Jufvrouw Tox, geheel onbewust van zulke vreemde verschijnselen in en om
mijnheer Dombey’s huis als steigers en ladders, en mannen met zakdoeken
om het hoofd, die als zwevende spoken of vreemde vogels door de
vensters binnenkeken—had op een ochtend tegen dezen gewichtigen tijd op
hare gewone manier ontbeten, namelijk met een geraspt Fransch broodje,
een versch, pas gelegd ei (of daarvoor verkocht) en één kopje thee, en
ging toen naar boven om de Vogel-wals op haar klavier te spelen, hare
bloemen te begieten en te verzorgen, hare galanterieën af te stoffen
en, volgens hare dagelijksche gewoonte, haar salonnetje tot het juweel
van Princess’s Place te maken.
Jufvrouw Tox voorzag zich van een paar oude handschoenen, naar dorre
bladeren gelijkende, waarmede zij gewoon was deze bezigheden te
verrichten—op alle andere tijden in de la eener tafel voor ieder
menschelijk oog verborgen—en ging methodisch aan het werk, beginnende
met de Vogel-wals; toen, volgens een natuurlijk verband van
denkbeelden, tot haar vogeltje overgaande, een stokoude kanarie, slecht
in de veeren, maar een doordringend zinger, gelijk de geheele buurt wel
wist, daarna hare ornamenten van porselein, kaartpapier, enz. onder
handen nemende, en zoo, na verloop van tijd, aan hare bloemen komende,
welke doorgaans hier en daar met eene schaar beknipt moesten worden, om
zekere botanische reden waaraan jufvrouw Tox groot gewicht hechtte.
Het duurde dien ochtend lang eer jufvrouw Tox aan hare bloemen kwam.
Het was warm weder, zuidenwind, en er was in Princess’s Place een
zweempje zomer te bespeuren, dat jufvrouw Tox aan het buitenleven deed
denken. De bierjongen uit de herberg was met eene kan buitengekomen en
had een waterstraaltje met een slingerend patroon over de straatsteenen
laten loopen, dat zulk eene frischheid aan de lucht gaf, zeide jufvrouw
Tox, alsof men werkelijk buiten was. Men zag een streepje zonneschijn
uit de groote straat om den hoek komen, en de rookerige musschen wipten
daarover heen en weder, en werden in dien glans zoo verhelderd en
verheerlijkt alsof zij nooit iets van schoorsteenen hadden geweten.
Spreuken tot lof van het gemberbier, met afbeeldsels van dorstige
klanten, onder het bruisende schuim bedolven of door het springen der
kurken versuft, blonken voor het venster der herberg. Men was ergens
buiten de stad nog laat aan het hooien, en hoewel de geur van verre
moest komen en tusschen de woningen der armen met vele andere geuren
had te worstelen (God beloone de brave heeren, die de pest voor een
deel der wijsheid onzer voorvaderen houden en hun best doen om die
woningen zoo ellendig te doen blijven) kwam er toch een flauwe zweem
van in Princess’s Place, en fluisterde van het vrije veld en zijne
gezonde lucht.
Jufvrouw Tox zette zich in de vensterbank en dacht aan haar goeden
papa, sedert lang overleden en in zijn leven beambte bij het vak van
in- en uitgaande rechten; en aan hare kindsheid, in eene zeeplaats
gesleten, waar zij veel teer, maar toch ook gras en hooi had geroken.
Zoo kwam zij tot eene weemoedige herinnering van groene weiden, vol
boterbloempjes; en hoe zij kettinkjes van paardenbloemstengels had
gemaakt, voor jeugdige zweerders van eeuwige standvastigheid,
voornamelijk in het nankin gekleed; en hoe spoedig die kluisters
verdroogd en gebroken waren.
In die vensterbank gezeten, en naar de menschen en het streepje
zonneschijn kijkende, dacht jufvrouw Tox insgelijks aan hare goede
overledene mama—zuster van den eigenaar van het gepoederde hoofd en het
staartje—aan hare deugden en hare rheumatiek. En toen een man met
kromme beenen, eene grove stem, en eene zware mand op zijn hoofd, welke
zijn hoed tot een zwarten pannekoek samendrukte, met bloemen door
Princess’s Place kwam roepen, en zijne kleine vreesachtige plantjes
madelieven deed beven door de trilling van elken schreeuw dien hij gaf,
alsof hij een menschenvreter was, die met kleine kinderen te koop liep,
werden de zomerherinneringen zoo sterk bij jufvrouw Tox, dat zij haar
hoofd schudde, en prevelde dat zij oud zou worden eer zij het
wist—hetgeen wel denkelijk scheen.
In die peinzende stemming zochten hare gedachten het spoor van Dombey,
misschien omdat de majoor weder zijne kamers aan den overkant had
betrokken en juist aan zijn venster voor haar gebogen had. Welke andere
reden kon jufvrouw Tox hebben om Dombey met hare zomerdagen en
kluisters van paardenbloemen in verband brengen? Was hij nu vroolijker?
dacht jufvrouw Tox. Was hij nu met de besluiten des noodlots verzoend?
Zou hij nooit weer trouwen, en zoo ja, met wie? Welke soort van vrouw
zou het wel zijn!
Een gloed overspreidde haar gelaat—het was warm weder—toen zij onder
deze bespiegelingen haar hoofd omkeerde en door de weerkaatsing van
haar peinzend beeld in den spiegel werd verrast. Een tweede gloed
volgde daarop toen zij een rijtuigje zag aankomen en vlak voor hare
deur stilhouden. Zij stond op, nam haastig hare schaar, en zoo
eindelijk tot hare bloemen komende, was zij druk daarmede bezig, toen
mevrouw Chick de kamer binnentrad.
“Hoe vaart mijne liefste vriendin?” riep jufvrouw Tox, met open armen,
uit.
Deze liefste vriendin van jufvrouw Tox had thans zekere statigheid in
hare houding, maar zij gaf haar toch een kus en zeide: “Wel bedankt,
Lucretia. Ik ben tamelijk wel. Gij ook, hoop ik. Hm!”
Mevrouw Chick had een eigenaardig kort kuchje, als het ware een begin
om de kunst van hoesten te leeren.
“Gij komt al heel vroeg; dat is vriendelijk van u, lieve,” hervatte
jufvrouw Tox. “Hebt gij al ontbeten?”—“Bedankt Lucretia,” antwoordde
mevrouw Chick. “Ik heb vroeg ontbeten,”—mevrouw Chick scheen zeer
nieuwsgierig naar Princess’s Place te zijn en keek onder het spreken
gedurig naar buiten, “bij mijn broeder, die thuis gekomen is.”—“Hij is
beter, durf ik hopen,” stamelde jufvrouw Tox.—“Veel beter, wel bedankt.
Hm!”—“Mijne lieve Louise moet op die kuch passen,” merkte jufvrouw Tox
aan.—“Het is niets,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is maar de
verandering van het weer. Men moet zich aan veranderingen
gewennen.”—“Van weer?” vroeg jufvrouw Tox in hare eenvoudigheid.—“Van
alles,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is eene wereld vol verandering.
De menschen die mij iets wilden tegenspreken dat zoo duidelijk is,
Lucretia, zouden mij zeer verwonderen en mij veel geringer gedachten
van hun verstand doen opvatten. Verandering!” riep mevrouw Chick met
strenge wijsheid uit. “Wel mijn tijd, wat is er dat niet verandert?
Zelfs de zijworm, die men zeker niet denken zou dat zich met zoo iets
bemoeide, verandert gedurig in allerlei onverwachte dingen.”—“Mijne
Louise,” zeide de zachtzinnige jufvrouw Tox, “is altijd gelukkig in
hare voorbeelden.”—“Ge zijt wel vriendelijk, Lucretia,” antwoordde
mevrouw Chick, eenigszins verzacht, “dat ge zoo zegt, en ook zoo denkt,
geloof ik. Ik hoop dat wij geen van beiden ooit reden zullen hebben om
geringer gedachten van de andere te krijgen. Lucretia.”—“O, daar ben ik
wel zeker van,” antwoordde jufvrouw Tox.
Mevrouw Chick kuchte weder, en trok strepen op het tapijt met het
ivoren puntje van hare parasol. Jufvrouw Tox, die ondervinding van hare
vriendin had, en wist dat zij, als zij eenigszins vermoeid was of haar
iets had gehinderd, wel wat wrevelig en lichtgeraakt kon zijn, nam de
stilte waar om van onderwerp te veranderen.
“Neem mij niet kwalijk, Louise,” zeide zij, “maar heb ik niet de
manhaftige gedaante van mijnheer Chick in de koets zien zitten?”—“Hij
is daar,” antwoordde mevrouw Chick, “maar ik verzoek u, laat hem daar
maar. Hij heeft zijne courant en zou zich daarmee in geen twee uren
vervelen. Ga voort met uwe bloemen, Lucretia, en laat mij hier maar wat
zitten rusten.”—“Mijne Louise weet wel,” merkte jufvrouw Tox aan, “dat
tusschen vriendinnen gelijk wij geene complimenten te pas komen.
Daarom—” Daarom eindigde jufvrouw Tox den volzin niet met woorden maar
met daden, en de handschoenen, die zij uitgedaan had, weder
aantrekkende, wapende zij zich nogmaals met hare schaar, en begon zij
met microscopische vlijt tusschen de bladeren te knippen.—“Florence is
ook thuis gekomen,” zeide mevrouw Chick nadat zij eene poos met haar
hoofd op zijde had gezeten, en met hare parasol teekeningen op den
grond getrokken; “en waarlijk, Florence is nu veel te oud geworden, om
dat eenzame leven te blijven leiden, waaraan zij gewend is. Dat spreekt
van zelf. Daar kan geen twijfel aan zijn. Ik zou heel weinig achting
voor iemand hebben, die daarover anders kon denken. Al mocht ik ook
anders wenschen, ik zou zoo iemand niet kunnen achten. Zoover kan men
zijn gevoel niet beheerschen.”
Jufvrouw Tox stemde dit toe, zonder juist te zeggen of zij de stelling
begrijpelijk vond.
“Als zij een vreemd meisje is,” zeide mevrouw Chick, “en mijn broeder
Paul zich in haar gezelschap niet op zijn gemak gevoelt, na al de
droevige omstandigheden, die er hebben plaats gehad, en al de
schrikkelijke teleurstellingen die hij ondergaan heeft, wat is dan het
antwoord? Dat hij zich eene inspanning moet vergen. Dat hij verplicht
is zich eene inspanning te vergen. Wij zijn eene familie die altijd
door inspanningen heeft uitgemunt. Paul staat aan het hoofd van de
familie—hij is bijna de eenig overgeblevene vertegenwoordiger daarvan.
Want wat ben ik? Ik ben van geen beduiden.”—“Maar liefste vriendin!”
bracht jufvrouw Tox er tegen in.
Mevrouw Chick droogde hare oogen af, die juist overliepen, en
vervolgde:
“En bijgevolg is hij meer dan ooit verplicht om zich eene inspanning te
vergen. En hoewel het mij eenigszins een schok geeft, dat hij dat
werkelijk heeft gedaan—want ik heb een heel zwak en aandoenlijk gestel,
dat waarlijk alles behalve een geluk is; ik wenschte dikwijls dat ik
maar eene marmeren zerk of een keisteen was...”—“Maar lieve Louise!”
riep jufvrouw Tox uit.—“Evenwel is het een triomf voor mij, te weten
dat hij zich zelven en zijn naam van Dombey zoo getrouw blijft, schoon
ik natuurlijk altijd wel wist dat hij dat doen zou. Ik hoop maar,”
zeide mevrouw Chick, na eene korte poos van stilte, “dat zij ook dien
naam waardig zal wezen.”
Jufvrouw Tox was juist bezig met haar groen gietertje uit eene kan te
vullen, maar, toen zij dit gedaan had, toevallig opkijkende, was zij
zoo verwonderd over de uitdrukking waarmede mevrouw Chick haar aanzag,
dat zij het gietertje vooreerst maar op de tafel zette en er zelve bij
ging zitten.
“Mijne lieve Louise,” zeide jufvrouw Tox, “zal het u misschien genoegen
doen, als ik, wat dat gezegde van u betreft, de aanmerking waag, dat
ik, als een nederig onbeduidend persoon, denk dat uw nichtje in alle
opzichten veel belooft?”—“Wat meent gij toch, Lucretia?” hervatte
mevrouw Chick met toenemende deftigheid. “Op welk gezegde van mij doelt
gij toch, lieve?”—“Dat zij haar naam waardig zal zijn, lieve vriendin,”
antwoordde jufvrouw Tox.—“Als ik mij misschien niet duidelijk genoeg
heb uitgedrukt, Lucretia,” zeide mevrouw Chick met zeker plechtig
geduld, “ligt de schuld natuurlijk aan mij. Er is misschien geene reden
waarom ik er van zou spreken, behalve de vertrouwelijkheid die zoolang
tusschen ons bestaan heeft, en die ik hoop, Lucretia, hartelijk hoop,
dat door niets gestoord zal worden. Want waarom zou ik dat niet hopen?
Er is volstrekt geene reden van neen—het zou ongerijmd wezen. Maar ik
wensch toch duidelijk te zijn, Lucretia; en daarom neem ik dat gezegde
nog eens op en verzoek u te mogen onder het oog brengen, dat het
volstrekt niet op Florence doelde.”—“Niet?” zeide jufvrouw Tox.—“Neen,”
antwoordde mevrouw Chick, kort en beslissend.—“Neem mij niet kwalijk,
lieve,” zeide hare zachtmoedige vriendin; “maar dan zal ik het niet
recht verstaan hebben. Ik vrees dat ik wat onbegrijpelijk ben.”
Mevrouw Chick keek in de kamer rond en naar den overkant, en naar de
bloemen, het vogeltje en het gietertje, naar bijna alles in haar
gezichtskring, behalve naar jufvrouw Tox; eindelijk liet zij haar blik,
terwijl hij den grond zocht, even over jufvrouw Tox heenglijden, en
zeide, ondertusschen met opgetrokken wenkbrauwen naar het karpet
kijkende:
“Als ik hoop, Lucretia, dat zij den naam waardig zal zijn, dan bedoel
ik de tweede vrouw van mijn broeder Paul. Ik meen reeds duidelijk
genoeg gezegd te hebben, al is het niet met de woorden die ik nu
gebruik, dat hij voornemens is eene tweede vrouw te nemen.”
Jufvrouw Tox stond haastig op, ging weder naar hare bloemen, en knipte
tusschen de takjes en bladeren met zoo weinig omzichtigheid als een
kapper, die eenige armjongens het haar snijdt.
“Of zij ten volle bewust zal zijn van de onderscheiding, die haar
bewezen wordt,” hervatte mevrouw Chick op een hoogdravenden toon, “is
eene geheel andere vraag. Ik hoop van ja. Men is in deze wereld
verplicht het beste van elkander te denken, en ik hoop dus van ja. Met
mij is geen raad genomen. En als er met mij raad genomen was, twijfel
ik niet of mijn raad zou weinig geteld zijn, en dus is het oneindig
beter zóó. Ik heb het veel liever zóó.”
Jufvrouw Tox knipte nog met gebogen hoofd tusschen hare bloemen.
Mevrouw Chick, die haar hoofd nu en dan krachtig schudde, vervolgde op
een toon alsof zij iemand uitdaagde:
“Als mijn broeder Paul mij geraadpleegd had, gelijk hij somtijds
doet—of liever, somtijds placht te doen; want natuurlijk zal hij dat nu
niet meer doen, en dit is eene omstandigheid die ik als eene ontheffing
van eene verantwoordelijkheid aanmerk,” zeide mevrouw Chick, op eene
manier alsof zij zenuwachtig werd, “want ik ben Goddank niet
jaloersch,” hier liet zij wederom tranen vallen, “als mijn broeder Paul
bij mij gekomen was en gezegd had: “Louise, naar welke soort van
eigenschappen zoudt ge mij raden bij eene vrouw te zien?” zou ik zeker
geantwoord hebben: “Paul, gij moet afkomst hebben, gij moet schoonheid
hebben, gij moet deftigheid hebben, gij moet connectiën hebben.” Dat
zijn de woorden die ik zou gebruikt hebben. Gij hadt mij terstond
daarop naar het blok mogen brengen,” zeide mevrouw Chick, alsof dat
gevolg hoogst waarschijnlijk was, “maar ik zou ze gebruikt hebben. Ik
zou gezegd hebben: “Paul, gij voor de tweede maal zonder afkomst te
trouwen! Gij voor de tweede maal zonder schoonheid te trouwen! Gij voor
de tweede maal zonder deftigheid te trouwen! Gij voor de tweede maal
zonder connectiën te trouwen! Er is niemand in de wereld, of hij moest
gek wezen, die er van zou kunnen droomen om zulke ongerijmde
denkbeelden te durven koesteren.””
Jufvrouw Tox hield op met knippen en bleef, met haar hoofd tusschen de
bloemen, aandachtig luisteren. Misschien dacht zij dat deze inleiding
en de warmte van mevrouw Chick haar eenige hoop gaven.
“Zoo zou ik geredeneerd hebben,” vervolgde die schrandere dame, “omdat
ik vertrouw dat ik geene zottin ben. Ik wil niet voor iemand van
buitengewoon verstand te boek staan—schoon ik geloof dat sommige
menschen zonderling genoeg zijn geweest om mij daarvoor te houden;
iemand die zoo weinig ontzien wordt als ik, zou zeer spoedig uit zulk
een droom worden geholpen; maar ik vertrouw toch dat ik niet geheel en
al eene zottin ben. En mij dan te zeggen,” zeide mevrouw Chick met
onbeschrijfelijke minachting, “dat mijn broeder Paul Dombey ooit aan de
mogelijkheid kon denken om zich met iemand te vereenigen—ik vraag met
wie—” dit korte gezegde sprak zij met meer scherpheid uit dan eenig
ander gedeelte van hare rede—“die deze vereischten niet bezat, zou eene
beleediging zijn voor zooveel verstand als ik dan heb, evengoed alsof
men mij zeide dat ik een olifant geboren was, dat mij dan ook nog wel
kan gezegd worden,” zeide mevrouw Chick met berusting. “Het zou mij
geheel niet verwonderen. Ik verwacht het zelfs wel.”
In het oogenblik van stilte, dat hierop volgde, gaf de schaar van
jufvrouw Tox een paar flauwe knipjes; maar haar gezicht bleef nog
onzichtbaar en hare ochtendjapon was ontroerd. Mevrouw Chick keek eens
naar haar, door het groen heen, en vervolgde toen, op een toon van
kalme overtuiging, en alsof zij uitweidde over iets dat bijna niet
gezegd behoefde te worden:
“Dus heeft ook, gelijk van zelf spreekt, mijn broeder Paul gedaan wat
van hem te wachten was; en wat iedereen kon voorzien dat hij doen zou,
als hij weder in het huwelijk trad. Ik moet bekennen dat het mij
eenigszins verrast, hoewel het mij streelt; omdat ik, toen Paul uit de
stad ging, geheel geen denkbeeld had dat hij buiten de stad een
attachement zou vormen, en zekerlijk had hij bij zijn vertrek nog geen
attachement. Evenwel, het schijnt in alle opzichten zeer wenschelijk te
zijn. Ik twijfel niet of de moeder is eene zeer fatsoenlijke en
elegante dame, en ik heb volstrekt geen recht om te betwijfelen, of het
raadzaam is dat zij bij hem komt inwonen; dat is iets dat Paul aangaat,
mij niet—; en wat Paul’s keus zelve betreft, ik heb nog maar haar
portret gezien, maar dat is waarlijk schoon. Haar naam klinkt ook
mooi,” zeide mevrouw Chick, met kracht haar hoofd schuddende en zich op
haar stoel te recht zettende; “Edith komt mij voor, is te gelijk
ongemeen en gedistingueerd. Bij gevolg, Lucretia, twijfel ik er niet
aan of het zal u genoegen doen te hooren dat het huwelijk binnen heel
kort zal plaats hebben—natuurlijk moet u dat genoegen doen,” wederom
grooten nadruk, “en verheugt gij u over deze verandering in den staat
van mijn broeder, die u bij verschillende gelegenheden zooveel
oplettendheid heeft bewezen.”
Jufvrouw Tox gaf geen antwoord met woorden, maar nam met eene bevende
hand het gietertje op en keek wezenloos rond, alsof zij zich bedacht
voor welk meubelstuk het goed zou zijn als het met den inhoud werd
begoten. Daar bij deze crisis harer aandoening juist de kamerdeur
openging, lachte zij schaterend en viel daarop den binnentredende in de
armen, gelukkig onbewust van mevrouw Chick’s verontwaardigde blikken en
van den majoor aan den overkant, die door zijn dubbelen tooneelkijker
stond te turen, en wiens geheele gestalte opzwol van
Mephistopheliaansche blijdschap.
Niet zoo verheugd was de inboorling, de verbaasde opvanger der
bezwijmde jufvrouw Tox, die juist naar boven kwam om, volgens den
boosaardigen last des majoors, uit beleefdheid naar de gezondheid van
jufvrouw Tox te vernemen, en toevallig het rechte tijdstip trof om de
teedere vracht in zijne armen te pakken en den inhoud van het gietertje
in zijn eenen schoen te krijgen; welke beide omstandigheden, vereenigd
met de bewustheid dat hij onder de oogen van zijn oploopenden meester
was, die hem volgens gewoonte met de vernieling van al zijn gebeente
had gedreigd als zijne boodschap niet goed afliep, hem tot een
aandoenlijk toonbeeld van schrik en angst maakten.
Eenige oogenblikken bleef de benauwde vreemdeling jufvrouw Tox aan
zijne borst drukken, met een vuur dat in zonderling contrast met zijn
onthutst gezicht stond, terwijl die arme jufvrouw de laatste droppels
van haar gieter in zijn schoen goot. Eindelijk herkreeg mevrouw Chick
tegenwoordigheid van geest genoeg om tusschen beiden te komen, en beval
hem om jufvrouw Tox op de sofa te laten zakken en heen te gaan. Hij
gehoorzaamde terstond, en daarop begon zij jufvrouw Tox weder bij te
helpen.
Maar niets van die teedere meewarigheid welke de dochters van Eva
kenmerkt als zij elkander in zulke omstandigheden bijstaan, niets van
die flauwten-vrijmetselarij waardoor zij gewoonlijk in een geheimzinnig
verbond van zusterschap zijn vereenigd, was in de handelwijs van
mevrouw Chick zichtbaar. Veeleer gelijk de scherprechter, die zijn
slachtoffer weder tot bewustheid brengt eer hij de pijniging voortzet
(of dat placht te doen in den goeden ouden tijd, waarover alle brave
lieden bestendig in den rouw zijn), wendde mevrouw Chick het
reukfleschje, het handenkloppen, het koud water spatten en andere
beproefde middelen aan. En toen jufvrouw Tox eindelijk hare oogen
opende en langzamerhand hare bewustheid herkreeg, deinsde mevrouw Chick
terug als voor eene misdadige, en het voorbeeld van den vermoorden
koning van Denemarken omkeerende, zag zij haar meer gramstorig dan
droevig aan.
“Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “ik wil niet pogen te ontveinzen wat
ik gevoel. Mijne oogen gaan eensklaps open. Ik zou het niet geloofd
hebben, al had een Heilige het mij gezegd.”—“Het is dwaas van mij dat
ik zoo flauw val,” stamelde jufvrouw Tox. “Maar ik zal zoo meteen wel
beter zijn.”—“Zoo meteen wel beter zijn, Lucretia!” herhaalde mevrouw
Chick met diepe verachting. “Denkt gij dat ik blind ben? Verbeeldt gij
u dat ik in mijne tweede kindsheid ben gekomen? Neen, Lucretia. Ik ben
u wel zeer verplicht.”
Jufvrouw Tox wierp hare vriendin een jammerlijk smeekenden blik toe, en
hield haar zakdoek voor haar gezicht.
“Als iemand mij dit gisteren gezegd had,” zeide mevrouw Chick met
majesteit, “of zelfs maar een half uur geleden, zou ik in verzoeking
zijn gekomen, geloof ik haast, om hem ter aarde te vellen. Lucretia
Tox, mijne oogen zijn op eens voor u opengegaan. De blindheid van mijn
vertrouwen is voorbij, Lucretia. Dat vertrouwen is misbruikt, er is
mede gespeeld en er baten geene uitvluchten meer, dat kan ik u
verzekeren.”—“Waarop doelt gij toch met die wreede woorden, lieve
vriendin?” vroeg jufvrouw Tox door hare tranen.—“Lucretia,” antwoordde
mevrouw Chick, “vraag dat uw eigen hart. Ik moet u verzoeken om mij
niet meer met zulk eene gemeenzame uitdrukking aan te spreken, als gij
daar gebruikt hebt, als het u belieft. Ik heb nog eenig gevoel van
eigenwaarde, al moogt gij anders denken.”—“O, Louise!” riep jufvrouw
Tox uit. “Hoe kunt ge zoo tegen mij spreken?”—“Hoe ik zóó tegen u
spreken kan?” liet mevrouw Chick hierop volgen, die, bij gebrek aan
goede redenen om te doen gelden, zich vooral op zulke herhalingen
verliet om eenen verpletterenden indruk te maken. “Zóó. Gij moogt
waarlijk wel zóó zeggen.”
Jufvrouw Tox snikte jammerlijk.
“De gedachte,” zeide mevrouw Chick, “dat gij u aan mijns broeders haard
hebt gekoesterd, en u door mij bijna in zijn vertrouwen hebt gewrongen,
Lucretia, om in het geheim zekere plannen op hem te smeden, en dat gij
aan de mogelijkheid hebt durven denken dat hij zich ooit met u zou
vereenigen! Wel, het is eene gedachte,” zeide mevrouw Chick met
sarcastische deftigheid, “waarvan de ongerijmdheid bijna het
verraderlijke wegneemt.”—“Och, Louise,” smeekte jufvrouw Tox. “Zeg toch
zulke ijselijke dingen niet.”—“IJselijke dingen!” herhaalde mevrouw
Chick. “IJselijke dingen! Is het dan de waarheid niet, Lucretia, dat
gij daar zoo even niet in staat zijt geweest om uwe aandoeningen te
beheerschen zelfs voor mij, wier oogen gij zoo geheel hadt
verblind?”—“Ik heb niet geklaagd,” snikte jufvrouw Tox. “Ik heb niets
gezegd. Als uwe tijding mij eenigszins overweldigde, Louise, en ik ooit
eenigszins dacht dat mijnheer Dombey wel genegen was om een oog op mij
te laten vallen, zult gij mij zeker niet veroordeelen.”—“Zij zal
zeggen,” zeide mevrouw Chick, zich met een blik vol berusting op al de
meubelen beroepende. “Zij zal nog zeggen—dat weet ik—dat ik haar heb
aangemoedigd.”—“Ik wil geene verwijten uitwisselen, lieve Louise,”
snikte jufvrouw Tox. “En ik wil ook niet klagen. Maar tot mijne eigene
verdediging...”—“Ja, zij zal het zeggen,” zeide mevrouw Chick, met een
profetischen blik in de kamer rondziende. “Ik wist het wel. Zeg het mij
dan maar liever. Zeg het openlijk. Wees rondborstig, Lucretia Tox, wat
gij ook wezen moogt.”—“Tot mijne eigene verdediging, lieve Louise,”
stamelde jufvrouw Tox, “en alleen tot mijne eigene verdediging tegen
uwe harde woorden, wilde ik u alleen vragen of gij niet dikwijls zulk
eene inbeelding hebt begunstigd, en zelfs gezegd dat het wel gebeuren
kon, zooveel iemand kon zeggen?”—“Er is een punt,” zeide mevrouw Chick,
opstaande, niet alsof zij op den vloer zou blijven staan, maar alsof
zij zoo dadelijk zou omhoogrijzen en de lucht inzweven, “waarboven de
verdraagzaamheid belachelijk, zoo niet berispelijk wordt. Ik kan veel
verdragen, maar niet al te veel. Wat mij scheelde toen ik vandaag hier
in huis kwam, of het tooverij was, weet ik niet; maar ik had een
voorgevoel—een donker voorgevoel,” zeide mevrouw Chick huiverend, “dat
er iets zou gebeuren. Wel mag ik dat voorgevoel gehad hebben, Lucretia,
nu mijn vertrouwen van vele jaren in een oogenblik verwoest wordt, nu
mijne oogen op eens opengaan, en ik u in uwe ware kleuren voor mij zie.
Lucretia, ik heb mij in u bedrogen. Het is beter voor ons beiden dat de
zaak hierbij blijft. Ik wensch u het beste, en zal u altijd het beste
wenschen. Maar als iemand die zich zelve in hare eigene positie getrouw
wil zijn, wat die positie ook mag wezen of niet mag wezen—en als de
zuster van mijn broeder—als de schoonzuster van mijn broeders vrouw—en
als in aangehuwde connectie met de moeder van mijn broeders vrouw—en
misschien mag ik er bijvoegen als eene Dombey—kan ik niets anders doen
dan u goedenmorgen wenschen.”
Deze woorden, met bijtende zachtheid uitgesproken en door een verheven
gevoel van zedelijke eigenwaarde ingegeven, brachten de spreekster tot
aan de deur. Daar boog zij op eene spookachtige, standbeeldachtige
manier haar hoofd, en toen begaf zij zich naar haar rijtuig, om in de
armen van Chick, haar heer, heul en troost te zoeken.
Dat is te zeggen, figuurlijk gesproken, want Chick had zijne armen al
vol met zijne courant. Ook richtte hij zijne oogen niet naar zijne
vrouw dan alleen tersluiks; en hij bood haar ook hoegenaamd geen troost
aan. Kortom hij bleef zitten lezen en brokken van wijsjes neuriën, en
somtijds zijdelings naar haar kijken, zonder een enkel woord te
spreken, goed, kwaad of onverschillig.
Intusschen zat mevrouw Chick haar hoofd te draaien en in den nek te
zetten en zich op te blazen, alsof zij nog dat plechtig
afscheidsformulier aan Lucretia Tox herhaalde. Eindelijk zeide zij
overluid: “O, hoe zijn mij vandaag de oogen opengegaan!”
“Waarvoor zijn u de oogen opengegaan, vrouwlief?” zeide Chick.—“Och,
spreek maar niet tegen mij,” antwoordde zijne echtgenoote. “Als ge mij
zóó kunt zien, zonder eens te vragen wat mij scheelt, moest ge liever
maar geheel zwijgen.”—“Wat scheelt er dan aan, lieve?” vroeg Chick.—“Te
denken,” zeide mevrouw Chick, bij wijze van alleenspraak, “dat zij ooit
het lage denkbeeld zou hebben opgevat om zich met onze familie te
verbinden door een huwelijk met Paul! Te denken dat toen zij paardje
speelde met het lieve kind dat nu in zijn graf ligt—het beviel mij toen
ook al nooit—er zulke slinksche oogmerken achter scholen! Het verbaast
mij dat zij nooit bang werd dat haar iets overkomen zou. Zij is wel
gelukkig als dat niet gebeurt.”—“Ik dacht waarlijk, lieve,” zeide
Chick, nadat hij een poosje zijn neus met zijne courant had gewreven,
“dat gij aldoor hetzelfde op het oog hadt, tot van morgen toe; en het
wel aardig zoudt gevonden hebben, als het er toe had kunnen komen.”
Mevrouw Chick barstte dadelijk in tranen uit, en zeide haar echtgenoot,
dat hij, als hij met zijne laarzen op haar wilde trappen, het liever
maar doen moest.
“Maar met Lucretia heb ik afgedaan,” zeide mevrouw Chick, nadat zij
zich, tot groote ontsteltenis van mijnheer Chick, eenige minuten lang
aan hare aandoeningen had overgegeven. “Ik kan het wel dragen dat ik
Paul’s vertrouwen moet afstaan ter gunste van iemand, van wie ik hoop
en vertrouw dat zij het verdienen zal, en die hij alle recht heeft om
voor de arme Fanny in de plaats te stellen; ik kan het verdragen dat
Paul mij op zijne koele manier van zulk eene verandering in zijne
plannen onderricht, en dat ik niet geraadpleegd word eer alles besloten
en bepaald is; maar bedrog kan ik niet verdragen, en met Lucretia Tox
heb ik afgedaan. Het is beter zoo,” zeide zij, met eene vrome
berusting, “veel beter. Het zou lang geduurd hebben eer ik na dit alles
weder op mijn gemak met haar was geweest, en ik weet waarlijk niet,
daar Paul als een groot heer zal gaan leven en zij van afkomst zijn, of
zij eigenlijk wel presentabel zou zijn en ik mij zelve niet zou
gecompromitteerd hebben. Er is eene voorzienigheid in alle dingen; ik
ben vandaag zwaar beproefd, maar over het geheel spijt het mij niet.”
In dezen Christelijken geest droogde mevrouw Chick hare oogen af,
streek hare japon glad en bleef zitten kijken gelijk iemand past die
onder eene zware verongelijking kalm blijft. Haar echtgenoot, zonder
twijfel zijne onwaardigheid gevoelende, nam spoedig eene gelegenheid
waar om zich aan den hoek eener straat te laten afzetten, en kuierde
fluitend heen, met hoog opgetrokken schouders en de handen in de
zakken.
De arme veroordeelde jufvrouw Tox, die, als zij eene pluimstrijkster en
fleemster was, dit ten minste met alle oprechtheid was, die hare
aanklaagster altijd eene hartelijke vriendschap had toegedragen, en de
grootheid van Dombey met diep gevoelden eerbied had gehuldigd—de arme
veroordeelde en verworpene jufvrouw Tox begoot ondertusschen hare
bloemen met hare tranen en gevoelde dat het in Princess’s Place winter
was geworden.