen geven, en hare
oorringen er bij, om in Edith Granger’s plaats te zijn.”—“Ge zijt wel
goed om zoo te zeggen, majoor,” zegt Dombey.—“Dombey,” antwoordt de
majoor, “dat weet gij zelf wel. Laten wij geene valsche kieschheid
hebben. Gij weet het zelf wel. Weet gij het, of weet gij het niet,
Dombey?” zegt de majoor bijna driftig.—“O, inderdaad,
majoor...”—“Verduiveld, mijnheer,” roept de majoor uit, “weet gij het,
of weet gij het niet? Dombey, is de oude Joey uw vriend? Staan wij op
dien voet van onbeperkt vertrouwen, Dombey, die iemand—een oude plompe
J. B., mijnheer—het recht kan geven om ronduit te spreken; of moet ik
mijn afstand houden, Dombey, en complimenten maken?”—“Mijn beste majoor
Bagstock,” zegt Dombey gestreeld, “gij wordt waarlijk warm.”—“Ik ben
warm, mijnheer,” zegt de majoor. “Jozef B. ontkent het niet, Dombey.
Hij is warm. Dit is eene gelegenheid, mijnheer, die al het gevoel in
werking brengt dat nog in een ouden, afgebeulden, versleten knapzak is
overgebleven. Ik zal u eens wat zeggen, Dombey—op zulk een tijd moet
iemand uitflappen wat hij gevoelt, of zich een muilband aandoen; en
Jozef Bagstock zegt in uw gezicht, Dombey, gelijk hij in zijne club
achter uw rug zegt, dat hij zich nooit zal laten muilbanden als er van
Paul Dombey moet gesproken worden. En nu, verduiveld, mijnheer,” zegt
de majoor, met groote vastheid, “wat kunt ge daarvan maken?”—“Majoor,”
zegt Dombey, “ik verzeker u dat ik u waarlijk verplicht ben. Ik had het
niet in mijne gedachten om uwe al te partijdige vriendschap het zwijgen
te willen opleggen.”—“Niet al te partijdig, mijnheer,” roept de
driftige majoor uit. “Dat ontken ik, Dombey!”—“Uwe vriendschap, wil ik
dan zeggen,” hervat Dombey. “En ook kan ik bij zulk eene gelegenheid
als deze niet vergeten, majoor, hoeveel ik daaraan verschuldigd
ben.”—“Dombey,” zegt de majoor, met een daarbij passend gebaar, “dit is
de hand van Jozef Bagstock: van den ouden Joey B., mijnheer, als gij
dat liever hebt. Dit is de hand, waarvan Zijne Koninklijke Hoogheid
wijlen de Hertog van York mij de eer bewees, mijnheer, om tegen Zijne
Koninklijke Hoogheid wijlen den Hertog van Kent aan te merken, dat het
de hand van Josh was: een ruwe en taaie, misschien wel wat losse, oude
vagebond. Dombey, moge het tegenwoordig oogenblik het minst ongelukkige
van ons leven zijn. God zegen u!”
Nu treedt Carker binnen, insgelijks prachtig, en glimlachend als een
echte bruiloftsgast. Hij kan Dombey’s hand bijna niet loslaten, zoo vol
felicitatiën is hij; en hij schudt den majoor te gelijker tijd zoo
hartelijk de hand, dat zijne stem, die tusschen zijne tanden doorglipt,
eveneens beeft als zijne beide armen doen.
“Zelfs de dag is gunstig,” zegt Carker. “Het helderste, heerlijkste
weer! Ik hoop dat ik geen oogenblik te laat kom?”—“Precies op uw tijd,
mijnheer,” zegt de majoor.—“Dat verheugt mij waarlijk,” zegt Carker.
“Ik was bang dat ik eenige seconden na den bepaalden tijd kwam, want ik
ben zoo vrij geweest om naar Brook-Street om te rijden”—dit tot
Dombey—“om eenige zeldzaamheden van bloemen voor mevrouw Dombey te
laten. Iemand in mijne positie, en zoodanig onderscheiden dat hij hier
geïnviteerd wordt, is er trotsch op dat hij als erkentenis zijner
betrekking als vassaal eene kleine hulde mag aanbieden; en daar ik niet
twijfel of mevrouw Dombey is reeds overstelpt met al wat kostbaar en
prachtig is,” met een vreemden blik naar zijn patroon, “hoop ik dat
juist het armelijke mijner offerande ze gunst zal doen vinden.”—“De
aanstaande mevrouw Dombey,” zegt Dombey genadig, “zal zeer gevoelig
zijn voor uwe oplettendheid, Carker, ben ik overtuigd.”—“En als zij van
morgen mevrouw Dombey zal worden, mijnheer,” zegt de majoor, zijn
koffiekopje neerzettende en op zijn horloge ziende, “is het hoog tijd
dat wij gaan.”
Dombey, majoor Bagstock en Carker rijden in eene barouche naar de kerk.
Sownds, de kerkeknecht, is reeds lang van zijne rustplaats opgestaan en
staat met zijn steek in de hand te wachten. Jufvrouw Miff nijgt en wil
de heeren in de kerkekamer laten. Dombey wil liever in de kerk blijven
wachten. Als hij naar het orgel opziet, kruipt jufvrouw Tox op de
galerij achter het dikke been van een cherub weg. Kapitein Cuttle
integendeel staat op en wuift met zijn haak, ten blijke van welkomst en
aanmoediging. Toots onderricht den Kemphaan, achter zijne hand, dat de
middelste heer, die met de leverkleurige broek, de vader zijner beminde
is. De Kemphaan antwoordt met een schor gefluister, dat hij zulk een
stijve kerel is als hij ooit heeft gezien, maar dat de wetenschap toch
een middel aan de hand geeft om hem, met één stoot tegen zijn vest,
dubbel te doen toeslaan.
Sownds en jufvrouw Miff staan Dombey op eenigen afstand aan te gluren,
wanneer men het gerucht van naderende wielen hoort en Sownds naar
buiten gaat. Jufvrouw Miff, Dombey’s blik ontmoetende, terwijl het van
den verwaanden zot daarboven, die hem met zooveel beleefdheid groet,
wordt afgewend, nijgt en onderricht hem dat zij gelooft dat zijne bruid
gekomen is. Dan komt er een gedrang en gefluister bij de deur, en de
bruid treedt met eene trotsche houding binnen.
Haar gelaat vertoont geen blijk van het lijden in den vorigen nacht;
geen spoor is in hare houding te zien van de vrouw op gebogene knieën,
die het woeste hoofd, met schoone achteloosheid, op de peluw van het
slapende meisje liet rusten. Dat meisje, geheel zachtheid en
bevalligheid, is naast haar—een treffend contrast met hare eigene
uitdagende gestalte, gelijk zij daar staat met strakke kalmte,
onuitvorschbaar van wil, schitterend in al den glans harer
bekoorlijkheden, en toch de bewondering, die zij uitlokt, met voeten
tredende.
Men moet eene korte poos wachten terwijl Sownds naar de kerkekamer gaat
om den geestelijke in de kerk te halen. In dezen tusschentijd spreekt
mevrouw Skewton Dombey aan, duidelijker en met meer nadruk dan anders
hare gewoonte is, en schuift te gelijk dicht naar Edith.
“Mijn beste Dombey,” zegt de goede mama, “ik vrees dat ik toch van de
lieve Florence zal moeten afzien en haar maar naar huis laten gaan,
gelijk zij zelve heeft voorgesteld. Na mijn verlies van vandaag, mijn
beste Dombey, gevoel ik dat ik geen lust in gezelschap zal hebben,
zelfs niet in het hare.”—“Zou zij niet beter bij u blijven?” antwoordt
de bruidegom.—“Ik geloof van neen, mijn beste Dombey. Neen, zeker niet.
Ik zal beter alleen zijn. Buitendien, mijne lieve Edith zal hare
natuurlijke voogdes en geleidster wezen als gij terugkomt, en het is
misschien beter dat ik hare taak niet vooruitloop. Zij zou wel
jaloersch kunnen worden. Niet waar, lieve Edith?”
De liefderijke mama drukt haar dochters arm als zij dit zegt, misschien
om zeker te zijn van hare oplettendheid.
“Om ernstig te spreken, mijn beste Dombey,” hervat zij, “ik wil liever
van het goede kind afzien en haar mijne somberheid niet opdringen. Dat
hebben wij zoo even besproken. Zij begrijpt het heel goed, mijn beste
Dombey. Lieve Edith—zij begrijpt het heel goed.”
Wederom drukt de goede moeder haar dochters arm. Dombey spreekt niet
verder tegen, want juist verschijnen de geestelijke en de klerk; en
jufvrouw Miff en Sownds de kerkeknecht groepeeren het gezelschap ieder
op zijne behoorlijke plaats voor het altaarhek.
“Wie geeft deze vrouw om met dezen man getrouwd te worden?”
Neef Feenix doet dat. Hij is daartoe opzettelijk van Baden-Baden
gekomen. “Verduiveld,” zegt neef Feenix—een goedhartige kerel, die neef
Feenix—“als wij zulk een rijken knaap uit de City in de familie
krijgen, mogen wij hem ook wel eenige attentie toonen en iets voor hem
doen.—“Ik geef deze vrouw om aan dezen man getrouwd te worden,” zegt
neef Feenix dus. Neef Feenix die rechtuit wil gaan, maar door zijne
eigenzinnige beenen zijdelings af wordt gebracht, geeft eerst eene
verkeerde vrouw om met dien man getrouwd te worden, namelijk een der
bruidsjuffers, eene verre nicht, een tiental jaren jonger dan mevrouw
Skewton; maar jufvrouw Miff komt met haar stemmigen hoed tusschen
beiden, keert hem handig om, en schuift hem, alsof hij op rolletjes
liep, naar de bruid welke neef Feenix dan geeft om met dien man
getrouwd te worden.
“En zullen zij ten aanzien des Hemels...?”
Ja, dat zullen zij. Dombey zegt ja. En wat zegt Edith?—Ja.
Zoo verpanden zij dus van dien dag af, voor beter of erger, voor rijker
of armer, in ziekte en gezondheid, om lief te hebben en te waardeeren,
tot de dood hen scheidt, elkander hunne trouw, en zijn gehuwd.
Met eene vrije, vaste hand teekent de bruid, als men naar de kerkekamer
is gegaan, haar naam in het register. “Er komen niet veel dames hier,”
zegt jufvrouw Miff nijgende—als men in zulk een tijdsgewricht jufvrouw
Miff aanziet, duikt haar stemmige hoed dadelijk naar beneden—“die zoo
haar naam schrijven als deze goede dame.”—Sownds, de kerkeknecht, vindt
de handteekening de schrijfster waardig—alsof Venus ze gezet had—maar
dit blijft tusschen hem en zijn geweten.
Florence teekent ook, maar zonder toegejuicht te worden, want hare hand
beeft. Het geheele gezelschap teekent; neef Feenix het laatst, die zijn
edelen naam op eene verkeerde plaats zet, en getuigt dat hij dien
morgen geboren is.
De majoor kust nu de bruid zeer galant, en volvoert deze ceremonie met
al de dames, niettegenstaande mevrouw Skewton buitengemeen moeielijk te
kussen is en een schel gegil door het gewijde gebouw laat klinken. Dit
voorbeeld wordt door neef Feenix en zelfs door Dombey gevolgd.
Eindelijk komt Carker naar Edith toe, met zijne glinsterend witte
tanden, meer alsof hij haar wilde bijten, dan het zoet proeven dat aan
hare lippen kleeft.
Er komt een gloed op hare trotsche wangen en eene flikkering in hare
oogen, die hem misschien moesten stuiten; maar dit gebeurt toch niet,
want hij kust haar, gelijk de anderen hebben gedaan en wenscht haar
alle geluk.
“Indien wenschen,” zegt hij zacht, “bij zulk eene vereeniging niet
overbodig zijn.”—“Ik dank u, mijnheer,” antwoordt zij, met eene
opkrullende lip en eene zwoegende borst.
Maar gevoelt Edith nog, gelijk op den avond toen zij wist dat Dombey
zou terugkomen om een echtverbond aan te bieden, dat Carker haar door
en door kent en doorziet, en dat zij door deze wetenschap van hem meer
vernederd wordt dan door iets anders? Is het om die reden dat hare
trotschheid onder zijn glimlach wegkruipt, gelijk sneeuw in de hand die
haar vast aangrijpt, en dat haar fiere blik, als hij den zijnen
ontmoet, den grond zoekt?
“Ik ben er trotsch op,” zegt Carker met eene slaafsche buiging van zijn
hals, die door datgene, wat zijne oogen en tanden zeggen, wordt
gelogenstraft, “dat mijn nederig offer door mevrouw Dombey’s hand zoo
vereerd wordt en bij zulk eene heuglijke gelegenheid zulk eene
begunstigde plaats mag hebben.”
Hoewel zij tot antwoord haar hoofd buigt, heeft de oogenblikkelijke
beweging harer hand iets, alsof zij de bloemen wel zou willen
ineenknijpen en met verachting op den grond smijten. Maar zij steekt
hare hand door den arm van haar nieuwen echtgenoot, die met den majoor
heeft staan praten, en is wederom trotsch, roerloos en stil.
De koetsen staan weder voor de kerkdeur, Dombey geleidt zijne bruid
door de twintig troepjes jeugdige dametjes heen, die op de trap staan
en waarvan elk het fatsoen en de kleur van ieder stuk harer kleeding
onthoudt, en zich voorneemt om hare pop, die altijd trouwen moet,
eveneens op te sieren. Cleopatra en neef Feenix stappen in dezelfde
koets. De majoor helpt Florence en de bruidsjuffer, die haast bij
vergissing was weggegeven, in eene tweede, stapt dan zelf in en wordt
door Carker gevolgd. Paarden springen en steigeren; koetsiers en
lakeien pronken met fladderende strikken, bloemen en nieuwe livreien.
Voort stuiven en ratelen zij door de straten, duizend hoofden worden
omgekeerd om hen na te zien, en duizend strenge moralisten wreken zich
dat ook zij niet dien ochtend getrouwd zijn, door de overweging dat die
menschen weinig denken dat zulk een geluk niet duren kan.
Jufvrouw Tox komt, als alles stil is, achter het been van den cherub
vandaan, en gaat langzaam de galerij af. Hare oogen zijn rood, en haar
zakdoek is vochtig. Zij is gegriefd, maar niet verbitterd, en zij hoopt
dat zij gelukkig zullen zijn. Zij moet bij zich zelve bekennen dat de
bruid schoon is, en hare eigene bekoorlijkheden verwelkt zijn; maar het
statelijke beeld van mijnheer Dombey, met zijn lila vest en zijne
leverkleurige broek, blijft haar toch voor den geest, en onderweg naar
huis schreit zij opnieuw achter hare voile. Kapitein Cuttle, die met
een devoot gebrom in alle amens en antwoorden heeft ingestemd, gevoelt
zich daardoor zeer gesticht. Hij wandelt nu in eene vreedzame
gemoedsstemming, met den blinkenden hoed in de hand, de kerk door, en
leest het opschrift ter gedachtenis van kleinen Paul. De manhaftige
Toots verlaat het gebouw met een martelpijn van liefde, door den
trouwen Kemphaan vergezeld. De Kemphaan is nog niet in staat een
plannetje te verzinnen om Florence voor Toots te krijgen, maar zijn
eerste denkbeeld heeft zich bij hem vastgezet, en hij gelooft dat het
in allen gevalle goed zou zijn te beginnen met Dombey dubbel toe te
slaan. Dombey’s dienstboden komen uit hunne schuilplaatsen en zijn
gereed om zich naar Brook-Street te haasten, maar worden opgehouden
door teekenen van ongesteldheid bij jufvrouw Perch, die om een glas
water vraagt en onrustbarend wordt. Jufvrouw Perch gevoelt zich evenwel
spoedig beter en wordt weggebracht; en jufvrouw Miff en Sownds de
kerkeknecht zitten samen te tellen wat zij met de zaak gewonnen hebben,
en praten er nog eens over, terwijl de doodgraver voor eene begrafenis
luidt.
Nu komen de koetsen voor de tijdelijke woning der bruid, en dadelijk
beginnen de straatmuzikanten te spelen en geeft Punch, dat model van
huwelijksgeluk, zijne vrouw een zoen. Nu loopen en dringen de menschen
en blijven in een gapenden kring staan, terwijl Dombey, zijne jonge
vrouw bij de hand leidende, de deur binnenstapt. Het overige gezelschap
stapt af en volgt het paar. Maar waarom denkt Carker, als hij door het
gedrang bij de deur gaat, aan het oude wijf dat hem op dien ochtend in
het boschje naschreeuwde? Of waarom denkt Florence in het voorbijgaan,
met eene huivering, aan hare kindsheid, toen zij was weggeraakt, en aan
het leelijke gezicht van de goede Vrouw Brown?
Nu wordt er nog meer gefeliciteerd met dezen gelukkigsten der dagen, en
komt er nog meer gezelschap, hoewel niet veel, en verlaat men het salon
en schikt zich om de tafel in de donkerbruine eetzaal, die geen
banketbakker kan doen ophelderen, al versiert hij de negers op de
buffettafel met zooveel bloemen en strikken als hij wil.
De pasteibakker heeft echter zijn plicht gedaan als een man, en er is
een kostbaar ontbijt opgezet. Mijnheer en mevrouw Chick hebben zich
onder anderen bij het gezelschap gevoegd. Mevrouw Chick bewondert Edith
dat zij van nature zulk eene volmaakte Dombey is, en is vriendelijk en
vertrouwelijk met mevrouw Skewton, welker gemoed van een zwaren last is
ontheven en die haar deel van den champagne neemt. De lange knecht, die
des morgens vroeg aan alteratie leed, is beter; maar hij heeft een
onbestemd gevoel van berouw, is kwaad op den anderen langen knecht,
rukt hem met geweld de schotels uit de hand, en schept er een wrevelig
behagen in om het gezelschap op alles te laten wachten. Het gezelschap
is koel en kalm, en beleedigt de akelige schilderijen, die op de gasten
neerzien, niet door overmaat van vroolijkheid. Neef Feenix en de majoor
zijn de spraakzaamsten; maar Carker heeft een glimlach voor de geheele
tafel en nog een bijzonderen glimlach voor de bruid, die zeer, zeer
zelden zijn blik ontmoet.
Nadat het gezelschap ontbeten heeft en de bedienden de kamer uit zijn,
staat neef Feenix op; en verbazend jeugdig ziet hij er uit, met zijne
witte mouwboorden, die bijna zijne handen bedekken (welke anders wel
wat knokkig zijn) en den blos van champagne op de wangen.
“Op mijne eer,” zegt neef Feenix, “hoewel het iets ongewoons is in een
particulier huis, moet ik zoo vrij zijn om u te verzoeken iets te
drinken wat men gewoonlijk een toast noemt.”
De majoor geeft met eene zeer schorre stem zijne goedkeuring te kennen.
Carker buigt zich over de tafel naar neef Feenix over, en glimlacht en
knikt verscheidene malen.
“Eigenlijk is het niet zoozeer een...” Neef Feenix, die aldus opnieuw
begint, blijft steken.—“Luister, luister!” zegt de majoor, op een toon
vol overtuiging.
Carker klapt zachtjes in zijne handen, buigt zich weder over de tafel,
en glimlacht en knikt nog meermalen dan te voren, alsof het laatste
gezegde hem bijzonder had getroffen en hij persoonlijk wilde te kennen
geven hoe het hem bevalt.
“Het is, kortom, eene gelegenheid,” zegt neef Feenix, “waarbij men,
zonder onwelvoeglijkheid, wel eenigszins van den gewonen regel mag
afgaan; en schoon ik nooit een redenaar ben geweest, en toen ik in het
Huis der Gemeenten zat en de eer had om het adres te ondersteunen,
veertien dagen ziek ben geweest van schrik dat ik er niet mee voort
kon...”
De majoor en Carker zijn zoo opgetogen over deze ingevlochtene
anekdote, dat neef Feenix lacht en, hen persoonlijk aansprekende,
voortgaat:
“Ik ben er toen verduiveld ziek van geweest—maar, weet ge, ik gevoel nu
toch dat ik een plicht heb te vervullen. En als een Engelschman een
plicht te vervullen heeft, dan moet hij er ook, naar mijne gedachten,
zich van afmaken zoo goed hij kan. Wel, onze familie heeft vandaag het
genoegen gehad om zich, in den persoon van mijne beminnelijke en
begaafde nicht, die ik nu—wat zal ik zeggen—aanwezig zie...”
Hier stoort hem eene algemeene toejuiching.
“Aanwezig zie,” zegt neef Feenix nog eens, gevoelende dat dit eene
aardigheid is die wel herhaald kan worden, “te verbinden, zeg ik, met
iemand—dat is te zeggen met een man, van wien men nooit met minachting
kan—kortom met mijn achtenswaardigen vriend Dombey, als hij mij
vergunnen wil hem zoo te noemen.”
Neef Feenix buigt voor Dombey; Dombey geeft die buiging plechtig terug;
iedereen is meer of minder aangedaan door dit buitengewone, misschien
voorbeeldelooze, blijk van gevoel.
“Ik heb geene gelegenheid gehad,” zegt neef Feenix, “gelijk ik wel had
mogen verlangen, om met mijn vriend Dombey kennis te houden, en die
hoedanigheden te bestudeeren die zijn hoofd en ik mag zeggen zijn hart
evenzeer tot eer strekken; want het is mijn ongeluk geweest, zooals wij
in mijn tijd in het Huis der Gemeenten plachten te zeggen, toen het nog
geen gebruik was om van de Lords te spreken, en de parlementaire vormen
misschien beter in acht genomen werden dan tegenwoordig—om—eigenlijk
gezegd,” zegt neef Feenix, zijne aardigheid met groote schalkachtigheid
nog wat inhoudende en eindelijk met een schok uitbrengende, “ergens
anders te zijn.”
De majoor krijgt stuipen en wordt met moeite weder bijgeholpen.
“Maar ik weet genoeg van mijn vriend Dombey,” hervat neef Feenix op
ernstiger toon, alsof hij eensklaps wijzer en zwaarmoediger geworden
was, “om te weten dat hij is, eigenlijk is, wat men in vollen nadruk
een—een koopman—een Engelsch koopman—en een—man mag noemen. En hoewel
ik eenige jaren buitenslands heb vertoefd (het zou een groot genoegen
voor mij zijn als ik mijn vriend Dombey, en iedereen hier, te
Baden-Baden mocht recipieeren, en gelegenheid hebben om hen aan den
Groot-Hertog te presenteeren) weet ik toch genoeg, vlei ik mij, van
mijne beminnelijke en begaafde nicht, om te weten dat zij alle
vereischten bezit om een man gelukkig te maken, en dat haar huwelijk
met mijn vriend Dombey aan beide kanten een huwelijk van genegenheid
is.”
Carker glimlacht en knikt zeer dikwijls.
“Daarom,” vervolgt neef Feenix, “feliciteer ik de familie, waarvan ik
een lid ben, met de aanwinst van mijn vriend Dombey. Ik feliciteer mijn
vriend Dombey met zijne vereeniging met mijne beminnelijke en begaafde
nicht, die alle vereischten bezit om een man gelukkig te maken; en ik
neem eindelijk de vrijheid om u allen te verzoeken om zoowel mijn
vriend Dombey als mijne beminnelijke en begaafde nicht bij de
tegenwoordige gelegenheid te feliciteeren.”
De rede van neef Feenix wordt geapplaudiseerd, en Dombey betuigt voor
zich zelven en mevrouw Dombey zijn dank. J. B. stelt daarop een toast
op mevrouw Skewton voor. Daarna begint het feest te kwijnen. De
geschondene paradebedzaal wreekt zich, en Edith staat op om zich in
reisgewaad te gaan kleeden.
Al de dienstboden hebben ondertusschen beneden ontbeten. Champagne is
onder hen te gemeen geworden om van te spreken, en men is de gebraden
hoentjes, taarten en kreeftensla zat. De lange knecht is weder vroolijk
geworden, en spreekt wederom van anderatie. De oogen van zijn kameraad
beginnen met de zijne te wedijveren en staren ook naar iets zonder er
kennis van te nemen. In de gezichten der dames heerscht eene algemeene
roodheid; vooral in het gezicht van jufvrouw Perch, dat van blijdschap
straalt, en die zoo ver boven de zorgen des levens is verheven, dat
indien iemand haar nu juist den weg naar Ball’s Pond vroeg, waar hare
eigene zorgen wonen, zij eenige moeite zou hebben om zich dien weg te
herinneren. Towlinson heeft het gelukkige paar ingesteld, waarop de
bottelier met zilvergrijze haren met aandoening heeft geantwoord, want
hij begint half en half te denken dat hij werkelijk een oud familiestuk
is, en dat die veranderingen hem moeten treffen. Het geheele gezelschap
wordt zeer luchtig, vooral de dames. De keukenmeid van Dombey, die zich
gewoonlijk op den voorgrond plaatst, zegt dat het onmogelijk is om na
zulk een dag stil thuis te gaan zitten, en waarom niet met hen allen
naar de komedie te gaan? Iedereen—jufvrouw Perch ingesloten—stemt
hierin toe, zelfs de inboorling, die in zijn dronk tijgerachtig wordt
en de dames (vooral jufvrouw Perch) ongerust maakt door het rollen
zijner oogen. Een van de lange knechts spreekt zelfs van een bal na de
komedie, en dit komt niemand eene onmogelijkheid voor, zelfs jufvrouw
Perch niet. Er komen woorden tusschen de werkmeid en Towlinson, daar
zij, op gezag van een oud spreekwoord, beweert, dat huwelijken in den
hemel worden gesloten, en hij de fabriek daarvan elders veinst te
willen verplaatsen. Hij onderstelt dat zij zoo spreekt, omdat zij zelve
denkt te trouwen; en zij wenscht dat de Hemel in allen gevalle zal
verhoeden dat zij met hem zou trouwen. Om aan dit schimpen een eind te
maken, stelt de bottelier met zilvergrijze haren de gezondheid van
Towlinson in, wien men niet kan kennen zonder hem te achten, en niet
kan achten zonder te wenschen dat hij gelukkig voor vast gevestigd was
met het voorwerp zijner keus, waar zij (hier ziet de bottelier met
zilvergrijze haren de werkmeid aan) dan ook wezen mag. Towlinson
bedankt in eene rede vol gevoel, waarvan het slot over vreemdelingen
loopt, die hij zegt dat somtijds gunst kunnen vinden bij een zwak
verstand en een onstandvastig gemoed, dat zich door haar laat
verlokken, maar al wat hij hoopt, is dat hij nooit mag hooren dat geen
vreemdeling nooit uit geen reiskoets iets zal wegkapen. Zijn blik is
hierbij zoo streng en vol uitdrukking, dat de werkmeid het op de
zenuwen begint te krijgen; maar juist komt er bericht dat de bruid
heengaat, en allen haasten zich naar boven om haar te zien vertrekken.
De reiskoets staat voor de deur; de bruid komt de trap af naar het
voorhuis, waar Dombey op haar staat te wachten. Florence staat op de
trap gereed om ook te vertrekken, en Suze Nipper, wier positie haar in
het midden tusschen het salon en de keuken plaatst, is gereed om haar
te vergezellen. Zoodra Edith verschijnt, snelt Florence naar haar toe,
om haar vaarwel te zeggen.
Is Edith koud, dat zij beeft! Heeft Florence’s aanraking iets
onaangenaams of ongezonds, dat de schoone gedaante daarvoor wegkruipt!
Heeft dit vertrek zooveel haast, dat Edith met hare hand wuift, en zoo
verdwijnt!
Mevrouw Skewton, door haar gevoel als moeder overweldigd, zinkt,
wanneer het geratel der wielen onhoorbaar wordt, in hare
Cleopatra-houding op de sofa en stort verscheidene tranen. De majoor,
die met de rest van het gezelschap van de tafel komt, poogt haar te
troosten; maar zij wil zich volstrekt niet laten troosten, en zoo neemt
de majoor afscheid. Neef Feenix neemt afscheid, en Carker neemt
afscheid. De gasten gaan allen heen. Cleopatra, alleen gebleven,
gevoelt zich na hare aandoening wat duizelig en valt in slaap.
Beneden heerscht ook duizeligheid. De lange knecht, die zoo vroeg
alteratie gevoelde, schijnt met zijn hoofd aan de tafel te zijn
vastgeplakt en kan daarvan niet losgemaakt worden. De gemoedsstemming
van jufvrouw Perch heeft eene geweldige omkeering ondergaan; zij is
ongerust over haar man, en zegt de keukenmeid dat zij vreest dat hij
niet meer zoo aan huis gehecht is als hij placht te zijn, toen zij nog
maar met hun negenen waren. Towlinson heeft een gegons in zijne ooren
alsof er in zijn hoofd een rad omliep. De werkmeid wenscht dat het niet
goddeloos was te wenschen dat men maar dood was.
Er heerscht daar beneden ook een algemeen zinbedrog ten aanzien van den
tijd; want iedereen begrijpt dat het, op zijn vroegst, tien uur in den
avond is. Een nevelachtig denkbeeld van gepleegde goddeloosheid kwelt
iedereen; en ieder houdt den ander voor een medeplichtige, wien hij
liefst wilde vermijden. Niemand heeft het hart om van het voorgenomen
naar de komedie gaan te reppen; en wie van het bal durfde spreken, zou
voor een kwaadaardigen gek worden uitgemaakt.
Twee uren later zit mevrouw Skewton boven nog te slapen en heeft men in
de keuken ook nog niet uitgedut. De akelige schilderijen in de eetzaal
staren somber naar de brokken en kruimels, vuile borden, wijnvlekken,
half ontdooid ijs, verschaalde, wankleurige kliekjes in de glazen,
afval van kreeften, beenderen van kippen, en lillende geleien, die zich
langzamerhand in eene lauwe slijmerige soep oplossen. Van het huwelijk
is reeds evenzeer het mooi af als van het ontbijt. De dienstboden van
Dombey moraliseeren er zooveel over, en zijn thuis bij hunne thee zoo
ernstig, dat zij er niets goeds meer van wachten; en Perch, die tegen
acht uur uit de City komt, frisch en vroolijk, met een wit vest en een
comisch liedje, en een pleizierigen avond denkt te hebben, is verbaasd
dat hij zeer koel wordt ontvangen, en zijne vrouw lang niet wel is, en
hij den aangenamen plicht heeft om deze dame met den eersten omnibus
naar huis te brengen.
Het wordt avond. Florence, die door het fraaie huis van het eene
vertrek naar het andere heeft gezworven, zoekt hare eigene kamer op,
waar de zorg van Edith haar met weelde en gemakken heeft omringd. Zij
ontdoet zich van haar mooi nieuw kleedje, trekt haar eenvoudig rouwgoed
voor den lieven Paul weder aan en gaat zitten lezen, terwijl Diogenes
op den grond naast haar ligt te knipoogen. Maar Florence kan dien avond
niet lezen. Het huis komt haar vreemd en nieuw voor, en klinkt zoo hol.
Zij heeft eene zwaarte op het hart, zij weet niet waarom; maar het is
haar benauwd. Florence slaat haar boek toe, en de ruige Diogenes, die
dit voor een sein houdt, legt zijne pooten op haar schoot en wrijft
zijne ooren tegen hare liefkoozende handen. Maar Florence kan hem
weldra niet duidelijk meer zien, want er is een nevel tusschen hare
oogen en hem, en haar gestorven broeder en moeder blinken daarin als
engelen. Walter ook, die arme jongen, die zoo zwerven moet en misschien
schipbreuk heeft geleden! o, waar is hij!
De majoor weet het niet, dat is zeker, en bekommert er zich niet om. De
majoor, die den geheelen namiddag in een benauwden sluimer heeft
gelegen, heeft in zijne club laat gedineerd en zit nu bij zijn pintje
wijn, en maakt een bescheiden jongmensch aan het naaste tafeltje (die
wel een goede som zou willen geven om te kunnen opstaan en heengaan,
maar dit niet kan doen) bijna razend door zijne anekdoten van Bagstock,
mijnheer, op Dombey’s bruiloft, en oude Joe’s verduiveld hartelijke
vriend, Lord Feenix. Terwijl neef Feenix, die in zijn logement en in
bed behoorde te zijn, integendeel aan de speeltafel zit, waarheen zijne
eigenzinnige beenen hem misschien tegen wil en dank gebracht hebben.
De nacht, een reus gelijk, vult de kerk van den vloer tot aan het dak
en voert heerschappij over de stille uren. De bleeke schemering komt
weder door de vensters binnenkijken, maakt plaats voor den dag, ziet
den nacht in de grafkelders vluchten, volgt hem en verdrijft hem, en
verschuilt zich tusschen de dooden. De vreesachtige muizen kruipen
weder weg als de groote deur slaat, en Sownds en jufvrouw Miff komen
binnen en volgen den kring hunner dagelijksche bezigheden, effen en
glad als een trouwring. Wederom staan de steek en het stemmige hoedje
op den achtergrond, bij het uur van trouwen, en wederom neemt deze man
deze vrouw, en deze vrouw dezen man, op de ernstige voorwaarden:
“Om te hebben en te houden, van dezen dag af en voortaan, voor beter of
erger, voor rijker of armer, in ziekte en gezondheid, om lief te hebben
en waard te houden, tot de dood hen scheidt.”
Dezelfde woorden die Carker, terwijl hij de stad inrijdt, met zijn mond
zoo breed mogelijk uitgerekt, bij zich zelven herhaalt.