DE BRUIDSDAGEN.

Hoewel het betooverde huis niet meer bestond, de werkende wereld daar

was ingebroken en den geheelen dag hamerde en bonsde en trappen op en

neer liep, waardoor Diogenes van den ochtend tot den avond woedend aan

het blaffen werd gehouden—hij was blijkbaar overtuigd dat zijn oude

vijand hem eindelijk te knap was geweest en het huis had

overrompeld—had er in het eerst geene groote verandering in de

levenswijs van Florence plaats. Des avonds, als de werklieden

heengingen, werd het huis weder akelig en eenzaam; en wanneer Florence

bij dat heengaan hunne stemmen in het voorhuis en op de trap hoorde

klinken, verbeeldde zij zich de vroolijke huishoudens waarheen zij

terugkeerden, en de kinderen die naar hen wachtten, en streelde zij

zich met de gedachte dat zij blijde waren dat het tijd was om te gaan.

Zij begroette de stilte van den avond als eene oude vriendin; maar deze

kwam nu met een veranderd gelaat en zag haar vriendelijker aan. Zij

bracht nieuwe hoop mede. De schoone dame, die haar getroost en

geliefkoosd had, in dezelfde kamer waar haar hart eens zoo diep was

gewond, was een engel van belofte voor haar. Vriendelijker voorboden

van een schooner leven, wanneer zij langzamerhand haar vaders liefde

zou winnen, en geheel of grootendeels terugkrijgen wat zij verloren had

op dien donkeren dag, toen de liefde eener moeder met den laatsten adem

eener moeder op hare wang was uitgezucht, zweefden in de schemering om

haar heen en waren een opbeurend gezelschap. Naar de blozende kinderen

aan den overkant uitkijkende, was het een nieuw en streelend gevoel

voor haar, te denken dat zij elkander misschien spoedig zouden spreken

en kennen, dat zij niet meer bang zou zijn, gelijk vanouds, om zich aan

hen te vertoonen, opdat het hun niet zou bedroeven als zij haar daar in

hare zwarte kleeding alleen zagen zitten.

Met die gedachten aan hare nieuwe moeder, en met de liefde en het

vertrouwen die in haar rein gemoed voor deze opwelden, kreeg Florence

hare doode moeder hoe langer hoe meer lief. Zij was niet bang om haar

eene mededingster in haar hart te geven. De nieuwe bloem sproot uit den

diep geplanten en lang gekoesterden wortel, dien zij wel kende. Ieder

vriendelijk woord, dat de lippen der schoone dame was ontvloten, klonk

Florence als een nagalm der stem die zoolang had gezwegen. Hoe kon de

teederheid eener levende haar de nagedachtenis van alle ouderlijke

teederheid die zij ooit gekend had minder doen liefhebben!

Florence zat eens op hare kamer te lezen en dacht aan de dame en haar

binnen kort beloofd bezoek—want de inhoud van haar boek was geschikt om

haar daaraan te herinneren—toen zij hare oogen opsloeg en haar in de

deur zag staan.

“Mama!” riep Florence, verheugd opstaande. “Nu teruggekomen!”—“Nog geen

mama,” antwoordde de dame met een ernstigen glimlach, en sloeg haar arm

om Florence’s hals.—“Maar toch heel gauw!” riep Florence uit.—“Nu heel

gauw, Florence, heel gauw.”

Edith boog haar hoofd, zoodat zij Florence’s blozende wang tegen de

hare drukte, en zweeg zoo een poosje. Hare manier van doen had iets zoo

teeders, dat Florence dit nog dieper gevoelde dan bij hare eerste

ontmoeting.

Zij bracht Florence naar een stoel en zette zich naast haar. Florence

zag haar aan, waarlijk verwonderd over hare schoonheid, en liet

gewillig hare hand vasthouden.

“Zijt ge veel alleen geweest, Florence, sedert ik laatst hier was?”—“O

ja,” antwoordde Florence haastig en met een glimlach.

Zij sloeg hare oogen neer, want hare nieuwe mama zag zeer ernstig en

hield haar blik strak en nadenkend op haar gelaat gevestigd.

“Ik—ik ben gewoon om alleen te zijn,” zeide Florence eenigszins

haperend. “Ik geef er geheel niet om. Di en ik slijten somtijds geheele

dagen met elkander.” Zij had wel mogen zeggen geheele weken en

maanden.—“Is Di uwe kamenier, liefje?”—“Mijn hond, mama,” antwoordde

Florence lachende. “Suze is mijne kamenier.”—“En dit zijn uwe kamers,”

zeide Edith, rondziende. “Men heeft mij laatst deze kamers niet laten

zien. Wij moeten ze laten verbeteren, Florence. Zij zullen tot de

mooiste in het huis gemaakt worden.”—“Als ik ze mocht ruilen, mama,”

antwoordde Florence, “is er eene, boven in huis, die ik veel liever zou

hebben.”—“Is deze niet hoog genoeg, meisje lief?” vroeg Edith met een

glimlach.—“Die andere was mijn broertjes kamer,” zeide Florence, “en

daar ben ik zoo gaarne. Ik had er papa van willen spreken toen ik thuis

kwam, en de werklieden hier vond, en zag dat alles veranderd werd;

maar—” Florence sloeg hare oogen neer, uit vrees dat dezelfde blik haar

weder zou doen haperen—“maar ik was bang dat het hem zou bedroeven; en

daar ik hoorde zeggen dat ge binnen kort weder hier zoudt komen, mama,

en meesteres van alles zijn, dacht ik liever maar moed te vatten om het

u te vragen.”

Edith zat haar met hare schitterende oogen strak aan te staren, tot

Florence de hare opsloeg; toen wendde Edith op hare beurt haar blik af

en vestigde dien op den grond. Het was toen dat Florence dacht van welk

een geheel anderen aard de schoonheid dier dame was dan zij het in het

eerst gedacht had. Zij had die voor statig en trotsch gehouden; maar

hare manieren waren zoo zacht en vriendelijk dat zij, al was zij van

Florence’s eigene jaren en karakter geweest, bezwaarlijk meer

vertrouwen had kunnen uitlokken.

Uitgezonderd wanneer zekere zonderlinge, gedwongene terughouding haar

bekroop; en dan scheen het (maar Florence begreep dit toen nog niet,

schoon zij niet kon nalaten het op te merken en er over te denken)

alsof zij zich voor Florence vernederd gevoelde en slecht op haar gemak

was. Toen zij zeide dat zij hare mama nog niet was, en toen Florence

haar meesteres van alles noemde, was deze verandering in haar uitzicht

even snel als bevreemdend; en thans, nu Florence’s oogen op haar gelaat

gevestigd waren, zat zij daar alsof zij wel voor haar had willen

wegkruipen en zich verschuilen, in plaats van haar te liefkoozen gelijk

zulk eene nauwe betrekking haar recht gaf.

Zij beloofde Florence bereidwillig hare nieuwe kamer, en zeide dat zij

zelve last daartoe zou geven. Daarop deed zij eenige vragen naar den

armen Paul; en toen zij nog eene poos met elkander hadden gesproken,

zeide zij Florence dat zij gekomen was om haar naar hare eigene woning

mede te nemen.

“Wij zijn nu naar Londen gekomen, mijne moeder en ik,” zeide Edith, “en

gij zult bij ons logeeren tot ik getrouwd ben. Ik wensch dat wij

elkander leeren kennen en vertrouwen, Florence.”—“Ge zijt wel goed voor

mij, lieve mama,” zeide Florence. “Hoe dank ik u!”—“Laat ik nu zeggen,

want het zal misschien de beste gelegenheid wezen,” vervolgde Edith,

rondziende of zij geheel alleen waren en zachter sprekende, “dat ik,

als ik getrouwd ben en voor eenige weken op reis ga, veel geruster zal

zijn als gij hier weder thuis komt. Onverschillig wie u ergens anders

te logeeren vraagt, kom hier thuis. Het is beter hier alleen te zijn

dan—wat ik zeggen wilde is,” vervolgde zij, zich bedenkende, “dat ik

wel weet dat gij best thuis zijt, lieve Florence.”—“Ik zal nog

denzelfden dag weder naar huis gaan, mama.”—“Doe dat. Ik vertrouw op

die belofte. Maak u nu gereed om met mij mee te gaan, meisje lief. Als

ge klaar zijt, zult ge mij beneden vinden.”

Langzaam en peinzend zwierf Edith alleen door het huis, waarvan zij zoo

spoedig meesteres zou zijn, en weinig lette zij op de pracht, die het

begon ten toon te spreiden. Dezelfde stugge trotschheid, dezelfde

hoonende minachting in oog en lip, dezelfde fiere schoonheid, alleen

beneveld door het gevoel van hare eigene geringe waardij, dwaalde nu

door de kostbare kamers en zalen, die onder het dichte geboomte met

woeste hartstochtelijkheid waren uitgebarsten. De nagebootste rozen op

de wanden waren met scherpe dorens bezet, die haar de borst opreten; in

elk stipje goud, dat haar in de oogen schitterde, zag zij een hatelijk

gedeelte van haar koopprijs; de hooge en breede spiegels vertoonden

haar ten voeten uit eene vrouw in welke nog iets edels woonde, maar die

ontrouw was aan het betere in haar gemoed, en te zeer verlaagd en

verloren om zich zelve te redden. Zij geloofde dat dit alles meer of

minder zoo duidelijk voor ieders oogen was, dat haar geene toevlucht,

geen middel om zich eenigszins te doen gelden overschoot, dan trots; en

met dien trots, die haar eigen hart nacht en dag martelde, tartte en

bekampte zij haar lot.

Was dit de vrouw, welke Florence—een onnoozel meisje, krachtig alleen

door haar ernst en hare eenvoudige oprechtheid—zoodanig kon

herscheppen, dat zij bij haar een geheel ander wezen was, hare

hartstochtelijkheid gestild, zelfs hare trotschheid gedempt was? Was

dit de vrouw, die nu naast haar in de koets zat, met hare armen door

die van Florence gestrengeld, die haar bad en vleide om haar lief te

hebben en te vertrouwen, die haar hoofdje aan hare borst te rust legde,

en haar leven had willen opofferen om dat hoofdje voor gevaar of kwaad

te bewaren?

O, Edith, gelukkig zou het waarlijk voor u zijn geweest op zulk een

tijd te sterven! Veel beter en gelukkiger, misschien, zoo te sterven,

Edith, dan voort te leven tot aan het einde.

Mevrouw Skewton, die liever aan alle andere dingen dan aan zulke

bespiegelingen dacht—want gelijk vele fatsoenlijke lieden, wilde zij

volstrekt niet van den dood weten, en nam zij het kwalijk als er van

zoo iets gemeens werd melding gemaakt—had een huis in Brook-Street, bij

Grosvenor-Square, geleend van een aanzienlijk bloedverwant (een lid van

de familie Feenix) die uit de stad was, en geen bezwaar maakte om het

haar voor den bruidstijd te leenen, daar deze leening dan inhield dat

hij van alle verdere leeningen en gaven aan mevrouw Skewton en hare

dochter vrij was. Daar het voor de eer der familie noodzakelijk was in

zulk een tijd eenige vertooning te maken, zette mevrouw Skewton (met

behulp van een gedienstig winkelier, die aan den adel en de

fatsoenlijke wereld alle mogelijke dingen verhuurde, van een zilveren

tafelservies tot aan een stoet lakeien) in dat huis een bottelier met

zilvergrijs haar (die daarom hooger werd berekend, dewijl hij het

voorkomen van een oud familiestuk had), twee zeer lange jongelieden in

livrei, en een uitgezochten staf van keukenbedienden; zoodat er in het

onderhuis een sprookje in omloop kwam, dat men Withers de page, op eens

van zijne talrijke huiselijke werkzaamheden en van het duwen van den

rolstoel (die in de hoofdstad niet meer gebruikt werd) ontslagen,

verscheidene malen zijne oogen had zien uitwrijven en zich zelven in de

armen en beenen knijpen, als vreesde hij dat hij bij den melkboer te

Leamington was in slaap gevallen en nog in een hemelschen droom

verkeerde. Alle benoodigdheden van zilver en porselein werden

insgelijks door denzelfden gedienstigen winkelier geleverd, benevens

eene verscheidenheid van voorwerpen, waaronder ook een net rijtuigje

met een paar bruinen; en door deze hofhouding omringd, zette mevrouw

Skewton zich in hare Cleopatrahouding op de fraaiste sofa, om in

staatsie audiëntie te geven.

“En hoe maakt het mijne bekoorlijke Florence?” zeide mevrouw Skewton,

toen het meisje met hare dochter binnentrad. “Kom mij toch een kusje

geven, lieve Florence.”

Florence bukte schroomvallig om in het witte gedeelte van mevrouw

Skewton’s gezicht een plekje te zoeken; toen deze dame haar een oor

toehield en dus uit hare verlegenheid hielp.

“Edith, melieve,” zeide mevrouw Skewton, “waarlijk, ik—ga eens een

weinigje meer in het licht staan, lieve Florence, voor een

oogenblikje.”

Florence gehoorzaamde blozend.

“Weet ge niet meer wat gij waart, lieve Edith,” zeide hare moeder,

“toen gij omtrent even oud waart als onze kostbare Florence, of eenige

jaren jonger?”—“Dat heb ik lang vergeten, moeder.”—“Want stellig,

melieve,” zeide mevrouw Skewton, “mij dunkt ik zie eene bepaalde

gelijkenis tusschen datgene wat gij toen waart en ons allerliefst

vriendinnetje. En dat bewijst,” vervolgde mevrouw Skewton zachter, om

aan te duiden dat zij Florence voor nog zeer ongepolijst hield, “wat

polijsten doen kan.”—“Ja, dat doet het wel,” was het stroeve antwoord

van Edith.

Hare moeder zag haar voor een oogenblik scherp aan, en gevoelende dat

zij op onveiligen grond kwam, zeide zij om er weder van af te raken:

“Mijne bekoorlijke Florence, gij moet mij nog eens een kusje geven, als

het u belieft, liefje.”

Florence gehoorzaamde natuurlijk en drukte nog eens hare lippen op

mevrouw Skewton’s oor.

“En gij hebt zeker wel gehoord, lievelingetje,” zeide mevrouw Skewton,

hare hand vasthoudende, “dat uw papa, wien wij allen op de handen

dragen, vandaag over acht dagen met mijne lieve Edith zal trouwen.”—“Ik

wist wel dat het heel gauw zou zijn,” antwoordde Florence, “maar niet

recht wanneer.”—“Maar lieve Edith,” zeide de moeder vroolijk, “is het

mogelijk dat ge dat Florence niet gezegd hebt?”—“Waarom zou ik dat

Florence zeggen?” antwoordde Edith, zoo snel en scherp, dat Florence

bijna niet gelooven kon dat het dezelfde stem was.

Mevrouw Skewton vertelde toen Florence, als eene andere veiliger

afleiding, dat haar vader daar kwam dineeren en zonder twijfel zeer

aangenaam verrast zou zijn als hij haar zag; daar hij den vorigen avond

gezegd had, dat hij zich maar in de City zou kleeden, en niets van

Edith’s voornemen had geweten, waarvan de uitvoering, naar mevrouw

Skewton’s gedachten, hem zou doen verrukt staan. Florence werd onrustig

toen zij dit hoorde; en toen het uur van het diner naderde werd haar

angst zoo groot, dat zij, als zij maar geweten had hoe te vragen om

maar weder naar huis te mogen gaan, zonder eene verklaring te geven

waarin haar vader betrokken was, liever blootshoofds, te voet en alleen

teruggekeerd zou zijn, dan zich aan het gevaar van zijn misnoegen bloot

te stellen.

Toen de tijd naderde, kon zij nauwelijks ademhalen. Zij durfde niet bij

het venster komen, uit vrees dat hij haar van de straat zou zien. Zij

durfde niet naar boven gaan om hare aandoening te verbergen, uit vrees

dat zij, de kamerdeur uitkomende, hem onverwacht zou ontmoeten; en

bovendien was het haar alsof zij dan nooit weder zou durven terugkomen

als zij voor hem werd opgeroepen. In deze benauwdheid zat zij bij

Cleopatra’s sofa, en poogde het flauwe gesnap dier dame aan te hooren

en te beantwoorden, toen zij zijn voetstap op de trap hoorde.

“Daar hoor ik hem!” riep Florence, opspringend, uit. “Hij komt!”

Cleopatra, wier jeugdigheid haar dartel maakte, en wier eigenliefde

haar verhinderde om over den aard van Florence’s aandoening te denken,

duwde haar achter de sofa en spreidde een shawl over haar heen, om

Dombey eens aangenaam te verrassen. Dit gebeurde zoo haastig, dat

Florence een oogenblik later zijn geduchten stap in de kamer hoorde.

Hij groette zijne aanstaande schoonmoeder en zijne aanstaande gade. De

vreemde klank zijner stem deed zijne dochter trillen.

“Mijn lieve Dombey,” zeide Cleopatra, “kom eens hier en zeg mij hoe uwe

aardige Florence vaart.”—“Florence is heel wel,” zeide Dombey, naar de

sofa komende.—“En is zij thuis?”—“Ja, thuis,” antwoordde Dombey.—“Mijn

beste Dombey,” hervatte Cleopatra met betooverende levendigheid. “Weet

ge nu wel zeker dat ge mij niet bedriegt? Ik weet niet wat mijne lieve

Edith zal zeggen als ik zoo spreek, maar ik vrees waarlijk dat gij ook

al een valschaard zijt, mijn lieve Dombey.”

Al was hij dit geweest, en al was hij op het oogenblik op de grootste

valschheid betrapt, die ooit gezegd of gedaan werd, had hij bezwaarlijk

meer kunnen ontstellen dan hij deed toen mevrouw Skewton den shawl

wegnam, en Florence, bleek en bevende, als een spook voor hem oprees.

Hij had zijne tegenwoordigheid van geest nog niet herkregen, toen

Florence naar hem toeliep, hare armen om zijn hals sloeg, hem een kus

gaf en de kamer uitsnelde. Hij keek rond als wilde hij de zaak naar

iemand anders verwijzen, maar Edith was Florence dadelijk gevolgd.

“Beken nu maar, mijn lieve Dombey,” zeide mevrouw Skewton, hem hare

hand gevende, “dat ge nooit in uw leven meer verrast en in uw schik

zijt geweest.”—“Ik ben zeker nooit meer verrast geweest,” zeide

Dombey.—“En in uw schik, mijn lieve Dombey?” hervatte mevrouw Skewton,

met haar waaier dreigende.—“Ik—ja, ik ben zeer blij dat ik Florence

hier ontmoet,” zeide Dombey. Hij scheen er een oogenblik ernstig over

te denken en zeide toen stelliger: “Ja, ik ben werkelijk zeer blij dat

ik Florence hier ontmoet.”—“Gij verwondert u hoe zij hier komt, niet

waar?” zeide mevrouw Skewton.—“Edith, misschien,” begon Dombey en bleef

daarbij steken.—“O, gij ondeugd!” antwoordde Cleopatra, haar hoofd

schuddende. “Gij kunt goed raden. O, gij slimme man! Iemand moest zulke

dingen niet zeggen; want uwe sekse, mijn lieve Dombey, heeft zooveel

inbeelding en maakt zoo licht misbruik van onze zwakheid; maar gij kent

mijne openhartigheid—heel goed, dadelijk.”

Dit was tot een der lange knechts gericht, die kwam zeggen dat het

diner gereed was.

“Maar Edith, mijn beste Dombey,” vervolgde zij fluisterend, “als zij u

niet bij zich kan hebben—en, zooals ik haar zeg, dat kan zij niet

altijd verlangen—wil ten minste iemand bij zich hebben die u

toebehoort. Wel, dat is heel natuurlijk! En zoo kon niets haar vandaag

beletten om uit te rijden en Florence te gaan halen. Dat is toch

bekoorlijk!”

Daar zij naar een antwoord wachtte, antwoordde Dombey:

“Buitengemeen.”—“Zegen u, mijn lieve Dombey, voor dat bewijs van

hartelijkheid!” riep Cleopatra uit, en drukte hem de hand. “Maar ik

word al te ernstig! Breng mij nu naar beneden, als een engel, en laten

wij zien wat voor diner die lieden ons zullen geven. Zegen u, beste

Dombey!”

Na deze laatste toespraak wipte Cleopatra tamelijk vlug van hare

rustkoets, waarop Dombey haar arm in den zijnen nam en haar

plechtstatig naar beneden leidde. Terwijl de twee lange knechts

volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld

was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken.

Florence en Edith waren reeds in de eetzaal en zaten naast elkander.

Florence wilde opstaan toen haar vader binnenkwam, om hem haar stoel

over te laten; maar Edith legde openlijk hare hand op haar arm, en

Dombey nam aan den overkant der ronde tafel plaats.

Het gesprek werd bijna uitsluitend door mevrouw Skewton aan den gang

gehouden. Florence durfde bijna hare oogen niet opslaan, uit vrees dat

zij de sporen van tranen zou laten zien; veel minder durfde zij

spreken; en Edith liet geen woord hooren, of het moest tot antwoord op

eene vraag zijn. Cleopatra gaf zich waarlijk veel moeite voor het

etablissement dat zoo haast gepakt was; en het had waarlijk wel zeer

kostbaar mogen zijn om haar te beloonen.

“En dus zijn uwe voorbereidselen eindelijk bijna gereed, mijn beste

Dombey?” zeide Cleopatra, toen het dessert op de tafel stond en de

bottelier met zilvergrijs haar zich verwijderd had. “Ook die van de

rechtsgeleerden?”—“Ja, mevrouw,” antwoordde Dombey, “de akte van de

huwelijksvoorwaarden, hebben de rechtsgeleerde heeren mij onderricht,

is nu gereed, en gelijk ik u zeide, Edith heeft ons maar de gunst te

bewijzen om een tijd voor het teekenen voor te stellen.”

Edith zat daar gelijk een fraai steenen beeld, even koud en stil.

“Liefste liefje,” zeide Cleopatra, “hoort gij wel wat mijnheer Dombey

zegt? O, mijn beste Dombey,” ter zijde tot dien heer, “hoe herinnert

mij hare verstrooidheid, nu de tijd nadert, aan de dagen toen haar

papa, een alleraardigst man, in uwe positie was.”—“Ik heb niets voor te

stellen. Het zal zijn wanneer gij verkiest,” zeide Edith, nauwelijks

over de tafel naar Dombey ziende.—“Morgen?” zeide Dombey.—“Als het u

zoo belieft.”—“Of zou overmorgen u beter schikken met hetgeen gij

anders nog te doen hebt?” zeide Dombey.—“Ik heb niets te doen. Ik ben

altijd tot uwe beschikking. Laat het zijn wanneer gij verkiest.”—“Niets

te doen, lieve Edith,” bracht hare moeder hiertegen in, “en gij hebt

het den geheelen dag zoo schrikkelijk druk, met duizenderlei

bestellingen bij allerlei leveranciers!”—“Dat is uw bedrijf,”

antwoordde Edith, haar met een eenigszins gefronst voorhoofd aanziende.

“Gij en mijnheer Dombey kunt het met uw beiden schikken.”—“Wel waar,

kindlief, en heel vriendelijk van u,” zeide Cleopatra. “Florence, mijn

lievelingetje, gij moet mij waarlijk nog eens een kusje komen geven.”

Zonderling dat deze vlagen van belangstelling voor Florence bijna

telkens bij Cleopatra opkwamen als Edith eenig deel, hoe gering ook,

aan het gesprek nam. Florence was nog nooit zoo dikwijls omhelsd

geworden, en misschien, zonder het te weten, nog nooit in haar leven

zoo nuttig geweest.

Voor zich zelven was Dombey verre van misnoegd over de houding en de

manieren zijner bruid. Hij kon zeer wel met trotschheid en koelheid

sympathiseeren, en het streelde hem dat zelfs deze eigenschappen zich

bij Edith aan hem onderschikten en zij geen anderen wil scheen te

hebben dan den zijnen. Het streelde hem zich voor te stellen hoe deze

trotsche, statige vrouw de honneurs van zijn huis zou waarnemen en

zijne gasten op zijne eigene manier doen verkleumen. De waardigheid van

Dombey en Zoon zou in zulke handen wel gehandhaafd, ja zelfs nog

verhoogd worden.

Zoo dacht Dombey toen hij in de eetzaal alleen was gelaten en over het

verledene en de toekomst peinsde. Hij vond niets onaangenaams in de

schrale en sobere staatsie die in dat vertrek heerschte, met het

donkerbruine behangsel, waarop nog donkerder schilderijen als zwarte

grafmonumenten afstaken, en vier en twintig zwarte stoelen, met bijna

zooveel spijkers als doodkisten, die als rouwdragers om den rand van

het Turksche tapijt geschaard stonden, en twee naakte negers, die

candelabres van dorre takken droegen, op de buffettafel, en een duffen

reuk, alsof de asch van duizend diners in de sarcophaag daaronder was

begraven. De eigenaar van het huis was veel op reis; de lucht van

Engeland was zelden lang gezond voor een lid der familie Feenix; en dit

vertrek was al zwaarder en zwaarder in den rouw over hem gegaan, tot

het zoozeer naar eene paradekamer geleek, dat er slechts een lijk aan

ontbrak om het geheel daartoe te maken.

Geen slechte plaatsvervanger voor een lijk, door zijne stijfheid, zoo

niet door zijne houding, was Dombey, terwijl hij in de koude diepte der

doode zee van mahoniehout zat te turen, waarop de fruitschalen en

karaffen voor anker lagen; alsof de onderwerpen zijner gedachten een

voor een naar de oppervlakte rezen en weder wegzonken. Edith was daar

in al hare majesteit van gelaat en gestalte; en dicht bij haar kwam

Florence, met haar vreesachtig gezichtje naar hem toegekeerd, gelijk

het voor een oogenblik geweest was, toen zij de kamer verliet; en

Edith’s oogen waren op haar gevestigd, en Edith’s hand was beschermend

naar haar uitgestoken. Eene kleine gedaante op een laag leuningstoeltje

kwam vervolgens te voorschijn en zag hem verwonderd aan met de heldere

oogen en het oudachtig jeugdig gezichtje, dat glansde als in het

flikkerende schijnsel van een vuur. Wederom kwam Florence dicht daarbij

en boeide zijne geheele aandacht. Of het was als een hem door het

noodlot bestemd bezwaar en teleurstelling, of als eene mededingster die

hem eens in den weg was gekomen, en dit nogmaals kon doen; of als zijn

kind, dat hem op zulk een tijd niet meer vreemd moest blijven; of als

eene vermaning dat hij voor zijne nieuwe betrekkingen ten minste den

schijn moest bewaren, alsof zijn eigen bloed hem niet onverschillig

was—wist hij zelf het best. Misschien wist hij het eigenlijk toch niet

recht; want trouwfeesten en trouwaltaren en tooneelen van bekroonde

eerzucht—nog hier en daar met Florence daarbij—altijd die

Florence—rezen zoo snel en zoo verward voor hem op, dat hij zelf

opstond en naar boven ging om er aan te ontkomen.

Het was laat in den avond eer er licht gebracht werd, want mevrouw

Skewton klaagde dat zij tegenwoordig hoofdpijn daarvan kreeg; en

ondertusschen zaten mevrouw Skewton en Florence met elkander te praten

(Cleopatra was er zeer op gesteld om het meisje bij zich te houden), of

speelde Florence, voor mevrouw Skewton’s vermaak, zachtjes op de piano;

om niet van eenige gelegenheden in den loop van den avond te spreken,

waarbij die hartelijke dame zich gedrongen gevoelde om nog een kusje te

verzoeken, hetgeen altijd gebeurde nadat Edith iets gezegd had. Dit was

echter niet dikwijls, want Edith bleef den geheelen tijd afgezonderd

bij een open venster zitten (hoewel hare moeder vreesde dat zij kou zou

vatten) totdat Dombey afscheid nam. Daarbij was hij zeer genadig voor

Florence; en Florence ging in eene kamer achter die van Edith naar bed,

zoo gelukkig en vol hoop, dat zij aan haar vroeger ik dacht als aan een

ander eenzaam en verlaten meisje, waarmede zij medelijden moest hebben;

en in haar medelijden snikte zij in slaap.

De week vloog voorbij. Men moest naar modemaaksters, kleedermaaksters,

juweliers, procureurs, bloemkweekers en pasteibakkers rijden; en

Florence reed altijd mede. Florence zou de trouwplechtigheid bijwonen;

en dan haar rouwgewaad afleggen en een brillant costuum dragen. Het

model, dat de modemaakster—die eene Française was en veel van mevrouw

Skewton had—recommandeerde, was zoo elegant, dat mevrouw Skewton

insgelijks zulk een kleedje voor zich zelve bestelde. De modemaakster

zeide dat het haar uitmuntend zou staan, en dat iedereen haar voor de

zuster van de jonge juffer zou aanzien.

De week vloog nog sneller voorbij. Edith zag naar niets en bekommerde

zich om niets. De kostbare kleederen kwamen thuis, en werden aangepast,

en werden door mevrouw Skewton en de modemaakster luid geprezen, en

werden weggelegd zonder een enkel woord van haar. Mevrouw Skewton

maakte plannen voor elken dag en bracht ze ten uitvoer. Somtijds bleef

Edith in de koets zitten als men uitreed om iets te gaan koopen;

somtijds, als het volstrekt noodig was, ging zij een winkel binnen;

maar mevrouw Skewton deed altijd de zaak af, waarom het ook mocht te

doen zijn; en Edith keek met schijnbare onverschilligheid toe, alsof

het haar niets aanging. Florence had haar misschien trotsch en stroef

kunnen vinden, maar voor haar was zij dit nooit; en zoo smoorde

Florence hare verwondering in hare dankbaarheid.

De week vloog nog sneller voorbij. Zij was bijna geheel om. De laatste

avond, de avond vóór de trouwplechtigheid, was gekomen. In de donkere

kamer—want mevrouw Skewton’s hoofd was nog niet beter, hoewel zij des

anderen daags eene duurzame beterschap verwachtte—zaten deze dame,

Edith en Dombey. Edith zat voor haar open venster naar de straat te

kijken; Dombey en Cleopatra waren op de canapé zachtjes aan het praten.

Het werd laat; en Florence, die vermoeid was, had zich reeds ter rust

begeven.

“Mijn beste Dombey,” zeide Cleopatra, “gij zult mij morgen Florence

toch laten, als gij mij van mijne lieve Edith berooft?”

Dombey antwoordde dat hij dit met genoegen zou doen.

“Haar hier bij mij te hebben, terwijl gij beiden naar Parijs zijt, en

te kunnen denken, mijn beste Dombey, dat ik op hare jaren tot de

vorming van haar geest bijdraag,” zeide Cleopatra, “zal een balsem voor

mij wezen in den geschokten toestand, waarin ik dan verzonken zal

zijn.”

Edith keerde eensklaps haar hoofd om. Hare lustelooze houding werd in

een oogenblik met een uitzicht van vurige belangstelling verwisseld, en

zonder dat men dit in het donker zag, luisterde zij oplettend naar hun

gesprek.

Dombey zou Florence gaarne onder zulk eene uitmuntende voogdij en

leiding laten.

“Duizendmaal dank voor uwe goede meening, mijn beste Dombey,”

antwoordde Cleopatra. “Ik vreesde dat ge mij, met een boos opzet, tot

eene volstrekte eenzaamheid woudt veroordeelen.”—“Hoe kondt ge mij zulk

een onrecht aandoen, lieve mevrouw?” zeide Dombey.—“Omdat mijne

bekoorlijke Florence mij zoo stellig zegt, dat zij morgen naar huis

moet,” antwoordde Cleopatra, “dat ik begon te vreezen dat gij een echte

turksche Bassa waart.”—“Ik verzeker u, mevrouw,” zeide Dombey, “ik heb

Florence niets voorgeschreven. En al was dat zoo, dan zouden die

voorschriften toch voor uw verlangen moeten wijken.”—“Mijn beste

Dombey,” antwoordde Cleopatra, “wat zijt ge toch een hoveling! Schoon

ik dat toch ook niet zeggen wil, want hovelingen hebben geen hart, en

ge zijt altijd zoo hartelijk. Gaat ge waarlijk al zoo vroeg heen, mijn

beste Dombey?”

O, het was inderdaad laat, en Dombey vreesde dat hij gaan moest.

“Is het werkelijk, of is alles maar een droom?” lispelde Cleopatra.

“Kan ik het gelooven, mijn allerbeste Dombey, dat gij morgenochtend

terugkomt om mij mijne lieve gezellin, mijne eigene Edith, te

ontrooven!”

Dombey, die gewoon was alles letterlijk op te vatten, antwoordde dat

zij elkander eerst nog in de kerk zouden zien.

“De smart om een kind af te staan,” zeide mevrouw Skewton, “zelfs aan

u, mijn beste Dombey, is waarlijk niet te beschrijven, en vereenigd met

mijn teer gestel en de ijselijke domheid van den pasteibakker, die het

ontbijt heeft aangenomen, is zij haast al te groot voor mijne zwakke

krachten. Maar ik zal mij toch morgen wel goed houden, mijn beste

Dombey, wees voor mij maar niet ongerust; de hemel zegene u! Lieve

Edith,” riep zij schalkachtig, “er gaat iemand heen.”

Edith, die het hoofd weder naar het venster had gekeerd, daar zij geen

belang in hun gesprek meer stelde, stond op, maar zij kwam niet naar

hem toe en sprak geen woord. Met de deftige galanterie, welke bij deze

gelegenheid en zijn karakter paste, stapten Dombey’s krakende laarzen

naar haar toe, bracht hij hare hand aan zijne lippen en zeide hij:

“Morgenochtend zal ik het geluk hebben om deze hand als die van mevrouw

Dombey te vragen.” Daarop liet hij zich zelven met eene statige buiging

uit.

Mevrouw Skewton schelde om licht zoodra de straatdeur achter hem

gesloten was. Met het licht kwam hare kamenier, en met de kamenier het

jeugdige kleedje dat des anderen daags de wereld moest begoochelen. Dit

kleedje wreekte zich gestreng, gelijk zulke kleedjes altijd doen, en

maakte haar veel ouder en afschuwelijker dan hare smerige flanellen

nachtjapon. Mevrouw Skewton paste het echter met kinderachtige

blijdschap aan, glimlachte tegen haar lijkachtig beeld in den spiegel,

bij de gedachte welk een indruk zij zoo op den majoor zou maken; liet

het zich door hare kamenier weder uittrekken en zich voor hare

nachtrust gereedmaken, en viel zoo in elkander gelijk een beschilderd

kaartenhuisje.

Al dien tijd bleef Edith voor het venster naar de straat kijken. Toen

zij eindelijk met hare moeder alleen gebleven was, kwam zij, voor de

eerste maal dien avond, daar vandaan en plaatste zich vlak over haar.

De geeuwerige, beverige, gemelijke moeder, die hare oogen opsloeg naar

de trotsche gestalte harer dochter, wier vurige blik vast op haar

gevestigd was, had een schuldbesef in haar voorkomen, dat zij door

geene vertooning van lichtzinnigheid of wreveligheid kon verbergen.

“Ik ben doodaf,” zeide zij. “Gij zijt geen oogenblik alleen te

vertrouwen. Gij zijt nog erger dan een kind. Kind! Geen kind zou half

zoo koppig en weerspannig zijn.”—“Luister naar mij, moeder,” antwoordde

Edith, deze woorden voorbijziende met eene verachting, die zich niet

verwaardigde om zich met zulke beuzelingen op te houden. “Gij moet

alleen hier blijven tot ik terugkom.”—“Moet alleen hier blijven tot gij

terugkomt, Edith!” herhaalde hare moeder.—“Of bij dien naam, dien ik

morgen zoo onbeschaamd en valsch ten getuige zal roepen van wat ik doe,

zweer ik dat ik in de kerk de hand van dien man zal weigeren. Als ik

dat niet doe, mag ik dood op de steenen neervallen!”

De moeder antwoordde met een blik van angstigen schrik, in geenen deele

verminderd door den blik dien zij ontmoette.

“Het is genoeg,” zeide Edith langzaam, “dat wij zijn wat wij zijn. Ik

wil geene jeugd en oprechtheid tot mijne laagte laten neerslepen. Ik

wil geen onschuldig gemoed laten vergiftigen en verpesten om eene

geheele wereld van moeders te amuseeren. Gij weet wel wat ik meen.

Florence moet naar huis gaan.”—“Gij zijt eene zottin, Edith,” riep hare

vergramde moeder uit. “Denkt gij dat er ooit vrede voor u in dat huis

kan zijn, eer zij getrouwd en uit den weg is?”—“Vraag mij of vraag u

zelve, of ik ooit vrede in dat huis verwacht,” zeide hare dochter, “en

gij weet het antwoord.”—“En moet het mij van avond gezegd worden, na al

mijne moeite en zorg, en nu gij door mij onafhankelijk zult worden,”

gilde de moeder bijna, terwijl zij driftig haar hoofd schudde, “dat ik

een meisje zou besmetten en bederven, dat ik geen geschikt gezelschap

voor een meisje ben? Wat zijt gij, vraag ik u—wat zijt gij?”—“Die

vraag,” zeide Edith, doodsbleek en naar het venster wijzende, “heb ik

mij zelve meer dan eens gedaan terwijl ik daar zat, als er buiten iets

voorbijkwam dat nog maar een zweem van mijne sekse had, en God weet dat

ik een antwoord heb gekregen. O moeder, moeder, als gij mij maar aan

mijn natuurlijk hart hadt overgelaten toen ik ook een meisje was—jonger

dan Florence—hoe geheel anders had ik dan nu kunnen zijn!”

Wel begrijpende dat alle vertooning van gramschap hier nutteloos was,

bedwong hare moeder zich en begon zij te janken en te jammeren. Zij

beklaagde zich dat zij te lang had geleefd, en dat haar eenig kind haar

verzaakte, en dat men in dezen boozen tijd om geen kinderplicht meer

dacht, en dat zij onnatuurlijke verwijten moest hooren en niet meer om

haar leven gaf.

“Als ik gedurig zulke scenes moest hebben,” jankte zij, “zou het

waarlijk veel beter voor mij zijn als ik maar om een middel dacht om

een eind aan mijn bestaan te maken. O, als ik denk dat gij mijne

dochter zijt, Edith, en zoo tegen mij spreekt.”—“Tusschen ons, moeder,”

antwoordde Edith treurig, “is de tijd voor wederzijdsche verwijten

voorbij.”—“Waarom komt gij er dan weder op terug?” jammerde hare

moeder. “Gij weet wel dat ge mij het hart verscheurt. Gij weet wel hoe

gevoelig ik ben voor alle onvriendelijkheid. En dan nog op zulk een

oogenblik, nu ik om zooveel te denken heb, en natuurlijk verlangend ben

om er op mijn best uit te zien. Ik ben verbaasd over u, Edith. Uwe

moeder op uw trouwdag tot een spook van leelijkheid te willen maken.”

Terwijl zij snikte en hare oogen wreef, bleef Edith haar met denzelfden

strakken blik aanzien. Eindelijk zeide zij met dezelfde vaste stem, die

sedert zij het eerst het woord had genomen niet hooger of lager was

geworden: “Ik heb gezegd dat Florence naar huis moet gaan.”—“Laat zij

gaan,” riep de verschrikte en beangste moeder uit. “Ik voor mij mag wel

lijden dat zij gaat. Wat kan mij dat meisje schelen?”—“Mij kan zij

zooveel schelen,” antwoordde Edith, “dat ik, liever dan haar een grein

van het kwaad, dat ik in mijn eigen hart heb, te laten mededeelen, u

verzaken zou, moeder, gelijk ik hem morgen in de kerk zou verzaken, als

gij er mij reden toe gaaft. Laat haar met vrede. Zij zal, zoolang ik

het verhinderen kan, niet met de lessen besmet worden die ik geleerd

heb. Dit is geene harde voorwaarde op dezen bitteren avond.”—“Als gij

het op eene vriendelijke, dochterlijke manier hadt voorgeslagen,

Edith,” jankte hare moeder, “misschien wel niet. Maar zulke scherpe,

bijtende woorden...”—“Zij zijn nu tusschen ons voorbij en gedaan,”

zeide Edith. “Ga uw eigen weg, moeder; neem zooveel deel als gij wilt

in wat gij gewonnen hebt; verteer, geniet, vermaak u, en wees zoo

gelukkig als gij wilt. Het doel van ons leven is bereikt. Laten wij het

voortaan stilzwijgend dragen. Mijn mond zal van dit uur af van het

verledene zwijgen. Ik vergeef u uw aandeel in de goddeloosheid van

morgen. God vergeve mij het mijne!”

Zonder eenige beving in hare stem of hare leden, en voorbijstappende

met een voet die elke zachte aandoening op den nek scheen te treden,

wenschte zij hare moeder goedennacht en ging naar hare kamer.

Maar niet om te rusten; toen zij alleen was liet hare gemoedsbeweging

haar geene rust. Op en neer, op en neer, en al weder op en neer,

vijfhonderdmalen, tusschen de prachtige toebereidselen om haar morgen

op te tooien; met hare donkere haren losgeschud, en hare donkere oogen

vol gloed, en hare blanke borst rood van het onbarmhartig knellen der

hand, waarmede zij zich zelve in het hart scheen te willen tasten,

stapte zij door de kamer met een afgewend hoofd, alsof zij haar eigen

gezicht wilde ontwijken en zich uit haar eigen gezelschap verbannen.

Zoo worstelde Edith Granger, in het holste van den nacht vóór haar

trouwdag, met haar onrustigen geest, zonder tranen, zonder vrienden,

zonder woorden, zonder klagen.

Eindelijk raakte zij bij toeval de half openstaande deur aan, die in de

kamer uitkwam waar Florence sliep.

Er brandde daar licht, en dit vertoonde haar Florence in al hare

onschuld en schoonheid, gerust in slaap. Edith hield haar adem in, en

gevoelde zich naar haar toegetrokken.

Nog dichter, en dichter, en dichterbij; eindelijk zoo dichtbij, dat zij

bukkende hare lippen op het zachte handje drukte, dat buiten het bed

lag, en daarna dat handje zacht op haar hals legde. Dit aanraken was

als de staf des profeten op de rots. Hare tranen welden daaronder op,

terwijl zij op hare knieën zonk en haar kloppend hoofd met zwierende

haren daarnaast op het kussen legde.

Zoo sleet Edith Granger den nacht vóór haar huwelijk. Zoo vond haar de

zon op den ochtend van haar trouwdag.

Dombey en Zoon · 第 59 / 125 题